Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

GRONDWET  van  1983

Eerste lezing
 
 

21. Rechtspositie ambtenaren

 

 

ONTWERP VAN WET (eerste lezing)

rblz.|3| 

Kamerstukken II 1977-1978, 15 048 (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 925 (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, 38)

Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake ambtenaren

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING  (eerste lezing)

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 De Grondwet en het rechtskarakter van de ambtenaarsverhouding
3 De verhouding van het voorgestelde artikel tot artikel 1.18, tweede lid
4 De verhouding van het voorgestelde artikel tot het voorstel van de staatscommissie
xArtikelsgewijs
xx Artikelen 5.2.10 t/m IV
 

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


    
De bestaande Grondwet bevat enkele bepalingen met betrekking tot ambtenaren. De belangrijkste daarvan zijn opgenomen in artikel 72. lngevolge dat artikel heeft de Koning het opperbestuur van de algemene geldmiddelen en regelt hij de bezoldiging van alle colleges en ambtenaren die uit 's Rijks kas worden betaald. Een uitzondering wordt daarbij gemaakt voor de bezoldiging van de Raad van State, van de Algemene Rekenkamer en van de rechterlijke macht; deze dient de wet te regelen. Voorts schrijft het artikel voor dat de Koning de bezoldigingen op de begroting der rijksuitgaven brengt. Ten slotte bepaalt dit artikel dat de pensioenen der ambtenaren door de wet worden geregeld.
     Naast artikel 72 geeft artikel 68, dat in het eerste lid handelt over het oppergezag van de Koning over de krijgsmacht, nog enige voorschriften ten aanzien van een bijzondere categorie van ambtenaren, de militaire officieren. Ingevolge het tweede lid worden zij door de Koning benoemd, bevorderd, ontslagen of op pensioen gesteld volgens de regels door de wet te bepalen. Ingevolge het derde lid regelt de wet de pensioenen.
     In het kader van de algehele grondwetsherziening is er aanleiding deze bepalingen te herzien. Het is weinig bevredigend dat (rechtspositionele) voorschriften met betrekking tot de ambtenaren zijn ondergebracht in een artikel dat overigens over het beheer van de algemene geldmiddelen gaat. Voorts is het niet nodig in de Grondwet een onderscheid te maken tussen burgerlijke en militaire ambtenaren. De rechtspositie van de laatsten kan volgens eenzelfde procedure worden vastgesteld als die voor andere categorieŽn van overheidspersoneel; voor daarbij nodige bijzondere voorzieningen is geen grondwettelijke regeling vereist. Ook uit de bestaande Grondwet vloeit dit reeds voor een deel voort, in dier voege dat

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Grondwet | OvW 1e lezing | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x