Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  INKOMENSVOORZIENING  OUDERE  EN  GEDEELTELIJK  ARBEIDSONGESCHIKTE  GEWEZEN  ZELFSTANDIGEN

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 
Kamerstukken II 1986-1987, 19 778

Het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van wie het inkomen duurzaam minder bedraagt dan het sociaal minimum en die als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beŽindigd (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen) Ļ

1. Redactie: de wet is gepubliceerd in Stb. 1987, 281, en is in werking getreden met ingang van 1 juli 1987.

 

 

Nr.r1 KONINKLIJKE  BOODSCHAP

 

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

     Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van Wet tot het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van wie het inkomen duurzaam minder bedraagt dan het sociaal minimum en die als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beŽindigd (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen).
     De toelichtende memorie (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.
     En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

 

's-Gravenhage, 11 november 1986

 

BEATRIX

 

 

 

Nr.r2 VOORSTEL  VAN  WET

 

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een inkomensvoorziening te treffen voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van wie het inkomen duurzaam minder bedraagt dan het sociaal minimum en die als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beŽindigd;
     Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1 [1].  [MvT]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in artikel 13 [11], eerste lid;
c. arbeidsbureau: het arbeidsbureau in welks gebied de gemeente is gelegen;
d. rijksconsulent: de rijksconsulent sociale zekerheid in wiens ambtsgebied de gemeente is gelegen;
e. commissie: de commissie, bedoeld in de artikelen 33 [-] en 34 [-];
f. nettominimumloon: het nettominimumloon, bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Algemene Bijstandswet (Stb. 1973, 395),

 

Art. 2 [2].  [MvT]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen zelfstandige:
a. de persoon die voor de voorziening in het bestaan was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep en die:
1ļ. de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt; en
2ļ. na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar het bedrijf of beroep heeft beŽindigd;
b. de persoon die voor de voorziening in het bestaan was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep en die:
1ļ. de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt;
2ļ. het bedrijf of beroep in verband met arbeidsongeschiktheid heeft beŽindigd; en
3ļ. recht heeft op uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1980, 28), berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt met de gewezen zelfstandige gelijkgesteld de meewerkende echtgenoot die voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a of b.
-3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede als gewezen zelfstandige aangemerkt de persoon die voldoet aan het bepaalde in het eerste of tweede lid en die met anderen het bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in de vorm van een maatschap, een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap, indien:
1į. de volledige zeggenschap in het bedrijf of beroep alleen of met die anderen werd uitgeoefend; en
2į. de financiŽle risico's van het bedrijf of beroep alleen of met die anderen werden gedragen.
-4. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede als gewezen zelfstandige aangemerkt de persoon die voldoet aan het bepaalde in het eerste of tweede lid en die, anders dan als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet (Stb. 1986, ...), het bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in de vorm van een besloten vennootschap of een naamloze vennootschap.
-5. De gewezen zelfstandige was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep indien in het jaar voorafgaand aan de aanvraag werd voldaan aan het urencriterium voor toepassing van de zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 44m, eerste of vierde lid, van de Wet op de Inkomstenbelasting (Stb. 1964, 519).

 

Art. 3 [3+4].  [MvT]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als echtgenoot aangemerkt degene die niet duurzaam gescheiden leeft van de gewezen zelfstandige met wie hij of zij gehuwd is.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede als echtgenoot aangemerkt de niet met de gewezen zelfstandige gehuwde persoon van hetzelfde of het andere geslacht met wie de gewezen zelfstandige duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een persoon met wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
-3. Van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het tweede lid, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding, dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-4. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als alleenstaande gewezen zelfstandige aangemerkt de niet gehuwde persoon, dan wel de duurzaam gescheiden levende gewezen zelfstandige, die niet een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in het tweede lid.
-5. Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van het derde lid.
-6. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als kind aangemerkt het kind jonger dan 18 jaar dat niet als eigen kind of pleegkind tot het huishouden van een ander dan de gewezen zelfstandige behoort en voor wie de gewezen zelfstandige op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) kinderbijslag ontvangt, dan wel zal ontvangen.

 

 

HOOFDSTUK  II

De uitkering

 

ß 1.  De voorwaarden voor het recht op uitkering

 

Art. 4 [5].  [MvT]
-1. Recht op uitkering hebben:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Ioaz | MvT | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x