Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  WIJZIGING  OVERGANGSRECHT  ANW  ALSMEDE  ENKELE  TECHNISCHE  AANPASSINGEN

 

 

 

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1995-1996, 24 693

Wijziging van de Algemene nabestaandenwet (wijziging overgangsrecht alsmede enkele technische aanpassingen)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Inkomen in verband met arbeid
3 Overgangsrecht algemeen
4 Overige punten
5 FinanciŰle gevolgen
xArtikelsgewijs
xx Artikelen I en II
 

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Algemene nabestaandenwet (Anw) in de Eerste Kamer is door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid desgevraagd toegezegd een wetsvoorstel voor te bereiden dat een bijzondere vrijlating regelt voor AWW-gerechtigden met inkomen in verband met arbeid. Dit wetsvoorstel strekt daartoe (zie Handelingen EK, 19 december 1995, 14-582; 14-590) [lees: Handelingen I, vergadering d.d. 19 december 1995, nr. 14, blz. 582-590, red.]. Tevens worden op enkele punten technische verbeteringen voorgesteld om te voorkomen dat onduidelijkheid zou kunnen ontstaan bij de toepassing van een aantal bepalingen van de Anw.

 

2. Inkomen in verband met arbeid


     In de Anw wordt bepaald dat de nabestaandenuitkering wordt gekort met het inkomen uit en het inkomen in verband met arbeid. Het inkomen uit arbeid wordt echter geheel of gedeeltelijk vrijgelaten: van het inkomen uit arbeid wordt namelijk een deel ter hoogte van 50% van het brutominimumloon en een derde van het inkomen boven die grens afgetrokken; met dit bedrag (inkomen minus vrijlating) wordt de nabestaandenuitkering gekort. De reden van deze vrijlating is de arbeidsparticipatie niet te ontmoedigen. Indien iedere verdiende gulden meteen op de nabestaandenuitkering in mindering zou worden gebracht, zou dat wellicht mensen ertoe brengen hun betaalde arbeid te beŰindigen of geen betaalde arbeid te aanvaarden. Hierdoor zou de doelstelling van arbeidsparticipatie worden gefrustreerd.
     Voor personen die vˇˇr de inwerkingtreding van de Anw een AWW-uitkering combineerden met een inkomen in verband met arbeid zou het gevolg van de inkomenstoets zijn dat zij met ingang van 1 januari 1998 (het moment waarop de inkomenstoets voor hen voor het eerst van kracht wordt) geconfronteerd worden met een daling van hun totale inkomen, terwijl hun de mogelijkheden kunnen ontbreken om door middel van arbeid dat inkomen weer te verruimen. Weliswaar was voorzien in een gewenningsperiode, maar het kabinet kan zich vinden in de opvatting
rblz.|2| van de leden van de fracties van PvdA, VVD en D66 van de Eerste Kamer dat de inkomensterugval voor deze groep te groot zou zijn. In dit wetsvoorstel wordt nu voorgesteld personen die vˇˇr de inwerkingtreding van de Anw een AWW-uitkering genoten een speciale vrijlating te geven voor inkomen in verband met arbeid. Deze speciale vrijlating bedraagt 50% van het brutominimumloon. Ook geldt voor deze groep de gewone vrijlating voor inkomen uit arbeid. Indien iemand echter inkomen uit arbeid en inkomen in verband met arbeid combineert met een nabestaandenuitkering, kunnen beide vrijlatingen niet tegelijkertijd naast elkaar genoten worden in die zin dat twee keer 50% brutominimumloon vrijgelaten zou worden. De totale vrijlating kan niet meer bedragen dan 50% van het brutominimumloon en een derde deel van het verschil tussen het inkomen uit arbeid, indien dat inkomen meer bedraagt dan 50% van het brutominimumloon, en 50% van het brutominimumloon (artikel 67, tweede lid).
     De bijzondere vrijlatingsregeling is in de tijd onbeperkt. Het moment waarop inkomen in verband met arbeid wordt of is verworven, is niet van belang. Ook personen met een AWW-uitkering die geen inkomen in verband met arbeid hebben op het moment van inwerkingtreden van de Anw of op het moment dat de inkomenstoets van kracht wordt, kunnen profiteren van deze bijzondere vrijlatingsregeling van inkomen in verband met arbeid. De reden hiervoor is dat op deze wijze wordt aangesloten bij de overige overgangsbepalingen. Zo geldt het uitstel van de inkomenstoets tot 1 januari 1998 niet alleen voor AWW-gerechtigden die op 1 juli inkomen hebben, maar voor alle AWW-gerechtigden, en geldt de bepaling dat bij de werking van de inkomenstoets voor AWW-gerechtigden die geboren zijn vˇˇr 1941 een bedrag ter hoogte van 30% minimumloon buiten aanmerking blijft, ook indien deze nabestaanden pas op een moment na 1 januari 1998 voor het eerst inkomen

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | de wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x