blz. 1  

Kamerstukken II 1997-1998, 25 900

Wijziging van de Algemene nabestaandenwet in verband met gebleken onbillijkheden

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 De achtergrond van de wijzigingen
2.1 Uitbreiding tijdelijke overgangsregeling
2.2 Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke huishouding
2.3 Wijzigingen die betrekking hebben op het overgangsrecht voor voormalig AWW-ers
2.4 Andere wijzigingen
3 Financiële gevolgen
xArtikelsgewijs
xxx| Artikelen I t/m VI
 

 

 

Algemeen  deel

 

1. Inleiding


     Naar aanleiding van verzoeken van leden van de Tweede Kamer heeft het kabinet besloten de Algemene nabestaandenwet (Anw) op enkele punten te wijzigen. De bedoeling hiervan is onbedoelde en ongewenste effecten die bij de uitvoering van de wet naar voren zijn gekomen en naar verwachting zullen optreden te repareren. De voorstellen tot wijziging zijn in de brief van 15 september 1997 (Kamerstukken II 1996-1997, 25 517, nr. 2) aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt. De Tweede Kamer heeft met deze voorstellen ingestemd. In dit wetsvoorstel worden de aangekondigde wijzigingen geregeld, met uitzondering van die voorstellen die betrekking hebben op het Inkomens- en samenloopbesluit Anw.

     Aanleiding voor de voorgestelde wijzigingen was het gevoelen bij veel betrokkenen (kamerleden, maatschappelijke groeperingen en burgers) dat de Anw onevenredig zwaar uitwerkt voor zowel oud AWW-gerechtigden (dat wil zeggen nabestaanden die een uitkering hadden op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) vóór de inwerkingtreding van de Anw; hierna te noemen voormalig AWW-ers) als voor personen die nabestaande zijn geworden of zullen worden na inwerkingtreding van de Anw. Hierbij werd dan gedacht aan het feit dat sommige voormalig AWW-ers per 1 januari 1998 de gehele uitkering zouden verliezen, dat de inkomenstoets voor bepaalde vormen van inkomen in verband met arbeid niet redelijk werd geacht en dat het voeren van een gezamenlijke huishouding door de nabestaande het in sommige gevallen maatschappelijk ongewenste gevolg van het beëindigen van de uitkering zou hebben. Daarnaast werd het ongewenst geacht dat sommige personen in de toekomst geen uitkering zullen krijgen, terwijl zij die onder de AWW wel gehad zouden hebben.

     Tijdens het overleg met de Tweede Kamer is besloten tot de volgende wijzigingen:
1. een inkomensonafhankelijke bodem ter hoogte van 30% minimumloon voor voormalig AWW-ers;
 blz. 2  2. het beschouwen van arbeidsvoorwaardelijke regelingen als inkomen uit arbeid;
3. uitbreiding van de tijdelijke overgangsregeling voor personen geboren na 1 januari 1950 en vóór 1 juli 1956 waarvan de echtgenoot naar verwachting zal overlijden op of na 1 juli 1999 terwijl hij zijn overlijdensrisico niet particulier kan verzekeren gezien zijn gezondheidstoestand;
4. het beschouwen van meerderjarige aangehuwde en pleegkinderen als eerstegraads bloedverwanten;
5. het toekennen van een herlevingsperiode na het beëindigen van het uitkeringsrecht bij het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding;
6. het tegengaan van uitkeringsverlies bij thuisverzorging van een hulpbehoevende.

     In dit wetsvoorstel worden de wijzigingen ad 3, 4, 5 en 6 in de Anw geregeld ten behoeve van personen die vanaf 1 juli 1996 nabestaande zijn geworden. Voor voormalig AWW-ers is inmiddels op basis van artikel 67, achtste lid, van de Anw bij ministeriële regeling de Tijdelijke regeling reparaties overgangsrecht Anw getroffen die

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.