Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE3731
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2002:AE3731
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 00/2281 NABW en 00/2307 NABW
Datum uitspraak: 21 mei 2002
Wetsartikelen: artt. 14 en 113 Abw (= 18 en 9 Wwb) / XVI Wet BMT / 8:72 Awb
Trefwoorden: maatregel; sanctie; schending arbeidsverplichtingen; sollicitatieverplichting; werkweigering; Melkert-1-baan; gesubsidieerde arbeid; recidive
Essentie: Terechte oplegging maatregel van 10% gedurende één maand wegens niet solliciteren en maatregel van 20% gedurende twee maanden (verzwaard in verband met recidive) wegens weigering van een Melkert-1-baan.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 00/2281 NABW en 00/2307 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 24 maart 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 21 maart 2002 heeft appellant nog een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes, werkzaam bij de gemeente Den Haag.




II. Motivering


De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak heeft vermeld.

Ter uitvoering van een eerder door de rechtbank gewezen uitspraak van 20 november 1998 heeft gedaagde op 27 april 1999 een nieuw besluit op bezwaar genomen met betrekking tot een tweetal aan appellant opgelegde kortingsmaatregelen. De eerste aan appellant opgelegde korting betreft een verlaging van de bijstand met 10% met ingang van 1 juli 1997 voor de duur van één maand op de grond dat appellant niet naar vermogen heeft getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen (besluit 1). De tweede aan appellant opgelegde korting betreft een verlaging van de bijstand met 20% voor de duur van twee maanden met ingang van 1 december 1997 op de grond dat appellant, nadat hij eerder niet naar vermogen heeft getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, door zijn gedragingen de inschakeling in de arbeid heeft belemmerd (besluit 2). Bij voormeld besluit van 27 april 1999 heeft gedaagde het bezwaar tegen de vorengenoemde kortingen ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep dat was gericht tegen besluit 1 gegrond verklaard en heeft met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de ingangsdatum van de maatregel moet worden vastgesteld op 1 augustus 1997. Het beroep dat gericht was tegen besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

Appellant heeft de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep betwist. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat gedaagde terecht kortingen op appellants uitkering toegepast.

De Raad overweegt het volgende.

Met betrekking tot besluit 1

De Raad stelt eerst vast dat gedaagde als tijdvak voor de beoordeling van de maatregel in aanmerking heeft genomen appellants gedragingen in de periode van 23 december 1996 tot 23 juni 1997 en de maatregel heeft gehandhaafd op basis van de vanaf 1 juli 1997 geldende tekst van artikel 14 van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit). Ingevolge artikel XVI, eerste lid, van de Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) had gedaagde echter gelet op het vorengenoemde tijdvak de tot 1 juli 1997 geldende tekst van artikel 14 van de Abw en het op deze bepaling gebaseerde Sanctiebesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Sanctiebesluit) aan zijn beoordeling ten grondslag moeten leggen. Dit leidt tot de conclusie dat het besluit van 27 april 1999 voor zover dat betrekking heeft op besluit 1 wegens strijd met de wet niet in stand kan worden gelaten.

De Raad acht niettemin termen aanwezig om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand te laten. Hij overweegt daartoe het volgende.

Artikel 14, tweede lid, onderdeel a, (oud) van de Abw bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking, burgemeesters en wethouders de bijstand in afwijking van hoofdstuk IV van deze wet lager vaststellen.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant bij zijn aanvraag van 23 juni 1997 geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij sollicitaties heeft verricht. Door appellant is gesteld dat hij bij een taxibedrijf heeft gesolliciteerd, maar ook van deze sollicitatie heeft appellant geen stukken overgelegd. Gelet op het vorenstaande moet het er, naar het oordeel van de Raad, voor worden gehouden dat appellant ten tijde hier van belang niet naar vermogen heeft getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. De enkele omstandigheid dat appellant zich tijdig heeft aangemeld bij het arbeidsbureau als werkzoekende geeft onvoldoende aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

De Raad onderschrijft derhalve het standpunt van gedaagde dat appellant tijdens de in de hier van belang zijnde periode niet naar vermogen heeft getracht om arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen en voorts dat dit hem valt te verwijten.

Uit het bepaalde in artikel 14, tweede lid, onderdeel a, en zesde lid, (oud) van de Abw en artikel 3, onderdeel 2, subonderdeel a, en artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Sanctiebesluit volgt dat in geval van het in onvoldoende mate trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen de uitkering in beginsel wordt verlaagd met 10% voor de duur van één maand. Aan de Raad is niet gebleken dat de omstandigheden van appellant en de mate van verwijtbaarheid gedaagde aanleiding hadden moeten geven om de opgelegde maatregel te matigen met toepassing van artikel 14, derde lid, (oud) van de Abw.

Met betrekking tot besluit 2

In artikel 113, eerste lid, onderdeel d, (oud) van de Abw is voor de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking onder meer de verplichting opgenomen om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert.
Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende een op grond van hoofdstuk VIII van de Abw aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.

Uit de gedingstukken blijkt dat met appellant op 30 oktober 1997 in een intakegesprek de mogelijkheden voor een zogenoemde "Melkert-1-baan" zijn besproken, in welk gesprek appellant zou hebben aangegeven zich niet beschikbaar te stellen voor een dergelijke baan omdat deze hem geen of onvoldoende financieel voordeel zou opleveren. Uit een brief van Werkraat van 3 november 1997 blijkt dat vorengenoemde opstelling van appellant aanleiding was te concluderen dat appellant een zogeheten "niet-willer" is, waardoor hij zichzelf in de omstandigheden heeft gebracht dat inschakeling in arbeid ernstig wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt. De Raad heeft in hetgeen appellant hiertegen heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door Werkraat weergegeven feiten en kan zich derhalve verenigen met de door deze getrokken conclusie. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant zelf in een zogeheten arbeidsbemiddelingsbijlage heeft aangegeven - hetgeen hij ook ter zitting van de Raad heeft bevestigd - dat hij zich niet beschikbaar stelt voor een, zoals hij dat noemt, "gefinancierde armoedebaan".

Gelet op het vorenstaande onderschrijft de Raad het standpunt van gedaagde dat appellant - nadat hij eerder in onvoldoende mate heeft getracht arbeid te verkrijgen - ten aanzien van de inschakeling in het arbeidsproces eisen heeft gesteld die het aanvaarden van passende arbeid belemmeren.

Uit het bepaalde in artikel 14, eerste en vijfde lid, van de Abw en artikel 3, aanhef en onder 3, subonderdeel a, en 5, eerste lid, onderdeel c, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit) volgt dat in geval van gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren de uitkering in beginsel wordt verlaagd met 20% voor de duur van één maand. Gelet op hetgeen in deze uitspraak is overwogen met betrekking tot besluit 1 is de Raad tevens van oordeel dat gedaagde een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit door de duur van de opgelegde verlaging van de bijstand te verlengen met één maand. Aan de Raad is voorts niet gebleken dat de omstandigheden van appellant en de mate van verwijtbaarheid gedaagde aanleiding hadden moeten geven om de opgelegde maatregel met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw te matigen.
Daartoe merkt de Raad nog op dat in hetgeen appellant als rechtvaardiging voor zijn weigerachtige opstelling ten aanzien van arbeidsinschakeling in Melkert-1-banen heeft gegeven geen grond is te vinden om de verweten gedragingen hem in mindere mate aan te rekenen.

De Raad acht geen termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

met betrekking tot besluit 1:
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het inleidende beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 27 april 1999;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven;
bepaalt dat de gemeente Den Haag aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van €77,14 (ƒ170,-) vergoedt;

met betrekking tot besluit 2:
bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.