Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB3333
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 00/1113 ABW
Datum uitspraak: 15 februari 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 33, 35 en 138 Abw (= 25, 27 en 79 Wwb) / 8:73 Awb
Trefwoorden: verlaging bijstandsnorm of toeslag; kostendeling; woningdeling met ouder; terugwerkende kracht; onrechtmatige bepaling in gemeentelijke verordening; formele rechtskracht; bezwaar tegen uitkeringsspecificatie; renteschadevergoeding; wettelijke rente
Essentie: Terechte afwijzing toeslag met terugwerkende kracht tot vr de reparatie (wegens strijd met de wet) van de betreffende gemeentelijke verordening, omdat betrokkene - nu niet kan worden bestreden dat het besluit inzake intrekking van de toeslag niet is ontvangen - niet tegen de eerste uitkeringsspecificatie waarbij niet langer de toeslag werd verleend bezwaar heeft gemaakt. De aan het beginsel van de formele rechtskracht verbonden bezwaren zijn in dit geval niet zo klemmend te achten dat uitzondering op dat beginsel dient te worden gemaakt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/1113 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.




1. Ontstaan en loop van het geding


Eiser valt vanaf 1 maart 1997 onder het regime van de op 1 januari 1996 in werking getreden Algemene bijstandswet (hierna: Abw) en ontvangt vanaf 1 april 1997 een uitkering krachtens die wet, naar de norm voor een alleenstaande. Daarvr ontving hij een uitkering krachtens de voorganger van die wet, de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW).

Bij besluit van 7 oktober 1999 heeft verweerster eiser met ingang van 1 maart 1999 een toeslag toegekend als bedoeld in artikel 33 van de Abw ter hoogte van 14 procent van het nettominimumloon [= 14% van de gehuwdennorm, red.].

Bij besluit van 23 december 1999, verzonden op 13 januari 2000, heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 februari 2000, ingekomen bij de rechtbank op 3 februari 2000, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 maart 2000.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 4 juli 2000 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 4 december 2000 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door M.I.E. Rhuggenaath.

Aangezien ter zitting bleek dat het onderzoek niet kon worden gesloten, is verweerster in de gelegenheid gesteld enige nadere stukken aan de rechtbank over te leggen, hetgeen zij heeft gedaan bij brief van 5 december 2000.

Eiser heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, op deze nadere stukken aanvankelijk niet gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven uitspraak op het beroep te doen zonder behandeling ervan in een nadere zitting. Bij het geven van deze toestemming heeft eiser erkend dat hetgeen verweerder stelt over de wijziging van de hoogte van de uitkering juist is.




2. Motivering


Eiser is een alleenstaande man van, nu, 39 jaar, die bij zijn moeder in huis woont en daar ook steeds heeft gewoond. Aanvankelijk ontving hij bijstand naar de norm voor een alleenstaande, zonder toeslag krachtens artikel 33 van de Abw. Bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 maart 1999 in de zaak 98/6295 ABW (RSV 1999/163) [
LJN ZB8147, red.] is geoordeeld dat in het geval een ontvanger van bijstand ouder dan 21 jaar bij zijn ouder(s) inwoont het hebben van enig zogeheten schaalvoordeel niet kan worden uitgesloten, maar dat in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd dat wat het kunnen delen van de algemeen noodzakelijke bestaanskosten betreft bij deze groep sprake is van een situatie die op dit punt geheel vergelijkbaar is met die van gehuwden. De desbetreffende bijstandsverordening van de gemeente Rotterdam is in die uitspraak in strijd met artikel 33 van de Abw geacht. Op basis hiervan heeft het gemeentebestuur van Den Haag zijn - op dit punt geheel vergelijkbare - bijstandsverordening aangepast, in die zin dat dergelijke bijstandsontvangers wel een toeslag kunnen ontvangen. Aan deze wijziging is in de verordening terugwerkende kracht verleend tot 1 maart 1999. Zoals in de vorige paragraaf van deze uitspraak is weergegeven, is aan eiser op die voet een toeslag toegekend.

Eiser meent dat niet verweerster, maar het college van burgemeester en wethouders het bevoegde orgaan is te beslissen over zijn aanspraak op een uitkering. Meer specifiek geeft hij aan dat artikel 120, tweede lid, van de Abw zich verzet tegen mandaatverlening.
Eiser betoogt verder dat verweerster ten onrechte de terugwerkende kracht heeft beperkt tot 1 maart 1999. Deze datum kan, aldus eiser, niet afhankelijk zijn van het al of niet bereid zijn van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de kosten te vergoeden. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep vloeit volgens eiser voort dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 1996 of althans tot het moment waarop een betrokkene onder het regime van de (nieuwe) Abw is komen te vallen, alsnog een toeslag moet worden verstrekt als bedoeld in artikel 33 van de Abw. Dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen een eerder besluit kan hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser, omdat hij nimmer een dergelijk besluit heeft ontvangen. Bovendien kan verweerster in voor betrokkene gunstige zin terugkomen op een eerder besluit.
Eiser verzoekt de rechtbank ten slotte verweerster te veroordelen tot vergoeding van de schade, in de vorm van wettelijke rente, op de voet van artikel 8:73 van de Awb.

Verweerster baseert de beperking van de terugwerkende kracht tot 1 maart 1999 op informatie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, inhoudende dat gemeenten niet verplicht zijn hun verordeningen met terugwerkende kracht tot 1 januari 1996 aan te passen, reden waarom het ministerie niet bereid is kosten over eerdere jaren te vergoeden. Verweerster acht zich slechts verplicht om de gewijzigde verordening terugwerkende kracht te verlenen vanaf het moment dat zij bekend was met het feit dat er een met artikel 33 van de Abw strijdige bepaling in stond. Voor zover verweerster heeft kunnen nagaan, heeft eiser geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 maart 1997 waarin de uitkering, zonder toeslag, krachtens de (nieuwe) Abw per 1 april 1997 is bepaald op 50 procent van de bijstandsnorm, zodat dit besluit onherroepelijk is. Dat eiser stelt dit besluit nooit te hebben ontvangen, doet er niet aan af dat eiser op de hoogte is en is geweest van de rechtsgevolgen van die beslissing.

Over de bevoegdheid van verweerster te beslissen over het onderwerp hier in geding overweegt de rechtbank dat de gemeenteraad van Den Haag bij verordening van 27 november 1997, in werking getreden op 1 januari 1998 (de Delegatieverordening), de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot het nemen van besluiten, niet zijnde besluiten van algemene strekking, krachtens de Abw heeft gedelegeerd aan verweerster. Van mandaat, hetgeen eiser veronderstelt, is geen sprake. Gelijk de rechtbank in haar uitspraak van 22 juni 1999 in de zaak AWB 98/6192 heeft overwogen, heeft de rechtbank geen gebreken geconstateerd in de wijze waarop deze delegatie krachtens artikel 165 van de Gemeentewet is geregeld. Verweerster heeft zich dus terecht bevoegd geacht.

Niet in geding is dat uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 maart 1999 logischerwijs volgt dat ook de verordening van de gemeente Den Haag op dit punt in strijd was met artikel 33 van de Abw, zij het dat verweerster in genoemde uitspraak uitsluitend aanleiding ziet meerbedoelde toeslag met een beperkte terugwerkende kracht en voor de toekomst toe te kennen. Het geding beperkt zich dus tot de vraag of reparatie ook vr 1 maart 1999 dient plaats te vinden.

Ter beantwoording van de vraag of de strijdigheid met artikel 33 van de Abw tot gevolg moet hebben dat betrokkenen over de gehele periode dat zij een uitkering onder het regime van de (nieuwe) Abw ontvingen alsnog een toeslag toegekend krijgen, kan niet worden staande gehouden dat het moment waarop de gemeente bekend werd met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep op zich bepalend zou zijn. Uit die uitspraak volgt immers dat de verordening van meet af aan in strijd was met artikel 33 van de Abw. De gevolgen van het in het leven roepen van een verordening die in strijd is met de relevante hogere wetgeving dienen in beginsel voor rekening te komen van de gemeente waartoe verweerster behoort. De verordening is immers vastgesteld door een orgaan van de gemeente, de gemeenteraad van Den Haag. De verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om op juiste wijze de uitvoering van artikel 33 van de Abw te regelen in een verordening als bedoeld in artikel 38 van die wet kan niet zonder meer worden afgewenteld op de rechthebbenden als bedoeld in dat artikel. Om dezelfde redenen is ook de omstandigheid dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet bereid zou zijn over perioden eerder dan 1 maart 1999 de kosten te vergoeden aan de gemeente in dit verband irrelevant.

Wat ter beoordeling daarom overblijft is verweersters grond dat de formele rechtskracht van een eerder besluit in de weg kan staan aan het alsnog toekennen van de omstreden toeslag over de gehele periode. De rechtbank tekent hierbij aan dat in het geval waarover de Centrale Raad van Beroep oordeelde in zijn uitspraak van 2 maart 1999 betrokkene bezwaar had gemaakt tegen het besluit waarmee zij onder het regime van de (nieuwe) Abw was gebracht, waarbij tevens was besloten dat zij de toeslag als bedoeld in artikel 33 van die wet niet kreeg toegekend. In dat geval speelde dus de problematiek van de formele rechtskracht die in het thans voorliggende geding moet worden beoordeeld niet.

De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen grond voor het oordeel dat eiser en verweerster het erover eens zijn dat de door verweerster oorspronkelijk genomen beschikking onrechtmatig was. Verweerster stelt zich in het bestreden besluit, in navolging van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, op het standpunt dat zij zich niet verplicht acht haar verordening met terugwerkende kracht tot januari 1996 aan te passen. Op die grond bestaat daarom niet, zoals in het geval waarover de Hoge Raad had te oordelen in zijn arrest van 18 juni 1993, nr 15041 (NJ 1993, 642), aanleiding te komen tot een doorbreking van de formele rechtskracht. Integendeel houdt verweerster juist vast aan dat oorspronkelijke besluit en verricht in beperkte mate reparatie door per 1 maart 1999 alsnog de meergenoemde toeslag toe te kennen. Voor zover aansluiting moet worden gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake formele rechtskracht, komt daarom eerder in aanmerking zijn arrest van 16 oktober 1992, nr. 14724 (NJ 1993, 638), waarin eveneens na een onverbindendverklaring van een verordening in beperkte mate reparatie was gepleegd en het geschil ging over de daaraan voorafgaande periode. Bezien dient te worden of de aan het beginsel van de formele rechtskracht verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat hierop, gezien de bijzonderheden van het gegeven geval een uitzondering moet worden gemaakt. In dat licht zal hieronder worden onderzocht of de omstandigheid dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de oorspronkelijke toekenning van een uitkering naar de norm voor een alleenstaande - dus zonder toeslag - hem moet worden tegengeworpen.

Zoals hierboven aangegeven, valt eiser per 1 maart 1997 onder het regime van de (nieuwe) Abw en ontvangt hij vanaf 1 april 1997 een uitkering ter hoogte van 50 procent van de bijstandsnorm. Eisers ontkenning het besluit waarin dat is neergelegd, het besluit van 4 maart 1997, ooit te hebben ontvangen, wordt door verweerster niet bestreden en ook voor het overige is het de rechtbank niet gebleken dat eiser dat besluit wel zou hebben ontvangen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser het besluit niet heeft ontvangen.

Verweerster heeft na de zitting uitkeringsspecificaties over de maanden maart, april en mei 1997 en een overzicht van de boekingen (waaronder de uitbetalingen aan eiser per bank) over de maanden januari tot en met juli 1997 overgelegd. Hieruit blijkt dat eiser in januari en februari 1997 1116,58, in maart 1997 1127,08 en vanaf april 1997 939,23 op zijn rekening ontving.

In de uitkeringsspecificatie over maart 1997 is vermeld dat eiser naast het bedrag naar de norm voor een alleenstaande een toeslag ontvangt ten bedrage van 198,15. In de uitkeringsspecificaties over april en mei komt geen vermelding van een toeslag voor. Onderaan laatstbedoelde specificaties is vermeld: "Uw uitkering wordt vanaf 1 april 1997 berekend volgens de nieuwe Algemene bijstandswet. Hierover bent u al eerder per beschikking genformeerd. Als de hoogte van uw uitkering door de nAbw is gewijzigd, wordt de reden in deze beschikking vermeld". Eiser ontkent niet dat hij de (correct geadresseerde) uitkeringsspecificaties heeft ontvangen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hij ze heeft ontvangen. Nu het bedrag dat eiser op zijn rekening ontving vanaf april 1997 bijna 200,- lager uitviel en de uitkeringsspecificaties met ingang van die maand geen "toeslag" meer vermelden, maar wel repten van een wetswijziging en een besluit dienaangaande, mocht van eiser worden verwacht dat hij, indien hij het hiermee niet eens was of het niet begrijpelijk vond, zich tot de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag had gewend om informatie hierover te ontvangen. Ook indien hij het besluit waarin n en ander was vastgelegd niet heeft ontvangen, had hij dan immers alsnog te horen gekregen waarop de verlaging van zijn uitkering was gebaseerd. Er mag van worden uitgegaan dat het besluit hem dan alsnog ter hand was gesteld; vervolgens had hij daartegen bezwaar kunnen maken. Daar komt bij dat hij, als hij in onwetendheid verkeerde over het wegvallen van de toeslag per 1 april 1997, bezwaar had kunnen maken op de voet van artikel 138 van de Abw tegen de - in zijn ogen - te lage betalingen vanaf die datum.

Nu eiser evenwel heeft berust in het ontvangen van een aanzienlijk lager bedrag, zonder toeslag, kan eiser met zijn bezwaar en beroep niet bewerkstelligen enige jaren later alsnog met terugwerkende kracht tot 1 april 1997 die toeslag te ontvangen. De aan het beginsel van de formele rechtskracht verbonden bezwaren zijn in dit geval niet zo klemmend te achten dat uitzondering op dat beginsel dient te worden gemaakt. Met de toekenning van de toeslag in het primaire besluit met terugwerkende kracht tot 1 maart 1999 is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet tekort gedaan. Verweerster is, anders dan eiser kennelijk meent, niet verplicht in voor eiser gunstige zin in verdergaande mate terug te komen op het eerdere besluit.

Het beroep is ongegrond.

Nu artikel 8:73 van de Awb de rechtbank uitsluitend de mogelijkheid geeft over te gaan tot veroordeling van een partij tot betaling van schadevergoeding indien het beroep gegrond wordt verklaard, dient het verzoek om zo'n schadevergoeding hier te worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




3. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mrs. D.A. Verburg, C.J. Waterbolk en S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.H. Peper.





Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.




Deze uitspraak is door de Centrale Raad van Beroep bevestigd op 15 februari 2005 in de zaak 01/2014 NABW
(LJN AS6593), red.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AB6631
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 00/11511 ABW
Datum uitspraak: 22 juni 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 78c Abw (= Wwb)
Trefwoorden: terugvordering; afzien van verdere terugvordering; fraudeschuld; niet nakomen aflossingsverplichtingen; inkomensgegevens
Essentie: Terechte afwijzing verzoek om kwijtschelding - na vijf jaren aflossing - van het restant van een fraudeschuld, omdat niet kan worden vastgesteld of gedurende die vijf jaren volledig aan de aflossingsverplichtingen is voldaan nu niet, zoals vereist, per kwartaal de inkomensgegevens zijn overgelegd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/11511 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser A] en [eiser B], wonende te [woonplaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorburg [zie gemeente Leidschendam-Voorburg, red.], verweerder.




1. Ontstaan en loop van het geding


Op 24 augustus 1999 hebben eisers bij verweerder een aanvraag om kwijtschelding van hun schuld bij de sociale dienst ingediend.

Bij besluit van 11 februari 2000 heeft verweerder het verzoek tot kwijtschelding afgewezen.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 11 maart 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eisers zijn gehoord omtrent hun bezwaren door de Commissie bezwaar- en beroepschriften op 24 augustus 2000.

Bij besluit van 18 september 2000 heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 25 oktober 2000, ingekomen bij de rechtbank op 26 oktober 2000, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 30 november 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend alsmede een verweerschrift.

Het beroep is op 13 juni 2001 ter zitting behandeld.
Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. E.M. Krukziener.
Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.




2. Motivering


De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit van 18 september 2000 in rechte stand kan houden.

De rechtbank stelt vast dat de schuld van eisers betrekking heeft op ten onrechte genoten bijstandsuitkering over de periode van 15 maart 1988 tot 15 maart 1993. Bij beschikking van 8 augustus 1994 heeft de arrrondissementsrechtbank te Den Haag in hoger beroep bepaald dat de vordering vastgesteld dient te worden op 50.000,- en het aflossingsbedrag op minimaal 100,- per maand, met dien verstande dat als het inkomen zou uitkomen boven bijstandsniveau, men de helft van de verdiensten boven bijstandsniveau eveneens zou moeten aflossen boven de vastgestelde 100,- per maand. Tevens werd bepaald dat eisers eenmaal per kwartaal, voor de eerste maal op 1 oktober 1994, een overzichtelijke opgave van hun maandelijkse inkomsten in het voorafgaande kwartaal aan de gemeente dienen over te leggen.
Eisers hebben in de periode van 1 augustus 1994 tot 1 augustus 1999 een bedrag van 6000,- afgelost. Het verzoek om kwijtschelding betreft derhalve een bedrag van 44.000,-.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit het volgende naar voren gebracht.
Eisers hebben gedurende vijf jaar op hun fraudeschuld bij verweerder afgelost. Zij menen dat het huidige afbetalingssysteem zeer in het nadeel van hun toekomst werkt. Gezien het feit dat eisers nu vijf jaar hebben betaald, menen zij in aanmerking te komen voor kwijtschelding van het restant van de vordering.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet kan beoordelen f, en zo ja, in hoeverre eisers gedurende vijf jaar aan hun aflossingsverplichting hebben voldaan, aangezien eisers zich niet hebben gehouden aan de verplichting volgend uit de beschikking in hoger beroep van de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 8 augustus 1994. Eisers hebben, ondanks herhaalde aanmaningen van verweerder, de gevraagde gegevens niet (volledig) overgelegd.

Het verzoek van eisers om af te zien van verdere terugvordering heeft betrekking op artikel 78c, eerste lid, onderdeel a, van de Abw, aangezien eisers stellen nu vijf jaar te hebben betaald en hopen op een nieuwe situatie die hun toekomst niet in de weg staat. Dit artikel is op 1 augustus 1998 bij inwerkingtreding van de Wet herziening debiteurenbeleid (Wet van 9 april 1998, Stb. 1998, 278) [Wet terugvordering en verhaal in verband met herziening van het debiteurenbeleid, red.] ingevoerd. Artikel 78c van de Abw luidt, voor zover van belang, als volgt:
-1. In afwijking van artikel 78 kunnen burgemeester en wethouders besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in n keer aflost.
-2. De in het eerste lid, onderdeel a en b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid.
(...).

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel in het kader van de Wet herziening debiteurenbeleid door de wetgever slechts wijziging is gebracht in de terugvorderingsbepalingen van de (nieuwe) Abw, een redelijke uitleg van de ter zake geldende wettelijke bepalingen, waaronder artikel 78c van de Abw, met zich brengt dat ten aanzien van besluiten als het onderhavige, waar het gaat om de tenuitvoerlegging van een onder de (oude) ABW tot stand gekomen terugvorderingsbesluit, het (nieuwe) Abw-recht van toepassing is.

De rechtbank overweegt dat in het geval door een belanghebbende een beroep op artikel 78c, eerste lid, van de Abw wordt gedaan, het bestuursorgaan allereerst dient vast te stellen of aan de voorwaarden zoals genoemd in dit artikel is voldaan. Deze voorwaarden houden, voor zover van belang in het onderhavige geschil, in dat de belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichting moet hebben voldaan, dan wel gedurende vijf jaar niet volledig aan deze betalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet vastgesteld kan worden of eisers gedurende vijf jaren volledig aan hun aflossingsverplichtingen hebben voldaan, aangezien zij niet de daartoe vereiste gegevens hebben verstrekt. Uit de gedingstukken blijkt hiertoe het volgende. Bij brief van 15 september 1994 heeft verweerder meegedeeld zich te conformeren aan de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 8 augustus 1994 en dat, in verband hiermee, eisers met ingang van 1 september 1994 minimaal 100,- per maand dienen af te lossen en daarnaast dat zij, met ingang van 1 oktober 1994 vr de tiende van de maand, de kwartaalcijfers van het voorafgaande kwartaal dienen in te leveren, waarna de aflossing voor het nieuwe kwartaal zal worden vastgesteld en dit zo vervolgens ieder kwartaal. Bij brieven van 16 maart 1995, 30 november 1995, 31 oktober 1996, 22 juni 1998, 7 januari 1999 (verzonden 24 maart 1999), 24 juni 1999 en 4 oktober 1999 heeft verweerder eisers gewezen op de verplichting ieder kwartaal een overzicht van verdiensten in te leveren teneinde het juiste aflossingsbedrag vast te kunnen stellen en heeft verweerder vanaf 1996 verzocht, in verband met het uitblijven van deze overzichten, de jaarcijfers over voorgaande jaren in te leveren. Ondanks bovengenoemde herhaalde verzoeken hebben eisers de gevraagde informatie niet, althans niet volledig, ingeleverd.

Nu niet vastgesteld kan worden of eisers volledig aan hun aflossingsverplichtingen hebben voldaan, kan verweerder het verzoek om kwijtschelding niet inwilligen.
Voor het ter zitting door eisers gedane verzoek om het aflossingsbedrag te fixeren op 100,- per maand is, gelet op voormelde beschikking van 8 augustus 1994, evenmin plaats.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan n van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is niet gebleken.




3. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mrs. S.C. Stuldreher, J.W. Sentrop en E.J.M. Heijs en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2001, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AB6634
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 98/803 NABW
Datum uitspraak: 6 juni 2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 21 en 39 Abw (= 51 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; reparatiekosten televisietoestel; algemeen gebruikelijke kosten van het bestaan; noodzakelijke kosten; geldlening
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor reparatiekosten van een televisietoestel, omdat dergelijke kosten niet tot de algemeen gebruikelijke kosten van het bestaan behoren en niet is aangetoond dat die kosten in dit geval noodzakelijk zijn. Ook een geldlening is om dezelfde redenen niet mogelijk.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 98/803 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Den Haag onder dagtekening 22 december 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 april 2000, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C. van Aller, werkzaam bij de gemeente Zoetermeer.




II. Motivering


Appellant ontvangt een periodieke uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm van een alleenstaande ouder.

Op 28 juni 1996 heeft hij een aanvraag ingediend om bijstand ter voldoening van onder andere de reparatiekosten van zijn televisietoestel.

Bij besluit van 7 november 1996 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat niet is gebleken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 39 van de Abw.

Het tegen dat besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 22 januari 1997 ongegrond verklaard.

Vervolgens heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak onder meer het beroep tegen het besluit van 22 januari 1997 ongegrond verklaard.

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

In artikel 39, eerste lid, van de Abw is bepaald dat, onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van de burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

De Raad is met gedaagde van oordeel dat het bezit van een televisietoestel algemeen gebruikelijk is zodat de daaraan verbonden kosten uit de bijstandsnorm moeten worden bestreden. Ook is in het geval van appellant de noodzaak van aanschaf en reparatie van een televisietoestel niet komen vast te staan. Hetgeen appellant in hoger beroep en ter zitting daaromtrent naar voren heeft gebracht, maakt dat oordeel niet anders.

Voorts is ook de Raad niet gebleken van bijzondere omstandigheden die in het geval van appellant tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Voor zover appellant gesteld heeft dat de onderhavige aanvraag om bijzondere bijstand door gedaagde ten onrechte niet is opgevat als een verzoek om een lening, kan deze grief evenmin tot een ander oordeel leiden.
Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Abw kan bijzondere bijstand voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien en voor zover deze kosten noodzakelijk zijn. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvan in casu geen sprake.

Het vorenstaande houdt in dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2000.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AC0513
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Middelburg
Zaaknummer: Awb 01/32
Datum uitspraak: 11 juni 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 67 Abw (= 43 Wwb)
Trefwoorden: aanvraag; schriftelijke bijstandsaanvraag namens aanvrager; vertegenwoordiger; schriftelijke machtiging
Essentie: Onterecht niet in behandeling nemen van de namens de aanvrager ingediende bijstandsaanvraag wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging van hem, omdat hij psychisch en lichamelijk ernstig ziek was en met spoed opgenomen was, zodat in dit bijzondere geval, waarin de wil van de aanvrager om een bijstandsaanvraag in te dienen de gemeente bekend was en hij bovendien zelf de aanvraagformulieren had ondertekend, ook zonder machtiging sprake is van een rechtmatige aanvraag.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Middelburg Awb 01/32




U I T S P R A A K




inzake:

de erven van A, wonende te B (Tsjechi), eisers,
gemachtigde: mr. D. van Loon te Soest

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, verweerder.




1. Procesverloop


Op 28 maart 2000 heeft de Stichting Ziekenhuis X te Y aan verweerder verzocht in aanmerking te komen voor vergoeding van ziektekosten voor A.

Verweerder heeft op 28 april 2000 besloten deze aanvraag niet in behandeling te nemen.

Hiertegen hebben eisers bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 december 2000 heeft verweerder het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Hiertegen zijn eisers in beroep gekomen bij deze rechtbank.

Het geschil is op 21 mei 2001 behandeld ter zitting. Daarbij werden eisers vertegenwoordigd door V, n van de erven van A, die het woord liet aan C, ex-echtgenote van A. Als gemachtigde van verweerder was aanwezig M.J. de Rijke, ambtenaar van de gemeente Tholen.




2. Overwegingen


Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) stellen burgemeester en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.

Eisers zijn de (twee) kinderen van wijlen de heer A (hierna: A), die op 14 maart 2000 in het X Ziekenhuis is opgenomen en op 14 april 2000 is overleden in het S Ziekenhuis te T.

Eisers stellen dat A op 14 maart 2000 of op de dag van zijn ziekenhuisopname mondeling een bijstandsuitkering heeft aangevraagd bij een medewerker van de sociale dienst, de heer F. Volgens eisers heeft F toegezegd dat de ziekenhuisopname financieel in orde zou komen. A zou de door F beschikbaar gestelde aanvraagformulieren hebben ondertekend. Deze formulieren zijn volgens eisers vervolgens door de heer W, een vriend van A, gezonden naar diens accountant Q. Bij brief van 11 april 2000 heeft Q de financile situatie van A aan verweerder toegelicht. Deze brief dient tevens als aanvraag te worden aangemerkt. Subsidiair zijn eisers van mening dat een aanvraag is gedaan voor de bijstand in de kosten van de ziekenhuisopname, dan wel dat ziekenhuizen gemachtigd zijn tot het doen van een dergelijke aanvraag. Eisers hebben nog toegelicht dat A aan een geestelijke stoornis lijdende was.

Verweerder betwist dat er een aanvraag om een bijstandsuitkering is gedaan door of namens A. F heeft geen toezeggingen gedaan en deze ambtenaar heeft overigens geen beslissingsbevoegdheid. Het verzoek van het ziekenhuis van 28 maart 2000 is wel als bijstandsaanvraag aangemerkt, maar niet als zodanig in behandeling genomen omdat een schriftelijke machtiging van A ontbrak. Ook de brief van Q van 11 april 2000 ging niet van een machtiging van A vergezeld. Er is dan ook volgens verweerder geen primair besluit genomen op een aanvraag, waartegen eisers bezwaar konden maken. Op die grond heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft het volgende overwogen.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat A op of omstreeks 14 maart 2000 niet persoonlijk met F heeft gesproken. Om A over te halen tot ziekenhuisopname heeft W zich tot de sociale dienst gewend. F heeft ten behoeve van de aanvraag door A formulieren aan W meegegeven. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat A op of omstreeks 14 maart 2000 een mondelinge aanvraag om bijstand heeft gedaan. Van een toezegging dat bijstand zou worden verleend, kan evenmin sprake zijn nu F ter zake niet beslissingsbevoegd was.

De op 28 maart 2000 door K, staffunctionaris patinteninformatie bij het X Ziekenhuis, bij verweerder ingediende aanvraag betrof een vergoeding in de kosten van verpleging en andere ziektekosten van A. Op die datum was A nog in leven en de rechtbank neemt aan dat het ziekenhuis heeft bedoeld de aanvraag te doen namens A. Daarvan getuige ook het feit dat namens verweerder telefonisch contact is opgenomen met het ziekenhuis over een machtiging van A. Vaststaat evenwel dat de aanvraag van het ziekenhuis niet werd gevolgd door een machtiging van A.

De rechtbank stelt voorop dat bij de indiening van een aanvraag in het algemeen de instemming van de betrokkene is vereist, welke instemming bij voorkeur moet blijken uit een schriftelijke machtiging. Ingevolge artikel 67, eerste lid, Abw kan de vaststelling van het recht op bijstand evenwel ook ambtshalve geschieden. Daaruit leidt de rechtbank af dat in een bijzonder geval bijstand kan worden verleend zonder aanvraag. Zulks impliceert naar het oordeel van de rechtbank tevens - en anders dan in het Handboek SoZaWe op pagina F/2600/1 wordt gesteld - dat er in een bijzonder geval ook zonder een schriftelijke machtiging van de (wettelijke vertegenwoordiger van de) belanghebbende sprake kan zijn van een aanvraag.

Van zulk een bijzonder geval is hier naar het oordeel van de rechtbank sprake. A was psychisch en lichamelijk ernstig ziek en werd met spoed opgenomen in het X Ziekenhuis. Aan K, aan wiens zorg A feitelijk was toevertrouwd, kon in dit geval niet worden tegengeworpen dat hij geen machtiging van A kon overleggen. Immers dat A bijstand wilde aanvragen, was verweerder middels de ambtenaar van de sociale dienst F bekend. Juist vanwege de bijstandsaanvraag had A zich tot de ziekenhuisopname laten overhalen. Dat A de bijstand wilde aanvragen, leidt de rechtbank ook af uit de ondertekening van A van de door F ter beschikking gestelde aanvraagformulieren (onder meer intakeformulier CWI Tholen).

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder de aanvraag om bijstand van het X ziekenhuis namens A ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Verweerder heeft derhalve ten onrechte het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen primair besluit was genomen wegens het ontbreken van een aanvraag.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is.

De rechtbank zal dan ook niet meer ingaan op de door verweerder aangevoerde gronden waarom A of diens erven toch al geen positieve beslissing had of hadden te verwachten op een bijstandsaanvraag of een aanvraag om vergoeding van de verpleeg- en ziektekosten.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder, met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, te veroordelen in de kosten die eisers in verband met deze procedure hebben moeten maken. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht (Koninklijk besluit van 22 december 1993, Stb. 1993, 763) stelt de rechtbank de kosten vast op 710,-, uitgaande van een wegingsfactor 1 en van 1 punt voor het beroepschrift.




3. Uitspraak


De arrondissementsrechtbank te Middelburg:

verklaart het beroep gegrond;
bepaalt dat de gemeente Tholen aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van 60,- (zestig gulden) voldoet;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers begroot op 710,- (zeventienhonderd gulden), te betalen door de gemeente Tholen aan eisers.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2001 door mr. J.P.M. Hopmans, in tegenwoordigheid van mr. J. de Graaf, griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AC1903
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: ABW 99/1012-GAME en ABW 99/1013-GAME
Datum uitspraak: 14 juni 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9, 14, 69 en 81 Abw (= 13, 18, 54 en 58 Wwb)
Trefwoorden: vakantie; te late terugkeer; herziening bijstand; terugvordering; maatregel; gebruikelijke vakantieduur; territorialiteitsbeginsel; rechtszekerheidsbeginsel
Essentie: Onterechte terugvordering van bijstand wegens te late terugkeer van verblijf in het buitenland, omdat betrokkene over de eerste vier weken vakantie waarvoor toestemming was verleend - gelet op het territorialiteitsbeginsel - het recht op bijstand behoudt. De opgelegde maatregel waarbij de bijstand met terugwerkende kracht is verlaagd door middel van een herzienings- en terugvorderingsbesluit is in strijd met het gemeentelijk beleid.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Rotterdam ABW 9911012-GAME en ABW 9911013-GAME




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.




1. Ontstaan en loop van de procedure


Eiser ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw). Bij besluit van 7 april 1998 is door de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SoZaWe) de door eiser gevraagde toestemming voor een vakantie naar Pakistan gedurende de periode van 24 maart 1998 tot en met 4 mei 1998 verleend. Daarbij werd bepaald dat de uitkering zou worden doorbetaald tot 20 april 1998. Voorts heeft verweerder in het besluit vermeld dat eiser zich na terugkomst van zijn vakantie zo snel mogelijk diende te melden bij de balie van de dienst SoZaWe met zijn paspoort of ticket.

Omdat eiser pas op 26 juni 1998 terugkwam in Nederland en hij zich pas op 29 juni 1998 heeft gemeld bij de dienst SoZaWe, heeft verweerder bij besluit van 20 juli 1998 (hierna: primair besluit I) de uitkering ingevolge de Abw herzien over de periode van 24 maart 1998 tot en met 20 april 1998, in die zin dat over die periode in het geheel geen recht op bijstand bestaat, omdat eiser niet langer in B woont. Voorts heeft verweerder in datzelfde besluit de als gevolg hiervan te veel genoten bijstand over bovenstaande periode ten bedrage van 1288,48 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 20 juli 1998 (hierna: primair besluit II) heeft verweerder eisers recht op bijstand gewijzigd in die zin dat de bijstandsnorm ingaande 1 juli 1998 gedurende n maand met 10% wordt verlaagd. Verweerder heeft daarbij vermeld dat de reden van het opleggen van de maatregel ligt in het door eiser te laat terugkeren van zijn vakantie.

Tegen zowel primair besluit I als primair besluit II heeft eiser bij brieven van 6 augustus 1998 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 maart 1999 (hierna: bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar tegen primair besluit I ongegrond verklaard. Wel heeft verweerder besloten de motivering te wijzigen in die zin dat de herziening van het recht op bijstand wordt gebaseerd op het territorialiteitsbeginsel.

Bij besluit van 23 maart 1999 (hierna: bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar tegen primair besluit Il ongegrond verklaard.

Tegen beide bestreden besluiten heeft eiser door middel van faxberichten van 4 mei 1999 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brieven van 8 en 9 juli 1999 verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2001. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai.




2. Overwegingen


ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet beschikt over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw bepaalt dat degene die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt buiten Nederland, geen recht op bijstand heeft.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw (Besluit Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 maart 1998, Stcrt. 1998, 5 1 [53, red.], in werking getreden op 1 april 1998) wordt onder gebruikelijke vakantieduur, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel d, van de Abw verstaan:
a. voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is dertien weken per kalenderjaar, met dien verstande dat een aaneengesloten vakantieperiode niet langer mag zijn dan dertien weken;
b. voor overige belanghebbenden: vier weken per kalenderjaar.

In artikel 69, derde lid, van de Abw staat vermeld dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, burgemeester en wethouders een dergelijk besluit herzien of intrekken:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 78 van de Abw regelt de algemene terugvorderingsplicht. Het derde lid van artikel 78 bepaalt dat van terugvordering kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 81, eerste lid, van de Abw bepaalt, voor zover hier van belang, dat bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende wordt teruggevorderd.

Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voor zover hier van belang, indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.

In artikel 14, tweede lid, van de Abw is vermeld dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in eik geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge het vierde lid van artikel 14 van de Abw kunnen burgemeester en wethouders van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.



Overwegingen ten aanzien van bestreden besluit I

Op grond van de op voormelde wettelijke bepaling gebaseerde gemeentelijke regelgeving, zoals neergelegd in het Handboek SoZaWe (B/2300), geldt als algemene regel dat vakantie kan worden toegestaan voor maximaal vier weken per kalenderjaar, van welke maximale vakantieperiode in principe niet mag worden afgeweken. In het beleid is voorts bepaald dat als een belanghebbende om wat voor reden dan ook te laat van vakantie terugkeert, geen aanspraak bestaat op een bijstandsuitkering over de periode buiten de vier weken (dan wel dertien weken ten aanzien van personen van 57,5 jaar of ouder). In die gevallen moet een beslissing worden genomen over toepassing van een maatregel en de terugvordering van de uitkering over de periode die eventueel is doorbetaald. Er moet altijd een maatregel worden toegepast als:
- de belanghebbende een uitkering ontvangt waaraan de arbeidsinschakeling gerichte verplichtingen zijn verbonden,
- en het niet tijdig terugkeren in Nederland verwijtbaar is.

In het beleid van verweerder is daarnaast vermeld dat, indien wordt teruggekeerd na dertien weken, steeds een beslissing moet worden genomen over toepassing van een maatregel en terugvordering van de uitkering over de doorbetaalde vakantieperiode. De doorbetaalde periode kan in die gevallen worden teruggevorderd omdat geen sprake is geweest van een voorgenomen tijdelijk verblijf in het buitenland.

Achteraf bezien bestond er dan ook geen recht op doorbetaling. Bovendien heeft de belanghebbende zich niet gehouden aan de voorwaarde dat hij tijdig terug moet keren. Van terugvordering kan in dergelijke gevallen worden afgezien als de belanghebbende niet verweten kan worden dat hij te laat is teruggekeerd.

Eiser had van de dienst SoZaWe toestemming gekregen voor een vakantie van zes weken, ingaande 24 maart 1998. De uitkering zou worden doorbetaald gedurende vier weken, derhalve tot en met 20 april 1998. De resterende weken zouden voor eigen rekening van eiser komen. Eiser is vervolgens op vakantie gegaan en pas op 26 juni 1998 van zijn vakantie in Nederland teruggekeerd. Hij is derhalve teruggekomen na dertien weken.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij over de periode van 24 maart 1998 tot en met 20 april 1998 wel recht had op doorbetaling van de uitkering, zodat de over die periode verstrekte bijstand niet mag worden teruggevorderd. Eiser is van mening dat ten onrechte voorbijgegaan wordt aan het feit dat hij vanwege medische klachten niet eerder van zijn vakantie is teruggekeerd. Eiser stelt dat hij reeds begin mei 1998 gezondheidsklachten had die hem het terugreizen onmogelijk maakten; hij zou daarbij zijn afgegaan op het advies van zijn arts in Pakistan. Eiser is dan ook van mening dat hem de te late terugkeer naar Nederland niet verweten kan worden.

De rechtbank overweegt dat blijkens constante jurisprudentie in geval van verblijf in het buitenland niet van het territorialiteitsbeginsel kan worden afgeweken, ongeacht de reden van het langere verblijf in het buitenland met uitzondering van een jaarlijkse vakantie in het buitenland van maximaal vier weken. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever met de invoering van de nieuwe Abw geen breuk beoogd met deze vaste jurisprudentie.

De rechtbank is van oordeel dat het beleid van verweerder betreffende verblijf in het buitenland zoals weergegeven in het Handboek SoZaWe niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 9 van de Abw. In de memorie van antwoord [memorie van toelichting, red.] bij dit artikel wordt immers gesproken van het op grond van het territorialiteitsbeginsel niet kunnen voortzetten van de bijstand na vier weken verblijf in het buitenland, ongeacht de reden van het langere buitenlandse verblijf. De rechtbank overweegt dan ook dat, indien met toestemming van de uitkerende instantie gedurende vier weken met behoud van uitkering in het buitenland wordt verbleven en de betreffende persoon keert eerst na afloop van die vier weken terug naar Nederland, hij het recht op bijstand over die vier weken verblijf in het buitenland behoudt. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder ten onrechte de volledige periode dat eiser in het buitenland heeft verbleven, dus ruim dertien weken, van eiser heeft teruggevorderd. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep tegen dit besluit zal dan ook gegrond worden verklaard.



Overwegingen ten aanzien van bestreden besluit II

Verweerder heeft in zijn beleid, neergelegd in het Handboek SoZaWe (B/2300 en B/8100), bepaald dat bij terugkeer van vakantie na dertien weken steeds een beslissing moet worden genomen over toepassing van een maatregel. Bij te late terugkeer van vakantie moet een maatregel van 10% gedurende n maand worden overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat de maatregel ten onrechte met ingang van 1 juli 1998 is opgelegd. Verweerder heeft immers in zijn beleid, neergelegd in het Handboek SoZaWe (B/8100), bepaald dat uitgangspunt van gemeentelijk beleid is dat de maatregel, ook bij gedragingen in het verleden, steeds in de toekomst worden opgelegd. In het beleid is verder vermeld dat de maatregel in beginsel niet eerder mag ingaan dan de dag volgend op de datum van de verzending van de beschikking en dat bij gedragingen in het verleden de uitkering dus niet met terugwerkende kracht verlaagd wordt door middel van een herzienings- en terugvorderingsbesluit. Aangezien in casu de maatregel met terugwerkende kracht is ingegaan, komt het bestreden besluit II in zoverre wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en wegens strijd met het beleid van verweerder voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen het bestreden besluit Il zal derhalve eveneens gegrond worden verklaard.

Verweerder zal worden opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Wel zal zij gelasten dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.




3. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

verklaart zowel het beroep tegen bestreden besluit I als het beroep tegen bestreden besluit II gegrond;
vernietigt zowel bestreden besluit I als bestreden besluit II;
bepaalt dat verweerder binnen zes weken na datum van deze uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van 120,- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A. van Gameren. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. I. Geerink-van Loon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2001.

de griffier,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 14 juni 2001.




Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x