Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AT4912
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om terug te komen van een onaantastbaar geworden besluit. Overlegging van de gevraagde gelegaliseerde documenten. Een ambtsbericht is onthouden in de bezwaarfase en in beroep.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/5631 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[adres], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant is mr. drs. P.I. van Herwaarden, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, met bijlage, nader aangevuld bij schrijven van 28 juni 2004, in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 september 2001, reg.nr. AKW 01/28, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft de Raad desgevraagd bij schrijven van 18 november 2004 enige stukken doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 februari 2005, waar appellant en zijn gemachtigde met kennisgeving niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft appellant bij besluit van 19 februari 1997 medegedeeld dat met ingang van het eerste kwartaal van 1992 voor zijn in Pakistan verblijvende kinderen Nadeem, Faisal, Farhana, Imran en Abdullah kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) wordt geweigerd en de te veel betaalde kinderbijslag over het eerste kwartaal van 1992 tot en met het derde kwartaal van 1993 wordt teruggevorderd. De reden hiervoor is dat appellant heeft nagelaten om te voldoen aan het verzoek van gedaagde om gelegaliseerde documenten, waaronder gelegaliseerde geboortebewijzen van deze kinderen, over te leggen, die voor een juiste beoordeling van het recht op kinderbijslag noodzakelijk zijn, waardoor gedaagde het gerechtvaardigd acht niet langer uit te gaan van de gegevens op basis waarvan kinderbijslag is toegekend.

Het tegen het besluit van 19 februari 1997 gemaakte bezwaar is door gedaagde niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Dit standpunt is in beroep onderschreven door de rechtbank en rechtens onaantastbaar geworden. De rechtbank heeft in haar uitspraak niettemin overwogen dat gedaagde nog een besluit zal dienen te nemen op het door appellant tijdens de hoorzitting (over onder meer voornoemd besluit van 19 februari 1997) gedane verzoek om terug te komen van dat besluit. Appellant heeft aan zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 19 februari 1997 ten grondslag gelegd dat nu hij de gevraagde gelegaliseerde documenten alsnog heeft overgelegd aan gedaagde, de aan dat besluit ten grondslag gelegde motivering zou zijn komen te vervallen.

Gedaagde heeft naar aanleiding van dit verzoek en de overgelegde gelegaliseerde geboorteakten aanleiding gezien een verificatieonderzoek te laten verrichten in Pakistan. Dit onderzoek is ingesteld door tussenkomst van de Nederlandse Ambassade te Islamabad en uitgevoerd door een vertrouwensadvocaat. Uit dit onderzoek is gedaagde gebleken dat alle geboorteaktes onjuist en vervalst zijn, dat Nadeem, Faisal en Farhana verzonnen personages zijn en dat Imran en Abdullah geen kinderen van appellant zijn. Appellant is een samenvatting van de inhoud van het ambtsbericht verstrekt.

Gedaagde heeft appellant bij besluit van 17 mei 2000, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 30 november 2000 (hierna: het bestreden besluit) medegedeeld dat er geen aanleiding bestaat om terug te komen van zijn rechtens onaantastbaar geworden besluit van 19 februari 1997. De door appellant overgelegde gelegaliseerde documenten vormen op zich wel nieuwe feiten en omstandigheden, maar hiermee is, bezien in samenhang met het ambtsbericht van de Nederlands Ambassade te Islamabad, bij de heroverweging nimmer komen vast te staan dat appellant recht op kinderbijslag voor de betreffende kinderen steeds heeft behouden, zodat derhalve terecht is beslist om geen gebruik te maken van de bevoegdheid om van de beslissing van 19 februari 1997 terug te komen.

De rechtbank heeft - kort gezegd - het in het bestreden besluit neergelegde standpunt onderschreven en heeft voorts overwogen dat het feit dat appellant slechts middels een door gedaagde verstrekte samenvatting van het ambtsbericht van de inhoud daarvan heeft kunnen kennisnemen geen ernstig verzuim is.

Door appellant is in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde gelet op de overgelegde gelegaliseerde documenten in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om geen gebruik te maken zijn bevoegdheid om terug te komen van het besluit van 19 februari 1997 en voorts dat gedaagde, nu regelmatig naar voren komt dat ambtsberichten niet altijd consistent zijn, aanleiding had moeten zien om een nieuw verificatieonderzoek in Pakistan te laten verrichten. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de beperking van de kennisneming van het rapport van de vertrouwensadvocaat in strijd is met artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Gedaagde heeft de Raad in hoger beroep medegedeeld dat zij afzien van een beroep op het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad overweegt vooreerst dat aan appellant, door de beperking van de kennisneming, het ambtsbericht zowel tijdens de bezwaarfase als in beroep bij de rechtbank ten onrechte is onthouden. Als gevolg daarvan heeft naar het oordeel van de Raad een zodanige schending van een fundamenteel beginsel van bestuursprocesrecht plaatsgevonden, dat dit - onder gegrondverklaring van het beroep - dient te leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit.

Wat betreft appellants verzoek aan gedaagde om terug te komen van zijn besluit van 19 februari 1997 overweegt de Raad het volgende.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft appellant aangevoerd dat gedaagde, gelet op het feit dat de gevraagde gelegaliseerde documenten alsnog zijn overgelegd, in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om geen gebruik te maken zijn bevoegdheid om terug te komen van het besluit van 19 februari 1997.
De Raad neemt met gedaagde aan dat het daarbij gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Uit het in Pakistan verrichte verificatieonderzoek is gedaagde echter gebleken dat de geboorteaktes onjuist en vervalst zijn en dat voornoemde kinderen verzonnen personages zijn, dan wel geen eigen kinderen zijn van appellant. Gedaagde heeft hierop geoordeeld dat de resultaten van het onderzoek de weigering van kinderbijslag rechtvaardigen. De Raad ziet geen reden om aan de resultaten van het onderzoek te twijfelen. Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat gedaagde -afgezien het hiervoor overwogene ten aanzien van de beperkte kennisneming van het ambtsbericht - niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel dat het bestreden besluit anderszins in strijd zou zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen voorts volgt dat het standpunt van gedaagde met betrekking tot het recht op kinderbijslag de rechterlijke toetsing kan doorstaan, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

De Raad heeft in het voorgaande ook aanleiding gezien gedaagde te veroordelen tot betaling van de kosten die appellant in verband met het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De Raad begroot deze kosten op 644,- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en op 322,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in totaal 966,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellant gestorte griffierecht van 104,37 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2005.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) C.D.A. Bos.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x