Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT2952
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Correctie- en boetenota's. Verzekeringsplicht voor freelance geluidstechnici.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3245 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante]., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. H. Kayed, thans advocaat te Nieuwegein, op 2 juli 2003 hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 mei 2003, kenmerk 02/1044.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 3 januari 2005 heeft appellante nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 januari 2005, waar namens appellante mr. Kayed en G. [directeur], directeur van appellante, zijn verschenen, en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uwv.
Als getuige is gehoord B. Schimscheimer, werkzaam bij appellante.




II. MOTIVERING


Het bedrijf van appellante houdt in de exploitatie van geluidsstudio’s en mobiele opnamewagens, het produceren van cd’s en een platenmaatschappij. Voor het maken van geluidsopnames huurt appellante freelance geluidstechnici (hierna: freelancers) in. In 2001 is een looncontrole uitgevoerd bij appellante waarvan een rapport, gedateerd 17 augustus 2001, is opgemaakt. Op 12 november 2001 is een aanvullend looncontrolerapport opgesteld. Op basis van het loononderzoek heeft gedaagde geconstateerd dat appellante voor de jaren 1996 tot en met 2000 ten onrechte geen verzekeringsplicht ingevolge artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten voor de freelancers had aangenomen. Gedaagde heeft daarop bij besluiten van 21 december 2001 over de jaren 1996 tot en met 2000 correcties in verband met de verzekeringsplicht van de freelancers opgelegd en bij besluiten van 26 december 2001 over diezelfde jaren boetes opgelegd.

Bij besluit van 12 april 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen de correctienota’s ongegrond verklaard, de boetenota’s over de jaren 1996 tot en met 1999 niet langer gehandhaafd en het bezwaar tegen de boetenota over 2000 ongegrond verklaard. In beroep tegen dat besluit heeft appellante gemotiveerd betwist dat de freelancers voor haar werkzaam waren op basis van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen die leiden tot verzekeringsplicht. Appellante heeft de rechtbank verzocht de correctienota’s over de jaren 1996 tot en met 2000 te vernietigen met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding te oordelen dat gedaagde bij de voorbereiding van het besluit op bezwaar onvoldoende onderzoek had gedaan naar de relevante feiten. Met betrekking tot de verzekeringsplicht concludeerde de rechtbank dat telkens wanneer de freelancers een opdracht van appellante aanvaardden, voldaan was aan de criteria voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, de verplichting tot loonbetaling en de gezagsverhouding. Met betrekking tot de over het jaar 2000 opgelegde boete stelde de rechtbank vast dat appellante daartegen geen grieven had aangevoerd, zodat de boeteoplegging geen punt van geschil (meer) vormde.

In hoger beroep heeft appellante in de eerste plaats aangevoerd dat zij ten onrechte bij de rechtbank geen beroep heeft aangetekend tegen de over het jaar 2000 opgelegde boete. Zij wenst in hoger beroep alsnog appèl in te stellen tegen die boete omdat zij meent geen premieplicht te hebben over het jaar 2000. De Raad is van oordeel dat, nu appellante uitdrukkelijk heeft erkend dat zij tegen het onderdeel van het besluit op bezwaar dat betrekking heeft op de boete over 2000 geen beroep heeft ingesteld, de boetenota over 2000 in beroep geen punt van geschil tussen partijen was. De omvang van het geding in hoger beroep is dan ook beperkt tot de correctienota’s.

Met betrekking tot de door appellante hieromtrent aangevoerde grieven overweegt de Raad als volgt.

Appellante stelt dat gedaagde onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de feitelijke gang van zaken en heeft verzuimd per freelancer een aparte beoordeling van de arbeidsrelatie te maken. Vanaf 1994 is het convenant inzake een ondernemersverklaring voor de audiovisuele branche (hierna: OVAV) tussen het Lisv en de werkgevers- en werknemersorganisaties in de audiovisuele branche van toepassing. Tussen partijen bij dit convenant geldt dat de sociale werknemersverzekeringen niet van toepassing zijn op in de OVAV bedoelde werkzaamheden in het beroep van de houder van de verklaring. Appellante stelt dat, nu de freelancers beschikten over een OVAV, appellante niet premieplichtig kon zijn. Gedaagde had hier volgens appellante nader onderzoek naar moeten doen, temeer daar appellante zelf niet op de hoogte was van het convenant. De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat appellante, nu zij niet was aangesloten bij een van de partijen bij het convenant, terwijl evenmin is gebleken dat het convenant op andere gronden op haar van toepassing was, aan dat convenant geen rechten kan ontlenen. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen nu niet is gebleken dat gedaagde ten aanzien van een met appellante vergelijkbaar bedrijf dat niet was aangesloten bij het convenant geen verzekeringsplicht voor freelance geluidstechnici met een OVAV heeft aangenomen. De Raad verwijst in dit verband voorts naar zijn uitspraak van 11 oktober 2001, LJN AL1315, gepubliceerd in RSV 2001/278. Ook overigens ziet de Raad geen grond het onderzoek van gedaagde voor onvoldoende zorgvuldig te houden. Niet is gebleken dat de groep freelancers zodanig heterogeen was dan wel onder zodanig uiteenlopende omstandigheden werkzaam was dat gedaagde niet kon volstaan met een groepsgewijze beoordeling.

Appellante betwist dat de freelancers verplicht waren de arbeid persoonlijk te verrichten en stelt dat vervanging was toegestaan mits daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht werd genomen. In het verleden is vervanging volgens appellante meermalen voorgekomen en het overleggen met appellante over deze vervanging was meer een formaliteit. Appellante wijst er tevens op dat het ging om de bediening van hoogst geavanceerde apparatuur en dat de werkzaamheden zodanig specifiek en technisch van aard waren dat appellante altijd een bepaalde freelancer voor een opdracht benaderde die ook affiniteit had met de klant en de aard van de opdracht. Gelet op het specialistische karakter van het werk en de hoge kwaliteitseisen die aan de freelancers werden gesteld, in samenhang bezien met hetgeen appellante heeft aangevoerd, acht de Raad het uitgesloten dat de freelancers zich zonder toestemming van appellante door een willekeurige derde konden laten vervangen. Daarmee is de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting gegeven.

Appellante bestrijdt voorts dat zij werkgeversgezag jegens de freelancers uitoefende. Zij stelt dat zij geen sturende rol bij de totstandkoming van het uiteindelijke resultaat had en vergelijkt de freelancers met een adviseur die de werkzaamheden buiten aanwezigheid van de directeur van appellante geheel zelfstandig verricht als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 17 februari 2000 LJN ZB8664, gepubliceerd in RSV 2000/70. Het feit dat tevoren een draaiboek voor opnames werd opgesteld althans een voorbespreking werd gehouden en dat voorzover nodig bepaalde aanwijzingen werden gegeven, die slechts een nadere bepaling vormden van de verlangde prestaties, rechtvaardigt volgens appellante niet de conclusie dat de freelancers als werknemers waren te beschouwen.
De Raad overweegt dat het werk van de geluidstechnici onderdeel vormde van de kerntaken van het bedrijf van appellante, ongeacht of het ging om opdrachten voor externe klanten of om de productie van opnamen in eigen beheer. Appellante stelde hoge eisen aan de kwaliteit en bleef zelf tegenover de klant verantwoordelijk voor de kwaliteit van het eindproduct. De directeur van appellante is zelf geluidstechnicus van beroep en was soms ook bij opnamen aanwezig. Appellante betaalde de geluidstechnici volgens een vast tarief waarover niet werd onderhandeld. De freelancers werkten met apparatuur van appellante, op de locaties van appellante en hadden zich te houden aan de door appellante opgestelde huis- en gedragsregels. Uit de verklaringen van de ter zitting gehoorde getuige blijkt voorts dat, voorzover ook in loondienst van appellante werkzaamheden als geluidstechnicus werden verricht, de wijze waarop en de omstandigheden waaronder die werkzaamheden werden verricht niet wezenlijk afweken van die van de freelancers. Al deze omstandigheden in aanmerking nemend kan de Raad niet anders concluderen dan dat, anders dan in het geval van de door appellante bedoelde adviseur, appellante wel degelijk de mogelijkheid had de freelancers aanwijzingen en instructies te geven omtrent de wijze waarop zij hun werk verrichtten. Zij waren dan ook werkzaam in een gezagsverhouding tot appellante. Daaraan doet niet af dat de freelancers in de praktijk met een grote mate van zelfstandigheid werkten, nu dat inherent is aan hun hoge mate van deskundigheid en specialisatie.

Met betrekking tot de grief van appellante dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom is voldaan aan de verplichting tot loonbetaling, overweegt de Raad dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat de betaling die de freelancers van appellante voor hun werkzaamheden ontvangen, een reële tegenprestatie is voor het door hen verrichte werk en aldus in de onderhavige arbeidsverhoudingen als loon is aan te merken.

De Raad concludeert dat de freelancers, telkens wanneer zij voor appellante werkzaam waren, in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot appellante stonden. Zij waren dan ook verplicht verzekerd ingevolge artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.

Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel kan niet tot een andere uitkomst leiden. In dit verband wijst de Raad er allereerst op dat verzekerings- en premieplicht van rechtswege ontstaan en dat een eventuele schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals het vertrouwensbeginsel daarop geen invloed heeft. Met betrekking tot de naheffing van premie is niet gebleken van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde schriftelijke mededelingen van gedaagde aan appellante waaraan appellante een in rechte te honoreren vertrouwen zou kunnen ontlenen dat gedaagde ten aanzien van de freelancers niet zou overgaan tot vaststelling en naheffing van premies.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x