Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT8610
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er gezien de statuten en aandelenverhouding sprake van een gezagsverhouding? Redelijke termijn ex EVRM.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4653 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 12 augustus 2003 met kenmerk 02/2713 door de rechtbank Amsterdam gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 april 2005, waar namens appellante mr. F.M.E. Schuttenhelm is verschenen en gedaagde zich - met bericht - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellante exploiteert een onderneming in import, export en groothandel in textiel en aanverwante artikelen. De directie wordt, via hun persoonlijke vennootschappen, gevormd door H. [eigenaar pers. vennootschap 1] (hierna: [eigenaar pers. vennootschap 1]) en A.J.M. [eigenaar pers. vennootschap 2] (hierna: [eigenaar pers. vennootschap 2]). Deze vennootschappen bezitten 40% respectievelijk 10% van de aandelen in appellante.
De overige aandelen zijn in handen van [vennootschap 3].

Bij brieven van 29 januari 1997 respectievelijk 31 januari 1997 hebben de belastingadviseurs van beide directeuren gedaagde verzocht te bevestigen dat deze niet in een verzekeringsplichtige verhouding staan tot thans appellante.
Naar aanleiding van deze verzoeken is namens gedaagde een onderzoek ingesteld, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 27 november 2001 met als conclusie dat voor [eigenaar pers. vennootschap 1] verzekeringsplicht dient te worden aangenomen vanaf 1 januari 1986 en voor [eigenaar pers. vennootschap 2] vanaf 1 januari 1994.
Bij besluit van 11 december 2001 heeft gedaagde [eigenaar pers. vennootschap 1] en [eigenaar pers. vennootschap 2] (hierna: betrokkenen) verzekeringsplichtig geacht met ingang van 28 april 1998, omdat wordt voldaan aan de voorwaarden voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, in overeenstemming met de strekking van het besluit op bezwaar van 7 mei 2002, het standpunt ingenomen dat betrokkenen gezien de statuten van thans appellante en de aandelenverhouding werkzaam zijn in een gezagsverhouding tot appellante en met ingang van 28 april 1998 verzekeringsplichtig zijn op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) niet is geschonden.

In hoger beroep is namens appellante primair aangevoerd dat de werkzaamheden door betrokkenen niet onder gezag van appellante zijn verricht en subsidiair dat gedaagde onnodig heeft getalmd met zijn beslissing om verzekeringsplicht aan te nemen. Ter zitting van de Raad is verzocht het beroep mede gericht te achten tegen de inmiddels opgelegde premienota’s.

De Raad overweegt als volgt.

Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet zijn voldaan aan drie voorwaarden, te weten de verplichting van de werknemer tot persoonlijke dienstverrichting, de verplichting van de werkgever tot loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer.

Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkenen vanaf 28 april 1998 voor appellante werkzaam waren in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen is in situaties als de onderhavige voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking - in het bijzonder voor het bestaan van een gezagsverhouding - van betekenis of en in hoeverre een directeur kan worden geschorst en ontslagen door de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AVA). Indien deze bevoegdheid bestaat moet, behoudens in zeer bijzondere gevallen, worden aangenomen dat de directeur kan worden geconfronteerd met enige vorm van gezagsuitoefening.

Vaststaat dat betrokkenen in verband met het minderheidsbelang van elk afzonderlijk in de AVA konden worden geconfronteerd met schorsing dan wel ontslag. Dit gegeven leidt ertoe dat in beginsel dient te worden aangenomen dat betrokkenen in een gezagsverhouding tot appellante werkzaam waren. In het onderhavige geval is geen sprake van als zeer bijzonder te kwalificeren feiten en omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is te achten dat gezagsuitoefening kon plaatsvinden en waarin gezegd moet worden dat er sprake is van gezamenlijk ondernemerschap door betrokkenen.

Wat betreft de volgens appellante ten onrechte aan de vastgestelde verzekeringsplicht gegeven terugwerkende kracht wijst de Raad erop dat volgens zijn vaste rechtspraak (uitspraken van 5 oktober 2000, onder meer gepubliceerd in RSV 2000/248, en van 11 januari 2001, gepubliceerd in RSV 2001/58) verzekeringsplicht van rechtswege ontstaat. Een eventuele schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de Raad neemt aan dat appellante met de gegeven terugwerkende kracht het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden acht, heeft daarop geen invloed. Eerst wanneer op basis van de verzekeringsplicht een besluit wordt genomen over de vaststelling en/of heffing van de premie, kan de vraag aan de orde komen of bij het nemen van dat besluit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht zijn genomen.

De Raad ziet geen aanleiding de premienota’s in de onderhavige procedure te betrekken. Deze besluiten zijn namelijk voor bezwaar vatbaar, waartegen vervolgens, de gebruikelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangevoerd, nog daargelaten dat deze besluiten de omvang van het bestreden besluit en het hier aan de orde zijnde geding te buiten gaan.

De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank met betrekking tot de door appellante gestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM heeft overwogen.

De conclusie van de Raad is dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x