Vrouwe Justitia

 

 

 


TIP: zoeken binnen deze pagina kan met Ctrl+F

 

LJN AA3428 - Opzegging WSW-dienstbetrekking. De Raad oordeelt dat door appellants opstelling en karakter een zodanige verstoring van de verhoudingen was ontstaan dat in WSW-verband niet langer passend werk voor appellant beschikbaar was. Appellant heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank de beroepen inzake beide bestreden besluiten voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet als één zaak had mogen aanmerken.

LJN AA3441 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, omdat het bezwaarschrift weliswaar niet tijdig is ontvangen, maar wel tijdig ter post is bezorgd.

LJN AA3443 - Terechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, niet wegens termijnoverschrijding, maar omdat reeds op het bezwaar was beslist.

LJN AA3468 - Terechte aanmerking van dividenduitkering als inkomsten, maar eerst na aftrek van dividendbelasting. Afwijzing vergoeding renteschade.

LJN AA3508 - Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor reiskosten van een schoolgaand, inwonend, meerderjarig kind wegens voorliggende voorziening (WTS) nu de noodzaak van die kosten en van de bijzonderebijstandverlening niet is onderzocht? De WTS-basistoelage wordt terecht als zijnde inkomsten ingehouden op de gezinsbijstand, bestaande uit de alleenstaandennorm plus garantietoeslag voormalig eenoudergezin.

LJN AA3543 - Ten onrechte is de schriftelijke mededeling van toekomstige terugvordering van bijstand wegens toekomstig (over)vermogen na echtscheiding aangemerkt als terugvorderingsbesluit. Een verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over nabetaalde bijstand levert een appellabel besluit op.

LJN AA3546 - Terechte terugvordering van bijstand wegens ontvangen belastingteruggave op grond van kosten die tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren (reis- en sollicitatiekosten ter verkrijging van arbeid).

LJN AA3555 - Terechte afwijzing verzoek tot herziening beëindigingsbesluit, omdat geen sprake is van nieuwe (bestuursrechtelijke) feiten of omstandigheden, i.c. de strafrechtelijke vrijspraak van uitkeringsfraude. Strafrecht stelt hogere eisen aan het bewijs dan bestuursrecht. In het bestuursrecht is voldoende dat de aan een besluit van een bestuursorgaan ten grondslag gelegde feiten genoegzaam aannemelijk zijn gemaakt.

LJN AA3567 - Afwijzing voorlopige voorziening, omdat de opschorting van het recht op bijstand wegens vermoedelijke gezamenlijke huishouding voorshands niet heeft geleid tot achterstanden bij periodieke betalingen (dankzij geleend geld) en er inmiddels een nieuwe bijstandsaanvraag is ingediend.

LJN AA3611 - Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van kinderopvang, omdat de echtgenoot, ondanks zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, het kind kan verzorgen bij afwezigheid van zijn echtgenote. Het beroep tegen een niet tijdig genomen besluit is niet-ontvankelijk, nu alsnog is beslist op de aanvraag; het betaalde griffierecht dient door de gemeente te worden vergoed.

LJN AA3687 - Terechte opschorting, beëindiging en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige. Dat belanghebbende en de onderhuurder eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, levert een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding op. Het beroep tegen een niet tijdig genomen besluit is niet-ontvankelijk, nu alsnog is beslist op het bezwaar; het betaalde griffierecht dient door de gemeente te worden vergoed.

LJN AA3716 - Onterechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van griffierecht en eigen bijdrage toegevoegd advocaat, ongeacht of sprake is van procederen tot vermindering van bijstandsafhankelijkheid of dat de kosten zouden behoren tot de (incidentele) algemene kosten van het bestaan. Het gemeentelijk beleid ter zake is dan ook onrechtmatig. De noodzaak van de (kosten van de) procedure is reeds getoetst door de Raad voor Rechtsbijstand en daaraan zijn B&W gebonden.

LJN AA3717 - Terechte beëindiging van de bijstand, omdat de betrokken vreemdeling ingevolge de Abw c.a. niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.

LJN AA3763 - Terechte afwijzing bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf, maar vernietiging van het bestreden besluit omdat B&W onbevoegdelijk op het bezwaar hebben beslist, daar niet zij het primaire besluit hebben genomen, maar een delegataris. Ook op een bedrijfsvorm naar buitenlands recht (i.c. een Ltd.) kan onder voorwaarden het Bbz van toepassing zijn.

LJN AA3943 - Onterechte afwijzing herhaalde bijstandsaanvragen op de grond dat van geen nieuwe feiten of omstandigheden zou zijn gebleken ter zake van vermeende gezamenlijke huishouding met de ex-echtgenoot, zonder dat daarnaar na het opschortingsbesluit onderzoek is gedaan. Eiseres is ten onrechte niet gehoord. Het na het beëindigingsbesluit en vóór het besluit op bezwaar verrichte onderzoek (op basis van onderzoek door de sociale recherche) is onzorgvuldig.

LJN AA3968 - Onterechte oplegging maatregel wegens weigering de GGD-arts te machtigen om informatie bij de huisarts in te winnen, omdat de GGD-arts zelfstandig de arbeids(on)geschiktheid kan beoordelen. Terecht is de verplichting opgelegd, op grond van het GGD-advies, dat belanghebbende zich onderwerpt aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

LJN AA3977 - Onterechte ongerondverklaring bezwaar, omdat de mededeling van toekomstige terugvordering van bijstand geen besluit maar een feitelijke handeling is, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk is.

LJN AA4021 - Onterechte terugvordering van bijstand wegens ontvangen en verzwegen lijfrente-uitkering. Deze schadevergoeding behoort niet tot de in aanmerking te nemen middelen en behoeft derhalve niet te worden gemeld aan B&W. Het niet inzenden van alle stukken door B&W leidt reeds tot vernietiging van het bestreden besluit.

LJN AA4116 - Onterecht opgelegde maatregelen wegens vermeende herhaaldelijke schending van arbeidsverplichtingen. Partners zijn vrij in de keuze wie van hen (i.c. de vrouw) is belast met de volledige verzorgende taak voor een kind jonger dan 5 jaar (en derhalve is ontheven van de arbeidsverplichtingen). Nu de man volledig arbeidsongeschikt is, zijn beide partners ontheven van de arbeidsverplichtingen. B&W zijn niet bevoegd de beslistermijn voor bezwaar te overschrijden om een rechterlijke uitspraak te kunnen afwachten.

LJN AA4136 - Afwijzing verzoek voorlopige voorziening, omdat nog niet alle gevraagde (relevante) gegevens aan B&W zijn verstrekt, maar ook vanwege het restitutierisico ingeval de voorlopige bijstand achteraf mocht blijken ten onrechte te zijn verstrekt.

LJN AA4268 - Onterechte afwijzing van kwijtschelding van leenbijstand na drie jaren correcte aflossing, waarbij de gemeentelijke beleidsregel ter zake onjuist is uitgelegd.

LJN AA4623 - Terechte verlaging van de toeslag wegens het ontbreken van woonkosten van een in eigendom bewoonde caravan, nu de gestelde verschuldigdheid van standplaatskosten niet is aangetoond. Het bestreden besluit wordt echter vernietigd wegens onzorgvuldigheid.

LJN AA5019 - Onterechte beëindiging bijstand, omdat per beëindigingsdatum betrokkene nog niet als zelfstandige kon worden aangemerkt.

LJN AA5111 - Onterechte afwijzing verzoek om langer dan de gebruikelijke vakantieduur (vier weken) voor vakantie in het buitenland te verblijven, omdat betrokkene, gelet op zijn blijvende volledige arbeidsongeschiktheid, dient te worden gelijkgesteld met 57,5-plussers. Het gelijkheidsbeginsel gaat i.c. voor op het territorialiteitsbeginsel.

LJN AA5668 - Onterechte terugvordering van bijstand, omdat de vordering van rechtswege is verjaard (na vijf jaren), onderscheidenlijk is gebaseerd op vervallen recht, onderscheidenlijk is gebaseerd op niet in werking getreden recht. Voor zover de terugvordering terecht is, berust het besluit op een ondeugdelijke motivering en dient het opnieuw te worden genomen.

LJN AA5738 - Terechte beëindiging en terugvordering bijstand wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige, gelet op de wederzijdse verzorging en de financiële verstrengeling. Ondanks een onjuiste wettelijke grondslag worden de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand gelaten.

LJN AA5881 - Onterechte blijvende en gehele weigering WW-uitkering, niet omdat de werkloosheid niet verwijtbaar zou zijn, maar omdat uit de stukken niet blijkt welke urenomvang de aangeboden (en vervolgens geweigerde) arbeid had. Het Lisv dient wegens ondeugdelijke motivering een nader besluit ter zake te nemen. Onterechte weigering bijstand van 80% gedurende één maand; met toepassing van de juiste grondslag (gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren) bepaalt de rechtbank dat de bijstand gedurende één maand met 20% wordt geweigerd.

LJN AA6362 - Onterechte terugvordering van de vermeende hoofdelijk aansprakelijke onderhoudsplichtige waarmee een bijstandsgerechtigde een (verzwegen) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Omdat de bijstand - vóór de wijziging van 31 december 1998 van artikel 84, tweede lid, Abw - als gezinsbijstand (alleenstaandeouderuitkering) is verleend, is er geen wettelijke grondslag voor terugvordering.

LJN AA6465 - Onterechte afwijzing van bijstand in de vorm van een krediethypotheek, omdat geen onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van (verdere) bezwaring van de woning dan wel vervangende huisvesting, beide tegen redelijke voorwaarden.

LJN AA6711 - Onjuiste berekening terugvordering van fictief inkomen uit verzwegen arbeid in een café, omdat ten onrechte de gebruikelijke vakantieduur buiten beschouwing is gelaten. Zowel dringende redenen tot mitigering van de terugvordering als de zesmaandenjurisprudentie (geldend vóór 1 juli 1997) zijn hier niet van toepassing.

LJN AA6725 - Terechte schorsing en terugvordering van de bijstand (plus boete) wegens (verzwegen) immateriële schadevergoeding van ƒ112.500,-, waarvan terecht slechts 1/3 deel - vanuit oogpunt van bijstandverlening verantwoord te achten - buiten beschouwing is gelaten. Terugvordering en beboeting over de periode waarin nog niet definitief door de assuradeur was beslist over de schadeclaim is onterecht. De nieuwe bijstandsaanvraag dient te worden getoetst op betoond besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, waarbij de wijze van besteding van het oververmogen kan leiden tot tijdelijke weigering van de bijstand.

LJN AA6778 - Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van eigen bijdrage tandprothesekosten, omdat betrokkene vanwege haar hoge leeftijd geen adequate aanvullende (tandarts)verzekering meer kon afsluiten toen de Ziekenfondswet in 1997 in haar nadeel werd gewijzigd. Derhalve is er geen sprake van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Aan schadevergoeding dient aandacht te worden besteed bij de voorbereiding van het nieuwe besluit op bezwaar.

LJN AA6934 - Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van curatorschap, omdat de aanvraag eerst is aangevraagd na afloop van de periode waarover de kosten zich uitstrekken. Bijstandverlening met terugwerkende kracht is niet toegestaan. Onbekendheid met het toepasselijk recht en gewekt vertrouwen doordat andere gemeenten wel bijzondere bijstand met terugwerkende kracht hebben verstrekt, doen daaraan niet af.

LJN AA6935 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van een verzoek om vergoeding van schade tengevolge van de afwijzing - negen maanden eerder en zonder dat daartegen bezwaar was gemaakt - van een aanvraag voor bedrijfskapitaal; het bezwaar had ongegrond moeten worden verklaard. Ter zake van vergoeding van schade tengevolge van niet-verleende vergunningen is niet de bestuursrechter, maar de burgerlijke rechter bevoegd.

LJN AA6936 - Terechte verlaging/intrekking en terugvordering van de toeslag wegens kostendeling met twee inwonende kinderen met eigen inkomen (ter hoogte van ten minste de WSF-norm levensonderhoud thuiswonende plus 10% minimumloon). Er zijn geen dringende redenen om af te zien van terugvordering, daar er geen sprake is van een noodsituatie of broodnood. Het beroep is echter gegrond omdat betrokkene niet (tijdig) is gehoord in de bezwaarfase.

LJN AA7064 - Terecht verlangt de gemeente ter zake van een aanvraag voor bedrijfskapitaal ook de (financiële) gegevens van de aandeelhouder. Tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep komt de rechtbank echter niet, omdat in de bezwaarprocedure niet op de voorgeschreven wijze advies is uitgebracht door de bezwaarschriftencommissie.

LJN AA7084 -  Terechte terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) inkomsten. Onvoldoende bekendheid met de Nederlandse taal en wetgeving maken de schending van de inlichtingenverplichting niet verschoonbaar. Beide echtgenoten zijn ter zake van de terugvordering hoofdelijk aansprakelijk.

LJN AA7123 - Terechte afwijzing verzoek om vergoeding van geleden immateriële schade tengevolge van een hartinfarct, naar eisers zeggen veroorzaakt door de, zoals kwam vast te staan na bezwaar, onterechte afwijzing van de bijstandsaanvraag van zijn medehuurster wegens (vermeende) gezamenlijke huishouding met hem. Het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag is uitsluitend gericht tot de bijstandsgerechtigde en kan als zodanig niet worden beschouwd als een tot schadevergoeding verplichtende onrechtmatige overheidsdaad tegenover eiser.

LJN AA7188 - Onterechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van ouderbijdrage (eigen bijdrage) in de kosten van verblijf van eiseresses zoon in een semi-residentiële inrichting. Aangezien de zoon geen maaltijden gebruikt in de inrichting is de gemeente ten onrechte uitgegaan van kostenbesparing.

LJN AA8237 - Ten onrechte is het beroep kennelijk ongegrond verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn, omdat de sociale dienst, daar zij onderdeel uitmaakt van B&W en aan haar de bevoegdheid is gemandateerd te beslissen op bijstandsaanvragen, het bezwaarschrift diende door te zenden aan B&W.

LJN AA8349 - Terechte terugvordering van (leen)bijstand wegens (verzwegen) vermogen uit boedelscheiding. Het feit dat het ontvangen vermogen eerst een voorschot betreft en er nog onzekerheid bestaat over het nog niet vaststaande aandeel in de boedelscheiding, staat aan terugvordering niet in de weg.

LJN AA8506 - Terechte terugvordering van bijstand wegens ontvangen erfenis. De periode waarover wordt teruggevorderd vangt aan op de dag van overlijden van de erflater.

LJN AA8508 - Onterechte afwijzing van bijzondere bijstand in de vorm van borgtocht voor een geldlening van de gemeentelijke kredietbank ter financiering van inrichtingskosten alsmede onterechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van rente en aflossing van die geldlening voor zover deze kosten meer bedragen dan de aflossingscapaciteit. Criterium daarbij is de noodzaak - in het individuele geval van de betrokken asielzoekster - van de inrichtingskosten. Onderscheid naar categorie bijstandsaanvragers mag niet worden gemaakt; derhalve is het gemeentelijk beleid ter zake in strijd met de wet.

LJN AA8511 - Terechte terugvordering van bijstand wegens aanspraak op vermogen uit erfenis, omdat het bestaan van een schuld onvoldoende aannemelijk is gemaakt en voorts niet is komen vast te staan dat aan die schuld daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting is verbonden. Ook accountantskosten e.d. zijn niet voldoende aangetoond.

LJN AA8538 - Onterechte afwijzing verzoek om als belanghebbende jonger dan 57,5 jaar met behoud van uitkering dertien weken voor vakantie in het buitenland te mogen verblijven, omdat de ontheffing van de arbeidsverplichtingen van betrokkene niet in aanmerking is genomen, noch is gemotiveerd - gelet op het doel van de leeftijdsgrens - waarom ondanks de ontheffing toch geen toestemming kan worden verleend.

LJN AA8680 - Terechte beëindiging bijstand wegens gezamenlijke huishouding, omdat financiële verstrengeling en wederzijdse verzorging zijn aangetoond en er bovendien geen overeenkomst als onderhuurster is overgelegd, noch gegevens zijn verstrekt inzake inkomen en vermogen van de huisgenoot. Het besluit op bezwaar is echter onbevoegdelijk genomen, daar de bevoegdheid tot het nemen van een besluit op bezwaar is overgedragen aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan namens hetwelk het primaire besluit is genomen.

LJN AA8683 - Onterechte verlaging gehuwdennorm met 20% wegens woningdeling met de moeder van betrokkenen, omdat geen sprake is van het kunnen delen van alle algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Ook de gemeentelijke verordening biedt geen basis voor zulk een verlaging.

LJN AA8711 - Tegen een uitspraak van de rechtbank op verzet staat niet het rechtsmiddel hoger beroep open, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

LJN AA8743 - Weigering AOW-pensioen voor in Suriname wonende gedaagde. Naar het oordeel van de Raad is in casu niet voldaan aan de voorwaarden waaronder van het horen kan worden afgezien, met name niet aan die van artikel 7:3, onderdeel c, van de Awb. De SVB heeft verzuimd gebruik te maken van de mogelijkheid de hoorzitting op de Nederlandse ambassade in Paramaribo te houden.

LJN AA8788 - Korting AOW-toeslag omdat de echtgenote van betrokkene niet ingevolge de AOW verzekerd is geweest gedurende twaalf jaren. De Raad oordeelt dat de rechter niet treedt in een belangenafweging welke reeds door de wetgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht, wat het geval zal zijn bij gebonden besluiten als het onderhavige. De Raad concludeert enerzijds dat de nationale regelgever als grondslag voor de uitsluiting van de verzekering van de gehuwde vrouw niet beslissend heeft willen laten zijn het antwoord op de vraag of het door de man in het buitenland opgebouwde pensioen feitelijk mede bestemd was voor zijn echtgenote, en zelfs niet het antwoord op de vraag of de man in het buitenland wel enig pensioen opbouwde, en anderzijds dat ook bij ontkennende beantwoording van die vragen daarvan de Hoge Raad een naar geslacht onderscheid makende uitsluiting van de verzekering heeft aanvaard.

LJN AA8805 - Herziening en terugvordering TW-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit en in verband met arbeid. In geding is de vraag of appellants aanspraken op TW-uitkering juist zijn vastgesteld en het bestreden besluit bevoegdelijk is genomen. De Raad oordeelt dat de betreffende brief is afgegeven op briefpapier van het Lisv en dat die brief een concrete, afgeronde schriftelijke beslissing omtrent de terugvordering van een met name genoemd bedrag bevat, welke beslissing zonder enig voorbehoud is geformuleerd en als zodanig dan ook op rechtsgevolg is gericht.

LJN AA8926 - Onterecht opgelegde boete wegens tweemaal niet verschijnen op een heronderzoeksgesprek, omdat de gemeente niet kan bewijzen dat de twee oproepingen daadwerkelijk zijn verzonden en ontvangen, welke oproepingen betrokkene stelt niet te hebben ontvangen. De beëindiging en terugvordering van de bijstand kan niet meer ongedaan worden gemaakt, daar betrokkene tegen de betreffende besluiten geen bezwaar heeft gemaakt.

LJN AA9382 - Terechte volledige terugvordering van (verzwegen) inkomsten uit drugshandel, omdat de strafrechter reeds rekening heeft gehouden met de terugvordering van bijstand bij de vaststelling van het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat betrokkene niet dubbel wordt getroffen.

LJN AA9587 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de feitelijke terugvordering van bijstand wegens met terugwerkende kracht toegekende WAO-uitkering, omdat is verzuimd (tijdig) een terugvorderingsbesluit te nemen. Het terugvorderingsbedrag, dat met het tegoed aan WAO-uitkering met het Lisv (bruto) is verrekend, is juist vastgesteld.

LJN AA9691 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens termijnoverschrijding, omdat de overschrijding verschoonbaar is nu het aan de postbezorging is te wijten dat het bezwaarschrift niet tijdig is ontvangen. Met abnormaal gedrag van de bezorgdienst - het bezwaarschrift werd ten onrechte retour gezonden - hoefde eiseres geen rekening te houden.

LJN AB0054 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht voor het hoger beroep onverschoonbaar niet tijdig is betaald. De Raad oordeelt dat de enkele omstandigheid dat een griffierecht wordt geheven er volgens vaste jurisprudentie niet toe leidt dat de toegang tot de rechter wezenlijk wordt belemmerd. De Raad is van oordeel dat opposant voldoende in de gelegenheid is gesteld het verschuldigde griffierecht tijdig te voldoen.

LJN AB0226 - Onterechte weigering bijstand wegens het niet woonplaats hebben in de gemeente van aanvraag, omdat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende onderzoek van de sociale recherche een wettelijke grondslag mist nu betrokkene ten tijde van de aanvang van de observaties geen bijstand ontving, noch een aanvraag om bijstand had ingediend.

LJN AB0236 - Onbevoegdverklaring rechtbank wegens het ontbreken van een besluit nu geen sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Eisers ingewilligde verzoek om uitstel van de hoorzitting leidt redelijkerwijs tot verlenging van de beslistermijn, zodat nog tijdig op het bezwaar kan worden beslist.

LJN AB0237 - Terechte terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding met twee anderen en (verzwegen) inkomsten, waarbij eiser tevens hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de terugbetaling van het van één van de twee anderen teruggevorderde bedrag aan bijstand. Onterechte terugvordering vanwege dezelfde feiten over een periode daarvoor, omdat verzuimd is te beoordelen of recht bestaat op aanvullende bijstand voor het driepersoonshuishouden, tot een bedrag van 3 x 50% van de gehuwdennorm, rekening houdende met 3 x 50% van het vrij te laten vermogen geldend voor gehuwden.

LJN AB0577 - Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor huurkosten, omdat betrokkene, die de huur van zijn woning moest opzeggen vanwege langdurige detentie, over de betreffende maand nog bijstand heeft ontvangen. Onterechte afwijzing van die bijzondere bijstand over de periode waarin geen bijstand meer is ontvangen, omdat niet voldoende is onderzocht of betrokkene in zijn specifieke situatie over voldoende middelen kon beschikken om de voor hem onvermijdelijke kosten te voldoen.

LJN AB0578 - Onterechte beëindiging bijstand wegens vrijheidsbeneming (gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis), omdat betrokkene met toestemming van de behandelend arts met voorwaardelijk ontslag is gegaan en Justitie niet voorziet in de kosten van levensonderhoud. De renteschade dient te worden vergoed.

LJN AB0596 - Terechte terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid en WW- en ZW-uitkering, met dien verstande dat eisers partner over de periode dat zij nog illegale vreemdeling was niet mede hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld, aangezien zij in die periode niet bijstandsgerechtigd was. Terecht zijn haar inkomsten in die periode slechts in aanmerking genomen voor zover daarmee het gezamenlijke inkomen de gehuwdennorm te boven ging.

LJN AB0950 - Onterechte terugvordering van de hoofdelijk medeschuldenaar, wegens niet-nakoming van de aflossingsverplichtingen, van leenbijstand voor de kosten van aanschaf en inrichting van een woonwagen, omdat, hoezeer ook door de gemeente aangegaan op grond van een bestuursrechtelijk besluit, elke geldlening een overeenkomst naar burgerlijk recht is en het bezwaar derhalve niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.

LJN AB1019 - Onterechte terugvordering van hoofdelijk aansprakelijk gestelde eiseres, omdat betrokkene waarmee eiseres een gezamenlijke huishouding zou hebben gevoerd in het geheel geen recht had op bijstand jegens verweerders gemeente aangezien hij in een andere gemeente woonplaats had.

LJN AB1309 - Terechte verstrekking van bijstand in de vorm van een geldlening waarbij rechtmatig is afgezien van het vestigen van een krediethypotheek, omdat sprake is van niet vrij te laten ander vermogen. Het beroep is echter gegrond, daar de gemeente heeft verzuimd met betrokkene te overleggen over de aan te wijzen taxateur.

LJN AB1315 - Terechte proceskostenveroordeling van de gemeente door de rechtbank, omdat de CRvB het uitgangspunt hanteert dat, indien de rechtbank een bestreden besluit vernietigt, het bestuursorgaan in beginsel in de proceskosten behoort te worden veroordeeld.

LJN AB1608 - Onterechte afwijzing van bijstand voor de zoon van betrokken niet rechtmatig in Nederland verblijf houdende vreemdeling, omdat sprake is van dringende redenen nu onder meer is gebleken dat moeder en kind zijn mishandeld door de ex-echtgenoot en niet aannemelijk zal zijn dat tot ondertoezichtstelling, zijnde een voorliggende voorziening, zal worden overgegaan.

LJN AB1658 - Schuldignalatigverklaring AOW-premie te betalen over 1990 en 1991. In geding is de vraag of het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid nu de SVB niet heeft onderzocht waarom ambtshalve aanslagen aan gedaagde zijn opgelegd. Niet alle relevante gedingstukken zijn in de bezwaarfase voor gedaagde ter inzage gelegd. De Raad ziet zich in deze procedure allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of de SVB het bestreden besluit terecht heeft gebaseerd op de Wfv.

LJN AB1806 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen de afwijzing van aanvullende bijstand om niet op de Ioaw-uitkering (nodig vanwege een inkomensval veroorzaakt door een belastingmaatregel als gevolg van de invoering van de Pemba), omdat eerst bezwaar diende te worden gemaakt; de rechtbank zendt het beroepschrift door aan verweerder. Het bezwaar tegen de vaststelling van de hoogte van de Ioaw-uitkering verklaart de rechtbank alsnog niet-ontvankelijk, omdat niet tijdig bezwaar is gemaakt tegen de eerste uitkeringsspecificatie waarop de lagere uitkering stond vermeld. Voor het overige is terecht ter aanvulling van het inkomen tot de bijstandsnorm leenbijstand verstrekt in plaats van bijstand om niet en wordt betrokkene niet tekort gedaan nu zijn inkomen na (gedeeltelijke) verrekening van de belastingteruggave met de leenbijstand nooit onder de bijstandsnorm kan uitkomen.

LJN AB2206 - Ten onrechte is de door betrokkene verzochte afkoopsom voor zijn schuld aan de gemeente vastgesteld op 75% van de restsom, omdat is verzuimd de gedeeltelijke verjaring van de vordering in de overwegingen te betrekken.

LJN AB2256 - Onterechte beëindiging en terugvordering bijstand wegens (ten behoeve van groot onderhoud) beschikbaar vermogen uit verdere bezwaring (hypothecaire lening) van de eigen woning (niet te beschouwen als spaargeld, maar wel vrij besteedbaar), omdat geen rekening is gehouden met vrij te laten vermogen gebonden in de eigen woning. Voor zover nog sprake is van in aanmerking te nemen vermogen, heeft betrokkene haar inlichtingenverplichting geschonden en kan bij een nieuw te nemen besluit de bijstand worden beëindigd en teruggevorderd.

LJN AB2260 - Onterechte herziening en terugvordering van bijstand wegens vermogen uit boedelscheiding (verkoop eigen woning en roerende zaken), omdat geen rekening is gehouden met een schuld, de verhuis- en de herinrichtingskosten.

LJN AB2276 - Onterechte beëindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat ingevolge het IVBPR geen onderscheid naar nationaliteit mag worden gemaakt nu betrokkene nog in afwachting was van de uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning wegens medische behandeling en hem reeds vóór inwerkingtreding van de Koppelingswet bijstand was verleend.

LJN AB2277 - Onterechte beëindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat ingevolge het IVBPR geen onderscheid naar nationaliteit mag worden gemaakt nu betrokkene nog in afwachting was van de uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning wegens medische behandeling en hem reeds vóór inwerkingtreding van de Koppelingswet bijstand was verleend.

LJN AB2279 - Terechte beëindiging bijstand indien betrokkene niet binnen drie maanden zijn deeltijdstudie rechten staakt, omdat de Rww niet de ruimte biedt voor (verdere) bijstandverlening aan degenen die een scholing of een opleiding in deeltijd- of volledig hogerberoeps- of wetenschappelijk dagonderwijs volgen. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden, daar de gemeente, die weliswaar gedurende drie jaar de onrechtmatigheid van de verleende toestemming voor het volgen van de studie niet heeft onderkend, betrokkene geen ondubbelzinnige en ongeclausuleerde mededeling heeft gedaan op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat zijn Rww-uitkering niet eerder zou worden beëindigd dan nadat hij zijn deeltijdstudie zou hebben voltooid.

LJN AB2280 - Terechte weigering bijstand wegens na intering nog immer aanwezig vermogen boven de vermogensgrens, zeker nu de inwonende dochter inmiddels 18 jaar is geworden en voor betrokkene als alleenstaande een veel lagere vermogensgrens geldt (hetgeen overigens ook zou gelden zonder onderbreking van de bijstandverlening). Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden, omdat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt ten aanzien van de vermogensgrens geldend voor een alleenstaande ouder.

LJN AB2483 - Onterecht opgelegde verplichting tot indeling in tariefgroep 2 teneinde te komen tot een hoger nettoloon, omdat betrokkene anders zijn belastingteruggave bij indeling in tariefgroep 0 misloopt.

LJN AB2485 - Terechte indeling in fase 4 en ontheffing van de arbeidsverplichtingen, met name omdat de GGD daartoe op goede gronden heeft geadviseerd. Fase-indeling en ontheffing van arbeidsverplichtingen betreffen appellabele besluiten.

LJN AB2488 - Onterechte hoofdelijkaansprakelijkstelling en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding, omdat betrokkene geen subject van bijstandverlening was en derhalve geen belanghebbende, aangezien zijn bijstandsgerechtigde partner (van wie wel terecht wordt teruggevorderd) een alleenstaandeouderuitkering genoot.

LJN AB3075 - Onterechte terugvordering van bijstand wegens vermogen (uit een erfenis) boven de vermogensgrens, omdat met de inwerkingtreding van de (nieuwe) Abw per 1 januari 1996 een nieuw recht op bijstand ontstaat en derhalve een nieuwe vermogenstoets dient plaats te vinden, welke i.c. leidt tot de vaststelling van een lager aanwezig vermogen.

LJN AB3076 - Terechte terugvordering van bijstand wegens voldoende inkomsten uit arbeid, ofschoon ten onrechte gebaseerd op de Abw in plaats van de Ioaw. Onterechte terugvordering van bijstand over één maand wegens een opgelegde maatregel wegens verwijtbare werkloosheid, omdat zowel de maatregel als de terugvordering de juiste wettelijke grondslag missen.

LJN AB3220 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen de in het informatieblad "Inzicht" van de SVB opgenomen mededelingen omtrent de verschuiving van betaaldata, omdat voornoemde mededelingen geen (appellabel) besluit vormen in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Niet-ontvankelijkverklaring beroep in eerste aanleg tegen het besluit op bezwaar wegens gebrek aan belang. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het inleidend beroep ontvankelijk en alsnog ongegrond.

LJN AB3333 - Terechte afwijzing toeslag met terugwerkende kracht tot vóór de reparatie (wegens strijd met de wet) van de betreffende gemeentelijke verordening, omdat betrokkene - nu niet kan worden bestreden dat het besluit inzake intrekking van de toeslag niet is ontvangen - niet tegen de eerste uitkeringsspecificatie waarbij niet langer de toeslag werd verleend bezwaar heeft gemaakt. De aan het beginsel van de formele rechtskracht verbonden bezwaren zijn in dit geval niet zo klemmend te achten dat uitzondering op dat beginsel dient te worden gemaakt.

LJN AD3412 - Onterechte verlaging van de bijstandsnorm wegens het niet bewonen van een woning/woonschip maar een zeiljacht en het ontbreken van woonkosten, omdat het zeiljacht i.c. het hoofdverblijf is en er bovendien wel woonkosten zijn, zoals kosten van onderhoud, verzekeringen en locale belastingen.

LJN AD3427 - Onterechte afwijzing van bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag wegens voldoende inkomsten, omdat de maandelijkse aflossing van een schuld aan betrokkene van vóór de bijstandsaanvang niet tot de middelen kan worden gerekend en geen inkomsten uit vermogen betreft.

LJN AD3472 - Terechte afwijzing verzoek om kwijtschelding van een restantfraudeschuld na aflossing ineens van 50% van de restsom, omdat daarbij de vaste gedragslijn is toegepast om bij fraudeschulden geen medewerking te verlenen aan kwijtscheldings- of afkoopregelingen.

LJN AD3845 - Onterechte beëindiging en terugvordering van bijstand wegens het volgen van een studie gedurende ten minste 19 uur per week, omdat betrokkene niet is gehoord over nieuwe informatie bij de gemeente bekend geworden na de hoorzitting en het terugvorderingsbesluit de juiste wettelijke grondslag mist. In het nieuw te nemen besluit op bezwaar echter kunnen de beëindiging en terugvordering rechtmatig zijn.

LJN AD3847 - Terecht niet in behandeling nemen bijstandsaanvraag wegens het niet verstrekken van vertalingen van Marokkaanse documenten inzake eigendom en erfenis, omdat betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de geboden hersteltermijn.

LJN AD3849 - Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank wegens het ten onrechte vernietigen van het bestreden besluit (maatregel van 20% gedurende twee maanden) op het oordeel dat de gemeente ernstig te kort is geschoten in haar plicht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden, omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld de nog ontbrekende stukken in te zenden.

LJN AD4883 - Terugvordering Ioaw-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. De melding van de inkomsten aan het GAK, waarvan betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, doet daaraan niet af. Schending van de inlichtingenverplichting. Het bestreden terugvorderingsbesluit ontbeert een deugdelijke grondslag.

LJN AD4971 - Terechte afwijzing verzoek om kwijtschelding van een restantfraudeschuld na aflossing ineens van 50% van de restsom, omdat daarbij de vaste gedragslijn is toegepast om bij fraudeschulden geen medewerking te verlenen aan kwijtscheldings- of afkoopregelingen.

LJN AD5014 - Onterechte weigering van bijstand wegens verblijf in het buitenland langer dan de gebruikelijke vakantieduur (vier weken), omdat betrokkene vanwege haar tweejarige kind nog geruime tijd ontheven zal zijn van de arbeidsverplichtingen en zij derhalve dient te worden gelijkgesteld met 57,5-plussers, wie het is toegestaan dertien weken in het buitenland te verblijven. Er zijn i.c. geen objectieve en redelijke gronden voor het onderscheid naar leeftijd. Overigens bestaat in iedere situatie waarbij de gebruikelijke vakantieduur wordt overschreden, dus ook in geval van ziekte, geen recht op bijstand.

LJN AD5103 - Terechte niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen het geschrift waarbij het verzoek om ontheffing van de arbeidsverplichtingen - onder verwijzing naar een eerder besluit waarbij die ontheffing reeds is verleend - wordt afgewezen, omdat dat geschrift geen appellabel besluit is aangezien het geen zelfstandig rechtsgevolg heeft. Voorts is de opgelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een trajectplan, gelet op de ontheffing, niet rechtmatig. Het betaalde griffierecht voor het beroep tegen een niet tijdig genomen besluit op bezwaar dient wel te worden vergoed, omdat terecht is opgekomen tegen een op zichzelf onrechtmatig te achten besluit.

LJN AD5479 - Terechte weigering bijstand wegens wettelijke uitsluiting van het recht op bijstand, omdat betrokkene jonger is dan 18 jaar en er geen sprake is van een acute noodsituatie (onder meer dankzij financiële ondersteuning door de vader van de aanstaande baby en de moeder van betrokkene). Een 17-jarige wordt handelingsbekwaam geacht om in rechte te staan.

LJN AD5912 - Onterechte beëindiging en terugvordering bijstand wegens (vermeende) gezamenlijke huishouding, omdat de tegenover de sociale recherche afgelegde (en later ingetrokken) verklaringen van betrokkenen geen stand kunnen houden nu uit een veelheid van feiten en omstandigheden blijkt dat die verklaringen niet de waarheid bevatten. Vergoeding van rechtsbijstandskosten in de bezwaarfase wordt afgewezen, daar geen sprake is van tegen beter weten in onrechtmatig genomen primaire besluiten.

LJN AD7123 - Onterechte verlening van bijstand in de vorm van bijzondere bijstand (geldlening) voor kosten van een overbruggingsuitkering, omdat sprake is van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor algemene bijstand om niet dient te worden verstrekt. De overbruggingsuitkering kan bij een daarover nog te nemen besluit worden teruggevorderd.

LJN AD7125 - Korting AOW-pensioen van 12% wegens zes onverzekerde jaren, in tegenstelling tot de 2% zoals appellante ruim vijf jaar voordien door de SVB was medegedeeld. In geding is de vraag of bij het nemen van het bestreden besluit een deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden, zulks mede gelet op het feit dat appellante vanwege de bij haar gewekte verwachtingen heeft nagelaten zich aanvullend te verzekeren.

LJN AD7128 - Onterechte aanmerking als gezamenlijke huishouding en beëindiging bijstand, omdat de afzonderlijke wooneenheden in de barak zodanig zijn ingedeeld dat sprake is van zelfstandige woningen waarin betrokkenen ieder hun eigen hoofdverblijf hebben. Het is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkenen een zodanig gebruik van hun woningen maken dat zij de facto samenwonen.

LJN AD7523 - Juiste vaststelling maandaflossingsbedrag van een fraudeschuld (en eigenlijk veel te laag, maar betrokkene mag door de procedure niet in een nadeliger positie komen), omdat vanwege inkomsten uit arbeid meer aflossingscapaciteit aanwezig is. De mededeling omtrent de hoogte van de restantschuld is geen appellabel besluit.

LJN AD7718 - Onterecht opgelegde voorwaarde tot terugbetaling van bijzondere bijstand voor studiekosten indien de studie voortijdig wordt afgebroken, omdat aldus een grond tot terugvordering buiten de daartoe in de wet voorziene gevallen in het leven wordt geroepen. Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor aanschafkosten van los materiaal (pennen, schriften e.d.), omdat geen bewijsstukken ter zake zijn overgelegd. Toewijzing van renteschade wegens te late besluitvorming; afwijzing van indirecte en immateriële schade.

LJN AD7844 - Onterechte afwijzing bijstand met terugwerkende kracht wegens het niet hebben van een legitimatiebewijs in de zin van de Abw, omdat het hebben van zulk een legitimatiebewijs geen constitutief vereiste is voor het verkrijgen van bijstand; i.c. kon met het W-document de identiteit van betrokken vreemdeling voldoende worden vastgesteld.

LJN AD8380 - Terechte afwijzing (overeenkomstig gemeentelijke beleidsregel) verzoek om kwijtschelding van een restantfraudeschuld, omdat de aflossingsverplichtingen niet stipt zijn nagekomen, waardoor derdenbeslag moest worden gelegd.

LJN AD8573 - Intrekking AOW-toeslag wegens inkomen uit weduwenpensioen van verzoekers partner. In geding is de vraag of het inkomen van verzoekers partner (een weduwenpensioen van Stichting Philips Pensioenfonds), dat niet is gerelateerd aan arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de partner, in mindering mag worden gebracht op de AOW-toeslag.

LJN AD9031 - Onterechte terugvordering leenbijstand wegens te verwachten gelden uit boedelscheiding en overwaarde van de echtelijke woning, omdat de precieze voorwaarden, zoals de wijze van terugbetaling, waaronder de leenbijstand wordt verstrekt niet zijn vastgelegd (in het toekenningsbesluit). Eerst indien niet aan deze, alsnog vast te leggen verplichtingen wordt voldaan, dient tot terugvordering te worden overgegaan.

LJN AD9662 - Terecht buiten behandeling laten bijstandsaanvraag, omdat niet de verlangde bewijsstukken (akte van scheiding en deling en bank- en giroafschriften ex-echtgenoot) zijn overgelegd, terwijl betrokkene er redelijkerwijs de beschikking over had kunnen krijgen en anders deze in rechte had moeten opeisen. Terechte oplegging maatregel 10% gedurende 1,5 jaar wegens verwijtbare onderbedeling (te lage taxatie echtelijke woning).

LJN AE0174 - Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van een wasmachine en koelkast, omdat betrokkene ten onrechte niet tot de doelgroepen van de gemeentelijke beleidsregel wordt gerekend nu het onderscheid naar leeftijd zoals dat in deze beleidsregel wordt gemaakt niet op redelijke en objectieve gronden berust.

LJN AE0176 - Weigering verleende vrijstelling van de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen eerder te doen ingaan dan de datum in geding. Tot zijn pensionering is gedaagde, die de Duitse nationaliteit bezit, werkzaam geweest als beroepsmilitair in Duitsland en sindsdien ontvangt hij een Duits pensioen. In geding is de vraag of de ingangsdatum van de verleende vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de AOW, Anw, AKW en AAW juist is vastgesteld en terecht de hoorzitting achterwege is gelaten omdat het bezwaar kennelijk ongegrond wordt geacht.

LJN AE1085 - Onterechte gedeeltelijke beëindiging en terugvordering bijstand over het eerste halfjaar wegens gezamenlijke huishouding, omdat het enkele feit van een gezamenlijk afgesloten reisverzekering onvoldoende is om een gezamenlijke huishouding aan te nemen en het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting niet inhoudt dat het de gemeente vrijstaat een willekeurige datum aan te nemen als ingangsdatum van de samenwoning. Voorts onterechte terugvordering op de partner van alleenstaandeouderbijstand verleend vóór 31 december 1998, omdat toen artikel 84, tweede lid, Abw nog niet was aangepast. Het niet toezenden van het volledige dossier aan eisers gemachtigde is niet in strijd met de wet.

LJN AE1887 - Onterechte terugvordering van bijstand wegens oververmogen en inkomsten, omdat aan betrokken illegale vreemdeling als niet-rechthebbende partner geen bijstand is verleend en zij aldus niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld.

LJN AE1901 - Onterechte beëindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat ingevolge het IVBPR geen onderscheid naar nationaliteit mag worden gemaakt nu betrokkene nog in afwachting was van de uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning en derhalve gelijk diende te worden gesteld met een Nederlander.

LJN AE2461 - Onterechte maatregel van 50% (in plaats van 30%) gedurende twee maanden, omdat niet viermaal maar driemaal achtereen verwijtbaar geen gevolg is gegeven aan een oproep om op het CWI te verschijnen en er geen sprake is van recidive.

LJN AE2487 - Terechte weigering bijstand wegens onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat onderscheid naar nationaliteit mag worden gemaakt nu betrokkenen eerst na de inwerkingtreding van de Koppelingswet bijstand hebben aangevraagd. De omstandigheid dat voordien WW-uitkering werd genoten, doet daaraan niet af.

LJN AE3170 - Terechte beëindiging bijstand niet wegens oververmogen - voor dat oordeel is er onvoldoende feitelijke grondslag - maar schending van de inlichtingenverplichting, omdat betrokkene geen mededeling heeft gedaan van onder andere een op zijn naam staand spaartegoed in Marokko van ƒ495.000,-, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

LJN AE3268 - Onterechte ongegrondverklaring bezwaar tegen de verhoging van het maandelijkse aflossingsbedrag van fraudeschulden, omdat ten onrechte ervan is uitgegaan dat geen aanvullend bezwaarschrift zou worden ingediend en er geen onderscheid is gemaakt tussen de vorderingen vóór inwerkingtreding van de Wet BMT en die erna.

LJN AE3698 - Onterechte afwijzing herzieningsverzoek om de aanmerking als gezamenlijke huishouding ongedaan te maken, omdat sprake is van evident onjuiste besluiten nu niet is gesteld of gebleken dat betrokkene en haar broer ten opzichte van elkaar, in vergelijking met de twee andere broers die met hen samenwonen, blijk geven van een bijzondere mate van zorg. Onterechte beëindiging bijstand wegens voldoende inkomsten van de broer, omdat sprake is van woningdeling en niet van gezamenlijke huishouding, welke enkel kan bestaan tussen twee personen.

LJN AE3712 - Onterechte afwijzing verzoek om verhoging van de toeslag (in verband met onderhuur vastgesteld op 5% WML), omdat in dit individuele geval, in afwijking van de gemeentelijke verordening, de toeslag hoger dient te worden vastgesteld nu vanwege de onderhuur huursubsidie wordt gederfd en geen hogere onderhuurprijs kan worden bedongen. Woonkostentoeslag, waarbij de Huursubsidiewet i.c. geen toereikende voorliggende voorziening is, is dan niet meer aan de orde.

LJN AE3713 - Onterechte terugvordering van ten onrechte als leenbijstand aangemerkte bijstand wegens onderbedeling na boedelscheiding (ƒ52.500,- vermogen in de voormalig echtelijke woning), omdat niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene ten tijde van het bestreden besluit een reële mogelijkheid had om betaling ineens van zijn ex-echtgenote te verlangen, zodat hij enkel kon berusten in de reeds overeengekomen maandelijkse aflossing ad ƒ420,-, welke eerst op de bijstand kan worden gekort zodra daarmee de toepasselijke vermogensgrens wordt overschreden.

LJN AE3716 - Terechte afwijzing herzieningsverzoek tot verkrijging van bijstand met terugwerkende kracht naar de gehuwdennorm (in plaats van de alleenstaandeoudernorm), omdat de enkele omstandigheid dat aan de echtgenote met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning is verleend daarvoor onvoldoende is.

LJN AE3721 - Onterechte terugvordering bijstand wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding voor zover het betreft de ingangsdatum, omdat die (eerdere) ingangsdatum onvoldoende aannemelijk is geworden. In het algemeen mag van de juistheid van een tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en komt aan het intrekken daarvan, of het achteraf ontkennen van het verklaarde, weinig of geen betekenis toe. De rechtbank is buiten de omvang van het aan haar voorgelegde geschil getreden door de wijze van effectuering van de terugvordering in haar oordeel te betrekken.

LJN AE3723 - Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van een bankstel, strijkplank, strijkijzer, wasmachine en trapladder, omdat niet mag worden uitgegaan van de gewijzigde omstandigheden na het tijdstip van het primaire besluit, te weten dat betrokkene inmiddels weer bij zijn ex-echtgenote inwoont in een volledig ingerichte woning. (De redactie betwijfelt de juistheid van deze uitspraak).

LJN AE3724 - Onjuiste wijze van vaststelling bedrag bijzondere bijstand voor meerkosten diëten, omdat niet dient te worden uitgegaan van de optelsom van normdiëten, maar van de kosten in het individuele geval.

LJN AE3731 - Terechte oplegging maatregel van 10% gedurende één maand wegens niet solliciteren en maatregel van 20% gedurende twee maanden (verzwaard in verband met recidive) wegens weigering van een Melkert-1-baan.

LJN AE3732 - Terechte afwijzing bijzondere bijstand ter verhoging naar de gehuwdennorm (beide echtgenoten 21 jaar of ouder) van het normbedrag voor gehuwden waarvan één echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, omdat er geen noodzaak was voor uitwonend zijn en het hebben van noodzakelijke bestaanskosten die hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm. Het gemeentelijk beleid ter zake is in strijd met de wet, daar het geen afweging van individuele belangen toelaat.

LJN AE3802 - Terechte herziening bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting, omdat betrokkene geen mededeling heeft gedaan van het geen invulling geven aan het afgesproken co-ouderschap, waardoor hij ten onrechte co-oudertoeslag heeft ontvangen.

LJN AE3926 - Lagere vaststelling en gedeeltelijke terugvordering rijksvergoeding aan het openbaar lichaam (appellant) wegens verstrekking van onjuiste gegevens. De Raad komt tot de conclusie dat, hoewel daarin in de WSW niet uitdrukkelijk is voorzien, een beslissing tot weigering van betaling van het terugvorderingsbedrag als vervat in appellants brief het besluitkarakter niet dient te worden ontzegd. Dat heeft tot gevolg dat de minister (gedaagde) ten onrechte appellants bezwaar tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

LJN AE3952 - Terechte beëindiging bijstand wegens oververmogen voor zover de (verzwegen) brandschade-uitkering niet is besteed aan compensatie van het verlies (met name de verbrande wooncaravan). Het vrij te laten bescheiden vermogen, herinrichtingskosten, kledingkosten, nasalaris en voorschotten worden op het in aanmerking te nemen vermogen in mindering gebracht, zo niet de ontvangen renteschadevergoeding. Het bestaan van een schuld is onvoldoende aannemelijk gemaakt.

LJN AE4069 - Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor (relatief hoge) reiskosten in verband met een omgangsregeling, omdat niet in het individuele geval is beoordeeld hoe vaak betrokkene, afgezet tegen de noodzakelijk te achten bezoekfrequentie, de betreffende reis zou kunnen maken van het bedrag dat in de bijstandsnorm is vervat voor deelname aan het maatschappelijk verkeer.

LJN AE4236 - Onterechte beëindiging en terugvordering bijstand wegens vermeende inkomsten uit arbeid, omdat betrokkene zijn nadien weersproken verklaring aan de sociale recherche niet heeft ondertekend, de observaties van de sociale recherche geen enkel bewijs bevatten van de vermeende werkzaamheden en de derdenverklaringen niet zodanig zijn dat daaruit het bestaan van die werkzaamheden kan worden afgeleid.

LJN AE4247 - Onterechte beëindiging en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huidhouding, omdat uit het geheel van feiten en omstandigheden niet is af te leiden dat betrokkene en haar partner, van wie zij van tafel en bed is gescheiden en die een zwervend bestaan leidt, hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.

LJN AE4455 - Weigering toelating tot de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw. In geding is de vraag of de overschrijding van de bezwaartermijn terecht verschoonbaar is geacht omdat appellant - zoals tevoren aan de SVB gemeld - gedurende langere tijd op vakantie was. De Raad concludeert dat appellant bij het bestreden besluit ten onrechte in zijn bezwaar is ontvangen, zodat dit besluit evenals de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

LJN AE4494 - Terechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen de schriftelijke mededeling dat niet in discussie wordt getreden over de hoogte van de door de kantonrechter vastgestelde terugvordering, omdat die mededeling geen appellabel besluit is. Zo er al sprake zou zijn van nieuwe feiten of omstandigheden, kan ter zake van herziening van de in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking enkel een requeste civiel worden ingediend.

LJN AE4538 - Terechte weigering rijksvergoeding van door de gemeente gemaakte kosten van bijstand, omdat met de principiële weigering door de gemeente om kennis te nemen van anonieme tips onvoldoende is gewaarborgd dat het heronderzoek voldoet aan de wettelijke eisen. Kennisneming van anonieme tips is niet in strijd met het EVRM, de Wpr of de Grondwet.

LJN AE4591 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 54% van het pensioen voor een gehuwde, waarbij ervan is uitgegaan dat appellant niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW van 1 januari 1984 tot en met 18 januari 1998 en dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de overgangsvoordelen over het tijdvak van zijn 15e verjaardag tot de inwerkingtreding van de AOW per 1 januari 1957 omdat hij niet in Nederland woont. Met de SVB en de rechtbank oordeelt de Raad dat appellant geen AOW-pensioendeel kan ontlenen aan het tijdvak gelegen vóór 1 januari 1957.

LJN AE4662 - Korting AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren. Weigering om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De Raad oordeelt dat op appellant gedurende de periode dat hij werkzaam was voor de Europese Octrooi Organisatie de regeling inzake overlijden, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en kinderbijslag van die organisatie van toepassing was, hetgeen betekent dat appellant toen niet verzekerd was ingevolge de AOW.

LJN AE4674 - Verzoek om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit waarbij appellante verzoekt om alsnog in het genot te worden gesteld van de overgangsvoordelen ingevolge de artikelen 55 en 56 van de AOW. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in eerste aanleg omdat het bestreden besluit nog niet tot stand is gekomen. De mededeling dat reeds beroep was ingesteld bij de rechtbank ontslaat het bestuursorgaan niet van de verplichting tot doorzending als bedoeld in artikel 6:15, eerste lid, van de Awb.

LJN AE5617 - Weigering gegeven ontslag ongedaan te maken dan wel appellant opnieuw in dienst te nemen in de functie en de salarisschaal die hij zou hebben gehad bij een ononderbroken dienstverband, alsmede hem alsnog het door het ontslag gemiste salaris uit te betalen en hem een vergoeding toe te kennen voor het ondervonden leed. In geding is de vraag of appellant terecht is ontslagen wegens ernstige misdragingen en gedaagde terecht heeft geweigerd hem opnieuw in dienst te nemen.

LJN AE5639 - Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep van B&W, omdat zij weliswaar een besluit tot het instellen van hoger beroep hebben genomen, doch eerst na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep.

LJN AE6057 - Onterechte beëindiging en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding, omdat het langer is geleden dan twee jaar dat betrokkene eerder met haar huidige huurder een gezamenlijke huishouding voerde en voorts in de periode in geding niet is gebleken van zorg dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

LJN AE6090 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit gericht aan betrokkene als hoofdelijk aansprakelijke voor aan zijn echtgenote (van wie hij in de periode in geding gescheiden leefde) ten onrechte verleende bijstand wegens (vermeende) gezamenlijke huishouding met hem als onderhoudsplichtige, omdat hij, overeenkomstig het EVRM, wél rechtsbevoegd is de terugvordering te bestrijden. Hoofdelijkaansprakelijkstelling is eerst mogelijk met ingang van 31 december 1998, de datum van wijziging van artikel 84 Abw ter zake.

LJN AE6141 - Terechte oplegging maatregel van 35% gedurende (wegens verzwaring en recidive) twee maanden, omdat betrokkene stelselmatig arbeidsverplichtingen heeft geschonden. Betrokkenes echtgenote kan geen verwijt worden gemaakt, daar de aan haar opgelegde arbeidsverplichtingen onduidelijk zijn geformuleerd.

LJN AE6166 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen terugvordering van als zelfstandige te veel ontvangen bijstand, omdat een beslissing van een bestuursorgaan tot eerder in het kader van zijn bestuursrechtelijke taken en bevoegdheden gedane financiële verstrekking (i.c. een geldlening) dient te worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb en niet als een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling.

LJN AE6365 - Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van kleding en woninginrichting (ontstaan tengevolge van brand in de woning), niet omdat tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan is betoond door geen inboedelverzekering af te sluiten en evenmin omdat een reeds afgesloten geldlening als voorliggende voorziening zou gelden, maar omdat de Abw bepaalt dat in ieder geval niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend kosten met betrekking tot geleden of toegebrachte schade.

LJN AE6817 - Onterechte terugvordering van bijstand, voor zover die is verleend vóór 1 augustus 1992 (schrapping verjaringsbepaling ABW), wegens ontvangen schade-uitkering ad ƒ636.991,40, omdat de vordering is verjaard nu niet is voldaan aan de voorwaarde dat in het toekenningsbesluit duidelijk is gemarkeerd dat de bijstand is verleend als voorschot op een eventuele schade-uitkering door een derde, waaruit de bijstand later moet worden terugbetaald. Terechte terugvordering vanaf 1 augustus 1992, daar de toegekende schadevergoeding ter zake van verlies aan arbeidsvermogen terecht is toegerekend aan de periode vanaf de datum van het ongeval (30 mei 1982).

LJN AE6820 - Terechte terugvordering van betrokkene en zijn echtgenote van aan zijn inwonende moeder doorbetaalde bijstand terwijl zij, zonder dat betrokkene dat heeft gemeld, door de vreemdelingendienst Nederland was uitgezet, omdat betrokkene door geldopnames van zijn moeders bankrekening daadwerkelijk over die middelen heeft beschikt.

LJN AE6822 - Terechte terugvordering bijstand wegens onvolledige en onjuiste opgave van inkomsten uit arbeid. Het verbod van reformatio in peius is niet geschonden, omdat de verhoging bij besluit op bezwaar van het terugvorderingsbedrag is gegrond op eerst in bezwaar overgelegde gegevens.

LJN AE7159 - Terechte terugvordering van bijstand wegens oververmogen, omdat de waardevermeerdering van beursgenoteerde aandelen, na aftrek van de verkoopkosten, leidt tot vermeerdering van het in aanmerking te nemen vermogen en niet kan worden beschouwd als spaargeld. Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar mag het verbod van reformatio in peius niet worden geschonden door de terugvordering op een hoger bedrag te stellen.

LJN AE7389 - Onterechte afwijzing verzoek om langer (dertien weken) dan de gebruikelijke vakantieduur (vier weken) voor vakantie in het buitenland te verblijven, omdat betrokkenen duurzaam zijn ontheven van de arbeidsverplichtingen en derhalve dienen te worden gelijkgesteld met 57,5-plussers. Het gelijkheidsbeginsel gaat i.c. voor op het territorialiteitsbeginsel, daar niet kan worden gezegd dat het gemaakte onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd wordt door objectieve en redelijke gronden.

LJN AE7594 - Terechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, omdat niet uit het bezwaarschrift blijkt tegen welk besluit het bezwaar is gericht en evenmin wat de gronden van dat bezwaar zijn. Ook na een geboden hersteltermijn is betrokkene er niet in geslaagd de verzuimen te herstellen.

LJN AE7599 - Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, omdat zij niet heeft geoordeeld over het beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar tegen de beëindiging van de bijstand wegens (verzwegen) toereikende inkomsten en ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezwaar tegen het beëindigingsbesluit tevens had moeten worden aangemerkt als te zijn gericht tegen het terugvorderingsbesluit (waarbij opgemerkt dat tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit geen beroep is ingesteld).

LJN AE8232 - Onterechte verhoging in bezwaar van het aflossingsbedrag van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening, omdat daarmee het verbod van reformatio in peius is geschonden. Voor de vaststelling van de beslagvrije voet is echter niet de toepasselijke bijstandsnorm (i.c. de alleenstaandeoudernorm), maar de leefvorm (i.c. samenwonende echtgenoten) bepalend.

LJN AE8634 - Onterechte afwijzing bijstand wegens voorliggende voorziening (studiefinanciering ingevolge de WSF), omdat betrokkene als extraneus geen volledig hoger onderwijs volgt en derhalve geen aanspraak kan maken op studiefinanciering.

LJN AE8636 - Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van (een voorgenomen) behandeling van tandheelkundige stoorvelden, niet wegens een voorliggende voorziening (welke niet aanwezig is), maar omdat op grond van medisch onderzoek de noodzaak van de behandeling niet is komen vast te staan.

LJN AF0226 - Ongegrondverklaring van het bezwaar van het werkbedrijf (appellante) tegen de subsidieverlening van de minister (gedaagde) aan B&W en niet-ontvankelijkverklaring van appellantes bezwaar tegen de subsidieverlening voor het volgende jaar. De Raad oordeelt dat het werkbedrijf niet is aan te merken als belanghebbende bij de primaire besluiten omtrent subsidieverlening. Voor het bedrijf stond dus geen bezwaar open.

LJN AF0759 - Terechte oplegging maatregelen van 20% gedurende twee maanden, omdat betrokkene zich telkens onvoldoende heeft ingespannen om, ook buiten haar vakgebied, arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Dat zij in afwachting was van de inwerkingtreding van de Wik om als kunstenares van die voorziening gebruik te maken, doet daaraan niet af.

LJN AF0888 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen de verplichting zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard, omdat het opleggen van deze verplichting wél een appellabel besluit inhoudt, aangezien het ertoe strekt dat op betrokkene de rechtsplicht komt te rusten de verplichting na te leven en derhalve is gericht op rechtsgevolg.

LJN AF0896 - Terechte beëindiging en terugvordering bijstand wegens niet dan wel niet volledig nakomen van de inlichtingenverplichting (ter zake van het beëindigde bedrijf), omdat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld.

LJN AF0905 - Terecht zijn aanvragen om bijzondere bijstand voor medicijnkosten niet in behandeling genomen, omdat betrokkene (uit privacyoverwegingen) weigert de voor de vaststelling van het recht op bijstand noodzakelijke originele nota's van de apotheek te overleggen waarop zichtbaar is om welke medicijnen het gaat. Ten onrechte wordt van hem verlangd dat hij de originele nota's (van andere kostenposten waarvoor hij tevens bijzondere bijstand heeft aangevraagd) inlevert ter bewaring in de administratie van de sociale dienst, omdat kan worden volstaan met de originele nota’s te laten tonen en daar vervolgens kopieën van te maken.

LJN AF1409 - Juiste vaststelling van het bedrag aan bijzondere bijstand om niet voor kosten van speelgoed en van inrichting en opknappen van de nieuw betrokken woning (na echtscheiding), omdat geen sprake is van individuele omstandigheden op grond waarvan die kosten noodzakelijkerwijs hoger moesten zijn dan de in de werkinstructie vermelde richtbedragen, waarbij aangenomen dat voor een deel gebruikte goederen kunnen worden gekocht of overgenomen van de vorige bewoners. Terechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van een televisietoestel en telefoon, daar niet is aangetoond dat die kosten noodzakelijk zijn.

LJN AF1533 - Onbevoegdverklaring van de voorzieningenrechter, omdat ter zake van schorsing van de executie van de terugvordering en opheffing van het beslag op de uitkering de burgerlijke rechter bevoegd is. Een bestuursrechtelijke rechtsgang staat wél open indien de invordering wordt aangevochten als zijnde een met een besluit gelijk te stellen handeling of indien de voorzieningenrechter, nadat bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, wordt verzocht om schorsing van het terugvorderingsbesluit zelf.

LJN AF1552 - Onbevoegdverklaring van de voorzieningenrechter, omdat ter zake van schorsing van de executie van de terugvordering en opheffing van het beslag op de uitkering de burgerlijke rechter bevoegd is. Een bestuursrechtelijke rechtsgang staat wél open indien de invordering wordt aangevochten als zijnde een met een besluit gelijk te stellen handeling of indien de voorzieningenrechter, nadat bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, wordt verzocht om schorsing van het terugvorderingsbesluit zelf.

LJN AF2667 - Herziening en terugvordering TW-uitkering omdat gedaagde met betrekking tot haar inkomsten uit Anw- en ABP-pensioen niet de op haar rustende wettelijke verplichting is nagekomen tot het doorgeven van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat ze van invloed kunnen zijn op de uitkering. In geding is de vraag of de zesmaandenjurisprudentie van toepassing is. De Raad is van oordeel dat zich in het geval van gedaagde geen zodanige bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat het UWV gehouden zou moeten worden geacht op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk af te zien van de in het bestreden besluit neergelegde terugvordering.

LJN AF2954 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omdat de brief betreffende de verzekering ingevolge de AWBZ niet kan worden aangemerkt als een (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de Raad kan de stellige mededeling van de SVB in de brief niet anders worden gekwalificeerd dan als één die ontegenzeggelijk is gericht op rechtsgevolg, te weten het feit dat gedaagde verzekerd is ingevolge de AWBZ en dat hij premie verschuldigd is, die zal worden ingehouden op zijn AOW-pensioen.

LJN AF3116 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen de inhouding van de premies Zfw omdat de verzekering ingevolge de Zfw al is vastgesteld bij een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit en omdat de bezwaartermijn niet-verschoonbaar is overschreden. Voorts niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het in rekening brengen van overmakingskosten omdat het in rekening brengen van overmakingskosten een feitelijke handeling zou betreffen, waartegen geen bezwaar kan worden gemaakt. In geding is de vraag of de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.

LJN AF3855 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 60% van het maximale ouderdomspensioen voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont onderscheidenlijk herziening van dit pensioen in verband met de toekenning aan gedaagde van een ouderdomspensioen uit Nieuw-Zeeland en terugvordering van het te veel betaalde AOW-pensioen. In geding is de proceskostenveroordeling met betrekking tot de door gedaagde en haar gemachtigde voor het hoger beroep gemaakte reiskosten, nu de SVB de bestreden besluiten heeft ingetrokken.

LJN AF4640 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 4%, in plaats van de gevorderde 14%, van het maximale AOW-pensioen voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont en een AOW-toeslag. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad stelt vast dat de SVB heeft nagelaten appellant te vragen naar de reden van de termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De Raad oordeelt derhalve dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

LJN AF4874 - Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep omdat niet vóór het verstrijken van de beroepstermijn een besluit tot het instellen van hoger beroep is genomen. Uit de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 43, tweede lid, van de Ioaz volgt dat aan het instellen van beroep een besluit van het betrokken college zélf ten grondslag dient te liggen. Mandatering van die bevoegdheid (aan een gemeenteambtenaar) is niet toegestaan.

LJN AF7319 - Vaststelling van de vergoeding aan het werkbedrijf op een lager bedrag omdat vijftien plaatsingen van werknemers niet voldeden aan het beleid inzake zorgvuldige en evenwichtige plaatsing. Dat beleid gaat ervan uit dat het werkbedrijf, onafhankelijk van de arbeidsmarkt, activerend en anticiperend plaatsing van personen bevordert, zodat die plaatsing cohortsgewijs kan plaatsvinden.

LJN AF7515 - Afbouw TW-uitkering als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet BEU. De Raad oordeelt dat sprake is van gerechtvaardigde beperking van kennisneming van door de Staatssecretaris van SZW ingezonden stukken die betrekking hebben op de onderhandelingen over aanpassing van de verdragen inzake sociale zekerheid met Canada en de Verenigde Staten.

LJN AF8092 - Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting omdat gedaagde niet onverwijld aan het UWV heeft doorgegeven dat hij met ingang van de datum in geding werkzaamheden is gaan verrichten. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat gelet op het benadelingsbedrag van €41,93 een boete van €136,13 niet evenredig is in verhouding tot de ernst van de verweten overtreding. Voorts heeft de Raad in de in het dossier aanwezige stukken geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in het geval van gedaagde sprake is van een verminderde verwijtbaarheid met betrekking tot de betreffende overtreding dan wel van een geheel ontbreken van die verwijtbaarheid.

LJN AF8725 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens inkomsten van appellants partner in de perioden in geding. In geding is de vraag of het appellant redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn dat hij te veel aan AOW-toeslag ontving. De Raad oordeelt dat appellants grief dat hij geen inzicht had in het inkomen van zijn echtgenote geen steun vindt in de gedingstukken.

LJN AF8848 - Weigering ontheffing arbeidsverplichtingen. Op de echtgenote van appellant rust de arbeidsplicht omdat zij nog geen 57,5 jaar is en derhalve niet in aanmerking komt voor ontheffing van de arbeidsverplichtingen. De Raad acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de echtgenote van appellant de arbeidsplicht om medische redenen niet zou kunnen worden opgelegd.

LJN AG0227 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omdat het bezwaar zich richt tegen het feit dat het verzoek om de verschuldigde premie voor de vrijwillige AOW-verzekering op de WAO-uitkering in te houden niet is ingewilligd, terwijl de wijze van betaling geen onderdeel is van het bestreden besluit. De Raad oordeelt dat de bijlage bij het bestreden besluit, waarin onder meer de (voorlopige) hoogte van de premie is vastgelegd en de wijze van betaling is aangegeven, moet worden aangemerkt als een separaat, voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Het bezwaar tegen dit "betalingsbesluit" is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

LJN AH9578 - Beëindiging plaatsing op de Wsw-wachtlijst omdat gedaagde niet kan worden gerekend tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening. In geding is de vraag of met de overdracht van bevoegdheden met toepassing van artikel 10 van de Wgr het dagelijks bestuur van het werkvoorzieningschap bevoegd is geworden tot het nemen van indicatiebeschikkingen.

LJN AH9581 - Beëindiging plaatsing op de Wsw-wachtlijst omdat gedaagde niet kan worden gerekend tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening. In geding is de vraag of met de overdracht van bevoegdheden met toepassing van artikel 10 van de Wgr het dagelijks bestuur van het werkvoorzieningschap bevoegd is geworden tot het nemen van indicatiebeschikkingen.

LJN AH9595 - Beëindiging plaatsing op de Wsw-wachtlijst omdat gedaagde niet kan worden gerekend tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening. In geding is de vraag of met de overdracht van bevoegdheden met toepassing van artikel 10 van de Wgr het dagelijks bestuur van het werkvoorzieningschap bevoegd is geworden tot het nemen van indicatiebeschikkingen.

LJN AI0457 - Weigering Wsw-indicatie omdat appellante niet tot de doelgroep van de Wsw behoort aangezien zij onder aangepaste omstandigheden en met behulp van technische aanpassingen in staat is in een normale arbeidsomgeving te werken. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit op een onvoldoende inzichtelijke en draagkrachtige motivering berust nu er reden was nader medisch onderzoek te doen.

LJN AI1079 - Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens overschrijding van de indieningstermijn van het ter behandeling als beroepschrift door gedaagde doorgezonden bezwaarschrift van appellanten. In geding is de vraag wat moet worden verstaan onder een "zo spoedig mogelijke" doorzending als bedoeld in artikel 6:15 van de Awb.

LJN AI1081 - Lagere vaststelling rijksvergoeding omdat 23, na bezwaar 20, plaatsingen van werknemers niet voldeden aan het zogenoemde zeep-beleid. De Raad oordeelt dat het beleid inzake zorgvuldige en evenwichtige plaatsing niet in strijd is met geschreven of ongeschreven recht, zodat het de toetsing van de Raad kan doorstaan.

LJN AJ6850 - Afbouw TW-uitkering van in Marokko wonende gedaagden in een periode van drie jaar op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. In geding is de vraag of de afbouw van de TW-uitkering in strijd is met het verdrag tussen Nederland en Marokko.

LJN AJ6880 - Herziening AOW-pensioen omdat verzoekster niet langer duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Nu het hoger beroep is ingetrokken omdat de SVB gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om de SVB met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand van verzoekster.

LJN AK3414 - Intrekking en (mede)terugvordering Ioaz-uitkering en boeteoplegging omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert en daarvan aan het college ten onrechte niet tijdig mededeling heeft gedaan. In geding is de vraag of de ontvangen uitkering ingevolge de Duitse wetgeving onder het inkomen valt dat in het Inkomensbesluit Ioaw wordt genoemd en waarmee derhalve bij de vaststelling van de Ioaz-uitkering rekening mag worden gehouden.

LJN AL4293 - Korting AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren. Afwijzing verzoek om vergoeding van de door appellant gemaakte materiële kosten ten behoeve van zijn verdediging en eveneens een bedrag van €1000,- wegens immateriële schade (gederfde levensvreugde, inclusief morele schade).

LJN AN8062 - Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De Raad stelt vast dat met de gekozen wijze van verzending vanuit Marokko het risico op termijnoverschrijding aanwezig is. Uit de door appellant overgelegde medische verklaring blijkt niet dat hij op medische gronden buiten staat is geweest om zoveel eerder dan op de laatste dag van de beroepstermijn, desnoods in summiere of voorlopige vorm, een hogerberoepschrift in te zenden.

LJN AN8565 - Korting AOW-pensioen van 12% en korting AOW-toeslag van 14% wegens onverzekerde jaren. In geding is de vraag of appellante voldoende omstandigheden heeft aangevoerd om te kunnen aannemen dat zij - anders dan de uitschrijving uit het bevolkingsregister doet vermoeden - gedurende de periode in geding haar woonplaats in Nederland heeft behouden.

LJN AO0614 - Toekenning AOW-pensioen voor een ongehuwde maar weigering eenouderpensioen, omdat appellant slechts gedeeltelijke kinderbijslag ontvangt voor het kind waarover appellant en zijn ex-echtgenote in co-ouderschap gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen en omdat het kind ook tot het huishouden van een ander (dat van appellants ex-echtgenote) behoort. De Raad acht de door de SVB voorgestane wetsuitleg, ertoe leidend dat beide co-ouders niet in aanmerking kunnen komen voor een eenouderpensioen, in ieder geval in strijd met doel en strekking van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de AOW.

LJN AO1672 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. In geding is de vraag of de SVB het nabetaalde AOW-pensioen heeft mogen verrekenen met de vordering en bij de berekening van de beslagvrije voet geen rekening hoefde te houden met de door de haar ingehouden (verplichte) ziekenfondspremie.

LJN AO4350 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat gedaagdes in Turkije wonende en aldaar overleden echtgenoot niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige AOW/Anw-verzekering aangezien het verzoek daartoe niet is ingediend binnen één jaar na de beëindiging van zijn verplichte AOW/Anw-verzekering. De Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat gedaagdes zoon de bezwaar- en beroepsprocedure op eigen titel heeft gevoerd, hetgeen leidt tot de slotsom dat de rechtbank Dordrecht zich ten onrechte bevoegd heeft geacht. Nu gedaagde als belanghebbende partij is in de bezwaar- en beroepsprocedure, zij woonachtig is in Turkije en de SVB haar zetel in Amstelveen heeft, is de rechtbank Amsterdam de bevoegde rechtbank.

LJN AO5322 - Herziening en terugvordering Ioaw-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit zwart werk. De Raad is van oordeel dat er voldoende grondslag bestond voor herziening van het recht op uitkering over de periode in geding, te meer nu exacte gegevens over de omvang van de werkzaamheden van appellant ontbreken en dit onder de gegeven omstandigheden geheel voor risico van appellant dient te komen.

LJN AO6205 - Herziening AOW-pensioen en -toeslag naar 50% van het wettelijk minimumloon vanwege een wijziging dienaangaande van de AOW. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant gesignaleerde ongelijkheid inzake de zogeheten 70/30%-regeling is terug te voeren op het onderscheid tussen pensioengerechtigden met een partner jonger dan 65 jaar die (een aantal jaren) niet verzekerd is (geweest) voor de AOW en pensioengerechtigden met een partner jonger dan 65 jaar die wel vanaf de 15-jarige leeftijd ononderbroken verzekerd is voor de AOW.

LJN AO6591 - Weigering AOW-pensioen omdat appellante nimmer verzekerd is geweest voor de AOW. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn, waarbij niet is gebleken van redenen om deze overschrijding verschoonbaar te achten. Ook de Raad is van oordeel dat niet is gebleken van redenen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

LJN AO6627 - Ambtshalve vervallen verklaren van de uitspraak waarbij ten onrechte het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht. De Raad oordeelt dat een rechtelijke beslissing tot ambtshalve vervallen verklaren niet is gebonden aan een initiatief daartoe van één der partijen. Voorts overweegt de Raad dat er voor het ambtshalve vervallen verklaren van een uitspraak aanleiding kan zijn indien geen rechtsmiddel is ingesteld omdat het voor betrokkene niet kenbaar was dat er een (rechtelijke) fout is gemaakt. In casu was het voor appellant niet kenbaar of het griffierecht al dan niet was bijgeschreven op de bankrekening van de Raad.

LJN AO7669 - Intrekking en terugvordering AOW-toeslag in verband met het inkomen van appellants partner, waarbij een vast bedrag per maand op het AOW-pensioen in mindering wordt gebracht. Ook al wil de Raad wel aannemen dat appellant niet de bedoeling heeft gehad opzettelijk onjuiste informatie te verstrekken, toch is de Raad van oordeel dat zulks niet wegneemt dat hij had kunnen en moeten begrijpen dat hij ook het weduwepensioen van zijn partner op de betreffende formulieren had dienen te vermelden.

LJN AO8070 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat de vooraankondiging van de terugvordering met een betalingsvoorstel geen (appellabel) besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit het door de SVB ingestelde onderzoek voldoende is gebleken dat betrokkene en haar partner sedert 1980 een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW. Ten aanzien van betrokkenes stelling dat zij haar hoofdverblijf tot november 1997 in Amsterdam had, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het verzorgen van haar moeder nog niet betekent dat betrokkene haar hoofdverblijf toen in Amsterdam had.

LJN AO8707 - Intrekking en (mede)terugvordering Ioaz-uitkering omdat uit een onderzoek naar zijn woonomstandigheden is gebleken dat appellant sedert de datum in geding een gezamenlijke huishouding voert met appellante, die een inkomen heeft boven de voor appellant van toepassing zijnde uitkeringsnorm. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Er zijn geen dringende redenen om af te zien van terugvordering.

LJN AO9462 - Afwijzing verzoek om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit, waarbij appellant als in Nederland werkzaam geweest Frans ambtenaar van de Europese Commissie heeft verzocht om de aan hem verleende vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen alsnog op een eerdere datum dan de datum in geding te doen laten ingaan. De Raad stelt vast dat in dit geding een combinatie van omstandigheden als door het HvJ EG genoemd niet aan de orde is, zodat de SVB niet gehouden is het oorspronkelijk besluit opnieuw te onderzoeken in het licht van relevante bepalingen van gemeenschapsrecht.

LJN AP0533 - Vaststelling hoogte netto-AOW-pensioen. De Raad oordeelt dat de brief ter zake van de wijziging van het netto uit te betalen bedrag een (appellabel) besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In geschil is of artikel 9 van de AOW een minimumgarantie bevat in die zin dat deze bepaling de SVB verplicht om aan appellant een netto-AOW-pensioen uit te betalen ter hoogte van het wettelijk minimumloon, ongeacht of appellant de loonheffingskorting laat toepassen door de SVB of door een andere werkgever/uitkeringsinstantie.

LJN AP0537 - Intrekking AOW-toeslag omdat appellants partner in de maand in geding 65 jaar wordt. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad oordeelt dat de SVB heeft nagelaten te vragen naar de reden van de termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De Raad vernietigt derhalve de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

LJN AP0538 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens hogere inkomsten uit arbeid van gedaagdes partner. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat de aankondiging van de terugvordering in de begeleidende brief geen (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. Er is geen sprake van een prematuur bezwaar nu gedaagde op grond van de tekst van voornoemde brief redelijkerwijs niet kon menen dat reeds een besluit over de terugvordering tot stand was gekomen.

LJN AP1016 - Weigering AOW-pensioen omdat appellant niet verzekerd is geweest voor de AOW. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad oordeelt dat de SVB heeft verzuimd te vragen naar de redenen van de termijnoverschrijding. Voorts oordeelt de Raad dat appellant rekening diende te houden met het trage Argentijnse postverkeer.

LJN AP1140 - Onzorgvuldige besluitvorming vanwege onzorgvuldig medisch onderzoek naar arbeidsongeschiktheid. Als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea met volledige ontheffing van de arbeidsverplichtingen ex artikel 113 Abw is betrokkene onterecht een maatregel opgelegd wegens het niet geregistreerd zijn bij de CWI.

LJN AP1520 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens inkomsten uit arbeid van appellants echtgenote. De Raad oordeelt dat het door de SVB aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde - uit het strafrechtelijk onderzoek afkomstige - bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen en uit dien hoofde niet mag meewerken tot het bewijs in de onderhavige procedure. Het houden van een hoorzitting is in strijd met artikel 7:2 van de Awb afhankelijk gesteld van een daaraan voorafgaand verzoek van de SVB om verlenging van de behandeltermijn van het bezwaar.

LJN AP1553 - Korting AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren. Afwijzing van het verzoek om deelname aan de vrijwillige AOW-verzekering en de op het militair weduwenrijkspensioen ingehouden loonbelasting, meer specifiek de ingehouden en afgedragen AOW-premie, te beschouwen als premie betaald voor de vrijwillige verzekering. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat het verzoek om deelname aan de vrijwillige AOW-verzekering te laat is ingediend en dat de destijds betaalde loonbetaling niet kan worden aangemerkt als voor de vrijwillige AOW-verzekering ingehouden dan wel betaalde premie.

LJN AP4598 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande in verband met duurzaam gescheiden leven van appellanten per datum van opname van appellant in een verzorgingshuis. In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de SVB terecht de telefonische mededeling door appellante inzake het verblijfadres van haar echtgenoot, zijnde het adres van een verpleeginrichting, niet heeft aangemerkt als een aanvraag tot herziening van het AOW-pensioen van appellanten, zodat per eerdere datum het AOW-pensioen diende te worden herzien.

LJN AP4603 - Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-verschoonbare niet-tijdige betaling van het griffierecht. Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep uit dien hoofde kennelijk niet-ontvankelijk. Voorts bevat het ingediende beroepschrift geen gronden. Nu op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden geoordeeld dat appellant met betrekking tot het indienen van de gronden van het beroep niet in verzuim is geweest, is het hoger beroep ook uit dien hoofde niet-ontvankelijk.

LJN AQ1018 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag. De Raad oordeelt dat het beroep in eerste aanleg ten onterechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de datum van aanvang van de beroepstermijn niet met zekerheid is vast te stellen. Niet-aangetekende verzending of verzending zonder bevestiging van ontvangst van het besluit komt voor risico van de SVB. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

LJN AQ1023 - Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep omdat niet-verschoonbaar geen griffierecht is betaald. Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist.

LJN AQ2488 - Intrekking Ioaw-uitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Uit het resultaat van het onderzoek van de sociale recherche heeft het college afgeleid dat er tussen appellant en betrokkene geen kostgangersrelatie bestaat, doch dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.

LJN AQ5692 - Opzegging Wsw-dienstbetrekking omdat gedaagde op de datum in geding gedurende twaalf maanden achtereen wegens arbeidsongeschiktheid zijn werk heeft verzuimd. De Raad ziet in de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding om de aangevallen uitspraak niet te volgen voor wat betreft de opdracht alsnog een besluit op bezwaar te nemen. De Raad komt tot de conclusie dat gedaagdes bezwaar tegen het bestreden besluit gegrond is en dat dit besluit moet worden herroepen voor zover B&W daarbij de dienstbetrekking met gedaagde met ingang van voornoemde datum hebben beëindigd op grond van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder c, van de WSW.

LJN AQ5975 - Herziening en terugvordering Ioaw-uitkering wegens inkomen uit zelfstandige arbeid. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk is verklaard waar het betreft de grief tegen de bijtelling aftrekbeperking kantoorkosten en voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

LJN AQ6268 - Niet-ontvankelijkverklaring verzet wegens niet-verschoonbare overschrijding van de verzetstermijn. De Raad is van oordeel dat opposant ter sauvering van de verzetstermijn een voorlopig verzetschrift had kunnen laten indienen. Dat hij dat niet heeft gedaan, moet voor zijn rekening blijven.

LJN AQ6805 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde omdat appellant, die hulpbehoevend is, op hetzelfde adres woont als zijn stiefzoon. Zoals de Raad reeds eerder heeft uitgesproken, verschilt bloedverwantschap in de eerste graad zodanig van aanverwantschap dat de wetgever op objectieve en redelijke gronden tot het gemaakte onderscheid tussen bloedverwanten en aanverwanten heeft kunnen komen. Ook de omstandigheid dat (thans) wordt samengewoond met het oog op appellants hulpbehoevendheid staat niet in de weg aan het aannemen van een gezamenlijke huishouding.

LJN AQ6913 - Ongegrondverklaring verzet omdat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare niet-tijdige betaling van het griffierecht. De Raad stelt vast dat opposant niets in zijn verzetschrift heeft aangevoerd dat kan dienen als verontschuldiging voor de te late betaling.

LJN AQ7011 - Afwijzing verzoek om herziening van het in rechte onaantastbaar geworden besluit inzake de ingangsdatum van de vrijstelling van de verplichte verzekeringsplicht voor de AOW, AKW en Anw, omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangezien het hier omstandigheden betreft die betrokkene bekend waren dan wel konden zijn ten tijde van zijn eerste aanvraag en hij deze omstandigheden bij zijn eerste aanvraag dan wel in een bezwaarprocedure naar voren had kunnen brengen.

LJN AQ8133 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat in Marokko wonende gedaagde in het jaar voorafgaande aan het verzoek niet verplicht verzekerd is geweest. De Raad oordeelt dat nu het bestreden besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt, het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

LJN AQ8815 - Berekening AOW-pensioen en -toeslag. Omdat van onjuiste pensioenbedragen is uitgegaan, oordeelt de Raad dat het beroep dat appellanten geacht worden te hebben ingesteld, gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit wegens strijd met de betreffende bepalingen van de AOW dient te worden vernietigd.

LJN AQ8876 - Vaststelling ingangsdatum TW-uitkering. De Raad oordeelt dat het UWV in appellants brieven aanleiding had behoren te vinden tevens een verzoek om TW-uitkering te lezen, deze als een aanvraag in behandeling te nemen en aan appellants gemachtigde een adequate reactie had dienen te zenden.

LJN AR3431 - Afwijzing verzoek om herziening van het in rechte onaantastbaar geworden besluit inzake de weigering om toegelaten te worden tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering. De Raad oordeelt dat de SVB bevoegd is om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen wegens gebrek aan nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluit.

LJN AR3432 - Terugvordering te veel betaalde Anw-uitkering en niet AOW-pensioen zoals vermeld in de bestreden besluiten. De Raad oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

LJN AR3438 - Afwijzing verzoek om herziening van het in rechte onaantastbaar geworden besluit inzake de weigering om toegelaten te worden tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering. De Raad oordeelt dat de SVB bevoegd is om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen wegens gebrek aan nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluit.

LJN AR4004 - Intrekking TW-uitkering omdat appellant met ingang van de datum in geding geen recht meer heeft op een loondervingsuitkering op grond waarvan een TW-uitkering kan worden verleend. De Raad oordeelt dat de rechtbank met recht over de daadwerkelijke uitbetaling van de TW-uitkering geen uitspraak heeft gedaan aangezien die uitbetaling buiten de omvang van het geding valt. De Raad concludeert dat de grieven van appellant niet tot het door hem gewenste resultaat kunnen leiden, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

LJN AR4050 - Intrekking TW-uitkering omdat appellant met ingang van de datum in geding geen recht meer heeft op een loondervingsuitkering op grond waarvan een TW-uitkering kan worden verleend. De Raad oordeelt dat de daadwerkelijke uitbetaling van de TW-uitkering buiten de reikwijdte van de bestreden besluiten valt en uit dien hoofde geen onderdeel uitmaakt van het geschil tussen partijen.

LJN AR4053 - Weigering Ioaw-uitkering omdat de echtgenote van appellant volledig werkt voor een derde in de op het huisadres gevestigde sigarenzaak en geacht wordt daarmee het minimumloon te kunnen verdienen. Wegens schending van de inlichtingenverplichting is het recht op Ioaw-uitkering niet vast te stellen.

LJN AR4848 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering over de periode in geding omdat appellant in die periode, zonder dat aan het UWV te hebben gemeld, samenwoonde. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

LJN AR4853 - Toekenning voorschot op AOW-pensioen. Omdat voorschotverlening ten tijde in geding een discretionaire bevoegdheid van de SVB betreft, komt de Raad ten aanzien van de gebruikmaking van die bevoegdheid slechts een beperkte toetsing toe. De Raad oordeelt dat een besluit tot voorschotverlening geen definitief besluit omtrent het recht op AOW-pensioen is. Appellants grieven kunnen geen grond vormen tot aantasting van het besluit tot voorschotverlening en dienen aan de orde te komen in de bezwaarschriftprocedure tegen het besluit dat het recht op het AOW-pensioen tot onderwerp heeft.

LJN AR5220 - Intrekking TW-uitkering over de betreffende maand omdat appellant over die maand een eindejaarsuitkering van het UWV heeft ontvangen, welke van invloed is op de aanspraak op TW-uitkering. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden waarop het bezwaar berust. Daarbij acht de Raad mede van belang dat het UWV appellant schriftelijk heeft gewezen op zijn verzuim en hem de gelegenheid heeft geboden dit verzuim te herstellen.

LJN AR5258 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep bij de rechtbank omdat in Marokko wonende appellante het verschuldigde griffierecht niet-verschoonbaar niet heeft betaald. De Raad oordeelt dat, nu appellante middels de door haar overgelegde bonnen voldoende aannemelijk heeft gemaakt een poging te hebben gedaan het griffierecht te betalen, welke poging kennelijk niet tot resultaat heeft geleid als gevolg van omstandigheden gelegen buiten de invloedssfeer van appellante, de rechtbank haar nadat was gebleken van de hiervoor bedoelde poging alsnog in de gelegenheid had moeten stellen het griffierecht (aantoonbaar) te betalen. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

LJN AR5779 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Terechte beëindiging bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding omdat is voldaan aan de criteria van gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, geldt niet dat het aan verzoekster is om aannemelijk te maken dat niet aan de beide criteria voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Het gaat hier immers om een voor verzoekster belastend besluit, zodat op het college de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid om tot beëindiging van verzoeksters bijstandsuitkering over te gaan.

LJN AR6072 - Vaststelling AOW-pensioen op 48% van de norm voor een gehuwde en intrekking van de eerder aan appellant toegekende AOW-toeslag omdat appellants huwelijkspartner de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. Hangende het hoger beroep heeft de SVB appellants AOW-pensioen met ingang van de datum in geding gewijzigd in een AOW-pensioen voor een alleenstaande, waarmee de SVB volledig aan appellants beroep is tegemoetgekomen. De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en veroordeelt de SVB in de proceskosten in beroep en in hoger beroep.

LJN AR6534 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep omdat appellante heeft verzuimd het verschuldigde griffierecht te voldoen. De Raad acht de overschrijding van de termijn voor betaling van het griffierecht verschoonbaar omdat appellante middels het door haar overgelegde afschrift van het document van het Bureau de Poste Nador te Marokko voldoende aannemelijk heeft gemaakt een poging te hebben gedaan het griffierecht te betalen, welke poging kennelijk niet tot resultaat heeft geleid als gevolg van omstandigheden gelegen buiten de invloedssfeer van appellante. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

LJN AR6537 - Weigering AOW-pensioen omdat in Groot-Brittannië wonende appellante nimmer verzekerd is geweest krachtens de AOW. De Raad oordeelt dat onvoldoende is onderzocht of appellante mogelijk op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen voor de AOW verzekerd is geweest op grond van haar nabestaandenpensioen krachtens de AWW.

LJN AR6894 - De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college het bezwaar van appellant wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. Mede in aanmerking genomen dat het college niet beschikt over een verzendregister van besluiten stelt de Raad vast dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer het bestreden besluit is bekendgemaakt, zodat niet kan worden vastgesteld wanneer de bezwaartermijn is aangevangen. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

LJN AR6906 - Intrekking en terugvordering Ioaw-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit paardrijlessen en stalling van een paard gedurende de periode 29 september 1995 tot 1 maart 2001. De Raad acht evenwel onvoldoende feitelijk grondslag aanwezig voor de conclusie dat appellante reeds vanaf 29 september 1995 werkzaamheden heeft verricht. Voorts is het college ten onrechte tot volledige, in plaats van gedeeltelijke intrekking van het recht op uitkering over de gehele periode in geding overgegaan.

LJN AR6955 - Toekenning TW-uitkering, maar slechts met terugwerkende kracht van één jaar. In geding is de vraag of in redelijkheid is geoordeeld dat er geen sprake is van een bijzonder geval waarin het UWV bevoegd is om een TW-uitkering toe te kennen met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar. De Raad oordeelt dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel omdat het UWV, alvorens tot de conclusie te mogen komen dat de aanvraag door appellante was ingetrokken, daaromtrent bij appellantes gemachtigde navraag had moeten doen.

LJN AR7376 - Korting AOW-toeslag van 74% omdat appellants partner 37 jaren niet verzekerd is geweest voor de AOW. De Raad oordeelt dat het nieuwe besluit niet kan worden gezien als een loutere herhaling van het oude besluit, zodat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

LJN AR7380 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 96% van het volledige AOW-pensioen. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad oordeelt dat appellant een besluit van de SVB kon verwachten tijdens zijn vakantie. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient een betrokkene die voor een langere tijd afwezig is toereikende maatregelen te treffen ter behartiging van de eigen belangen.

LJN AR8517 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering over de perioden in geding omdat gedaagdes (gezins)inkomen boven de grens ligt die geldt om aanspraak te kunnen maken op een TW-uitkering. De Raad geeft ter zake van intrekking en terugvordering uitleg over de reikwijdte en toepassing van artikel 11a van de TW.

LJN AR8537 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Door opposant is in verzet niets aangevoerd dat aanleiding zou kunnen vormen om thans in andere zin te oordelen.

LJN AS1906 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Door opposant is in verzet niets aangevoerd dat aanleiding zou kunnen vormen om thans in andere zin te oordelen.

LJN AS1908 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Hetgeen door opposante is aangevoerd, vormt naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om het verzuim van opposante te verontschuldigen.

LJN AS2231 - Proceskostenveroordeling in geval van tegemoetkoming aan de indiener van het (hoger)beroepschrift als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb.

LJN AS2413 - Korting AOW-pensioen van 94% wegens 47 onverzekerde jaren. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen het primaire voorschotbesluit wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Voorts heeft de SVB overwogen dat in Spanje wonende appellant op de datum waarop het besluit op bezwaar werd genomen geen belang meer had bij een beoordeling van dit bezwaar ten gronde nu reeds een definitief besluit over zijn AOW-pensioen was genomen. De Raad oordeelt dat het bezwaar tegen het primaire voorschotbesluit en het beroep tegen het bestreden besluit niet konden worden geacht mede te zijn gericht tegen het primaire toekenningsbesluit.

LJN AS2673 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellants totale inkomen boven de grens ligt die geldt om aanspraak te kunnen maken op een TW-uitkering. In geding is de vraag of het UWV is uitgegaan van de juiste intrekkingsdatum en het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat te veel TW-uitkering was betaald. Nu het UWV het te veel ingevorderde inclusief wettelijke rente terugbetaalt, heeft appellant geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

LJN AS2724 - Korting AOW-pensioen van 84% wegens 42 onverzekerde jaren. De Raad oordeelt dat uit de uitschrijving uit het bevolkingsregister moet worden afgeleid dat in de Verenigde Staten wonende appellante Nederland metterwoon heeft verlaten; het tegendeel is niet aangetoond. Het achterwege blijven van een hoorzitting acht de Raad terecht.

LJN AS3253 - Toekenning AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde omdat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert. De voorzieningenrechter van de Raad oordeelt dat het AOW-pensioen van verzoeker terecht wegens gezamenlijke huishouding op de norm voor een gehuwde is vastgesteld. Gelet op de wederzijdse zorg wonen verzoeker en zijn partner niet op commerciële basis in dezelfde woning.

LJN AS4883 - Weigering AOW-pensioen omdat in Turkije wonende appellant nimmer verzekerd is geweest. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad stelt vast dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

LJN AS5611 - Afbouw TW-uitkering van in Marokko wonende appellant in een periode van drie jaar op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens verval van procesbelang omdat de rechtbank het beroep volledig heeft gehonoreerd. Het verdrag met Marokko verzet zich tegen de afbouw van de TW-uitkering.

LJN AS6895 - Herziening AOW-pensioen voor een alleenstaande naar een AOW-pensioen voor een gehuwde omdat gebleken is dat verzoeker gehuwd is. Terugvordering van ten onrechte betaald AOW-pensioen. De voorzieningenrechter van de Raad oordeelt dat verzoeker terecht niet als duurzaam gescheiden levend is aangemerkt. De ingangsdatum van de herziening van het AOW-pensioen naar een pensioen voor een gehuwde is juist vastgesteld.

LJN AS6918 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat geen sprake is van een spoedeisend belang. De omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven en het feit dat het college in de proceskosten van gedaagde in beroep is veroordeeld, leveren geen grond op om te oordelen dat in dit geval aan de zijde van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

LJN AS8623 - Afbouw TW-uitkering van in Turkije wonende appellant in een periode van drie jaar op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. In geding is de vaststelling van de woonplaats van appellant alsmede de tijdigheid van de indiening van het beroepschrift bij de bevoegde rechtbank. De Raad wijst de zaak terug naar de bevoegde rechtbank.

LJN AS8635 - Ongegrondverklaring verzet omdat de reden van overschrijding van de beroepstermijn onvoldoende grond is om het verzuim van opposant te verontschuldigen.

LJN AT0123 - Terechte afwijzing herhaalde bijzonderebijstandsaanvraag voor kosten lekvrije stofzuiger, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd.

LJN AT0173 - Terechte afwijzing herhaalde bijzonderebijstandsaanvraag voor kosten wasdroger, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd. Heroverweging in volle omvang.

LJN AT0189 - Toekenning AOW-pensioen, waarbij in Zwitserland wonende appellant niet de zogeheten overgangsvoordelen AOW zijn toegekend. Niet-ontvankelijkverklaring beroep bij de rechtbank wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De Raad stelt vast dat er geen redenen zijn aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken.

LJN AT0206 - Deels terechte intrekking en terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) oververmogen (waarde personenauto's minus gebruikskosten), verzwegen inkomsten (uit criminele activiteiten) en verzwegen detentie. Afwijzing verzoek tot schadevergoeding.

LJN AT0309 - Terechte afwijzing verzoek om herziening uitspraken hoger beroep, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

LJN AT0824 - Weigering om terug te komen van een eerder genomen, rechtens onaantastbaar geworden besluit tot herziening van de WW-uitkering in verband met toegenomen werkzaamheden als zelfstandige, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. Het UWV ziet geen aanleiding om terug te komen van zijn besluit omdat het terugdraaien van de zelfstandigenaftrek door de Belastingdienst zonder opgaaf van redenen is gehonoreerd. De Raad is van oordeel dat het hier niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden omdat appellant reeds in zijn bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit heeft aangevoerd dat hij de desbetreffende werkzaamheden niet in de door het UWV aangenomen omvang heeft verricht en dat de zelfstandigenaftrek destijds ten onrechte in volle omvang is geclaimd.

LJN AT0829 - Weigering WW-uitkering omdat appellant niet voldoet aan de eis om in 26 weken arbeid als werknemer te hebben verricht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het UWV terecht appellants bezwaren tegen het bestreden besluit vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard en voorts dat het UWV terecht tot het oordeel is gekomen dat appellant met ingang van 1 oktober 2002 geen recht heeft op een WW-uitkering omdat hij niet aan de wekeneis voldoet nu vaststaat dat hij eerst vanaf 19 juli 2002 verzekeringsplichtige arbeid heeft verricht.

LJN AT0834 - Weigering WW-uitkering omdat het ontslag niet rechtsgeldig is nu het niet overeenkomstig paragraaf 623 van het BGB (Duits recht) schriftelijk is gegeven en appellant ten onrechte heeft berust in dit ontslag. De Raad ziet geen omstandigheid die zou moeten leiden tot het oordeel dat het niet nakomen van de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, in verbinding met het tweede lid, onderdeel b, van de WW, appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

LJN AT0966 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant met ingang van de datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Zoals de Raad al meermaals heeft uitgesproken, is de verzekerde niet ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid in de zin van de ZW indien hij geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO. Hieruit volgt dat appellant met ingang van voornoemde datum niet ongeschikt moet worden geacht voor alle vier in geding zijnde functies.

LJN AT0968 - Toekenning ZW-uitkering en oplegging van een maatregel van 20% korting wegens te late ziektemelding. Appellant was werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst met het karakter van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht. Anders dan appellant meent, was zijn werkgever op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW in geval van ziekte verplicht loon door te betalen. Het UWV heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat de in de schriftelijke arbeidsovereenkomst opgenomen uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting ook bij ziekte van de werknemer aan de orde was. Er bestond geen grondslag voor de toekenning van ZW-uitkering. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden vernietigd. Echter gezien het in artikel 8:69 van de Awb neergelegde verbod van reformatio in peius bepaalt de Raad dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

LJN AT0972 - Weigering ZW-uitkering omdat de op de datum in geding aangevangen arbeidsongeschiktheid niet het gevolg is van zwangerschap. De Raad verklaart het beroep van gedaagde alsnog niet-ontvankelijk omdat ingevolge het met ingang van 1 maart 2003 vervallen artikel 2a van de ZW de werkgever niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden beschouwd.

LJN AT2040 - Herziening AOW-pensioen in een ouderdomspensioen voor een gehuwde omdat geen sprake meer is van duurzaam gescheiden leven. Terugvordering van het te veel betaalde AOW-pensioen. Op grond van appellants verklaring, in samenhang bezien met de overige onderzoeksresultaten, is de Raad van oordeel dat in het geval van appellant en zijn ex-echtgenote geen sprake was van duurzaam gescheiden levende echtgenoten in de periode in geding.

LJN AT2142 - Weigering overneming schuld vanwege opleidingskosten en aanschafkosten van een pc gemaakt door de voormalige werkgever, nu de huidige werkgever, die deze schuld heeft overgenomen, in betalingsonmacht verkeert. Het UWV weigert de overneming op de grond dat de vorderingen van appellant betrekking hebben op vóór de in artikel 64 van de WW genoemde periode, terwijl de vorderingen evenmin kunnen worden aangemerkt als loonvorderingen als bedoeld in artikel 67 van de WW. De Raad oordeelt dat de uit de overeengekomen arbeidsvoorwaarden voortvloeiende verplichting tot overneming van de schuld bij de voormalige werkgever onmiskenbaar in verband staat met de dienstbetrekking die appellant met zijn huidige werkgever is aangegaan. Nu het een verzoek om overneming van een schuld betreft die door de werkgever aan een derde dient te worden voldaan en welke bij de indiensttreding in haar geheel opeisbaar was, komt deze schuld naar het oordeel van de Raad met toepassing van artikel 64, aanhef en onder c, van de WW voor overneming door het UWV in aanmerking.

LJN AT2143 - Ongegrondverklaring verzet omdat hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd geen grond is om het niet betalen van het griffierecht wegens betalingsonmacht, verontschuldigbaar te achten. De Raad overweegt daartoe dat aan opposant bij brief is meegedeeld dat geen vrijstelling van het griffierecht mogelijk is, gelet op de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 22 van de Bw. Tevens is opposant gewezen op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht. Voorts is aan opposant een extra ruime termijn gegeven om het griffierecht te voldoen.

LJN AT2678 - Toekenning, na beroep, van WW-uitkeringen ter waarde van de vakantierechten en de risico- en pensioenpremies over de periode in geding, onder oplegging van een maatregel van 30% korting wegens benadelingshandeling, omdat gedaagden de werkgever niet hebben gedagvaard om betaling te krijgen. Daarmee zijn gedaagden naar het oordeel van de Raad niet de ingevolge artikel 24, zesde lid, van de WW op hen rustende verplichting nagekomen. Met het UWV acht de Raad de aangevoerde omstandigheden niet zodanig dat ten aanzien van het door gedaagden nalaten om voldoende voortvarend en gericht actie te ondernemen, moet worden geoordeeld dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

LJN AT2680 - Herziening WW-uitkering en terugvordering van te veel betaalde WW-uitkering. Namens het UWV is ter zitting van de Raad meegedeeld dat in het geval van appellant de herziening van de uitkering niet met terugwerkende kracht kon plaatsvinden. Dat betekent dat ook aan het terugvorderingbesluit de grondslag is komen te ontvallen.

LJN AT2692 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering omdat voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs van appellant kon worden gevergd. Appellant is ten onrechte na hersteldverklaring van zijn ziekte niet meer op zijn werk verschenen c.q. heeft door zijn opstelling het zoeken naar een oplossing onmogelijk gemaakt. De Raad oordeelt dat nu alsnog ZW-uitkering is toegekend en appellant aansluitend in aanmerking is gebracht voor een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, appellant terecht per datum in geding WW-uitkering is ontzegd op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, respectievelijk b, van de WW.

LJN AT2714 - Weigering om terug te komen van een eerder genomen, rechtens onaantastbaar geworden besluit tot blijvend gehele weigering van WW-uitkering omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Omdat appellant zonder meer van zijn werk is weggebleven, is sprake van onwettig verzuim en heeft de werkgever appellant op staande voet ontslagen, welk ontslag in hoger beroep door de rechtbank nietig is verklaard. De Raad is met het UWV en de rechtbank van oordeel dat het betreffende vonnis niet een nieuw feit of veranderde omstandigheid is in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

LJN AT2877 - Weigering om terug te komen van een eerder genomen, rechtens onaantastbaar geworden besluit tot weigering van ZW-uitkering omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De Raad oordeelt dat, gelet op hetgeen van de zijde van het UWV is aangevoerd, niet kan worden gezegd dat het UWV niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

LJN AT2864 - Intrekking Anw-uitkering en toekenning AOW-pensioen en -toeslag in verband met het voeren van een gezamenlijke huishouding. De SVB acht appellant niet hulpbehoevend in de zin van de Anw. In geding is de vraag of sprake is van de door appellanten gestelde kostgangersrelatie of van een gezamenlijke huishouding en gelijkstelling met gehuwden.

LJN AT3047 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het besluit om de beëindiging van de bijstandsuitkering te handhaven stand zal kunnen houden.

LJN AT3049 - Opschorting bijstandsuitkering op de grond dat betrokkenen weigerden mee te werken aan een heronderzoeksgesprek over hun verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. Afwijzing van de verzoeken om voorlopige voorziening omdat volgens de voorzieningenrechter het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van het recht op bijstand gebruik heeft kunnen maken.

LJN AT3095 - Weigering WW-uitkering omdat de arbeidsovereenkomst niet door opzegging door de werkgever of door ontbinding door de kantonrechter is geëindigd, zodat appellant nog recht heeft op onverminderde doorbetaling van zijn loon en aldus niet werkloos is. Op grond van de gedingstukken, waaronder het aanvraagformulier WW-uitkering, staat voor de Raad genoegzaam vast dat de arbeidsovereenkomst tussen appellant en zijn werkgever per datum in geding met wederzijds goedvinden is geëindigd. Appellant en zijn werkgever hebben toen immers besproken de arbeidsovereenkomst te laten eindigen omdat de pizzeria was verkocht en er voor appellant geen werk meer was.

LJN AT3098 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid omdat appellant heeft berust in zijn ontslag nu is gebleken dat hij daartegen, anders dan aanvankelijk was gesuggereerd, geen gerechtelijke stappen heeft ondernomen jegens zijn werkgever. Weigering voorschot omdat rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. De Raad oordeelt dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 31 van de WW op het betreffende moment geen basis meer bood voor het verstrekken van een voorschot. Appellant heeft tegen het besluit tot weigering van de WW-uitkering in plaats van het maken van bezwaar onmiddellijk beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank had dat beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren en het beroepschrift moeten doorzenden naar het UWV ter behandeling als bezwaarschrift.

LJN AT3370 - Er is voldoende aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en de werking van de aangevallen uitspraak op het betreffende onderdeel op te schorten totdat de Raad heeft beslist op het door verzoeker ingestelde hoger beroep.

LJN AT3488 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering omdat appellante door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Hangende het beroep toekenning WW-uitkering, met oplegging van een maatregel van 35% korting op de uitkering gedurende 26 weken. De Raad oordeelt dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden doordat zij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat zij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

LJN AT3617 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omdat het per e-mail ingediende bezwaarschrift niet tijdig is ontvangen door het UWV. In de door appellant aangevoerde redenen ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De keuze van verzending per e-mail en de daarbij mogelijke feilen dienen voor risico van appellant te komen.

LJN AT3661 - Vaststelling dagloon. De Raad oordeelt dat de schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de verhoging van het dagloon juist is vastgesteld. Voorts is het UWV terecht niet terugkomen van een eerder genomen, rechtens onaantastbaar geworden besluit op bezwaar tegen de betaalspecificatie omdat niet is gebleken van nieuwe feiten. In de derde zaak heeft het UWV terecht geweigerd over te gaan tot nabetaling van WW-uitkering over de perioden in geding in verband met de berekening van overhevelingstoeslag na wijziging van het dagloon, nabetaling van WW-uitkering in verband met een onjuiste korting en nabetaling van te laag vastgestelde vakantie-uitkering alsmede tot vergoeding van wettelijke rente over de gemaakte nabetalingen.

LJN AT3683 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellante geschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Zoals de Raad bij herhaling heeft beslist, is het in strijd met een goede procesorde om, ingeval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de mede op informatie van de behandelend sector gebaseerde beoordeling van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig is geschied. Wat betreft het in eerste aanleg door appellante overgelegde rapport van Instituut Psychosofia heeft de rechtbank verwezen naar de inmiddels vaste jurisprudentie van de Raad inzake de aan een dergelijk rapport toe te kennen betekenis.

LJN AT3919 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat de omstandigheid dat met betaling van het griffierecht is gewacht tot de aangevraagde toevoeging zou zijn afgegeven, geen omstandigheid is op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.

LJN AT3976 - Korting AOW-pensioen van 68% wegens 34 onverzekerde jaren. Naar het oordeel van de Raad is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid. Noch uit de brief van het GAK noch uit het betreffende nader overgelegde stuk kan de Raad afleiden dat appellants mate van arbeidsongeschiktheid in de voor dit geding relevante periode steeds minder dan 45% heeft bedragen. De SVB zal ter zake nader onderzoek dienen te verrichten.

LJN AT4786 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid omdat appellante zelf ontslag heeft genomen. De Raad oordeelt echter dat er onvoldoende gegevens zijn voor het oordeel dat appellante in het kader van de WW kan worden verweten dat zij zelf ontslag heeft genomen. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid.

LJN AT3833 - Herziening en terugvordering WW-uitkering omdat appellant meer uren heeft gewerkt als zelfstandig musicus en componist dan hij heeft opgegeven op zijn werkbriefjes. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht overwogen dat het door appellant over de betreffende jaren - gemotiveerd - claimen van zelfstandigenaftrek de vooronderstelling rechtvaardigt dat hij jaarlijks ten minste 1225 uur (23,56 uur per week) als zelfstandige heeft gewerkt.

LJN AT4119 - Afbouw TW-uitkering van in Turkije wonende appellant in een periode van drie jaar op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. De Raad oordeelt dat, nu het UWV volledig tegemoet is gekomen aan appellants grieven voor zover betrekking hebbend op de hier in geding zijnde tweede fase van de afbouwregeling, appellant niet langer belang heeft bij handhaving van het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

LJN AT3834 - Weigering ZW-uitkering omdat de werkneemster met ingang van de datum in geding niet ten gevolge van haar bevalling of zwangerschap ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellante niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Artikel 2a van de ZW had niet alleen betrekking op besluiten waarbij in geschil is of al dan niet sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar eveneens op besluiten waarbij aard en oorzaak van de arbeidsongeschiktheid aan de orde zijn.

LJN AT4331 - Korting AOW-pensioen en -toeslag van 10% onderscheidenlijk 2% wegens onverzekerde jaren. De Raad oordeelt dat de drie betreffende tijdvakken van verplichte verzekering ingevolge de Duitse wetgeving, op grond van de in de aangevallen uitspraak aangegeven regels van supranationaal recht en de vaste rechtspraak niet als verzekerde tijdvakken ingevolge de AOW kunnen worden aangemerkt.

LJN AT4582 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat er geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Het hogerberoepschrift is blijkens de poststempel op de enveloppe na het verstrijken van de beroepstermijn ter post bezorgd.

LJN AT4753 - Weigering bijstandsuitkering omdat het op €22.454,28 vastgestelde vermogen van verzoeker voldoende is om zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het college bevoegd aan het toekennen van bijstand de verplichting te verbinden dat verzoeker binnen twee maanden na bekendmaking van het nader te nemen toekenningsbesluit de vordering bij zijn moeder opeist. Met de belangen van verzoekers moeder behoeft het college in het kader van de bijstandverlening aan verzoeker geen rekening te houden, aangezien zij geen subject van bijstandverlening is.

LJN AT4802 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omdat de brief aan appellante slechts in het algemeen aangeeft dat na inwerkingtreding van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW werkloze werknemers van 57,5 jaar of ouder actief op zoek moeten naar werk. Ook de Raad oordeelt dat deze informatieve brief geen (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is.

LJN AT4814 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering omdat gedaagde aangeboden passend werk niet heeft geaccepteerd, terwijl dat wel van haar mocht worden verlangd. In geding is de vraag of gedaagde, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, ervan uit mocht gaan dat de arbeid niet van haar kan worden gevergd om redenen van sociale aard, betrekking hebbend op de opvang van haar kinderen in verband met de aanvangstijd van de werkzaamheden (8.15 uur).

LJN AT4822 - Oplegging maatregel van blijvende, gehele weigering van ZW-uitkering omdat appellant door in de beëindiging van zijn dienstverband te berusten het Algemeen Werkloosheidsfonds of GAK Nederland BV heeft benadeeld. De Raad gaat ervan uit dat het arbeidsongeschiktheidsrisico nog niet was ingetreden toen appellant werd ontslagen en door te berusten in het ontslag zijn loonaanspraken prijsgaf. Daarmee is er geen grondslag voor het opleggen van voornoemde maatregel.

LJN AT4848 - Toekenning WAO-uitkering na bezwaar naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Weigering ZW-uitkering omdat appellant geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. De rechtbank had het beroep van appellant gericht tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar gegrond moeten verklaren. Appellant is in de bezwaarfase ten onrechte niet gehoord. Er bestaat geen recht op een hogere WAO-uitkering omdat appellant voor ten minste één functie niet ongeschikt is. Ten aanzien van de weigering om ZW-uitkering te verlenen, heeft volgens de bezwaarverzekeringsarts de primaire verzekeringsarts appellant terecht hersteld verklaard voor de geduide functies, waarin al rekening is gehouden met een beperkte energetische belastbaarheid.

LJN AT5003 - Toekenning AOW-pensioen aan in Zwitserland wonende appellanten zonder toekenning van de zogeheten overgangsvoordelen AOW. In geding is onder meer de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de Overeenkomst Nederland-Zwitserland niet voorziet in toekenning van overgangsvoordelen in een situatie als hier aan de orde. Tot slot is de Raad van oordeel dat de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn is overschreden.

LJN AT5072 - Herziening AOW-pensioenen naar de norm voor een gehuwde wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad is van oordeel dat zowel in de zaak van appellant als in die van appellante de bevoegde rechtbank uitspraak heeft gedaan. Voorts is de Raad van oordeel dat met betrekking tot de gezamenlijke huishouding zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan.

LJN AT5199 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep omdat het beroepschrift niet tijdig is ingediend, terwijl niet is gebleken van enige omstandigheid waardoor redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. De Raad heeft in de gedingstukken geen enkele aanwijzing kunnen vinden - en overigens is daartoe in hoger beroep geen nader bewijsstuk overgelegd - dat eerder dan op de datum in geding een beroepschrift (tijdig) zou zijn ingediend.

LJN AT5213 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat de SVB er terecht van is uitgegaan dat appellant sedert juni 1995 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn partner. Volgens de Raad doet zich geen dringende reden voor die de SVB ertoe had moeten nopen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

LJN AT5214 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellante per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat met name betekenis moet worden toegekend aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsartsen. Er is geen aanleiding aan hun oordeel te twijfelen. De WAO-aanvraag van appellante is buiten behandeling gesteld omdat er geen medische beoordeling kon plaatsvinden nu appellante telkenmale wegens ziekte niet was verschenen voor onderzoek.

LJN AT5437 - Weigering ZW-uitkering omdat de werkneemster niet als gevolg van haar zwangerschap of bevalling ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Het bezwaar van gedaagde (de werkgever) is terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat gedaagde niet als belanghebbende bij het betreffende besluit is aan te merken. Artikel 2a van de ZW had niet alleen betrekking op besluiten waarbij in geschil is of al dan niet sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar eveneens op besluiten waarbij aard en oorzaak van de arbeidsongeschiktheid aan de orde zijn.

LJN AT5438 - Weigering ZW-uitkering omdat de ongeschiktheid niet haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Bij het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de daartoe in acht te nemen bezwaartermijn van twee weken. Het UWV stelt terecht dat in het onderhavige geval sprake is van een geschil van geneeskundige aard als bedoeld in artikel 75j van de ZW waarvoor op grond van artikel 75k van de ZW een bezwaartermijn van twee weken geldt.

LJN AT5439 - Weigering ZW-uitkering omdat de werknemer tijdens ziekte recht heeft op loondoorbetaling door appellante. Bij het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de termijnoverschrijding in de bezwaarfase niet-verschoonbaar is te achten.

LJN AT5530 - Vaststelling WW-dagloon overeenkomstig het WAO-dagloon. De Raad oordeelt dat de WW-dagloonvaststelling dient te worden bijgesteld indien geheel dan wel ten dele de daaraan verbonden WAO-dagloonvaststelling niet op goede gronden berust. Omdat sprake is van twee samenhangende, nagenoeg identieke zaken, wijst de Raad in deze zaak ten laste van het UWV aan appellant de helft van de proceskostenvergoeding toe.

LJN AT5813 - Herziening en terugvordering WW-uitkering en boeteoplegging wegens verzwegen werkzaamheden in loondienst en als zelfstandige. In geding is de vraag of er bij het opleggen van de sanctie van de blijvend gehele weigering van uitkering sprake is van strijd met een redelijke beleidsbepaling en strijd met het evenredigheidsbeginsel.

LJN AT5814 - Toekenning AOW-pensioen en -toeslag met een korting van onderscheidenlijk 24% en 52% wegens onverzekerde jaren. Voorschotverlening omdat de beschikking op de AOW-aanvraag binnen negen maanden zal worden toegezonden. De Raad oordeelt dat de rechtbank terecht het verzoek tot vergoeding van immateriële schade heeft afgewezen. De gestelde emotionele schade kan niet worden gekwalificeerd als "een aantasting van zijn persoon" als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onderdeel b, van het BW.

LJN AT6119 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering omdat niet kan worden gesteld dat appellante gedwongen was haar dienstverband voor onbepaalde tijd in te wisselen voor een contract voor bepaalde tijd, welk contract in de proeftijd van één maand is beëindigd. Het UWV heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de langere reistijd wegens verhuizing van het voorlaatste bedrijf van appellante kon worden gevergd, zodat appellante verwijtbaar ontslag heeft genomen bij dat bedrijf. Hangende het hoger beroep kent het UWV alsnog een WW-uitkering toe, onder oplegging van een maaregel van 20% korting op de uitkering gedurende zestien weken. De Raad oordeelt dat, gelet op de omstandigheden van de overstap van de voorlaatste dienstbetrekking naar de dienstbetrekking van waaruit appellante is ontslagen, dat appellante niet verwijtbaar werkloos is geworden.

LJN AT6242 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat het bezwaar tegen de herziening van het AOW-pensioen terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Termijnoverschrijding wegens ziekte en vakantie van appellantes gemachtigde wordt niet verschoonbaar geacht.

LJN AT6648 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Door het plegen van valsheid in geschrifte heeft appellant zich bij zijn werkgever zodanig gedragen dat hij behoorde te weten of kon weten dat ontslag zou volgen. De Raad stelt vast dat het UWV bij zijn besluitvorming uitsluitend is afgegaan op de stukken die door de werkgever zijn overgelegd in het kader van de kantonrechtersprocedure. Appellant heeft de in die stukken opgenomen verklaringen in bezwaar evenwel gemotiveerd bestreden, hetgeen het UWV in het geheel niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken. De Raad acht deze gang van zaken niet aanvaardbaar. Naar het oordeel van de Raad had het UWV, gezien de tegenstrijdige verklaringen, ten minste de werkgever van appellant dienen te confronteren met de visie van appellant en de daarbij behorende feiten.

LJN AT6649 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid omdat appellant zich bij zijn werkgever zodanig heeft gedragen dat hij behoorde te weten of kon weten dat ontslag zou volgen. Appellant heeft bij zijn werkgever niet gemeld dat zijn collega’s hebben gefraudeerd met het in- en uitklokken. De Raad stelt vast dat het UWV bij zijn besluitvorming uitsluitend is afgegaan op de stukken die door de werkgever zijn overgelegd in het kader van de kantonrechtersprocedure. Appellant heeft de in die stukken opgenomen verklaringen in bezwaar evenwel gemotiveerd bestreden, hetgeen het UWV in het geheel niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken. De Raad acht deze gang van zaken niet aanvaardbaar. Naar het oordeel van de Raad had het UWV, gezien de tegenstrijdige verklaringen, ten minste de werkgever van appellant dienen te confronteren met de visie van appellant en de daarbij behorende feiten.

LJN AT6650 - Oplegging maatregel van 20% korting op de WW-uitkering gedurende zestien weken wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten. Appellante heeft zich niet gehouden aan de verplichting om passend werk te vinden door in de periode in geding in het geheel niet te solliciteren. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat appellante in voornoemde periode niet heeft voldaan aan de minimumeis van één concrete sollicitatie per week.

LJN AT6652 - Overneming betalingsverplichtingen van gedaagdes failliete werkgever, waarbij in de overgenomen bedragen niet zijn verwerkt de salarisverhogingen per data in geding die gedaagde krachtens de CAO toekwamen. Het UWV stelt dat het niet claimen van het juiste uurloon geheel voor risico van gedaagde komt en dat daarom moet worden uitgegaan van het uurloon zoals dat door de werkgever is betaald en door gedaagde is geaccepteerd. De Raad oordeelt dat de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt bevatten voor het standpunt van het UWV dat de werkgever, indien hij niet betalingsonmachtig was geworden, niet het CAO-loon zou hebben betaald.

LJN AT6710 - Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep omdat appellant geen belang meer heeft bij de behandeling van het hoger beroep nu het UWV het bestreden besluit niet langer handhaaft. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep.

LJN AT6725 - Intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering omdat het inkomen uit vermogen hoger is dan de toepasselijke grondslag. Bij de vaststelling van het vermogen van appellant heeft het college het toegewezen deel van het melkquotum buiten beschouwing gelaten en slechts het aangekochte deel van het melkquotum betrokken. De Raad is van oordeel dat de waarde van het aangekochte deel van het melkquotum dient te worden gesteld op de boekwaarde bij de bedrijfsbeëindiging en niet op de vrije verkoopwaarde. Voorts is het melkquotum door de maatschap aangekocht en kan daarom slechts voor een deel gerekend worden tot het vermogen van appellant toen hij zijn bedrijfsactiviteiten staakte.

LJN AT6745 - Oplegging maatregel van 20% korting op de WW-uitkering, na bezwaar 10%, gedurende 130 dagen omdat gedaagde niet heeft voldaan aan de verplichting de registratie als werkzoekende bij de CWI te laten verlengen. De Raad ziet, anders dan de rechtbank, geen bijzondere omstandigheden die maken dat het UWV in dit geval van zijn beleid had moeten afwijken. Nu het UWV bij verweer in hoger beroep heeft gesteld het standpunt van de rechtbank te delen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, oordeelt de Raad dat er op dit punt tussen partijen geen geschil meer bestaat.

LJN AT6746 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid omdat appellant zonder duidelijke noodzaak de kantonrechter heeft verzocht de arbeidsoverkomst te ontbinden. Weigering bovenwettelijke werkloosheidsuitkering door de onderwijsinstelling waar appellant klassenassistent was. Ook naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat de verhouding tussen appellant en zijn leidinggevende tot een zodanig onaanvaardbare situatie heeft geleid dat appellant niets anders restte dan de weg van ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. Ter zake van het beroep tegen de weigering tot verlening van de (privaatrechtelijke) bovenwettelijke uitkering verklaart de Raad de rechtbank onbevoegd.

LJN AT6784 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen de WW-dagloonvaststelling wegens overschrijding van de bezwaartermijn en niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen een uitkeringsspecificatie omdat de specificatie geen (appellabel) besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De Raad oordeelt dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat de uitkeringsspecificatie niet op enig rechtsgevolg is gericht en derhalve geen besluit is in de zin van de Awb waartegen appellant de mogelijkheid van bezwaar kon aanwenden.

LJN AT6790 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens het ontbreken van gronden. De Raad oordeelt dat, nu de bezwaren niet zijn aangevuld, evenwel tijdens de hoorzitting nader op de wel aangevoerde gronden had kunnen worden ingegaan en de gewenste duidelijkheid had kunnen worden verschaft, te meer appellant te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord.

LJN AT7045 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. De rechtsvraag leent zich niet voor beantwoording in het kader van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder toepassing van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb.

LJN AT7192 - Afwijzing verzoek om wraking. De Raad is van oordeel dat in hetgeen door verzoeker aan zijn verzoek om wraking ten grondslag is gelegd geen feiten of omstandigheden zijn gelegen die specifiek betrekking hebben op de persoon van één of meer van de betrokken rechters in het onderhavige geval. Een verzoek om wraking van een rechterlijk college als zodanig is geen wrakingsverzoek waarop artikel 8:15 van de Awb ziet en dient in zoverre dan ook reeds daarom te worden afgewezen.

LJN AT7324 - Afwijzing verzoek om herziening omdat verzoeker geen nieuwe feiten of nieuwe omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb naar voren heeft gebracht. De Raad merkt hierbij op dat de psychische klachten van verzoeker en de helicobacter pylori reeds bekend waren vóór de betreffende uitspraak van de Raad.

LJN AT7524 - Toekenning, na bezwaar, van een kortdurende WW-uitkering, gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 33,12 uur per week. Ook de Raad is niet gebleken dat het gemiddeld aantal arbeidsuren onjuist is berekend en vastgesteld. Het verzoek in de bezwaarfase alsmede in de beroepsfase om vergoeding van reis- en verletkosten van de gemachtigde die niet beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend, is ten onrechte afgewezen.

LJN AT7558 - Correctie grondslag Ioaw-uitkering nadat het college was gebleken dat bij het toekenningsbesluit abusievelijk is uitgegaan van een te hoge grondslag. Volgens appellante is de grondslag onjuist vastgesteld en dient de Ioaw-uitkering, die is vastgesteld met toepassing van artikel 9, vierde lid, van de Ioaw, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van de Ioaw periodiek te worden geïndexeerd. Daarnaast is appellante van mening dat ook de verhoging van 1,9% wegens de afschaffing van de overhevelingstoeslag ten onrechte achterwege is gebleven.

LJN AT7577 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid omdat appellant, die voor de duur van één jaar werkzaam is geweest als beveiligingsmedewerker, door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden onder meer als gevolg van een veroordeling wegens bijstandsfraude en een veroordeling wegens valsheid in geschrifte. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant te verwijten valt dat hij door zijn toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

LJN AT7579 - Weigering WW-uitkering over de periode in geding omdat de kantonrechter aan appellante een schadevergoeding heeft toegekend en dat tot de datum in geding de termijn loopt waarover appellante wordt geacht loon te ontvangen zodat zij tot die datum niet als werkloos in de zin van de WW kan worden aangemerkt. Nu het in hoger beroep nader ingenomen standpunt van het UWV dat in het onderhavige geval een benadelingshandeling dient te worden gesteld niet in het bestreden besluit is neergelegd, noch in een ander, komt de Raad, gelet op de omvang van het onderhavige hoger beroep, aan een beoordeling van dat standpunt niet toe.

LJN AT7654 - Ongegrondverklaring verzet omdat het hogerberoepschrift niet-verschoonbaar niet tijdig is ingediend. Normaal gesproken doet een rechtbank na zes weken uitspraak. Inclusief de termijn van administratieve verwerking zal de gemachtigde de uitspraak uiterlijk ongeveer negen weken na de zitting ontvangen. Gelet op de wettelijke beroepstermijn ligt het dan op de weg van de gemachtigde bij uitblijven van de uitspraak tijdig bij de rechtbank te informeren.

LJN AT7669 - Weigering AOW-pensioen omdat in Marokko wonende appellant nimmer verzekerd is geweest voor de AOW. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Appellant stelt ten onrechte dat hij nooit het in het Frans vertaalde en door CNSS aan hem doorgezonden besluit heeft ontvangen, nu in het bezwaarschrift onder vermelding van het juiste referentienummer wordt verwezen naar dat besluit.

LJN AT8180 - Afwijzing verzoek om veroordeling in de proceskosten omdat voor de op eigen naam verrichte proceshandelingen geen vergoeding van proceskosten kan worden toegekend. In vergoeding van kosten in verband met de voorbereiding van een zaak is in het Besluit proceskosten bestuursrecht niet (afzonderlijk) voorzien.

LJN AT8385 - Weigering kwijtschelding van een resterende terugvorderingsschuld. In geding is de vraag of het UWV terecht heeft overwogen dat inning door beslaglegging niet kan worden aangemerkt als het voldoen aan de betalingsverplichting, dat uit de opgave van de deurwaarder blijkt dat nog niet de helft van de oorspronkelijke vordering is voldaan en dat de grond dat gedurende vijf jaar alleen de beslagvrije voet is uitbetaald niet bij de beoordeling kan worden betrokken nu de vordering in dit geval het gevolg is van overtreding van de inlichtingenverplichting.

LJN AT8496 - Weigering gedeelte rijksvergoeding wegens ondoeltreffende uitvoering van de wet, waarbij het desbetreffende bedrag zal worden verrekend. In geding is de vraag of er sprake is van deugdelijke bekendmaking van de vaststellingsbesluiten en of de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is.

LJN AT8584 - Beëindiging verplichte AOW-verzekering van in Marokko wonende appellant. De Raad overweegt dat de betreffende brief in elk geval op rechtsgevolg is gericht voor zover daarin is aangegeven dat geen premie meer op appellants WAO-uitkering zal worden ingehouden. Appellants brief van 19 november 2002 moet worden aangemerkt als een tegen het bestreden besluit gericht en tijdig ingediend beroepschrift, dat door de SVB had moeten worden doorgezonden naar de rechtbank. Daaruit vloeit voort dat de rechtbank appellants beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

LJN AT9102 - Toekenning volledig AOW-pensioen voor een gehuwde alsmede een AOW-toeslag ter hoogte van 36% van de volledige AOW-toeslag wegens 32 onverzekerde jaren. De Raad oordeelt dat de SVB onvoldoende heeft onderzocht of en hoe lang appellants partner als verzekerde krachtens de volksverzekeringen aangemerkt moet worden.

LJN AT9299 - Weigering Bbz- en Ioaz-uitkering omdat niet aan het begrip zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 en de Ioaz is voldaan. Volgens het college zou de ondernemingsvorm van een stichting het niet mogelijk maken om verzoeker aan te merken als zelfstandige. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker, die twee stichtingen voert, ten onrechte niet is aangemerkt als zelfstandige. Niet de juridische constructie is bepalend, als wel de mate waarin de situatie in economisch opzicht overeenkomt met die behorend bij een eenpersoonsbedrijf.

LJN AT9306 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Het college stelt belang te hebben bij een voorlopige voorziening omdat anders uitvoering gegeven zou moeten worden aan de beslissing van de rechtbank en een nieuw besluit genomen zou moeten worden waar het college het inhoudelijk/juridisch niet mee eens is en daarvan in hoger beroep is gekomen. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanknopingspunt voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

LJN AT9318 - Intrekking bijstandsuitkering omdat verzoeker niet (langer) op het door hem opgegeven adres woont. Verzoeker heeft onjuiste informatie verstrekt inzake zijn woonadres zodat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Evenals de voorzieningenrechter van de rechtbank is de voorzieningenrechter van de Raad van oordeel dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of verzoeker ten tijde in geding (jegens het gedaagde college) recht had op bijstand. Bij de nieuwe aanvraag om bijstand zijn geen nieuwe of anderszins nadere gegevens verstrekt.

LJN AT9324 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. De aangevoerde omstandigheden vormen geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

LJN AT9362 - Weigering ZW-uitkering omdat de werkneemster niet als gevolg van haar zwangerschap of bevalling ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Het bezwaar van gedaagde (de werkgever) is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat gedaagde niet als belanghebbende bij het betreffende besluit is aan te merken. Artikel 2a van de ZW had niet alleen betrekking op besluiten waarbij in geschil is of al dan niet sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar eveneens op besluiten waarbij aard en oorzaak van de arbeidsongeschiktheid aan de orde zijn.

LJN AT9728 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellante per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Zoals de Raad al meerdere malen heeft uitgesproken is van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan een eerdere schatting in het kader van de WAO. De Raad is van oordeel dat de betrokken verzekeringsartsen - anders dan appellante meent - bij hun onderzoek voldoende informatie van de behandelend sector ter beschikking stond om tot een afgewogen en voldoende gemotiveerd oordeel omtrent de medische situatie van appellante te komen.

LJN AT9828 - Toekenning WAO-uitkering, na beroep naar een mate van arbeidsongeschikt van 25 tot 35%. Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. De Raad oordeelt dat argumenten aangevoerd door een medische leek, waaronder de Raad ook alternatieve genezers schaart die niet als medicus zijn geregistreerd, niet dezelfde kracht hebben als argumenten aangevoerd door reguliere artsen. Wat de rapportages van Instituut Psychosofia betreft, verwijst de Raad naar zijn inmiddels vaste jurisprudentie over de waarde van de uitkomsten van door dat instituut verricht onderzoek naar de bij een belanghebbende bestaande blokkades. De Raad komt tot de conclusie dat het UWV terecht heeft aangenomen dat appellant met ingang van de data in geding niet ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid, zijnde in dit geval één van de aan de WAO-schatting ten grondslag gelegde functies.

LJN AU0498 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Het bezwaarschrift dient te worden aangemerkt als zijnde voortijdig ingediend, zodat niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft. Gelet op de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts ziet de Raad geen reden voor twijfel aan de getrokken conclusie dat appellants geestelijke gezondheidstoestand niet van dien aard was dat hij niet in staat was het eenvoudige routinematige schoonmaakwerk te verrichten.

LJN AU0554 - Ongegrondverklaring verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep vanwege niet-tijdige betaling van het griffierecht. De Raad stelt vast dat blijkens de door hem ingewonnen informatie de ABN/AMRO-bank het ontvangen bedrag van €87,- twee dagen later heeft teruggestort op opposantes Marokkaanse rekening omdat op het overschrijvingsformulier niet duidelijk was vermeld naar welke bank het bedrag moest worden overgemaakt.

LJN AU0687 - Onterechte afwijzing bijstand (ten bedrage van het verschil tussen alleenstaandeoudernorm en alleenstaandennorm) voor kinderen van illegale vreemdelingen, omdat, gelet op het IVRK, het koppelingsbeginsel geen voldoende rechtvaardiging kan vormen voor het geheel uitsluiten van de mogelijkheid om uitsluitend ten behoeve van de minderjarige kinderen bijstand te verlenen in een situatie dat hun om deze bijstand vragende niet-rechthebbende ouders zelf niet in staat zijn de kosten van voeding, kleding en andere essentiële, voor de minderjarige kinderen noodzakelijke kosten te betalen (zeer dringende redenen).

LJN AU0922 - Ongegrondverklaring verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep vanwege niet-tijdige betaling van het griffierecht. Hetgeen namens opposant in verzet is aangevoerd, bevat geen grond waarop kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest het griffierecht tijdig te voldoen. De Raad is voorts van oordeel dat het niet tijdig voldoen van het griffierecht door de gemeente van opposant voor risico van opposant dient te blijven. De Raad merkt in dat verband op dat opposant geen onderbouwd verzoek om uitstel van betaling bij de Raad heeft ingediend.

LJN AU1040 - Toekenning Ioaw-uitkering met terugwerkende kracht omdat het appellant op medische gronden niet is aan te rekenen dat hij tijdens het intakegesprek van 20 juni 2000 geen aanvraag heeft ingediend. De rechtbank heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die toekenning van de Ioaw-uitkering met terugwerkende kracht rechtvaardigen tot een datum gelegen vóór 20 juni 2000. De rechtbank acht, anders dan appellant, een ingangsdatum gelegen kort na 10 december 1998 redelijk.

LJN AU1069 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten en vermogen. Appellant heeft niet aan de op hem rustende inlichtingenverplichting voldaan, zodat als gevolg daarvan niet (meer) kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre hij ten tijde hier van belang over middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Tevens in geding is de vraag of terecht is besloten de nieuwe aanvraag om bijstandsuitkering met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet te behandelen.

LJN AU1156 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Oplegging maatregel van 40% verlaging van de bijstandsuiktering voor onbepaalde duur omdat betrokkene in strijd met de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wwb voor de vierde keer binnen twaalf maanden de inschakeling naar arbeid heeft verstoord. De gedraging van betrokkene is terecht gekwalificeerd als het niet of onvoldoende meewerken aan het verkrijgen van regulier werk.

LJN AU1159 - Afwijzing wrakingsverzoek. Er is geen grond voor het oordeel dat sprake is van (schijn van) rechterlijke partijdigheid van mr. Th.C. van Sloten.

LJN AU1241 - Afwijzing verzoek om schadevergoeding. De Raad oordeelt dat, gelet op het limitatieve karakter van de regeling van de proceskostenvergoeding, die is neergelegd in artikel 8:75 van de Awb en het daarop gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht, de portokosten en de kosten van door appellant geïnvesteerde tijd in bezwaar- en (hoger)beroepschriften niet voor vergoeding in aanmerking komen. Aangezien artikel 8:75 van de Awb een exclusieve regeling inhoudt, is voor een (aanvullende) vergoeding van deze kosten op grond van artikel 8:73 van de Awb evenmin plaats.

LJN AU1248 - Gegrondverklaring verzet. In geding is de vraag of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet verschoonbaar niet tijdig voldoen van het griffierecht. De tekst van het laatste rappel van de griffier bevat geen nieuwe dreiging met niet-ontvankelijkverklaring. De Raad is van oordeel dat opposant niet kan worden tegengeworpen dat hij het griffierecht niet vóór de gestelde datum heeft betaald.

LJN AU1250 - Oplegging maatregel van 10% gedurende één maand. Niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar vanwege het ontbreken van procesbelang. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat afdoende is aangetoond dat appellant geweigerd heeft mee te werken aan het re-integratietraject en dat die gedraging moet worden gezien als het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid. De door appellant opgevoerde portokosten en kosten van door hem geïnvesteerde tijd in bezwaar- en (hoger)beroepschriften komen niet voor vergoeding in aanmerking. Aan overschrijding van de termijn voor het doen van uitspraak verbindt de Awb geen consequenties.

LJN AU1320 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening en onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak. Weigering ZW-uitkering omdat verzoekster vanaf de aanvang van de verzekering ongeschikt was voor haar arbeid. Naar het oordeel van de Raad heeft het UWV terecht vastgesteld dat verzoekster vanaf de aanvang ongeschikt was voor haar arbeid. Het UWV was mitsdien bevoegd de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend te weigeren. De wijze waarop het UWV van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, kan de toetsing van de Raad eveneens doorstaan.

LJN AU1455 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellante per data in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid als bollenpelster. De bezwaarverzekeringsarts heeft in een commentaar op de door appellante overgelegde brief van haar zenuwarts opgemerkt dat de genoemde angstklachten niet heel ernstig waren en dat het weinig stresserende werk van bollenpelster ook met dergelijke klachten kon worden gedaan. De Raad ziet geen reden om aan dit standpunt te twijfelen.

LJN AU1837 - Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen vermogen dat de vermogensgrens te boven gaat. Door deze schending van de inlichtingenverplichting valt het recht op bijstand niet vast te stellen. Het college heeft de nieuwe bijstandsaanvraag terecht aangemerkt als een herhaalde aanvraag waarbij niet is gebleken van nieuwe, rechtens relevante, feiten of omstandigheden in vergelijking met die ten tijde van de eerdere aanvraag.

LJN AU1850 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat verzoeker niet uiterlijk op de gestelde datum de nadere gegevens heeft verstrekt waar het college om had verzocht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker redelijkerwijs in staat moet zijn geweest om over de gevraagde bankafschriften te beschikken en deze tijdig te overleggen. Naar vaste rechtspraak van de Raad brengt de aard en inhoud van het primaire besluit strekkende tot buiten behandeling laten van de aanvraag om bijstand met zich mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt.

LJN AU1869 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. De Raad oordeelt dat de ZW-uitkering ten onrechte is ingetrokken omdat appellant ook ten tijde in geding leed aan een obsessief-compulsieve stoornis van een zodanige ernst dat normaal functioneren in arbeid redelijkerwijs niet mogelijk was.

LJN AU1953 - Herziening en (mede)terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij geen weet had van de verlening van bijstand aan haar partner, die zowel bij de aanvraag om een gezinsuitkering als op de inlichtingenformulieren haar handtekening zou hebben vervalst. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij vanaf de datum in geding niet meer met hem samenwoont en inmiddels wettig van hem is gescheiden.

LJN AU1956 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening wegens het ontbreken van spoedeisend belang. In geding is de hoogte van het vastgestelde aflossingsbedrag van de ten onrechte te veel ontvangen bijstandsuitkering. De omstandigheid dat het college meerdere zaken in behandeling heeft waarbij een afbetalingsregeling moet worden vastgesteld, maakt de onderhavige zaak niet anders omdat de door het college bestreden overwegingen van de rechtbank uitsluitend betrekking hebben op de zich in dit geval voordoende specifieke situatie en geen betekenis hebben voor door het college te behandelen bezwaren van andere personen dan gedaagde.

LJN AU2257 - Weigering ZW-uitkering omdat de nietigheid van appellants ontslag is ingeroepen en doorbetaling van het loon is geëist, zodat nog niet vaststaat of appellant recht heeft op loondoorbetaling. In aanmerking nemend dat het aan appellant verleende ontslag inmiddels in rechte onaantastbaar is komen vast te staan en de grond tot weigering van ziekengeld, welke ziet op het recht op bezoldiging in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b (oud), van de ZW, dus niet houdbaar is gebleken, ziet de Raad nu het UWV gelet op de uitbetaling van ZW-uitkering de weigering van ZW-uitkering in feite ook niet heeft gehandhaafd, voldoende grond om het bestreden besluit niet in stand te laten.

LJN AU2729 - Weigering ZW-uitkering omdat appellants dienstverband per datum in geding niet is beëindigd en hij recht heeft op doorbetaling van loon, nu het gerechtshof het gegeven ontslag op staande voet heeft vernietigd. Appellants gemachtigde heeft aan de Raad meegedeeld dat het nadere besluit om appellant niet in aanmerking te brengen voor ZW-uitkering correct is. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De verzochte proceskostenveroordeling wordt toegewezen.

LJN AU3067 - Afwijzing verzoek om herziening van de uitspraak waarbij het beroep tegen het besluit tot weigering om verzoeker toe te laten tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad overweegt dat hetgeen door verzoeker is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb.

LJN AU3323 - Toekenning TW-uitkering, maar slechts met terugwerkende kracht van één jaar. Nu het UWV het bestreden besluit heeft ingetrokken, ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen enkele grond om in het onderhavige geval een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW aanwezig te achten. De enkele omstandigheid dat appellante - en blijkbaar ook haar gemachtigde - niet van het bestaan van dit voorschrift op de hoogte waren, vormt blijkens vaste jurisprudentie in het algemeen onvoldoende grond voor een dergelijk oordeel. Het UWV wordt veroordeelt tot renteschadevergoeding.

LJN AU3498 - Afwijzing herhaald verzoek om TW-uitkering met terugwerkende kracht over de periode in geding. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die kunnen rechtvaardigen dat het UWV van het eerder genomen afwijzingsbesluit betreffende die periode terugkomt.

LJN AU3513 - Niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het bezwaar omdat het bezwaarschrift niet binnen de hier geldende termijn van twee weken is ingediend. De Raad oordeelt echter dat de hersteldverklaring, waartegen het bezwaar is gericht, niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Weliswaar bevat de hersteldverklaring de stellige mededeling dat appellant vanaf de datum in geding niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht, maar met deze mededeling is nog geen beslissing omtrent het recht op ZW-uitkering genomen. Gelet op het inmiddels genomen besluit tot intrekking van de ZW-uitkering had het inleidend beroepschrift met toepassing van het bepaalde in artikel 6:15, eerste lid, van de Awb ter behandeling als bezwaarschrift moeten worden doorgezonden naar het UWV.

LJN AU3583 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid als algemeen medewerker bij een grondsaneringsbedrijf. De door de Raad ingeschakelde deskundige is tot de conclusie gekomen dat appellant vanwege zijn depressieve klachten op en na voornoemde datum niet in staat was zijn arbeid te verrichten, welk standpunt de deskundige in zijn reactie op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts nogmaals heeft bevestigd.

LJN AU3588 - Herziening AOW-toeslag wegens inkomsten uit WAO-uitkering van gedaagdes echtgenote. Ter zitting van de Raad heeft de SVB medegedeeld dat het bestreden besluit, gelet op recente rechtspraak van de Raad, niet wordt gehandhaafd en dat een nader besluit genomen zal worden waarbij de terugwerkende kracht van de herziening zal worden beperkt tot de helft. De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat het gedaagde redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de wijziging van de aard van de inkomsten van zijn echtgenote na de toekenning van de WAO-uitkering van belang was voor de vaststelling van de hoogte van zijn aanspraak op AOW-toeslag.

LJN AU3910 - Intrekking WAO- en ZW-uitkering en terugvordering WAO-uitkering omdat appellant per datum in geding geen werknemer is in de zin van de ZW en de WAO en derhalve niet verzekerd is in de zin van de ZW en de WAO. Appellant verbleef ten tijde van zijn ziekmelding met ingang van voornoemde datum niet (meer) rechtmatig in Nederland en was er een einde gekomen aan zijn verworven rechtspositie zoals voorzien in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vreemdelingenwet. De door appellant aangevraagde verblijfsvergunning was immers afgewezen.

LJN AU3931 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellante per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de haar eerder in het kader van een WAO-beoordeling voorgehouden functies, welke elk afzonderlijk gelden als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW. De Raad oordeelt dat de bezwaarverzekeringsarts in diverse rapportages genoegzaam uiteen heeft gezet dat appellante ten tijde in geding op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, niet ongeschikt kon worden geacht voor de voorgehouden functies.

LJN AU3981 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 72% van het volledige pensioen voor een gehuwde. Daarbij heeft de SVB overwogen dat er geen sprake is van een bijzonder geval, zodat het pensioen niet met een langere terugwerkende kracht dan één jaar vóór de eerste dag van de maand waarin de aanvraag werd ingediend, kan worden toegekend. Ter zitting van de Raad heeft de SVB desgevraagd medegedeeld dat de aanvraag om een Duits ouderdomspensioen gelet op artikel 86 van Vo. 1408/71 tevens aangemerkt moet worden als een aanvraag om een Nederlands AOW-pensioen en dat een nieuwe beslissing op bezwaar genomen moet worden waarbij met dit gegeven rekening dient te worden gehouden.

LJN AU4107 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat hetgeen in Marokko wonende opposante heeft aangevoerd geen grond bevat op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposante niet in verzuim is geweest het griffierecht tijdig te betalen.

LJN AU4393 - Intrekking ZW-uitkering omdat gedaagde per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de haar eerder in het kader van een WAO-beoordeling voorgehouden functies. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank in dit geding, waarin een besluit ter uitvoering van de ZW aan de orde is, ten onrechte de aanspraken van gedaagde op toekenning van een uitkering ingevolge de WAO betrokken. Dat het UWV naar aanleiding van de onderhavige ziekmelding inmiddels ook een besluit in het kader van de WAO heeft genomen, kan hieraan niet afdoen.

LJN AU4517 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen het verzoek om overlegging van het laatste bankafschrift en het bezwaar tegen de bevestiging van een vakantiemelding, op de grond dat deze feitelijke handelingen op zichzelf niet zijn gericht op enig rechtsgevolg. De betreffende brieven zijn niet aan te merken als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

LJN AU4538 - Alsnog toekenning hoger AOW-pensioen hangende het hoger beroep. Appellante heeft de Raad verzocht de SVB te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over het na te betalen AOW-pensioen. Appellante heeft mitsdien belang bij handhaving van het hoger beroep en bij vernietiging van het bestreden besluit, zodat de Raad daartoe zal overgaan. Gelet daarop dient ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, te worden vernietigd.

LJN AU5112 - Korting AOW-pensioen van 72% wegens 36 onverzekerde jaren. Tijdens het hoger beroep heeft de SVB de ingangsdatum van appellantes AOW-pensioen alsnog gesteld op 1 juli 1999, zijnde de eerste dag van de maand waarin appellante voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in de artikelen 55 en 56 van de AOW. De SVB wordt veroordeelt tot vergoeding van de renteschade over de nabetaalde AOW-uitkering.

LJN AU5293 - Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter is met verzoekster van oordeel dat de beschikbare gegevens geen grondslag bieden voor de vaststelling dat de activiteiten van betrokkene, noch doordeweeks noch in het weekeinde, in overwegende mate worden ondernomen vanuit de woning van verzoekster. Dat betrokkene zijn hoofdverblijf heeft in de woning van verzoekster is dan ook niet komen vast te staan. Het college heeft niet voldaan aan de onderzoeksplicht. Toekenning schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde uitkering.

LJN AU5315 - Afwijzing voorlopige voorziening in een zaak waarin is gevraagd om herziening van een uitspraak, nadat een eerder verzoek om herziening van die uitspraak is afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet in redelijke mate waarschijnlijk dat het onderhavige verzoek om herziening van de betreffende uitspraak zal slagen, zodat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

LJN AU5323 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Weigering bijstandsuitkering omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verzoeker is er niet in geslaagd in toereikende mate op concrete en verifieerbare wijze inzicht te geven in zijn financiële situatie als beëindigende zelfstandige. De voorzieningenrechter is derhalve met de rechtbank van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of verzoeker ten tijde in geding verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de Wwb. Het enkele gegeven dat verzoeker diverse schulden had, kan hier niet aan afdoen.

LJN AU5325 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Terechte intrekking bijstandsuitkering op de grond dat wegens onjuiste opgave van het woonadres het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De voorzieningenrechter voegt daar nog aan toe dat de nadere stelling van verzoeker dat hij ten tijde in geding in feite geen vaste woon- of verblijfplaats had daaraan geenszins kan afdoen nu hij destijds zelf het adres als zijn woonadres bij de GBA en het college heeft opgegeven.

LJN AU5564 - Intrekking ZW-uitkering omdat gedaagde per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevat en dat gedaagde niet heeft voldaan aan het verzoek om dit verzuim binnen één week te herstellen. De Raad oordeelt dat nu gedaagde (vooralsnog) slechts de enkele grond heeft aangevoerd ziek te zijn voor haar arbeid, dit niet wegneemt dat hier sprake is van een voldoende op het concrete geval betrekking hebbende bezwaargrond.

LJN AU5565 - Intrekking ZW-uitkering omdat gedaagde per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. In geding is de vraag of de rechtbank in strijd met artikel 8:58 van de Awb de binnen de tien dagen vóór de zitting door gedaagde ingezonden brief van de neuroloog als gedingstuk heeft geaccepteerd. Het UWV stelt dat nu de rechtbank het UWV niet in de gelegenheid heeft gesteld zich over de inhoud van het stuk uit te laten, de rechtbank in strijd met de beginselen van een goede procesorde heeft gehandeld.

LJN AU5650 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de hem eerder in het kader van een WAO-beoordeling voorgehouden functies. Appellant heeft in beroep noch in hoger beroep objectief medische gegevens overgelegd op grond waarvan aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts zou moeten worden getwijfeld. In de eigen, subjectieve mening van appellant dat hij psychisch meer beperkt is, ziet de Raad onvoldoende aanleiding om appellant door een psychiater te laten onderzoeken.

LJN AU5666 - De brief dat de vrijwillige ZW-verzekering noch door appellant, noch door gedaagde is beëindigd, is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb nu deze niet is gericht op enig rechtsgevolg. De Raad oordeelt dat het tegen die brief gemaakte bezwaar dan ook niet-ontvankelijk is.

LJN AU5798 - Korting AOW-pensioen van 70% wegens 35 onverzekerde jaren, in beroep herzien naar 66% wegens 33 onverzekerde jaren. De rechtbank heeft geoordeeld dat het einde van appellantes verplichte verzekering met ingang van 1 januari 2000 buiten het toetsingskader van het beroep valt nu deze beëindiging met het besluit van 11 juli 2000 rechtens is komen vast te staan en voorts dat het feit dat het tijdvak van appellantes huwelijk waarin wijlen haar echtgenoot in Nederland woonde en werkte voor haar niet als verzekerd tijdvak in aanmerking is genomen, in rechte stand kan houden.

LJN AU6045 - Korting AOW-pensioen en -toeslag van 70% wegens 35 onverzekerde jaren, op basis van de verzekerde jaren van de echtgenoot van in Marokko wonende appellante. Appellante is zelf nimmer werkzaam en/of woonachtig in Nederland geweest. Aan het bestreden besluit heeft de SVB ten grondslag gelegd het standpunt dat appellantes echtgenoot verzekerd is geweest van 8 augustus 1966 tot en met 12 oktober 1980. Uit de dossierstukken heeft de Raad niet kunnen afleiden hoe de SVB tot de vaststelling van deze periode is gekomen.

LJN AU6047 - Opschorting en intrekking bijstandsuitkering omdat verzoekster telkens geen gevolg gegeven aan oproepingen in het kader van het begeleidingstraject. De voorzieningenrechter ziet geen grond om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand met ingang van de datum in geding gebruik heeft kunnen maken.

LJN AU6133 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar omdat het namens appellant overgelegde faxbericht noch een indicatie, noch een bewijs is dat dit bezwaarschrift naar het UWV is verzonden en door hem is ontvangen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het onderzoek van het UWV naar de ontvangst van het bezwaarschrift voldoende zorgvuldig is geweest.

LJN AU6890 - Intrekking en terugvordering WAO- en TW-uitkering over de periode in geding omdat gedaagde heeft verzwegen dat hij zich gedurende die periode in detentie bevond. Anders dan de rechtbank ziet de Raad geen gronden voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarbij de terugvordering van TW-uitkering is gehandhaafd geen stand kan houden. Er is geen sprake van reformatio in peius, maar van herstel van een kennelijke misslag. Het hoger beroep van het UWV slaagt.

LJN AU6939 - Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om herziening. De Raad oordeelt dat een verzoek om herziening van een uitspraak ingevolge artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb op een verzoek om herziening niet in het systeem van de Awb past en dat om die reden een zodanig verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

LJN AU7410 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat verzoekers niet binnen de hersteltermijn volledig hebben voldaan aan het verzoek om aanvullende gegevens te leveren. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekers niet in staat waren om alle gevraagde gegevens tijdig in te leveren. De omstandigheid dat verzoekers op de datum in geding nog ontbrekende gegevens hebben ingeleverd, doet daar niet aan af aangezien de hersteltermijn reeds was verstreken en niet binnen de hersteltermijn om uitstel is verzocht.

LJN AU7415 - Ongegrondverklaring verzet omdat bij het instellen van het hoger beroep het verschuldigde griffierecht onverschoonbaar niet binnen de gestelde termijn van vier weken is betaald. De Raad gaat voorbij aan de aanvragen voor bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht.

LJN AU7664 - Oplegging maatregel van 10% en van 5% gedurende één maand wegens het niet verschijnen op oproepingen in het kader van de re-integratie van appellant. De Raad geeft uitleg over het overgangsrecht naar de Wwb. Van enig beletsel voor onverkorte toepassing van het sanctieregime van artikel 18, tweede lid, van de Wwb en de gemeentelijke afstemmingsverordening is in dit geval geen sprake. De opgelegde verlaging van de bijstand kan niet worden aangemerkt als een punitieve sanctie.

LJN AU7749 - Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens gebrekkige informatieverstrekking door de SVB waardoor in Duitsland wonende appellant in de toekomst - te weten bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd - niet het maximale AOW-pensioen zal krijgen toegekend. Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat de door appellant gestelde nalatigheid van de SVB moet worden aangemerkt als een feitelijk handelen. Appellants verzoek om schadevergoeding ontbeert derhalve connexiteit met een besluit tot beoordeling waarvan de bestuursrechter bevoegd zou zijn.

LJN AU8110 - Afwijzing verzoek om wraking omdat niet gebleken is van enig feit of van enige omstandigheid waaruit de gevolgtrekking gemaakt zou behoren te worden dat de behandeling van de zaken van verzoeker door hem niet kan plaatsvinden zonder dat daarbij gesproken zou kunnen worden van inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid of van de aanwezigheid van schijn van rechterlijke partijdigheid. Voor het overige is een verzoek om wraking van een rechterlijk college als zodanig geen wrakingsverzoek waarop artikel 8:15 van de Awb ziet.

LJN AU8232 - Proceskostenveroordeling. Zowel gelet op het feit dat de gemachtigde van gedaagde van het verlenen van rechtsbijstand haar beroep niet heeft gemaakt als op het feit dat zij als werkgever in een nauwe relatie staat tot gedaagde, is in dit geval geen sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank heeft het UWV ten onrechte in de proceskosten veroordeeld.

LJN AU8236 - Intrekking ZW-uitkering omdat gedaagde per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. In het bestreden besluit is kenbaar gemaakt dat binnen twee weken na dagtekening een bezwaarschrift kan worden ingediend. In geding is de vraag of de rechtbank het beroep terecht gegrond heeft verklaard en daarbij heeft overwogen dat het begrijpelijk is dat voor gedaagde niet zonder meer duidelijk was dat hij binnen twee weken na voornoemde datum bezwaar moest maken.

LJN AU8500 - Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om de SVB te veroordelen in de proceskosten omdat het verzoek niet gelijktijdig met de intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan.

LJN AU8608 - Vaststelling wachttijd WAO. Weigering om terug te komen van een eerder genomen, rechtens onaantastbaar geworden besluit ter zake van de hersteldmelding van appellante, omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De verzekeringsarts is bij nader inzien na bestudering van het dossier tot de conclusie is gekomen dat er vanaf de datum in geding geen periode valt aan te wijzen waarin appellante onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het UWV niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

LJN AU8642 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid als touringcarchauffeur. De Raad oordeelt dat van de (bezwaar)verzekeringsarts, bezien tegen de achtergrond van de functie-eisen van "zijn arbeid" als touringcarchauffeur, een op de concrete situatie van appellant toegespitste beoordeling had mogen worden verwacht, waarbij de eventuele bijwerkingen van het diazepamgebruik, in samenhang bezien met de door appellant veelvuldig gemelde klachten van duizeligheid, kenbaar waren betrokken.

LJN AU8871 - Intrekking bijstandsuitkering omdat verzoekster heeft aangegeven duurzaam gescheiden te leven van haar echtgenoot, terwijl daarover op basis van het door het college geconstateerde twijfels zijn ontstaan. De voorzieningenrechter vernietigt het intrekkingsbesluit omdat de beschikbare gegevens geen toereikende basis bieden voor de vaststelling dat verzoekster en haar echtgenoot ten tijde in geding niet duurzaam gescheiden leefden.

LJN AU8892 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid als ambulant franchisemanager van een restaurantketen. In aanmerking nemende dat de door de Raad ingeschakelde orthopedisch chirurg zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek, de in het dossier aanwezige op appellant betrekking hebbende stukken, informatie van de behandelend sector en de anamnese van appellant, is de Raad van oordeel, mede verwijzend naar het rapport van de orthopedisch chirurg van appellant, dat appellant ten tijde in geding niet in staat was de werkzaamheden verbonden aan de functie van ambulant franchisemanager te verrichten.

LJN AU8959 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellante per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Naar het oordeel van de Raad hebben de beide verzekeringsartsen een alleszins verantwoord onderzoek gedaan naar de stoornissen en beperkingen van appellante. Beoordeling van de hoogte van de ZW-uitkering over de betreffende periode gaat de omvang van dit geding te buiten.

LJN AU8996 - Weigering schadevergoeding veroorzaakt door te late uitbetaling van één maand Ioaw-uitkering. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij is nagelaten aan appellant een vergoeding toe te kennen voor de in beroep gemaakte proceskosten. Vergoeding van de wettelijke rente wordt toegewezen, maar van de overige gestelde schadeposten kan niet staande worden gehouden dat (voldoende) verband bestaat met de vertraagde uitbetaling van uitkering.

LJN AU9649 - Herziening AOW-pensioen met terugwerkende kracht van slechts één jaar wegens duurzaam gescheiden leven, terwijl betrokkenes partner al langer dan zeven jaar was opgenomen in een verpleeghuis. De Raad oordeelt dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, van de AOW. Krachtens vaste rechtspraak van de Raad levert onbekendheid met wettelijke voorschriften geen bijzonder geval op. Eveneens naar vaste rechtspraak van de Raad dient het handelen en nalaten van degene die de belangen van een ander behartigt in een situatie als hier aan de orde te worden toegerekend aan degene namens wie wordt opgetreden.

LJN AU9768 - Vaststelling dagloon. Het UWV is geheel aan het beroep van appellant tegemoetgekomen. Zowel in het voorlopig beroepschrift als in een brief heeft appellant aan de rechtbank verzocht het verzoek om schadevergoeding nader te mogen specificeren. Met toepassing van artikel 8:45 van de Awb had de rechtbank appellant in de gelegenheid moeten stellen het verzoek nader toe te lichten. Nu zij dat niet heeft gedaan, komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

LJN AU9889 - Vaststelling dagloon, waarbij de verdiensten van appellant uit week 45 van 2001 niet zijn meegenomen. In geding is de vraag of appellant terecht stelt dat het bedrijfsongeval als gevolg waarvan hij arbeidsongeschikt is geworden niet heeft plaatsgevonden op zondag 11 november 2001, maar in de vroege ochtend van maandag 12 november 2001, zodat in week 45 sprake is geweest van een volledige werkweek.

LJN AU9938 - Herziening AOW-pensioen naar 50% in plaats van 70% van het nettominimumloon in verband met de Wet BEU nu appellant weer officieel naar Ghana is verhuisd. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. De Raad oordeelt dat de door appellant aangevoerde omstandigheid dat hij enige tijd nodig heeft gehad om informatie te vergaren omtrent zijn recht op AOW-pensioen alvorens hij het bezwaarschrift kon opstellen, appellant niet kan baten aangezien hij een voorlopig bezwaarschrift had kunnen indienen.

LJN AV0060 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellant niet vóór de gestelde datum de gevraagde gegevens heeft overgelegd. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken dat appellant gedurende de hem geboden hersteltermijn niet in staat is geweest over de gevraagde gegevens te beschikken en deze tijdig te overleggen, dan wel zijn belangen te laten behartigen door een derde.

LJN AV0083 - Ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank de brief van gedaagde ten onrechte als bezwaar aangemerkt en niet-ontvankelijk verklaard. Nu de gevraagde ontheffing van de arbeidsverplichtingen is verleend, kan het college ter zake van al dan niet terechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar met zijn hoger beroep niet bereiken dat op dit onderdeel in hoger beroep een voor hem gunstiger resultaat wordt bereikt dan in beroep. Het hoger beroep van het college wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het college geen procesbelang heeft bij de beantwoording van een principiële rechtsvraag.

LJN AV0197 - Weigering bijstandsuitkering aan de niet rechtmatig hier te lande verblijvende ouders van appellanten omdat zij geen personen zijn als bedoeld in artikel 11 van de Wwb en bijstandverlening wegens zeer dringende redenen niet mogelijk is op grond van artikel 16, tweede lid, van de Wwb. Naar het oordeel van de Raad moet aan appellanten algemene bijstand worden verleend. Waar het hier gaat om een individueel recht van elk van appellanten, ligt het wat de hoogte van deze bijstand betreft voor de hand dat aansluiting wordt gezocht bij de norm voor alleenstaanden van 18, 19 en 20 jaar.

LJN AV0214 - Weigering ZW-uitkering omdat appellant in de periode in geding niet arbeidsongeschikt wordt geacht. De Marokkaanse CNSS heeft diverse formulieren MN 116 aan het UWV toegezonden volgens welke appellant arbeidsongeschikt was wegens maag- en nierklachten, duizeligheid, slapeloosheid en een anxiodepressiefsyndroom. De Raad oordeelt dat van duidelijke aanwijzingen die aanleiding zouden kunnen vormen om van de conclusies van de CNSS met betrekking tot de in geding zijnde periode af te wijken geen sprake is.

LJN AV0666 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 2% van het AOW-pensioen voor een gehuwde. Tussen partijen is in geschil of de SVB vanaf de eerste betaling van het AOW-pensioen aan in Spanje wonende appellant terecht daarop overmakingskosten in mindering heeft gebracht.

LJN AV0698 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht voor het hoger beroep niet binnen de gestelde termijn is betaald. De Raad stelt vast dat in Marokko wonende opposant in verzet niets heeft aangevoerd op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest.

LJN AV0897 - Intrekking toekenning bovenwettelijke werkloosheidsuitkering omdat bij deze toekenning ten onrechte ervan is uitgegaan dat gedaagde (Stichting Pensioenfonds ABP) de laatste werkgever van appellant was. Deze werkgever was evenwel Vesteda, een werkgever die niet bij USZO BV was aangesloten. De Raad oordeelt dat onderhavige beslissing een publiekrechtelijke grondslag ontbeert zodat deze beslissing geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. De Raad verklaart de rechtbank onbevoegd inzake de bestreden beslissing. Gelet op artikel 8:71 van de Awb is de Raad van oordeel dat ter zake van het geschil tussen partijen over het al dan niet toekennen van een bovenwettelijke uitkering uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

LJN AV1076 - Ongegrondverklaring verzet. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de termijn voor betaling van het griffierecht. Hetgeen opposante in verzet heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop kan worden geoordeeld dat opposante niet in verzuim is geweest het griffierecht tijdig te voldoen.

LJN AV1174 - Herziening en terugvordering Ioaw-uitkering omdat appellant in de periode in geding de inlichtingenverplichting heeft geschonden door op de maandelijkse inkomstenverklaringen geen melding te maken van de inkomsten van zijn partner. Appellant is van oordeel dat bij hem een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat - nu het college op de hoogte was van de inkomsten - de inkomsten geen gevolgen voor de hoogte van zijn uitkering zouden hebben. Er is geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

LJN AV1194 - Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat ook nadat gedaagde door het college in de gelegenheid was gesteld het verzuim te herstellen, namens gedaagde geen gronden van het bezwaar zijn aangevoerd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat namens gedaagde geen gronden van het bezwaar zijn aangevoerd. Niet blijkt op grond van welke feiten en omstandigheden het college van mening is dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.

LJN AV1341 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand niet langer worden vastgesteld. Anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van het college dat gedaagde in de in geding zijnde periode in de winkel van zijn zwager werkzaamheden heeft verricht. Aangezien hier sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, hoefden gedaagden niet voorafgaand aan het te nemen besluit te worden gehoord.

LJN AV1951 - Intrekking ZW-uitkering omdat gedaagde per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. De Raad is van oordeel dat, wat er ook zij van de grief van het UWV met betrekking tot de door de voorzieningenrechter gevolgde procedure, het UWV door de gang van zaken niet is benadeeld. De Raad is voorts van oordeel dat er thans geen aanleiding is de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige niet te volgen.

LJN AV1973 - Terugvordering AOW-pensioen omdat gedurende de periode in geding ten onrechte geen ziekenfondspremie is ingehouden op het AOW-pensioen. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken, althans niet aannemelijk is geworden, dat de betreffende onduidelijkheden ertoe hebben geleid dat appellant tegen het bestreden besluit niet tijdig bezwaar heeft gemaakt.

LJN AV2040 - Weigering Wsw-indicatie omdat appellant niet langer tot de doelgroep van de Wsw behoort. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft daartoe onder meer gewezen op een bevoegdheidsgebrek bij het nemen van het bestreden besluit, op onzorgvuldigheden bij de voorbereiding van het primaire besluit en van het bestreden besluit en op strijd met de wettelijke voorschriften. In het bijzonder is gesteld dat in bezwaar geen sprake is geweest van een volledige heroverweging omdat een deugdelijk (nader) advies van de indicatiecommissie ontbreekt.

LJN AV2066 - Boeteoplegging van €227,- omdat de werkgever niet heeft voldaan aan de verplichting de hersteldatum van een eerder ziek gemelde werknemer tijdig aan het UWV te melden. De door het UWV vastgestelde beleidsregels ter afstemming van een boete kunnen naar het oordeel van de Raad niet in de plaats treden van de wettelijk voorgeschreven nadere regels, die ten tijde in geding nog niet van kracht waren.

LJN AV2068 - Toekenning AOW-pensioen met terugwerkende kracht van niet meer dan één jaar vóór de datum van aanvraag omdat geen sprake is van een bijzonder geval. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad overweegt dat ook indien het besluit van 28 maart 2003 eerst half april 2003 door in de Verenigde Staten wonende appellanten is ontvangen, er nog voldoende tijd resteerde om een bezwaarschrift in te dienen. De ziekte van de adviseur van appellanten heeft niet tot gevolg gehad dat appellanten zelf buiten staat waren een - eventueel voorlopig - bezwaarschrift in te dienen.

LJN AV2392 - Intrekking WAO-uitkering omdat appellante weer in staat wordt geacht haar eigen werk te verrichten. De Raad oordeelt dat er onvoldoende feitelijke gegevens aanwezig zijn voor de conclusie dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers aanwezig is. Bij de vaststelling tot ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte of gebreken is uitgegaan van eigen werk bij een soortgelijke werkgever. Derhalve is ook appellantes ZW-uitkering ten onrechte ingetrokken. De brief waarin wordt bevestigd dat een ziekmelding is ontvangen en waarin de eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt vermeld, is geen (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

LJN AV2577 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat in België wonende appellante haar aanvraag niet binnen één jaar na het einde van haar verplichte verzekering heeft ingediend. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Met de SVB en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellante aangedragen gronden niet kunnen leiden tot het oordeel dat de overschrijding van de bezwaartermijn door de SVB verschoonbaar moet worden geacht.

LJN AV3031 - Weigering bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand. Hierbij heeft het college de omstandigheden betrokken dat er geen sprake is van toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand en dat de door de advocaat gemaakte kosten betrekking hebben op de in het verleden door appellant gevoerde procedures tegen personen en/of instanties die betrokken waren bij zijn faillissement en de surseance van betaling.

LJN AV3103 - Weigering woonkostentoeslag omdat appellant onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond door zich onvoldoende in te spannen om een goedkopere woning te verkrijgen. Ten tijde in geding konden de woonkosten niet (meer) worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

LJN AV3117 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift. Van een situatie van ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst van het bezwaarschrift is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Nu gedaagde ervoor heeft gekozen om het bezwaarschrift niet aangetekend aan het UWV te verzenden, ligt het op de weg van gedaagde om bij ontkenning van de (tijdige) ontvangst van het bezwaarschrift de verzending aannemelijk te maken.

LJN AV3921 - Verlaging gemeentelijke toeslag van 20% naar 10% omdat appellante met meer mensen in één huis woont. De Raad oordeelt dat gelet op de uitdrukkelijke ontkenning van zowel appellante als haar vermeende medebewoner (betrokkene) dat laatstgenoemde zijn hoofdverblijf heeft in de woning van appellante waarbij tevens is gemeld op welk adres betrokkene wel zijn hoofdverblijf heeft, het in de gegeven omstandigheden op de weg van het college lag om naar het hoofdverblijf van betrokkene nader onderzoek in te stellen en niet af te gaan op de indruk of vermoedens van enkele ambtenaren van de sociale dienst bij een huisbezoek.

LJN AV3927 - Ongegrondverklaring verzet. Er is geen sprake van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen, die een uitzondering op het wettelijk appèlverbod rechtvaardigt.

LJN AV4217 - Weigering ZW-uitkering omdat appellant in staat wordt geacht zijn eigen werk te verrichten. Weigering WAO-uitkering omdat appellant weer geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk en dat hij derhalve vanaf de datum in geding niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. De Raad oordeelt dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, die bij zijn onderzoek de beschikking had over alle omtrent appellant beschikbare medische gegevens, een zorgvuldig onderzoek naar de medische beperkingen van appellant heeft verricht en daarvan ook op een deugdelijke wijze verslag heeft gedaan. Uit de terechte weigering van de ZW-uitkering volgt de terechte weigering van de WAO-uitkering op de grond dat appellant niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest.

LJN AV4232 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht voor het hoger beroep niet binnen de gestelde termijn is betaald. De Raad oordeelt dat hetgeen opposant heeft aangevoerd geen grond bevat op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. De Raad weegt daarbij mee dat aan opposant, gelet op zijn financiële situatie, een zeer ruime termijn is gegeven voor de betaling van het griffierecht.

LJN AV4727 - Toekenning aanvraag om aan appellanten een geldlening te verstrekken ter overbrugging van de periode waarmee de betaling van hun bijstandsuitkering wordt opgeschoven. In geding is de vraag of de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken en het college terecht heeft besloten appellanten niet-ontvankelijk te verklaren in hun bezwaren.

LJN AV4763 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht voor het hoger beroep onverschoonbaar niet tijdig is betaald. Van degene die gebruikmaakt van een postbus als briefadres mag worden verwacht dat hij regelmatig zelf de postbus leegt of een door hem aangewezen persoon laat legen opdat berichten omtrent toegezonden aangetekende stukken hem tijdig bereiken.

LJN AV4827 - Gegrondverklaring verzet. Opposant was wegens ziekte verhinderd en de hem toegezonden stukken had hij niet kunnen lezen. Opposant kan alsnog op een zitting van de rechtbank zijn zaak bepleiten.

LJN AV5208 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omdat het bezwaar niet is gericht tegen een onderwerp van de betalingsbeslissing ter uitvoering van het door de Belastingdienst gelegde beslag op het AOW-pensioen. De Raad oordeelt dat de betalingsbeslissing een besluit is, zodat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hetgeen appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat de SVB met zijn betalingsbeslissing niet is gebleven binnen het kader van het beslag. De burgerlijke rechter komt een inhoudelijk oordeel toe over het derdenbeslag.

LJN AV5880 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit activiteiten als hondenfokker. De Raad oordeelt dat de inkomsten over de eerste periode in geding niet juist zijn vastgesteld omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met de gemaakte kosten, zoals berekend door IMK Intermediair. Met betrekking tot de tweede periode in geding heeft appellant niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de cijfers over opbrengsten en kosten niet deugen en met name niet dat de aan het fokken en de verkoop van bulldogs verbonden kosten door het college te laag zijn ingeschat.

LJN AV6471 - Intrekking en terugvordering ZW-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. De Raad oordeelt dat nu de brief waarbij appellant zijn werkhervatting aan het UWV zou hebben gemeld niet is gedateerd en er geen aanwijzingen zijn dat het UWV deze - niet aangetekend verzonden - brief eerder dan de datum in geding heeft ontvangen, niet is komen vast te staan dat appellant zich tijdig hersteld heeft gemeld.

LJN AV7281 - Korting AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren. De Raad oordeelt dat de niet-ontvankelijkverklaring van appellants bezwaar onterecht is, aangezien de schriftelijke mededeling inzake uitbetaling van achterstallig AOW-pensioen is gericht op rechtsgevolg en derhalve een besluit in de zin van de Awb is. De Raad concludeert dat gedurende het gehele tijdvak in geding op appellant uitsluitend Belgisch recht van toepassing is geweest, zodat hij gedurende dat tijdvak niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW.

LJN AV7292 - Ongegrondverklaring verzet. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen een uitspraak op verzet van een rechtbank. Hetgeen namens opposanten is aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen, die een uitzondering op dit wettelijk appèlverbod rechtvaardigt.

LJN AV7777 - Geleidelijke verschuiving betaaldata bijstandsuitkering. De Raad is van oordeel dat met het door het college gehanteerde systeem van gefaseerde verschuiving van de betaaldata van een leemte in de uitbetaling van de algemene bijstand nauwelijks sprake is. Ook bij de jaarlijkse vaststelling van betaaldata kan het voorkomen dat door feestdagen, weekeinden of een schrikkeljaar de periode tussen twee uitkeringen enigszins verschilt.

LJN AV7784 - Weigering Ioaw-uitkering wegens gezamenlijke huishouding, onder de overweging dat van een gezamenlijke huishouding in ieder geval sprake is indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand zijn aangemerkt als gehuwden. Het bestreden besluit kan wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR niet in stand blijven.

LJN AV7793 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Met het nieuwe besluit wordt geheel tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.

LJN AV7816 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de hem eerder in het kader van een WAO-beoordeling voorgehouden functies, welke elk afzonderlijk gelden als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW. De Raad oordeelt dat de door hem ingeschakelde deskundige zijn conclusie serieus heeft heroverwogen en gemotiveerd heeft gehandhaafd, zodat de Raad geen reden ziet om die conclusie niet te volgen. Ook het van de zijde van gedaagde nader geleverde commentaar vormt hiertoe geen reden.

LJN AV7823 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens inkomsten uit nabestaandenpensioen. Tussen partijen is in hoger beroep met name in geschil of de SVB met recht de AOW-toeslag met terugwerkende kracht over het gehele in geding zijnde tijdvak heeft herzien, nu appellant de inkomsten tijdig heeft gemeld.

LJN AV7832 - Weigering ZW-uitkering. In geding is de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens overschrijding van de in artikel 75k (nieuw) van de ZW gestelde termijn van twee weken. Het UWV stelt terecht dat het - niet aangetekend verzonden - bezwaarschrift van 24 december 2001 eerst is ontvangen als bijlage bij gedaagdes schrijven van 7 januari 2002.

LJN AV7834 - Oplegging maatregel van 5% korting op de ZW-uitkering over de vier dagen in geding omdat appellant zich vier dagen te laat bij het UWV heeft ziek gemeld. De Raad constateert dat appellant zijn stelling, noch in beroep noch in hoger beroep, heeft onderbouwd met een bewijsstuk waaruit blijkt dat hij zich tijdig bij het UWV heeft ziek gemeld. Verder oordeelt de Raad dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken nu de aan appellant verleende rechtsbijstand is aan te merken als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

LJN AV7845 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de hem eerder in het kader van een WAO-beoordeling voorgehouden functies, welke elk afzonderlijk gelden als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW. De betrokken verzekeringsartsen hebben een aantal van de oorspronkelijk geselecteerde functies wegens de verhoogde concentraties van stof voor appellant ongeschikt geacht. In de nog resterende functies is slechts sprake van een geringe concentratie van stof. De Raad ziet geen reden om te twijfelen een de conclusie van de verzekeringsartsen dat appellant ten tijde in geding voor die functies niet ongeschikt was.

LJN AV7871 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag wegens het niet verstrekken van de gevraagde gegevens. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant zich onvoldoende heeft ingespannen om de benodigde gegevens en bescheiden, waarover hij redelijkerwijs had kunnen beschikken, aan het college te verstrekken.

LJN AV8305 - Afbouw TW-uitkering van in Marokko wonende gedaagde in een periode van drie jaar (2000, 2001 en 2002) op grond van overgangsrecht van de Wet BEU, waartegen gedaagde destijds niet in rechte is opgekomen. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 12 september 2003, waarbij de Raad heeft geoordeeld dat deze afbouw in strijd is met het verdrag met Marokko, heeft gedaagde het UWV verzocht om nabetaling van de misgelopen TW-uitkering en aldus terug te komen van het eerder genomen herzienings- en intrekkingsbesluit betreffende de afbouw. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant (het UWV) terecht heeft besloten de TW-uitkering niet eerder opnieuw toe te kennen dan per 12 september 2003.

LJN AV8543 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per 1 maart 2002 niet langer ongeschikt wordt geacht voor de hem eerder in het kader van een WAO-beoordeling voorgehouden functies. Gelet op de in hoger beroep alsnog overgelegde verwoordingen functiebelasting ziet de Raad in dit commentaar voldoende grond voor het oordeel dat appellant op voornoemde datum terecht geschikt is geacht voor ten minste één van de aan de orde zijnde functies. Appellant is echter eerst bij het primaire besluit van 5 maart 2002 meegedeeld dat hij met ingang van 1 maart 2002 niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht. Aangezien dit is gebeurd met terugwerkende kracht en appellant niet eerder redelijkerwijs kon hebben begrepen weer hersteld te zijn, acht de Raad het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. De hersteldverklaring kon naar het oordeel van de Raad gelet op de verzending van het primaire besluit niet eerder dan per 6 maart 2002 worden geëffectueerd.

LJN AV8545 - Herziening AOW-pensioenen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. In geding is de vraag of appellanten redelijkerwijs niet konden weten dat hun situatie was aan te merken als een gezamenlijke huishouding in plaats van een kostgangersrelatie, zodat de SVB ten onrechte met terugwerkende kracht hun AOW-pensioenen heeft herzien.

LJN AV8561 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht voor het hoger beroep niet tijdig binnen de gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. Daarbij tekent de Raad aan dat niet is gebleken dat opposant van de mogelijkheid tot het aanvragen van bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht van het onderhavige hoger beroep gebruik heeft gemaakt.

LJN AV8581 - Weigering kwijtschelding restantschuld omdat de vordering door hypotheek is gedekt en dat de beschikking van de kantonrechter dient te worden gerespecteerd. De bijstand is verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek (krediethypotheek). De Raad oordeelt dat het college een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het door het college ter zake van afzien van verdere terugvordering van kosten van bijstand gevoerde beleid.

LJN AV8586 - Ingangsdatum recht op bijstandsuitkering. Appellant heeft aangevoerd reeds eerder een bijstandsuitkering bij de CWI te hebben aangevraagd en aangegeven dat het hem niet kan worden verweten dat de CWI dit niet juist heeft doorgeleid naar het college. Onder de gegeven omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding voor de conclusie dat appellant, na de melding bij de CWI, de aanvraag verwijtbaar te laat heeft ingediend.

LJN AV8610 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen vermogensbestanddelen in Turkije. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de door het college verzamelde onderzoeksgegevens voldoende is komen vast te staan dat appellanten ten tijde hier van belang beschikten over vermogen waarvan de waarde ruim uitsteeg boven de toepasselijke vermogensgrens.

LJN AV8693 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening om de invordering van het teruggevorderde bedrag en de administratieve kosten op te schorten. De voorzieningenrechter ziet thans geen aanknopingpunten om te oordelen dat het college met betrekking tot de periode in geding niet in redelijkheid van zijn discretionaire bevoegdheden gebruik zou kunnen maken.

LJN AV8814 - Toelating tot de vrijwillige AOW/AWW-verzekering. Tussen partijen is in geschil of de SVB, in het kader van de toelating van gedaagde tot de vrijwillige AOW/AWW-verzekering, terecht heeft beslist dat gedaagde vanaf de datum in geding niet verplicht verzekerd is gebleven ingevolge de volksverzekeringen. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op de vraag of gedaagde vanaf die datum daadwerkelijk werkzaamheden in Nederland heeft verricht voor de CV. Bij een bevestigende beantwoording van die vraag moet immers, ervan uitgaande dat geen sprake is van andere werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige buiten Nederland, aangenomen worden dat gedaagde verzekerd is gebleven krachtens de volksverzekeringen.

LJN AW0982 - Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift. Van redenen als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest, is de Raad niet gebleken.

LJN AW1312 - Afwijzing verzoek om herziening. De feiten en omstandigheden waarop verzoekster zich beroept, dateren alle van vóór deze uitspraak en zijn in de procedure die tot de uitspraak heeft geleid - materieel - ook aan de orde geweest. Er is derhalve geen sprake van feiten of omstandigheden die bij verzoekster vóór de uitspraak niet bekend waren.

LJN AW1316 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat is gebleken dat appellante over de periode in geding een WAO-uitkering heeft ontvangen zonder dat deze in mindering is gebracht op haar bijstandsuitkering. De WAO-uitkering is inkomen in verband met arbeid en niet uit arbeid en dient volledig in mindering te worden gebracht op de bijstandsuitkering. Er kan dan ook geen sprake zijn van inkomstenvrijlating. Appellante heeft tevens recht op de andere helft van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

LJN AW2328 - Intrekking WAO-uitkering omdat appellante per datum in geding minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. De Raad stelt vast dat van de zijde van het UWV in hoger beroep met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige alsnog een nadere toelichting op het bestreden besluit is gegeven, zodat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven. Terechte intrekking ZW-uitkering omdat appellante per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de haar eerder in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies, welke elk afzonderlijk gelden als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW. Terechte oplegging van een maatregel wegens te late ziekmelding.

LJN AW3037 - Weigering ZW-uitkering omdat appellant vanaf de aanvang van de verzekering ongeschikt was voor zijn arbeid dan wel de arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk was te verwachten. Gelet op de verwevenheid tussen besluit 1 en besluit 2 had het UWV besluit 2 aan de gemachtigde van appellant moeten toezenden. Door dit achterwege te laten, is besluit 2 niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn niet is gaan lopen. Het bezwaar is derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

LJN AW3042 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van inrichting van de woning omdat de gevraagde kosten niet zijn aan te merken als noodzakelijke kosten aangezien van de noodzaak van het verwerven en aanhouden van een eigen permanente woonruimte niet is gebleken. Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening wegens het ontbreken van procesbelang nu de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd niet zijn gemaakt en ook niet meer kunnen worden gemaakt nu verzoeker niet meer woonachtig is op het betreffende adres. Volgens vaste rechtspraak, ook van de Raad, vormt de enkele wens om een principiële uitspraak te verkrijgen in het kader van de rechtsbescherming ingevolge de Awb geen rechtens te honoreren procesbelang.

LJN AW3553 - Weigering om terug te komen van een eerder genomen, rechtens onaantastbaar geworden besluit tot intrekking van ZW-uitkering omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De door appellant aangedragen psychische klachten vormen naar het oordeel van de Raad geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin artikel 4:6 van de Awb.

LJN AW4351 - Weigering bijstandsuitkering. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad volgt appellante niet in haar stellingname dat zij als gevolg van ernstige psychische problemen niet in staat was tijdig bezwaar te maken dan wel de juiste persoon in te schakelen om haar belangen te behartigen.

LJN AW4858 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat de Raad zich in de hoofdzaak naar verwachting onbevoegd zal verklaren. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal hetgeen verzoeksters hebben aangevoerd de Raad in de hoofdzaak niet leiden tot de vaststelling dat er aanleiding is voor doorbreking van het appèlverbod.

LJN AW5642 - Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om herziening omdat een verzoek om herziening van een uitspraak gegeven naar aanleiding van een eerder verzoek om herziening niet passend is binnen het wettelijk systeem.

LJN AW7197 - Afwijzing verzoek om herziening van 's Raads uitspraak inzake de weigering verzoeker toe te laten tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering. De Raad kan niet inzien dat uit het door verzoeker gestelde enig feit of enige omstandigheid af te leiden valt als bedoeld in artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb. De Raad merkt daarbij op dat enkele van de overgelegde medische verklaringen ook zijn overgelegd ten behoeve van de procedure in hoger beroep en dat de Raad in de betreffende uitspraak daarin geen grond heeft gezien om de beslissing op bezwaar onjuist te achten.

LJN AW7231 - Afwijzing verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van de zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Gesteld noch gebleken is dat er voor betrokkene bedreigende schulden zijn.

LJN AW9242 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellante per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Weigering WAO-uitkering omdat appellante geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Waar de door de Raad benoemde deskundige benadrukt dat met name de pijnstoornis op het moment van zijn onderzoek leidde tot beperkingen in het functioneren en de conclusie omtrent de datum in geding slechts vanuit een oogpunt van waarschijnlijkheid is getrokken, ziet de Raad onvoldoende grond om die conclusie te onderschrijven. De Raad acht hierbij van belang dat de deskundige in zijn reactie op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts er geen blijk van heeft gegeven dat hij zijn eigen oordeel serieus heeft heroverwogen.

LJN AX1265 - Korting AOW-pensioen van 26% wegens dertien onverzekerde jaren, nadien herzien naar het volledige AOW-pensioen voor een gehuwde omdat de korting op het AOW-pensioen van gehuwde vrouwen voor tijdvakken waarin hun echtgenoot buiten Nederland werkte in strijd is met artikel 14 van het EVRM. Tussen partijen is in geschil of de SVB terecht heeft besloten het aan appellante toegekende AOW-pensioen niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan tot één jaar vóór het herzieningsverzoek te herzien naar het volledige AOW-pensioen voor een gehuwde.

LJN AX1337 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep omdat de rechtbank het bezwaar van appellant tegen de werkpolis niet-ontvankelijk acht aangezien de werkpolis niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De Raad oordeelt dat het voorbehoud van appellant bij de ondertekening van de werkpolis niet is aan te merken als een bezwaar. Hieruit volgt dat ten tijde van het instellen van het beroep bij de rechtbank geen sprake was van het niet tijdig nemen van een besluit op een gemaakt bezwaar. Dit betekent dat de rechtbank het bij haar aanhangig gemaakte beroep op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb ter behandeling als bezwaarschrift tegen het besluit tot voortzetting van de bijstandsuitkering had moeten doorzenden naar het college.

LJN AX1591 - Niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening van het college wegens het ontbreken van procesbelang. Het college heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist.

LJN AX1624 - Korting AOW-pensioen van 20% wegens tien onverzekerde jaren, nadien herzien naar het volledige AOW-pensioen voor een gehuwde omdat de korting op het AOW-pensioen van gehuwde vrouwen voor tijdvakken waarin hun echtgenoot buiten Nederland werkte in strijd is met artikel 14 van het EVRM. Tussen partijen is in geschil of de SVB terecht heeft besloten het aan appellante toegekende AOW-pensioen niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan tot één jaar vóór het herzieningsverzoek te herzien naar het volledige AOW-pensioen voor een gehuwde.

LJN AX2204 - Herziening en terugvordering AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding. Ter zitting van de Raad heeft de SVB medegedeeld dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd nu nader is gebleken dat in ieder geval over het tijdvak van maart 2004 tot oktober 2004 het maandelijks te verrekenen terugvorderingsbedrag niet juist is berekend en dat nader bezien dient te worden of het vanaf oktober 2004 gehanteerde bedrag juist is.

LJN AX2439 - Intrekking bijstandsuitkering omdat het adres waar appellante aangeeft feitelijk te verblijven niet in overeenstemming is met de adresgegevens in de GBA. Het college heeft het intrekkingsbesluit niet aan de advocaat van appellante toegezonden. Aangezien de advocaat zich in de opschortingsprocedure als gemachtigde had gesteld, had het besluit echter aan hem moeten worden toegezonden. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft ten onrechte het bezwaar tegen het (opschortings)besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Voorts was het college niet bevoegd om met toepassing van artikel 40, derde lid, van de Wwb het recht op bijstand van appellante met ingang van de datum in geding op te schorten.

LJN AX3047 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat er geen sprake is van spoedeisend belang. De mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, is niet bedoeld om door middel van de zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.

LJN AX3057 - Intrekking bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. In geding is de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven. Aangezien appellante ook op de datum in geding niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot, is het recht op bijstand met ingang van die datum terecht beëindigd.

LJN AX3284 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Door de schending van de inlichtingenverplichting heeft het college terecht niet kunnen vaststellen of appellant in de in geding zijnde periode nog verkeerde in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wwb. Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet mede namens haar beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.

LJN AX3772 - Weigering bijstandsuitkering omdat vanwege het ontbreken van de gevraagde en benodigde gegevens het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad heeft in hetgeen door het college in hoger beroep naar voren is gebracht geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank inzake schending van de hoorplicht voor onjuist te houden. De Raad volgt het college eveneens niet in zijn stelling dat het primaire besluit is genomen met toepassing van artikel 4:5 van de Awb en dat de rechtbank ten onrechte elementen die zich nadien hebben voorgedaan in haar oordeelsvorming heeft betrokken.

LJN AX5374 - Proceskostenveroordeling na intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan. De Raad wijst het verzoek van betrokkene toe om het college te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

LJN AX5819 - Terugvordering Wazo-bevallingsuitkering van de werkgever. De mededeling inzake de terugvordering van de ten onrechte betaalde Wazo-bevallingsuitkering is door de rechtbank terecht niet aangemerkt als een besluit. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beslissing in de betreffende brief een publiekrechtelijk karakter draagt. Het UWV verlangt immers van appellante de terugbetaling van een op grond van de Wazo toegekende uitkering. De toekenning van die uitkering heeft onmiskenbaar een publiekrechtelijk karakter. De Raad wijst de zaak voor inhoudelijke behandeling terug naar de rechtbank.

LJN AX6778 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat betrokkene de aanvraag niet binnen de gestelde termijn met de gevraagde nadere gegevens heeft aangevuld. Tevens heeft het college de verstrekte voorschotten van betrokkene en diens echtgenote teruggevorderd. Volgens de Raad heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank terecht geoordeeld dat betrokkene en zijn echtgenote uiteindelijk voldoende duidelijkheid hebben verschaft omtrent het verblijf van betrokkene in het Verenigd Koninkrijk en in voldoende mate inzicht hebben gegeven in hun financiële positie, zodat het recht op bijstand per datum in geding kon worden vastgesteld.

LJN AX6821 - Ongegrondverklaring verzet. In geding is de vraag of het hoger beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard nu appellant niet binnen de gestelde termijn de gronden waarop het hoger beroep berust, heeft ingediend.

LJN AX6830 - Ongegrondverklaring verzet omdat de overschrijding van de termijn voor betaling van het griffierecht niet verschoonbaar kan worden geacht. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Indien het saldo op zijn bankrekening niet toereikend was, had van appellant mogen worden verwacht dat hij binnen de gestelde termijn aan de Raad om uitstel van betaling had verzocht.

LJN AX6834 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat de Raad zich in de hoofdzaak naar verwachting onbevoegd zal verklaren. In die omstandigheden is voor het treffen van een voorlopige voorziening, en derhalve ook voor een inhoudelijke beoordeling van het daartoe strekkende verzoek, geen grond. Er is geen aanleiding voor doorbreking van het appèlverbod. Het betoog van verzoeksters ziet in wezen op de onjuistheid van de aangevallen uitspraak.

LJN AX7091 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat de Raad zich in de hoofdzaak naar verwachting onbevoegd zal verklaren. In die omstandigheden is voor het treffen van een voorlopige voorziening, en derhalve ook voor een inhoudelijke beoordeling van het daartoe strekkende verzoek, geen grond. Er is geen aanleiding voor doorbreking van het appèlverbod omdat van enige schending van beginselen van een goede procesorde niet is gebleken. Het betoog van verzoeker ziet in wezen op de beweerde onjuistheid van de aangevallen uitspraak.

LJN AX7229 - Herziening, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding en inkomsten uit arbeid. De schending van de inlichtingenverplichting heeft ertoe geleid dat aan appellante over de periode in geding ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is verleend. De ten behoeve van de echtgenoot van appellante gemaakte kosten van bijstand worden mede van appellante teruggevorderd.

LJN AX7440 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat appellante niet in verzuim is geweest. Er is geen sprake van overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat appellante, omdat het beroep is ingediend nadat het faillissement van appellante was uitgesproken maar voordat dit bij gebrek aan baten was opgeheven, niet bevoegd was beroep in te stellen.

LJN AX7443 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat appellant niet in verzuim is geweest. Er is geen sprake van overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat appellant, omdat het beroep is ingediend nadat het faillissement van appellant was uitgesproken maar voordat dit bij gebrek aan baten was opgeheven, niet bevoegd was beroep in te stellen.

LJN AX7706 - Weigering om terug te komen van een eerder genomen, rechtens onaantasbaar geworden besluit omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De weigering berust op twee rapporten van de bezwaarverzekeringsarts, die concludeert dat de door appellant overgelegde gegevens hetzij overeenkomen met al eerder bekende feiten, hetzij dat die gegevens geen betrekking hebben op de data in geding. De Raad verenigt zich met die conclusie.

LJN AX7882 - De rechtbank heeft terecht het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Appellant heeft niet kunnen aantonen dan wel voldoende aannemelijk kunnen maken dat redelijkerwijs niet binnen de termijn een (voorlopig) bezwaarschrift kon worden ingediend.

LJN AX8399 - Weigering en terugvordering ZW-uitkering over de perioden in geding. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat de toenmalige gemachtigde van appellante heeft verzuimd appellante tijdig te informeren over bestreden besluit 1 voor haar risico komt. Met betrekking tot bestreden besluit 2 heeft het UWV terecht appellante (alsnog) ziekengeld onthouden op de grond dat uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat de gestelde dienstverbanden niet kunnen worden aangemerkt als arbeidsovereenkomsten en dat deswege appellante (bij nader inzien) ten tijde van haar ziekmeldingen niet verzekerd was voor de ZW.

LJN AX8485 - Ten onrechte niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het bezwaar wegens termijnoverschrijding. De Raad is van oordeel dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat het bestreden besluit daadwerkelijk in de periode in geding ter verzending aan TPG Post is aangeboden. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

LJN AX8494 - Weigering ZW-uitkering omdat appellant per 22 februari 1999 niet ongeschikt wordt geacht voor de hem eerder in het kader van een WAO-beoordeling voorgehouden functies. Op grond van zorgvuldigheidsoverwegingen heeft het UWV echter over de periode 22 februari 1999 tot en met 21 juni 1999 alsnog ZW-uitkering toegekend. De Raad stelt vast dat appellant per 10 januari 1999 een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen en uit dien hoofde voor de ZW verzekerd was. Dat appellant achteraf volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, kan hieraan niet afdoen. Mitsdien is op een ondeugdelijke motivering het bezwaar tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, zodat dat besluit in zoverre niet in stand kan blijven.

LJN AX8725 - Weigering ZW-uitkering omdat betrokkene per datum in geding niet arbeidsongeschikt wordt geacht ten gevolge van haar zwangerschap of bevalling, zodat zij tijdens ziekte recht heeft op loondoorbetaling door de werkgever. De Raad oordeelt dat de rechtbank het door de werkgever ingestelde beroep ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard aangezien de werkgever niet als belanghebbende bij het bestreden besluit is aan te merken. Artikel 2a van de ZW had niet alleen betrekking op besluiten waarbij in geschil is of al dan niet sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar eveneens op besluiten waarbij aard en oorzaak van de arbeidsongeschiktheid aan de orde zijn.

LJN AX8728 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat zij onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de aan haar toegekende ontslagvergoeding. De Raad geeft uitleg over de criteria voor het in aanmerking nemen van middelen als inkomen. Er is onvoldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante volledig tekort is geschoten in de nakoming van de inlichtingenverplichting.

LJN AX8735 - Herziening bijstandsuitkering wegens inkomsten uit verhuur van appellantes woning in Suriname. Bij de vaststelling van de huuropbrengst dient rekening te worden gehouden met het feit dat appellante slechts voor 10/18 deel eigenaar van de woning is. Tevens dient rekening te worden gehouden met de door appellante aangegeven eigenaarslasten.

LJN AX8746 - Vaststelling, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, dat appellant hele dagen kan werken, dat hij in aanmerking komt voor een scholingstraject en dat hij ingedeeld moet worden in de arbeidshandicapcategorie "ernstig". Appellant is in hoger beroep onverminderd van opvatting gebleven dat zijn plaatsing in een dienstbetrekking in het kader van de sociale werkvoorziening nu eens eindelijk moet worden gerealiseerd.

LJN AX8754 - Weigering Wsw-indicatie omdat appellants beperkingen niet zodanig zijn dat deze uitsluitend met behulp van Wsw-voorzieningen kunnen worden gecompenseerd. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit niet onbevoegdelijk is genomen. Voorts is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de beperkingen van appellant in het advies van de indicatiecommissie op onjuiste wijze zijn omschreven. De Raad heeft, evenals de rechtbank, geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de CWI dat de voor appellant noodzakelijke maatregelen en voorzieningen ook realiseerbaar zijn in een normale arbeidsomgeving.

LJN AX8778 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht onverschoonbaar niet binnen de gestelde termijn is betaald. Appellant heeft aangevoerd dat hij, mede als gevolg van het grote aantal door hem aanhangig gemaakte procedures, niet in staat was en is om het griffierecht te voldoen. De Raad oordeelt dat appellant op geen enkele wijze binnen de gestelde termijn van vier weken aan de Raad kenbaar heeft gemaakt dat sprake is van betalingsonmacht.

LJN AX8782 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht niet binnen de daarvoor gestelde termijn is voldaan. De Raad stelt vast dat appellant zijn standpunt dat sprake is van een onjuiste partijstelling, in het kader van de (inhoudelijke) behandeling van het hoger beroep aan de orde kan stellen. Er is echter geen ruimte om de (verplichting tot) betaling van het griffierecht afhankelijk te stellen van honorering van dit standpunt.

LJN AX8796 - Herziening en terugvordering van de te hoog vastgestelde aanvullende bijstandsuitkering wegens onjuiste opgave van de WAO-uitkering en verblijf in het buitenland zonder voorafgaande toestemming van het college. Nu de herziening en terugvordering niet langer door appellant worden betwist, is de Raad van oordeel dat appellant geen in rechte te honoreren belang meer heeft bij een beoordeling ten gronde van het bestreden besluit. Het hoger beroep wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard.

LJN AX8876 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan door niet de gevraagde gegevens te verstrekken over de door hem opgerichte stichting waarvoor hij onbetaalde arbeid verricht.

LJN AX8897 - Terugvordering bijstandsuitkering en oplegging van een maatregel omdat appellant door eigen toedoen zijn arbeid in dienstbetrekking niet heeft behouden. Appellant is voor de zitting van de rechtbank door de griffier per gewone brief uitgenodigd en niet per aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging. Dat betekent dat appellant niet op de voorgeschreven wijze is uitgenodigd voor de behandeling van zijn zaak. De Raad voorziet zelf in de zaak en laat de rechtsgevolgen in stand.

LJN AX9009 - Proceskostenveroordeling. Naar het oordeel van de Raad kan onder door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet worden verstaan de niet als professionele rechtsbijstand te beschouwen bijstand van de zoon ten gunste van zijn vader, welke veeleer is gebaseerd op ondersteuning voortvloeiend uit het bestaan van een nauwe familierelatie.

LJN AX9303 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van orthodontie. Vernietiging van de uitspraak van de rechtbank vanwege de vermelding van de onjuiste rechter in de uitspraak. De Zfw is voor de kosten van tandheelkundige hulp als een aan de Wwb voorliggende, toereikende en passende voorziening aan te merken. Dit brengt mee dat artikel 15, eerste lid, van de Wwb in beginsel aan de toekenning van bijzondere bijstand in bedoelde kosten in de weg staat. Er is geen sprake van zeer dringende redenen, zoals een acute noodsituatie.

LJN AX9515 - Weigering vrijstelling verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen met verdergaande terugwerkende kracht dan tot 1 juli 2001 omdat het niet tijdig indienen van het verzoek om vrijstelling uitsluitend het gevolg is van onbekendheid met de regelgeving. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellants verzoek aangemerkt moet worden als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Volgens de Raad heeft de SVB in redelijkheid kunnen besluiten dat de door appellant genoemde omstandigheden niet kunnen leiden tot de slotsom dat sprake is van onbillijkheden van overwegende aard indien de vrijstelling niet wordt verleend met ingang van een datum gelegen vóór 1 juli 2001.

LJN AX9559 - Onbevoegdverklaring van de Raad omdat hij niet bevoegd is kennis te nemen van een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank ter zake van herziening.

LJN AX9573 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat betrokkene door eigen toedoen zijn arbeid in dienstbetrekking niet heeft behouden. De Raad oordeelt dat appellant te lichtvaardig ontslag uit zijn dienstbetrekking heeft genomen, zodat sprake is van het betonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

LJN AX9584 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep bij de rechtbank omdat de overschrijding van de beroepstermijn niet verschoonbaar is. De Raad heeft geen aanleiding gevonden de aangevallen uitspraak wegens schending van de goede procesorde te vernietigen en het geschil terug te wijzen naar de rechtbank nu appellant na kennisneming van de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd welke bij de beoordeling van de toepassing van artikel 6:11 van de Awb van belang zouden kunnen zijn.

LJN AX9594 - Toekenning WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%, na bezwaar 55 tot 65%. Weigering ZW-uitkering omdat appellant niet ongeschikt wordt geacht voor de hem eerder in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies. De Raad is van oordeel dat de bestreden besluiten berusten op een zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de psychiater en de vertaling daarvan door de bezwaarverzekeringsarts in het belastbaarheidspatroon. Appellant heeft geen gronden aangevoerd met betrekking tot de geschiktheid van de voor hem geselecteerde functies.

LJN AX9668 - Herziening WAO-uitkering. Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de hem eerder in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies, welke elk afzonderlijk gelden als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW. De Raad oordeelt dat de herziening van de WAO-uitkering berust op een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek en daarmee op een onvoldoende medische grondslag. Het besluit tot intrekking van de ZW-uitkering is eveneens niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

LJN AY0119 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante ter zake van haar woonplaats onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt die van invloed is op de uitkering, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat de bezwaartermijn is overschreden en niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

LJN AY0123 - Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens vervallen procesbelang nu volledig aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. De Raad acht termen aanwezig om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.

LJN AY0156 - Weigering bijzondere bijstand ter voorziening in onder meer de kosten van woninginrichting. Het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag en dient derhalve te worden vernietigd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad worden de kosten van woninginrichting tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel bestreden te worden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Schulden dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan kunnen niet op de Wwb worden afgewenteld.

LJN AY0161 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat appellante voorafgaand aan de aanvraag tijdens de in aanmerking te nemen periode inkomsten uit oppaswerk heeft ontvangen van in totaal ƒ100,-. Zeer geringe inkomsten uit arbeid van zeer geringe duur. Er is sprake van strijd met artikel 26 van het IVBPR omdat in dit geval een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de Wwb in het geval van appellante wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR buiten toepassing dient te worden gelaten.

LJN AY0170 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad oordeelt dat de bezwaartermijn is aangevangen na de indiening van het bezwaarschrift, zodat sprake is van een prematuur bezwaar, waarbij niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft nu het bestreden besluit ten tijde van de indiening reeds tot stand was gekomen.

LJN AY0191 - Weigering bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van vervanging van duurzame gebruiksgoederen, bestaande uit een stofzuiger, koelkast, fornuis en een televisie. De aanwezige schulden vormen geen bijzondere omstandigheden. De rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit worden in stand gelaten.

LJN AY0194 - Afbouw TW-uitkering van in Marokko wonende betrokkenen in een periode van drie jaar (2000, 2001 en 2002) op grond van overgangsrecht van de Wet BEU, waartegen betrokkenen destijds niet in rechte zijn opgekomen. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 12 september 2003, waarbij de Raad heeft geoordeeld dat deze afbouw in strijd is met het verdrag met Marokko, hebben betrokkenen het UWV verzocht om nabetaling van de misgelopen TW-uitkering en aldus terug te komen van het eerder genomen herzienings- en intrekkingsbesluit betreffende de afbouw. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant (het UWV) terecht heeft besloten de TW-uitkering niet eerder opnieuw toe te kennen dan per 12 september 2003. De Raad kent wegens bijzondere omstandigheden aanzienlijk hogere proceskostenvergoeding toe dan de geldende forfaitaire bedragen.

LJN AY0259 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat aan appellante in de periode in geding een maatregel is opgelegd wegens het onvoldoende meewerken aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. In geding is de vraag of het gemeentelijk beleid juist is toegepast en of er aanleiding bestond om wegens bijzondere omstandigheden van het beleid af te wijken.

LJN AY0260 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat aan appellante in de periode in geding een maatregel is opgelegd wegens verwijtbare werkloosheid. In geding is de vraag of het gemeentelijk beleid juist is toegepast en of er aanleiding bestond om wegens bijzondere omstandigheden van het beleid af te wijken.

LJN AY0263 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat appellante voorafgaand aan de aanvraag gedurende de in aanmerking te nemen periode van 60 maanden inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. De Raad kan het college daarin niet volgen.

LJN AY0265 - Onterechte weigering langdurigheidstoeslag. Betrokkene heeft in de periode in geding aan alle in het eerste lid van artikel 36 van de Wwb genoemde voorwaarden voor toekenning van de langdurigheidstoeslag voldaan. Het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet uitbetaalde langdurigheidstoeslag wordt toegewezen.

LJN AY0266 - In geding is de vraag of terecht en op goede gronden is besloten beslag te leggen op de langdurigheidstoeslag en dat de toegekende toeslag aan de beslaglegger wordt uitbetaald.

LJN AY0609 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van getuigenverhoor op Curaçao in het kader van een bij het gerechtshof ingestelde vordering tot levensonderhoud. De rechtbank oordeelt terecht dat het territorialiteitsbeginsel eraan in de weg staat om bijzondere bijstand te verlenen voor de in geding zijnde kosten, die weliswaar voortvloeien uit een in Nederland gevoerd civielrechtelijk geding, maar die in het buitenland zijn gemaakt. Daarbij is van belang dat deze kosten werkzaamheden betreffen die naar hun aard niet in Nederland, maar uitsluitend daarbuiten, namelijk op Curaçao, kunnen worden verricht.

LJN AY0642 - Oplegging maatregel van 20% gedurende drie maanden wegens het eenmalig niet melden van het op naam hebben van een auto. De Raad ziet niet in dat schending van de inlichtingenverplichting ernstiger verwijtbaar is naarmate de belanghebbende over een langere periode recht heeft gehad op bijstand.

LJN AY1701 - Weigering bijstandsuitkering omdat verzoekster, door geen duidelijkheid te verschaffen omtrent haar woonsituatie, de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden ten gevolge waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verzoekster heeft niet aan de hand van objectieve, verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat het opgegeven adres haar feitelijke woonadres is.

LJN AY1704 - Intrekking bijstandsuitkering omdat verzoeker niet is verschenen op de oproeping voor een heronderzoeksgesprek over zijn verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. Deze gedraging acht de voorzieningenrechter verwijtbaar. De door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat de relatie tussen hem en de hem door het college toegewezen bijstandsmedewerker is verstoord, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel.

LJN AY1705 - Herziening en terugvordering van kosten van bijstand, voor zover deze betrekking hebben op de aan appelante verstrekte gemeentelijke toeslag van 20%, wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, dienen de aard van de relatie van betrokkenen, hun subjectieve beleving daaromtrent en het motief dat tot het voeren van een gezamenlijke huishouding heeft geleid, voor de toepassing van de wet buiten beschouwing te blijven. De Raad ziet geen aanleiding in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan.

LJN AY3027 - Toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Nadien intrekking WAO-uitkering omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht, na bezwaar toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Intrekking ZW-uitkering omdat appellante per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de haar eerder in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies. De Raad is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat een beschermde werkomgeving zoals door de door de Raad ingeschakelde deskundige aangegeven op de vrije arbeidsmarkt wel is te vinden. Gelet daarop volgt de Raad de conclusie van de deskundige dat appellante vanaf de datum van de eerstejaarsherbeoordeling op medische gronden volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht.

LJN AY3050 - Weigering bijzondere bijstand voor kosten met betrekking tot appellants motor en weigering vergoeding van de kosten van de behandeling van de bezwaren. Weigering bijzondere bijstand ter aflossing van een schuldenlast. Het college is niet bevoegd een in de vorige woongemeente ingediende, niet aan hem doorgezonden bijzonderebijstandsaanvraag in behandeling te nemen.

LJN AY3543 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat niet aannemelijk is dat het beroepschrift vóór het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd. Een reden waarom de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn te achten, is niet gesteld en daarvan is de Raad evenmin gebleken.

LJN AY3544 - Herziening, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant gedurende de periode in geding werkzaamheden heeft verricht zonder daarvan aan het college melding te hebben gemaakt, ten gevolge waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. De Raad passeert de stelling van appellant dat hij voor zijn werkzaamheden in het geheel niet is beloond. Aan de door appellant aangevoerde omstandigheid dat de strafrechter appellant van de ten laste gelegde steunfraude heeft vrijgesproken, wordt eveneens voorbijgegaan.

LJN AY3547 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Het hoger beroep van het college richt zich, mede gelet op het verhandelde ter zitting, uitsluitend tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand te laten. Het college heeft niet onderkend dat met betrekking tot de onderhavige besluiten tot intrekking en terugvordering sprake is van een discretionaire bevoegdheid, zodat ten onrechte geen belangenafweging heeft plaatsgevonden.

LJN AY3569 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid. De voor appellants scheidsrechterswerkzaamheden genoten vergoedingen mogen niet buiten beschouwing worden gelaten. In aanmerking genomen de aard, de omvang, de duur en het terugkerend karakter van de werkzaamheden van appellanten op markten en braderieën, is de Raad met het college van oordeel dat sprake is van op geld waardeerbare arbeid.

LJN AY3570 - Niet-ontvankelijkverklaring verzet wegens overschrijding van de indieningstermijn. De Raad merkt op dat appellant in de uitspraak op zijn hoger beroep duidelijk is gewezen op de verzetstermijn van zes weken. De Raad is niet gebleken van redenen om de overschrijding van de termijn voor indiening van het verzetschrift verschoonbaar te achten.

LJN AY3611 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellanten niet hebben voldaan aan hun inlichtingenverplichting door niet dan wel niet volledig melding te maken van vermogensbestanddelen, van handel en van inkomsten, als gevolg waarvan hun recht op bijstand over de periode in geding niet kan worden vastgesteld.

LJN AY3863 - Weigering WAO-uitkering omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Intrekking twee achtereenvolgende ZW-uitkeringen omdat appellant per data in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de hem eerder in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies. De door de Raad ingeschakelde deskundigen hebben de conclusies van de door de rechtbank ingeschakelde psychiater bevestigd, zodat zij derhalve niet alleen staan in hun oordeel dat appellant op de data in geding op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is te achten.

LJN AY3912 - Weigering kwijtschelding van het resterende bedrag van een fraudevordering. Naar het oordeel van de rechtbank kon appellante aan het vóór 1 januari 2004 ter zake van de toepassing van artikel 78c van de Abw gevoerde beleid niet het vertrouwen ontlenen dat het college, nadat zij 120 termijnen had afgelost, haar verzoek om kwijtschelding zou inwilligen.

LJN AY3957 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening wegens onvoldoende zwaarwegende belangen, waarbij de voorzieningenrechter heeft betrokken het restitutierisico van het college, zulks mede in relatie tot de omvang van het door verzoeksters gevorderde bedrag.

LJN AY3961 - Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep omdat de SVB geheel tegemoet is gekomen aan alle door appellant aangevoerde grieven, waardoor appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van het geschil in hoger beroep.

LJN AY3974 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep bij de rechtbank omdat het griffierecht niet binnen de daarvoor gestelde termijn is betaald. De Raad stelt vast dat appellant ook in hoger beroep geen enkele omstandigheid heeft aangevoerd die tot het oordeel zou kunnen leiden dat hij buiten staat is geweest het griffierecht tijdig te betalen.

LJN AY4184 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op de grond dat het bestreden besluit rechtens onaantastbaar is geworden, zodat appellant bij een beslissing op het beroep tegen dat besluit geen belang meer heeft nu over de periode waarop dat besluit ziet appellant geen recht meer op bijstand heeft. De rechtbank is niet buiten de omvang van het geding getreden.

LJN AY4834 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellanten onvoldoende informatie hebben verstrekt als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Vaststelling van inkomsten en vermogen. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens is ten onrechte geconcludeerd dat door schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

LJN AY4836 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellante de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft overgelegd. De gevraagde gegevens, waarover appellante redelijkerwijs de beschikking kon krijgen, zijn onmiskenbaar van belang om het recht op bijstand te kunnen beoordelen.

LJN AY4920 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag wegens het niet binnen de gestelde termijn overleggen van gegevens en bescheiden. De gevraagde gegevens, waarover appellante redelijkerwijs de beschikking kon krijgen, zijn onmiskenbaar van belang om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Appellant had eventuele ontbrekende afschriften bij de bank kunnen opvragen.

LJN AY4922 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat het college te weinig gegevens heeft, met name omtrent de feitelijke verblijfplaats van appellant, om de aanvraag goed te kunnen afronden. Dit wordt niet anders doordat appellant gebruikmaakt van een hem (als adresloze) door het college ter beschikking gesteld briefadres als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wwb.

LJN AY5016 - Toekenning TW-uitkering, maar niet eerder dan met ingang van één jaar vóór de datum van indiening van de aanvraag. In geding is de vraag of terecht als aanvraagdatum is gehanteerd de datum waarop de jaarstukken van appellants eigen bedrijf door het UWV zijn ontvangen.

LJN AY5128 - Afbouw TW-uitkering van in de Filippijnen wonende appellant in een periode van drie jaar (2000, 2001 en 2002) op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat appellant eerst na ruim drie jaar alsnog bezwaar heeft gemaakt tegen het betreffende besluit. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond bevat waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest.

LJN AY5319 - Intrekking TW-uitkering op grond van de Wet BEU omdat appellant langer dan drie maanden in Turkije verblijft. Tijdens de bezwaarschriftprocedure is echter gebleken dat appellant op 1 april 2001 niet als gehuwde is aan te merken in de zin van de TW nu uit de voorhanden gegevens valt op te maken dat appellant in ieder geval sedert april 2001 niet meer samenwoont met zijn echtgenote. Voorts voldoet appellant ook als ongehuwde niet aan de voorwaarden voor het recht op TW-uitkering. Naar het oordeel van de Raad heeft het UWV appellant terecht als ongehuwd in de zin van de TW aangemerkt en de TW-uitkering die was gebaseerd op zijn situatie van gehuwde ingetrokken.

LJN AY5577 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellant niet uiterlijk op de datum in geding de gevraagde gegevens omtrent zijn financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag heeft verstrekt. De Raad acht de verlenging van de termijn voor het indienen van gegevens niet bewezen.

LJN AY5862 - Niet-ontvankelijkverklaring verzet omdat de termijn voor indiening van een verzetschrift is overschreden. Het niet tijdig doorgeven van de juiste adresgegevens aan de Raad komt volledig voor rekening van appellante.

LJN AY6073 - Ongegrondverklaring verzet omdat appellante het griffierecht voor het hoger beroep niet-verschoonbaar niet tijdig heeft betaald. Appellante is erop gewezen dat bij betaling per bank de datum van bijschrijving op de bankrekening van de Raad beslissend is en dat volgens vaste rechtspraak het risico van niet-tijdige verwerking van een eerst op de laatste dag van de termijn gegeven betalingsopdracht aan de bank voor haar rekening komt.

LJN AY6082 - Verlaging gemeentelijke toeslag met 15% van het nettominimumloon op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat in de woning van betrokkenen twee of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. De zoon en zijn vriendin die op het adres van betrokkenen een toercaravan bewonen, kunnen niet als zelfstandig wonend worden aangemerkt.

LJN AY6084 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat een spoedeisend belang ontbreekt. De voorzieningenrechter acht in hetgeen namens appellante ten aanzien van haar schulden is aangevoerd onvoldoende grond aanwezig om te oordelen dat er sprake is van een spoedeisend belang die het treffen van een voorlopige voorziening vordert. Van een financiële noodsituatie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.

LJN AY7286 - Intrekking ZW-uitkering en terugvordering van onverschuldigd betaalde ZW-uitkering. De intrekking van de ZW-uitkering, waaraan het UWV ten grondslag heeft gelegd dat zijn besluit tot beëindiging van de vrijwillige ZW-verzekering met ingang van de datum in geding rechtens onaantastbaar was geworden, berust niet op een juiste rechtsgrondslag. Dientengevolge is niet komen vast te staan dat de ZW-uitkering onverschuldigd is betaald, zodat ook aan het besluit tot terugvordering van de betaalde ZW-uitkering een deugdelijke rechtsgrondslag ontbreekt.

LJN AZ7676 - Afbouw TW-uitkering van in Marokko wonende betrokkene in een periode van drie jaar (2000, 2001 en 2002) op grond van overgangsrecht van de Wet BEU, waartegen betrokkene destijds niet in rechte is opgekomen. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 12 september 2003, waarbij de Raad heeft geoordeeld dat deze afbouw in strijd is met het verdrag met Marokko, heeft betrokkene het UWV verzocht om nabetaling van de misgelopen TW-uitkering en aldus terug te komen van het eerder genomen herzienings- en intrekkingsbesluit betreffende de afbouw. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant (het UWV) terecht heeft besloten de TW-uitkering niet eerder opnieuw toe te kennen dan per 12 september 2003.

LJN AY8175 - Herziening en terugvordering TW-uitkering en boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. Nadat het UWV op verzoek van de Raad nadere gegevens van onder meer de Belastingdienst had ingezonden, heeft het UWV de Raad bericht het bestreden besluit niet langer te handhaven. De Raad veroordeelt het UWV tot renteschade- en proceskostenvergoeding.

LJN AY8751 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. In beginsel wordt een rapport opgesteld door een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige gevolgd. De Raad ziet geen aanleiding te oordelen dat appellant op de datum in geding met zijn klachten en beperkingen zijn laatst verrichte arbeid als administratief medewerker niet kon verrichten.

LJN AY8819 - Intrekking TW-uitkering. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bij de rechtbank wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De Raad oordeelt dat de omstandigheid dat in Turkije wonende appellant de Nederlandse taal niet machtig is, niet kan leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding.

LJN AZ0560 - Oplegging maatregel van 20% korting op de WW-uitkering gedurende zestien weken omdat appellant voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid niet heeft gesolliciteerd. Het geding spitst zich toe op de vraag op welk moment het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn dienstbetrekking eindigde.

LJN AZ3133 - In geding is de vraag of de inkomsten uit de aan de kinderen van betrokkene toegekende ABP-wezenpensioenen in mindering dienen te worden gebracht op de Ioaw-uitkering van appellante. Deze wezenpensioenen kunnen weliswaar naar hun aard als inkomen in verband met arbeid worden aangemerkt, maar kunnen uit dien hoofde niet tot het inkomen van betrokkene worden gerekend, zoals bedoeld in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Ioaw.

LJN AZ3422 - Weigering ontheffing van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling. Niet is gebleken dat appellante om medische of sociale redenen niet in staat is tot het verrichten van arbeid. De in beroep overgelegde informatie van de internist en de psychiater is niet in strijd met de bevindingen van de door de GGD en het re-integratiebedrijf geconsulteerde artsen. Ook de informatie van de huisarts leidt niet tot een andere zienswijze.

LJN AZ5263 - Weigering bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand en voor de kosten van griffierecht omdat (20% van) de draagkracht van appellante meer bedraagt dan de kosten die zij heeft gemaakt. Appellante wordt ten tijde in geding niet hulpbehoevend geacht in de zin van de Algemene bijstandsverordening van de gemeente.

LJN AZ6501 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending van de inlichtingenverplichting omdat appellant geen mededeling heeft gedaan van zijn werkzaamheden als zelfstandige en de daaruit ontvangen inkomsten. De rechtbank heeft één en ander niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd.

LJN AZ9205 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellant niet heeft voldaan aan het verzoek de gevraagde gegevens te verstrekken. Niet is gebleken dat appellant niet in staat was om het gevraagde bankafschrift tijdig in te leveren. De omstandigheid dat hij dit afschrift in het kader van de bezwaarprocedure alsnog heeft verstrekt, doet aan het voorgaande niet af, aangezien de hersteltermijn toen was verstreken en niet binnen de hersteltermijn om uitstel is verzocht.

LJN BA0147 - Intrekking Ioaz-uitkering wegens gezamenlijke huishouding. Betrokkene stelt een deel van zijn woning te verhuren. In geding is de vraag of is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering. Alleen indien betrokkene bij een nader onderzoek naar de woon- en leefsituatie geen of geen toereikende inlichtingen zou hebben verschaft, had kunnen worden overgegaan tot intrekking van de uitkering op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke omvang recht op uitkering bestaat.

LJN BA1098 - Intrekking Ioaz-uitkering omdat appellant zijn bedrijfsactiviteiten niet heeft gestaakt. Appellant heeft niet overeenkomstig de daartoe opgelegde verplichting een liquidatiebalans van zijn bedrijf overgelegd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant met ingang van de datum in geding niet als gewezen zelfstandige in de zin van de Ioaz kon worden aangemerkt reeds omdat hij - onbetwist - per die datum met een nieuw bedrijf is gestart.

LJN BA0850 - Toekenning bijstand in de vorm van een geldlening tot een bedrag van €56.790,-. Betrokkene heeft blijk gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan omdat zij een bedrag van €67.000,-, dat zij op een op haar naam staande bankrekening heeft ontvangen, in een tijdsbestek van twee jaar heeft opgemaakt, terwijl zij daarnaast een bijstandsuitkering ontving. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de door betrokkene betaalde belasting.

LJN BA1931 - Herziening WAO-uitkering na herbeoordeling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. De Raad concludeert dat de (bezwaar)verzekeringsartsen ten onrechte geen urenbeperking voor appellante hebben aangenomen. Haar belastbaarheid is derhalve niet juist vastgesteld. Intrekking ZW-uitkering omdat appellante per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de haar eerder in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies. De Raad stelt vast dat als gevolg van de vernietiging van het bestreden WAO-besluit ook het bestreden ZW-besluit een juiste medische grondslag ontbeert en derhalve dient te worden vernietigd.

LJN BA3606 - Weigering overneming van de door de werkgever niet-betaalde pensioenpremies, dan wel de door de kantonrechter aan appellant toegewezen vergoeding, voor zover die vergoeding bestaat uit een bedrag ter hoogte van de door de werkgever niet-afgedragen pensioenpremies. De door de kantonrechter aan appellant toegewezen ontbindingsvergoeding is gebaseerd op artikel 7:685, achtste lid, van het BW. De Raad is van oordeel dat het deel van deze vergoeding waarvan appellant stelt dat deze door het UWV dient te worden overgenomen, te weten voor zover zij bestaat uit een bedrag ter hoogte van de door de werkgever niet-afgedragen pensioenpremies, niet voor overneming in aanmerking komt.

LJN BA4631 - Oplegging maatregel in de vorm van een weigering van de gehele bijstand voor de duur van één maand op de grond dat appellant zelf ontslag heeft genomen. De Raad is niet gebleken dat de omstandigheden van appellant of de mate van verwijtbaarheid het college aanleiding hadden moeten geven de opgelegde maatregel te mitigeren met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw.

LJN BA8367 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering alsmede boeteoplegging omdat betrokkene de inlichtingenplicht heeft geschonden door onvoldoende inlichtingen te verschaffen omtrent zijn woon- en leefsituatie. Het bestreden besluit berust op onzorgvuldig onderzoek en een ondeugdelijke motivering.

LJN BA8897 - Proceskostenveroordeling nadat het UWV hangende het hoger beroep geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant.

LJN BA9360 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering wegens inkomsten uit en in verband met arbeid waardoor het gezinsinkomen meer bedraagt dan het wettelijk minimumloon. In geding is de vraag of er sprake is van dringende redenen om af te zien van terugvordering over de periode in geding. Namens appellant is in dit verband gewezen op de trage besluitvorming door het UWV en de psychische problematiek van appellant.

LJN BA9688 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. De door de Raad ingeschakelde deskundige heeft de vraag of appellant op voornoemde datum in staat was zijn arbeid te kunnen verrichten niet beantwoord, omdat dat buiten zijn deskundigheid valt. De Raad oordeelt dat de onzekerheid over de vraag of appellant hersteld is niet ten nadele van hem mag uitvallen.

LJN BA9917 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering omdat appellante geen gerechtvaardigde reden had om plaatsing in het mobiliteitsplan gedurende een halfjaar af te slaan, zodat zij elke mogelijke kans om arbeid te behouden teniet heeft gedaan. In hoger beroep heeft het UWV de maatregel gewijzigd in een korting op de WW-uitkering van 20% gedurende zestien weken.

LJN BB0432 - Weigering WW-uitkering omdat niet is voldaan aan de referte-eis, welke eis inhoudt dat appellant in de periode van 39 weken voordat hij werkloos werd in ten minste 26 weken moet hebben gewerkt. Appellant kan aan een statusoverzicht niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij over de in zo’n overzicht genoemde tijdvakken verzekerd zou zijn voor de sociale werknemersverzekeringen en derhalve ook niet dat hij zou voldoen aan de in het voorliggende geval aan de orde zijnde referte-eis.

LJN BB0641 - Intrekking bijstandsuitkering van betrokkene en terugvordering van €58.425,65 aan onverschuldigd betaalde bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. De bijstand wordt mede teruggevorderd van appellant, met wie betrokkene de gezamenlijke huishouding voerde.

LJN BB1043 - Afwijzing verzoek om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het feit dat het UWV in zaken waarin na december 2004 een aanvraag om een WW-uitkering is ingediend het dagloon wel direct juist vaststelt, betekent niet dat in de onderhavige zaak, waar de toepassing van het bepaalde in artikel 4:6 Awb aan de orde is, een schending van het gelijkheidsbeginsel kan worden vastgesteld.

LJN BB1829 - Toekenning bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek tot een bedrag van maximaal €91.955,41. Appellante is terecht de verplichting opgelegd mee te werken aan het vestigen van een hypotheek (krediethypotheek).

LJN BB1950 - Blijvend gehele weigering ZW-uitkering omdat betrokkene een benadelingshandeling heeft gepleegd in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Betrokkene had zich wegens overspannenheid voor langere tijd volledig arbeidsongeschikt gemeld, waarmee niet te rijmen valt dat zij elders wel werkzaamheden verrichte. Het UWV heeft in dit geval terecht de zwaarste maatregel opgelegd en geen reden gezien deze maatregel in verband met een verminderde verwijtbaarheid te matigen.

LJN BB3901 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat appellante niet is ingegaan op het aanbod om een overeenkomst voor algemeen geaccepteerde arbeid te ondertekenen. De gedingstukken bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.

LJN BB6602 - Toekenning Ioaz-uitkering naar de norm voor gehuwden onder aftrek van onder meer de inkomsten van appellants echtgenote uit haar zelfstandig beroep. Het college heeft de winst uit het zelfstandig beroep van appellants echtgenote ten onrechte als in aanmerking te nemen inkomen op de Ioaz-uitkering in mindering gebracht. Echter, de echtgenote had haar zelfstandig beroep ten tijde in geding niet beëindigd, waarmee niet is voldaan aan de voorwaarde voor het recht op een Ioaz-uitkering, zodat geen recht op een Ioaz-uitkering is ontstaan.

LJN BB6905 - Betaling ZW-uitkering arbeidsgehandicapte werknemer eerst met ingang van de dag van de ziekmelding. De Raad oordeelt dat de omstandigheid dat SAZAS de ziekmelding niet tijdig heeft doorgegeven aan het UWV omdat men mogelijkerwijs niet wist dat de werknemer als arbeidsgehandicapte viel onder de werking van artikel 29b van de ZW, neemt niet weg dat dit voor risico van appellante dient te blijven.

LJN BB7476 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omdat de brief van 26 november 2002 van het UWV slechts als een attendering op de naderende einddatum van de TW-uitkering is bedoeld en daarom niet kan worden aangemerkt als een op rechtsgevolg gericht besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat voornoemde brief niet op rechtsgevolg is gericht en derhalve geen besluit is in de zin van de Awb. De intrekking van de TW-uitkering met ingang van 1 januari 2003 was al onderdeel van het besluit van 28 november 2000 en voornoemde brief wijzigt de intrekking niet.

LJN BB8306 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op basis van het belastingsignaal en de verkregen informatie van het uitzendbureau voldoende aannemelijk is geworden dat appellante in de periode in geding inkomsten uit arbeid heeft genoten via dat uitzendbureau.

LJN BB9625 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet op grond van artikel 11, tweede lid, van de Wwb kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, terwijl hij evenmin op grond van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wwik kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.

LJN BC1479 - Herziening, intrekking en terugvordering WW-, ZW- en TW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband. In geding is de vraag of appellante in hoger beroep terecht stelt dat zij in de aan de orde zijnde periode wel degelijk een reëel, normaal dienstverband heeft gehad met de werkgever, werkzaamheden heeft verricht en loon heeft ontvangen.

LJN BC1684 - Weigering om terug te komen van een eerder genomen, rechtens onaantastbaar geworden besluit inzake weigering van ZW-uitkering. Er is geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Dat het UWV enkele aan vorengenoemd besluit voorafgaande besluiten naderhand niet in overeenstemming heeft gebracht met dat besluit is, naar van de zijde van het UWV is erkend, een nalatigheid. Die kan evenwel in de onderhavige zaak niet tot een ander oordeel leiden.

LJN BC2433 - Intrekking en terugvordering bijstandsuiktering omdat appellant over meer vermogen beschikt dan het vrij te laten vermogen en inkomsten heeft uit werkzaamheden als zelfstandige, waarvan hij geen melding heeft gemaakt. De Raad ziet onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand in de laatste periode in geding niet kan worden vastgesteld.

LJN BC3739 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting met betrekking tot de productie van sambal en de daaruit verkregen inkomsten het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De door appellant overgelegde overzichten zijn niet als controleerbare en verifieerbare gegevens aan te merken.

LJN BC5677 - Afwijzing verzoek om herziening. Het rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren.

LJN BC5885 - Weigering langdurigheidstoeslag op de grond dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat zij tijdens een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft ontvangen dat niet hoger is dan de bijstandsnorm, omdat haar bijstandsuitkering in de periode in geding onderbroken is geweest. Niet is gesteld of gebleken dat appellante niet (ook) in de periode waarin zij langer dan de voor haar gebruikelijke vakantieduur in het buitenland heeft verbleven, was aangewezen op een inkomen op minimumniveau. Van enig inkomen in voornoemde periode is niet gebleken, zodat niet kan worden gesteld dat zij een inkomen heeft gehad dat hoger is dan de voor haar van toepassing zijnde norm.

LJN BC7175 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering omdat de ontbindingsvergoeding ter zake van de beëindiging van de appellants arbeidsovereenkomst bestemd is om te voorzien in noodzakelijke kosten van bestaan. Met het oog op de nadere besluitvorming merkt de Raad op dat de ontbindingsvergoeding dient te worden toegerekend aan de periode vanaf de datum in geding en dat het aan het college is om te berekenen wat de duur is van de periode waarop de ontbindingsvergoeding geacht kan worden betrekking te hebben.

LJN BD1575 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Het opzetten van een website waarop door appellante en anderen onder meer negatieve uitlatingen over de werkgever werden gedaan, heeft geleid tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Appellante heeft naar het oordeel van de Raad onrechtmatig jegens haar werkgever gehandeld door gebruik te maken van een domeinnaam die vanwege de gelijkenis met de domeinnaam waaronder de werkgever een website voert en de inhoud van de website waarin onvoldoende duidelijk is gemaakt dat deze niet van de werkgever afkomstig is, verwarringsgevaar oplevert.

LJN BD2233 - Intrekking ZW-uitkering omdat betrokkene per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de hem eerder in het kader van een WAO-beoordeling voorgehouden functies. Er bestaat discrepantie tussen het oordeel van de rechtbank in de WAO-zaak en de ZW-zaak. De door de Raad ingeschakelde deskundige acht betrokkene op voornoemde datum geschikt voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. De Raad ziet geen aanleiding om de door de deskundige getrokken conclusie voor onjuist te achten.

LJN BD2354 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat niet is voldaan aan het verzoek om binnen de hersteltermijn alle gevraagde gegevens te verstrekken, met name informatie over onroerend goed in Caïro. Niet is gebleken dat appellanten buiten staat waren de verlangde gegevens alsnog tijdig over te leggen.

LJN BD2398 - Weigering WW-uitkering wegens het nalaten om passende arbeid te aanvaarden. De Raad oordeelt dat op basis van de gedingstukken niet kan worden beoordeeld of de aangeboden functies voor appellant passend zijn. Met name kan niet worden vastgesteld of het reële werkzaamheden betrof. Ten aanzien van de functie van inkoper is voorts de vraag of appellant die werkzaamheden met zijn krachten en bekwaamheden zou kunnen verrichten.

LJN BD4678 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante, zonder daarvan melding te hebben gemaakt, in de perioden in geding een WW-uitkering heeft ontvangen en dat als gevolg daarvan over die perioden tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend. De rechtbank heeft ten onrechte uitsluitend geoordeeld over de terugvordering.

LJN BD6261 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellanten beschikken over een vermogen uit erfenis, waardoor zij over voldoende middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Totdat de erfenis is uitbetaald, wordt de bijstand verleend onder overdracht van eventueel te ontvangen vermogen uit erfenis. De aanspraak op een erfdeel ontstaat op het tijdstip van overlijden van de erflater, zodat vanaf dat tijdstip terugvordering plaatsvindt.

LJN BD7455 - Voorlopigevoorzieningsprocedure, ingesteld door het college. Intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering. Een mogelijk financieel risico in de toekomst levert onvoldoende grond op om te oordelen dat er aan de kant van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde (voorlopige) voorziening.

LJN BD8764 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant langer dan de gebruikelijke vakantieduur in het buitenland verblijft. Appellant is een drugs- en alcoholverslaafde die op verwijzing van zijn behandelend psychiater en met toestemming van zijn zorgverzekeraar in Schotland afkickt in een psychiatrisch ziekenhuis dat door het College voor zorgverzekeringen is toegelaten in het kader van de AWBZ. B&W hebben de bevoegdheid om van het territorialiteitsbeginsel af te wijken indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. De Raad is van oordeel dat aan appellant na ommekomst van de gebruikelijke vakantieduur algemene bijstand dient te worden verleend naar de inrichtingsnorm zolang appellant op verwijzing van het behandelingsteam en met toestemming van zijn zorgverzekeraar in Schotland een behandeling ondergaat en ook overigens voldoet aan de voor hem geldende vereisten van de Wwb.

LJN BD9995 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering van betrokkene en medeterugvordering van appellante wegens het voeren van een verzwegen gezamenlijke huishouding. Uit de afgelegde verklaringen blijkt in toereikende mate van een wederzijdse zorg gedurende de in geding zijnde periode.

LJN BE9167 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermogen boven de vermogensgrens. Naar het oordeel van de Raad is met de overgelegde verklaringen, die algemeen van aard zijn en geen inzicht geven in de vraag welke gelden, wanneer, door wie en ten behoeve van welk doel zijn gestort, niet in genoegzame mate aangetoond dat de tegoeden van de op naam van appellant staande (verzwegen) bankrekeningen geen bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij de beschikking had.

LJN BF0097 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende zes maanden omdat betrokkene, door de afspraak met het re-integratiebedrijf af te zeggen, niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door appellant geboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, als gevolg waarvan die voorziening voortijdig is beëindigd. Gelet op de voorgeschiedenis heeft appellant de maatregel vastgesteld met toepassing van de afstemmingsbepaling neergelegd in de gemeentelijke Maatregelenverordening. In geding is de vraag of de verzwaring van de maatregel in overeenstemming is met de ernst van de gedraging.

LJN BF0233 - Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het inkomensoverzicht. Een inkomensoverzicht is niet gericht op rechtsgevolg en is derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

LJN BF4560 - Terugvordering leenbijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal omdat de lening wegens het faillissement van appellants ex-echtgenote geheel opeisbaar is geworden en appellant de uit deze lening voortvloeiende aflossingsverplichtingen, ondanks diverse verzoeken daartoe, niet is nagekomen. Ingevolge artikel 59, derde lid, van de Wwb geldt dat appellant en zijn ex-echtgenote hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de geldlening.

LJN BF8053 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Appellant heeft laatstelijk vóór de ziekmelding als schoonmaker gewerkt. Het UWV heeft de functie van productiemedewerker aangemerkt als "zijn arbeid" en daarmee een onjuiste maatstaf gehanteerd. Bij herhaling heeft de Raad vastgesteld dat onder "zijn arbeid" dient te worden verstaan de laatstelijk vóór de ziekmelding verrichte arbeid.

LJN BF8880 - Intrekking WGA-uitkering op het moment waarop de loongerelateerde fase van de uitkering eindigt. Het oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit hield tevens in dat de passendheid van de geduide functies opnieuw beoordeeld diende te worden. In het nader besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak wordt appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht. Alsnog wordt een beperking in verband met kleurenblindheid aangenomen. Voldoende is gemotiveerd waarom geen beperking is aangenomen voor hand- en vingergebruik.

LJN BG4666 - Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding. Er zijn geen concrete en gerichte aanwijzingen dat betrokkene 2 in de woning van betrokkene 1 is blijven wonen. Naar de rechtbank terecht heeft overwogen, had het op de weg van appellant (het college) gelegen om bij de verklaringen van de buren meer tot in detail door te vragen.

LJN BG5675 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. De brief waarbij kennis wordt gegeven van de beslaglegging en wordt meegedeeld dat appellante met ingang van de eerstvolgende reguliere betaling 90% van de nettobetaling (zijnde de beslagvrije voet) ontvangt en dat ook de vakantietoeslag aan de beslaglegger wordt betaald, moet, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, volgens de Raad als een (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Het bezwaar is niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

LJN BG6554 - Toekenning WGA-uitkering gebaseerd op een vrijwillige verzekering. Betrokkene wordt aangemerkt als DGA van de vennootschap. Het bezwaar van de vennootschap is niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. In verband met de familieverhoudingen wordt de arbeidsverhouding niet aangemerkt als dienstbetrekking, zodat de vennootschap niet als werkgever van betrokkene kan worden aangemerkt. De vennootschap heeft niet uit anderen hoofde dan werkgeverschap een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang.

LJN BG6934 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant geen hoofdverblijf meer had op het door hem opgegeven adres, noch op het volgende adres. Naar het oordeel van de Raad zijn er onvoldoende waarborgen dat het rapport van de sociale recherche, voor zover door appellant betwist, een juiste zakelijke weergave is van hetgeen is verklaard. In dit kader hecht de Raad betekenis aan het feit dat appellant de verklaring zoals weergegeven in het rapport van meet af aan in de bezwaarprocedure heeft betwist.

LJN BG8811 - Vaststelling dagloon. Appellante voert in beroep aan dat zij het toekenningsbesluit niet heeft ontvangen waardoor het voor haar onmogelijk was om vast te stellen of het in het bestreden besluit genoemde dagloon juist is. Vaststaat dat appellante de aan het besluit ten grondslag liggende stukken van de rechtbank heeft ontvangen. Op grond hiervan had zij kunnen bezien hoe de dagloonberekening tot stand is gekomen.

LJN BG9593 - Intrekking ZW-uitkering per datum in geding omdat appellant niet leed aan een als ziekte of gebrek aan te merken psychische of psychiatrische afwijking in zijn geestelijke gezondheidstoestand, zodat hij op die datum in staat was tot het verrichten van zijn arbeid, zoals beschreven in het arbeidskundig rapport. De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen reden om de conclusies van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige niet te volgen.

LJN BG9690 - Weigering WIA-uitkering. Onderzoek naar de vraag of de aan de maatmanarbeid van appellant soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers voorhanden is, wordt door het UWV zelf gedaan. De Raad ziet, uitgaande van de vaststaande functionele mogelijkheden van appellant en in het licht van de tot de gedingstukken behorende omschrijving van de maatgevende arbeid, in de rapportages genoegzaam gemotiveerd dat de belasting in de maatgevende arbeid de mogelijkheden van appellant niet overschrijdt. Ook de Raad ziet geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

LJN BH1038 - Weigering WIA-uitkering. De primaire arts is niet geregistreerd als verzekeringsarts. De rechtbank is buiten de omvang van het geding getreden nu betrokkene dit punt niet aan de orde heeft gesteld noch geacht kan worden aan de orde te hebben willen stellen, terwijl dit punt niet geacht kan worden van openbare orde te zijn. Er is geen aanleiding het aspect dat het primaire medische onderzoek niet door een verzekeringsarts is gedaan ambtshalve te beoordelen. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

LJN BH1272 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit autohandel en bezit van onroerend goed in Polen. Naar het oordeel van de Raad kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting de waarde van de woning gedurende de hier te beoordelen periode niet (meer) worden bepaald. Het college heeft terecht met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb de bijstand over de in geding zijnde periode ingetrokken en teruggevorderd.

LJN BH2321 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat betrokkene niet verbleef op het door hem opgegeven woonadres. Er is voldoende feitelijke grondslag dat betrokkene op een ander adres woonachtig was dan hij heeft opgegeven. Niet over de gehele periode in geding was niet vast te stellen of betrokkene recht had op bijstand.

LJN BH4360 - Intrekking en brutoterugvordering bijstandsuitkering wegens een verkregen legaat van €37.299,-. In geval van terugvordering over een periode die voorafgaat aan het lopende kalenderjaar wordt door de gemeente steeds bruto teruggevorderd. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten nu daarin niet de mogelijkheid is opgenomen om van brutering af te zien in - andere dan in de beleidsregel genoemde - gevallen dat de brutering geen gevolg is van een verwijtbare gedraging van de betrokkene.

LJN BH5259 - Weigering WIA-uitkering omdat appelante geschikt is voor haar eigen voltijdse werk. Onvoldoende is komen vast te staan dat het UWV terecht geen tijdelijke urenbeperking heeft aangenomen in verband met verminderde beschikbaarheid gedurende de behandeling bij het Spine and Joint Centre en de zelfstandige training daarna. Hierdoor is de medische grondslag van het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig onderbouwd.

LJN BH5797 - Weigering om terug te komen van eerder genomen, rechtens onaantastbaar geworden besluiten, omdat nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artijkel 4:6 van de Awb niet zijn komen vast te staan en evenmin sprake is van evidente onjuistheden. Appellant heeft verzocht om over de perioden in 1998, 1999 en 2000, waarin hij inkomsten lager dan de voor hem geldende bijstandsnorm heeft verworven, alsnog de inkomensvrijlating als bedoeld in artikel 43 van de Abw toe te passen.

LJN BH6106 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV heeft uiteindelijk in hoger beroep toereikend gemotiveerd waarom appellante de voorgehouden functies kan vervullen. Appellante kan een zodanig inkomen verwerven dat een loonverlies van ongeveer 51% resteert. Het UWV heeft terecht een WGA-uitkering toegekend en geen IVA-uitkering.

LJN BH6366 - Afwijzing aanvraag additionele voorziening voor elf doventolkuren per week. Reeds toegekend zijn vijf uren per week. Het beleid om in incidentele gevallen te kunnen afwijken, is geen beleidsregel, maar een bestendige gedragslijn. De door appellante uitgeoefende leidinggevende functie moet voor haar - in het licht van de toepassing van het beleid - niet passend worden geacht nu zij voor meer dan 40% van de werktijd een beroep moet doen op ondersteuning door een doventolk. In een passende functie moet in beginsel kunnen worden volstaan met 15% doventolkuren. In geding is de vraag of sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard indien appellante een additionele voorziening voor doventolkuren wordt onthouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en vernietigt het bestreden besluit. Het UWV dient een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Daarbij mag in het kader van de in artikel 7, vierde lid, van het Reïntegratiebesluit bedoelde discretionaire bevoegdheid betekenis toekomen aan de vraag of en in hoeverre de functie van appellante gedeeltelijk kan worden aangepast en of en in hoeverre van de werkgever mag worden gevergd dat hij een deel van de kosten van de doventolkuren voor zijn rekening neemt.

LJN BH7361 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant niet woonachtig is op het opgegeven adres. De intrekking is uitsluitend gebaseerd op de vaststelling dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren is nagekomen. Zoals de Raad al herhaaldelijk heeft overwogen, levert dat enkele feit geen toereikende grond op voor herziening of intrekking van de bijstand. Daarvoor is immers vereist dat komt vast te staan dat als gevolg van een vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte - bijvoorbeeld omdat het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld - of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. De rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit blijven in stand.

LJN BH9967 - Intrekking ZW-uitkering. Appellant heeft niet binnen de in artikel 75k van de ZW voorgeschreven termijn van twee weken bezwaar gemaakt tegen het besluit van de datum in geding. De door appellant aangevoerde omstandigheden vormen geen reden voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Nu het besluit niet tijdig is aangevochten, kan een beoordeling van een eventueel daaraan klevend gebrek, zoals door appellant gesteld, hier niet aan de orde komen.

LJN BI0092 - Weigering WIA-uitkering. Er zijn geen nadere gegevens in geding gebracht die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat appellant zwaarder of meer beperkt zou zijn dan door de (bezwaar)verzekeringsartsen is aangenomen. Eerst in hoger beroep is een arbeidskundige toelichting gegeven die voldoet aan de eisen van helderheid, toetsbaarheid en verifieerbaarheid. Instandlating van de rechtsgevolgen.

LJN BI0333 - Onterechte weigering ZW-uitkering. Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Vanaf de ontvangst door het UWV van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim negen maanden verstreken. De behandeling van het bezwaar door het UWV heeft één jaar en bijna drie maanden geduurd. De behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft twee jaar en acht maanden geduurd en de behandeling van het hoger beroep door de Raad heeft twee jaar en bijna drie maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. Heropening van het onderzoek om te beslissen op het verzoek om schadevergoeding. Naast het UWV wordt de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie) als partij in die procedure aangemerkt.

LJN BI0362 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. De omstandigheid dat zeer veel eerdere aanvragen van verzoeker om bijzondere bijstand op de door verzoeker aangegeven wijze zijn afgewikkeld en het feit dat hij de griffierechten uit zijn bijstandsuitkering heeft betaald, leveren geen grond op om te oordelen dat in de onderhavige procedure sprake is van onverwijlde spoed. De overige door verzoeker genoemde omstandigheden rechtvaardigen een dergelijk oordeel evenmin, omdat zij niet in verband staan met de kosten waarop de in dit geding aan de orde zijnde aanvragen om bijzondere bijstand zien. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht.

LJN BI0655 - Vaststelling van de subsidie op een lager bedrag dan de eerder verleende subsidie omdat in twee gevallen niet tijdig in herindicatie was voorzien en geen enkele arbeidsplaats voor begeleid werken was gerealiseerd. Daarbij is het verschil tussen beide subsidiebedragen van appellant teruggevorderd.

LJN BI1281 - Maximering vergoeding van hoortoestellen. Het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Reïntegratiebesluit brengt mee dat aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval zal moeten worden beoordeeld of met de maximale vergoeding een niet alleen goedkoopste, maar ook adequate voorziening kan worden verleend. Nu appellant gemotiveerd heeft aangegeven dat twee Opticon hoortoestellen in zijn specifieke situatie noodzakelijk zijn, kan het UWV niet zonder nadere motivering volstaan met de toekenning van een gemaximeerd bedrag van €1400,-.

LJN BI1715 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat appellant niet voldoende heeft getracht zijn werk te behouden. De Raad is van oordeel dat het college, door bij de vaststelling van de toedracht van het incident uitsluitend af te gaan op door de uitlener verstrekte summiere informatie en na betwisting daarvan door appellant geen nadere informatie in te winnen bij de betreffende teamleider van de inlener, in strijd heeft gehandeld met artikel 3:2 van de Awb.

LJN BI1787 - Alsnog toekenning WGA-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Het toegekende voorschot wordt niet teruggevorderd. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juistheid van de conclusies ervan. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad verder van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. Nu eerst in de fase van hoger beroep een adequate toelichting is gegeven op de in de aan de schatting ten grondslag liggende functies voorkomende belasting in relatie tot de beperkingen van appellant, dienen zowel de aangevallen uitspraak als het bestreden besluit te worden vernietigd. Instandlating van de rechtsgevolgen.

LJN BI1923 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van de boekhouder omdat deze kosten niet behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Weigering Ioaz-uitkering omdat appellant de aanvraag heeft ingediend nadat het bedrijf is beëindigd. Appellant is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord voordat op het bezwaar is beslist. De gang van zaken rondom de Wwb-aanvraag is niet goed verlopen, aangezien het gebruikelijk is om de aanvraag om bijstand af te handelen ook in een situatie waarin de jaarstukken nog niet (volledig) beschikbaar zijn omdat ze bij een boekhouder liggen.

LJN BI2271 - De kosten van de door Instituut Psychosofia uitgebrachte rapporten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Voor vergoeding van de kosten van de rapportage van de psychiater is terecht aansluiting gezocht bij het Besluit tarieven in strafzaken op basis van het forfaitaire uurtarief; er is geen ruimte voor een hogere vergoeding. Het nieuwe besluit valt buiten de omvang van het thans aanhangige geding.

LJN BI2918 - Weigering ZW-uitkering omdat betrokkene per datum in geding niet ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken, is de Raad niet gebleken. De Raad heeft hierbij overwogen dat het door de deskundige uitgebrachte rapport blijk geeft van een volledig en zorgvuldig onderzoek.

LJN BI3037 - Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen werkzaamheden als zelfstandige. Het college heeft echter niet genoegzaam aannemelijk gemaakt dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode reeds daadwerkelijk op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Een daarop gericht onderzoek heeft niet plaatsgevonden.

LJN BI3545 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 60%. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat onvoldoende passende functies resteerden. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is een nieuw besluit genomen, met nadere arbeidskundige onderbouwing en met voldoende medische grondslag. Met de nadere motivering is een voldoende inzichtelijke en naar zijn inhoud bezien ook deugdelijke onderbouwing gegeven waarom de functie productiemedewerker textiel, ook in het licht van de voor appellant geldende beperking op het punt van het aangewezen zijn op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, voor hem geschikt is te achten.

LJN BI5270 - Moet de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant geacht worden duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering? Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. De Raad oordeelt dat in de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen geen steun is te vinden voor het standpunt dat er een redelijke verwachting was dat met een juiste behandeling verbetering van de belastbaarheid zal optreden. Een deugdelijke psychiatrische onderbouwing, bijvoorbeeld met gegevens van de behandelend sector, ontbreekt. Er is geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms. Het bestreden besluit ontbeert een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering.

LJN BI6161 - Intrekking ZW-uitkering omdat betrokkene per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Het UWV heeft in hoger beroep aangevoerd dat de conclusies van de deskundige neuroloog niet zonder meer gevolgd kunnen worden, omdat de beoordeling van de depressieve klachten meer op het terrein van een psychiater ligt en niet duidelijk is of de deskundige de reactie van de bezwaarverzekeringsarts heeft meegewogen bij zijn standpuntbepaling. Hoewel in beginsel het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijk deskundige wordt gevolgd, doet zich hier naar het oordeel van de Raad een uitzondering voor. Het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat betrokkene in staat moest worden geacht tot het verrichten van zijn arbeid is niet alleen gebaseerd op diens eigen bevindingen, maar wordt mede ondersteund door de resultaten van expertiseonderzoek en verkregen informatie uit de behandelend sector. Hiermee heeft het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden en is het standpunt van appellant hiermee genoegzaam onderbouwd.

LJN BI9468 - Weigering WIA-uitkering. De Raad is van oordeel dat op grond van de beschikbare medische gegevens, waaronder de inlichtingen van de behandelende sector, niet gebleken is dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De Raad is van oordeel dat het UWV op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank en thans een gemotiveerde berekening heeft gegeven van het reële verlies aan verdiencapaciteit. Dit leidt niet tot een andere uitkomst. Aangezien appellant in dit verband geen grieven naar voren heeft gebracht, dient het nadere besluit in stand te worden gelaten.

LJN BJ0896 - Intrekking bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Het verslag van het huisbezoek is niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. Het is ook niet in het bijzijn van appellante in concept opgemaakt en toen door appellante ingezien en/of voor gezien getekend. Het is naderhand ten kantore van de betrokken ambtenaren opgemaakt en ook nadien niet aan appellante voorgelegd. Appellante heeft het verslag van aanvang af op onderdelen gemotiveerd betwist. Gelet op het voorgaande staat niet vast dat de bewoordingen van het verslag een volledige en juiste weergave vormen van hetgeen is waargenomen en van hetgeen appellante heeft verklaard. Er bestond geen redelijke grond voor het afleggen van een (onaangekondigd) huisbezoek.

LJN BJ1629 - Toekenning WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Zonder nadere motivering van appellant valt niet uit te sluiten dat het ziekteverzuim van betrokkene in verband met jichtaanvallen meer dan 25% van de werktijd zal bedragen, in welk geval van een werkgever niet valt te vergen dat hij betrokkene te werk stelt. Appellant zal nader onderzoek moeten doen naar de frequentie en de duur van de jichtaanvallen. De enkele stelling van de bezwaarverzekeringsarts dat de aanvallen geen weken duren, is naar het oordeel van de Raad onvoldoende om aan te nemen dat er geen sprake is van onacceptabel ziekteverzuim.

LJN BJ2799 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant niet woonachtig is op het opgegeven adres. Anders dan het college en de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Hoe appellant zijn leefgedrag ten aanzien van voedselvoorziening, hygiëne en vrijetijdsbesteding heeft ingericht en wiens hulp en diensten hij daarbij inroept, is op zichzelf niet van doorslaggevend belang voor de vraag of hij op het opgegeven adres woont.

LJN BJ3190 - Weigering WIA-uitkering. Het bestreden besluit is gebaseerd op voldoende medische grondslag. Volgens vaste rechtspraak van de Raad mag de weigering van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, anders dan een intrekking of een herziening van zo'n uitkering, nader worden onderbouwd door duiding van nieuwe functies, hetgeen in beginsel niet in strijd is met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel. Dat appellant met zijn beperkingen in staat moet worden geacht de geduide functies uit te oefenen, is voldoende gemotiveerd.

LJN BJ3194 - Toekenning vergoeding wettelijke rente over de nabetaalde uitkering. De Raad stelt vast dat met de nieuwe beslissing op bezwaar is erkend dat het oorspronkelijke besluit niet juist was. Er is geen sprake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens te lange duur van de procedure wordt dan ook afgewezen.

LJN BJ4936 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische beoordeling onderschreven. De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat naar het oordeel van de rechtbank gelet op de linkshandigheid van appellant de geschiktheid van de functies onvoldoende is toegelicht. Ter uitvoering van deze uitspraak is een nieuw gelijkluidend besluit genomen. Gezien de medische gegevens van de behandelend artsen en het uitblijven van een reactie daarop van de bezwaararts, is de Raad van oordeel dat er geen sprake is van een deugdelijke medische grondslag.

LJN BJ5219 - Weigering WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 35% bedraagt. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens ondeugdelijke arbeidskundige grondslag. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het UWV met een nadere arbeidskundige onderbouwing een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij opnieuw WIA-uitkering wordt geweigerd. Er is sprake van voldoende medische grondslag. Met de nadere arbeidskundige onderbouwing is voldoende inzichtelijk en toetsbaar dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt kunnen worden geacht.

LJN BJ5266 - Toekenning WGA-uitkering ingevolge artikel 54 van de WIA berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. In geding is de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant moet worden geacht duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. De verzekeringsarts dient zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. De Raad is van oordeel dat in de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende steun is te vinden voor het standpunt van het UWV dat er een redelijke verwachting was dat met de verschillende mogelijke behandelingen verbetering van de belastbaarheid zou optreden. Het bestreden besluit ontbeert een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering.

LJN BJ5276 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellant in de periode in geding niet voldeed aan de voorwaarde dat de totale inkomsten van hem en zijn echtgenote lager zijn dan het wettelijk minimumloon. De Raad oordeelt dat de intrekking met terugwerkende kracht terecht is omdat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte of tot een te hoog bedrag TW-uitkering ontving aangezien zijn gezinsinkomen ruim boven het wettelijk minimumloon uitkwam. Bij nieuw besluit ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank is het terug te vorderen bedrag lager vastgesteld. Er zijn geen dringende redenen op grond waarvan het UWV had moeten afzien van terugvordering. Het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel staan aan terugvordering niet in de weg.

LJN BJ5425 - Herroeping loonsanctie op de grond dat niet is komen vast te staan dat de werkgever niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of al dan niet sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. De omstandigheid dat het UWV ambtshalve een loonsanctie oplegt aan de werkgever, maar deze loonsanctie na bezwaar van de werkgever herroept bij een besluit op bezwaar, doet niet af aan het besluitkarakter. Bij een dergelijk besluit op bezwaar is de werknemer belanghebbende. In een geval als dit, waarin appellant stelt dat zijn werkgever tekort is geschoten in zijn re-integratie-inspanningen en dat daarom een loonsanctie moet worden opgelegd, is het aan appellant om feiten naar voren te brengen die voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de werkgever niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht en voor het oordeel dat het UWV daarom een loonsanctie had moeten opleggen of handhaven.

LJN BJ5993 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van werkzaamheden die hij heeft verricht in de autohandel. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat in november 1998, november 1999 en mei 2005 sprake was van autohandel. Dit brengt met zich dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate appellant over de maanden hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd, zodat het recht op bijstand over deze maanden niet kan worden vastgesteld.

LJN BJ7039 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het UWV bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant zijn beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek heeft onderschat. Het enkele feit dat de bedrijfsarts, zoals appellant heeft gesteld, in de (kritische) FML aanzienlijk meer beperkingen heeft aangenomen dan in de door de (bezwaar)verzekeringsarts opgestelde FML, leidt de Raad niet tot het oordeel dat de FML door het UWV onjuist is vastgesteld. Nu het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een toereikende onderbouwing is voorzien, bestaat er aanleiding dat besluit en de aangevallen uitspraak te vernietigen, zij het onder instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

LJN BJ9226 - Toekenning WGA-uitkering. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de schatting op een juiste medische en arbeidskundige grondslag rust. Appellante heeft belang bij een toetsing in rechte van de inkomenseis als bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA. Aan de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige ontleent de Raad dat de voor de praktische schatting gehanteerde resterende verdiencapaciteit van appellante is bepaald op €10,79 per uur. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden dit onjuist te achten. De inkomenseis op de dag dat voor appellante een recht op WGA-uitkering is ontstaan, dient daarom vastgesteld te worden op €5,40 per uur.

LJN BJ9232 - Weigering WIA-uitkering. De Raad kan appellant niet volgen in de stelling dat de psychische klachten en de klachten als gevolg van de artrose niet op een juiste wijze zijn neergelegd in de FML. De stelling van appellant dat hij in verband met hartklachten, bloeddrukproblemen en het gebruik van medicatie verdergaand beperkt moet worden geacht voor arbeid vindt naar het oordeel van de Raad geen bevestiging in de stukken. Uitgaande van de juistheid van de FML en gelet op het feit dat de signaleringen bij de geselecteerde functies door bezwaararbeidsdeskundige van een toelichting zijn voorzien, heeft de Raad geen aanwijzingen dat appellant niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen.

LJN BJ9548 - Intrekking bijstanduitkering omdat betrokkene beschikt over een onbekende bron van middelen, bestaande uit spaargeld en inkomsten, waarvan hij nooit melding heeft gemaakt. Niet aangetoond is dat betrokkene toestemming tot binnentreding van zijn woning heeft gegeven op basis van "informed consent". Derhalve is sprake van een niet-gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht van betrokkene en dienen de tijdens het huisbezoek geconstateerde feiten en omstandigheden te worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs, dat buiten beschouwing moet worden gelaten. De Beroepswet noch de Awb kennen het rechtsmiddel van incidenteel appel. Nu de grieven van betrokkene het in hoger beroep aan de orde zijnde onderwerp van geschil te buiten gaan, moeten deze buiten bespreking blijven.

LJN BK0052 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De Raad overweegt daartoe met betrekking tot de door appellant geclaimde psychische klachten dat de Raad zich kan vinden in het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Met betrekking tot de grief van appellant dat een urenbeperking geïndiceerd is, overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts zich op het standpunt heeft gesteld dat bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant rekening is gehouden met de pijnklachten van appellant aan zijn linkervoet en linkerenkel en dat uit de overgelegde medische stukken niet blijkt dat de behandelend sector heeft vastgesteld dat er tevens sprake is van een chronisch pijnsyndroom. De bezwaarverzekeringsarts heeft betoogd dat er uit preventieve overwegingen evenmin een indicatie is om een urenrestrictie toe te passen. De Raad ziet geen aanleiding een deskundige te benoemen. De aan appellant voorgehouden functies gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten dienen voor appellant in medisch opzicht als passend te worden aangemerkt.

LJN BK0166 - Herziening, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomsten uit arbeid. De Raad is van oordeel dat niet is aangetoond dat appellant ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten, aangezien de gegevens van de Belastingdienst en die van het UWV niet geheel met elkaar overeenstemmen. Uit de gedingstukken blijkt niet dat deze verschillen nader zijn onderzocht. Ook heeft de gemachtigde van het college tijdens de behandeling ter zitting geen verklaring kunnen geven voor deze verschillen. Het had derhalve op de weg van het college gelegen een nader onderzoek in te stellen.

LJN BK0715 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat betrokkene door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat niet zonder nader medisch onderzoek kan worden gesteld dat betrokkene verwijtbaar arbeidsbelemmerend gedrag tentoon heeft gespreid. Het ligt op de weg van appellant om aan te tonen dat de ziekmelding van betrokkene, zoals appellant kennelijk meent, niet op enige medische grond berust.

LJN BK0978 - Weigering WIA-uitkering. Alle door het systeem aangebrachte signaleringen dienen van een afzonderlijke toelichting te worden voorzien, waarbij in voorkomende gevallen voorafgaand overleg met de bezwaarverzekeringsarts noodzakelijk zal zijn. Uit de in hoger beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige blijkt dat beperkingen zijn opgenomen die niet in de aan de schatting ten grondslag gelegde FML voorkomen. Nu het UWV geen aangepaste FML heeft opgesteld en evenmin per geselecteerde functie een toelichting heeft gegeven op de passendheid daarvan, is de Raad van oordeel dat de gekozen werkwijze inbreuk maakt op een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid van een met behulp van het CBBS tot stand gekomen besluit. Het bestreden besluit wordt vernietigd (zie ook LJN BK0979).

LJN BK1570 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De Raad overweegt dat de stukken onvoldoende steun bieden voor de stelling van het UWV dat appellante slechts heeft volstaan met het signaleren van belemmeringen. Uit de stukken blijkt dat appellante, nadat was gebleken dat re-integratie bij appellante niet mogelijk was, re-integratie-inspanningen heeft verricht gericht op het tweede spoor (andere werkgever), waarbij ook suggesties voor een aanpak zijn gedaan.

LJN BK3471 - Vaststelling WW-dagloon. Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van het UWV wegens het ontbreken van procesbelang aangezien betrokkenes WAO-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% en betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een WW-uitkering.

LJN BK3542 - Vaststelling dagloon WIA-uitkering. Nu met het nieuwe besluit niet geheel aan het beroep van appellant is tegemoetgekomen, dient de Raad dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in deze procedure te betrekken en te beoordelen.

LJN BK4503 - Terugvordering van onverschuldigd betaalde ZW-uitkering, verhoogd met de loonheffing. Het is niet aannemelijk dat de berekening van de (bruto)terugvordering niet correct is. Appellant heeft niet concreet kunnen aangeven waarom de berekening van de terugvordering door het UWV niet juist zou zijn. De WW-terugvordering speelt hier geen rol.

LJN BK6474 - Toekenning WGA-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,81%. Het bestreden besluit berust op zorgvuldig medisch onderzoek. Met betrekking tot de voor appellante geschikt geachte, aan de schatting ten grondslag gelegde functies van boekhouder, productiemedewerker textiel en administratief medewerker overweegt de Raad dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. Door een toelichting op de onderbouwing van het bestreden besluit te vragen is de rechtbank niet buiten de omvang van het geding getreden.

LJN BK6484 - Weigering WIA-uitkering. Er is geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de door de Raad ingeschakelde onafhankelijke deskundige. Uit het rapport van deze deskundige volgt dat de beperkingen van appellante zoals neergelegd in de FML niet juist zijn, zodat het bestreden dient te worden vernietigd.

LJN BK7036 - Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens het ontbreken van enig procesbelang. De Raad constateert dat appellant niet betwist dat hij in deze procedure het maximaal haalbare resultaat, zijnde een IVA-uitkering per de datum in geding, heeft bereikt.

LJN BK8324 - Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van appellante. Voor de Raad is komen vast te staan dat appellante geen actueel procesbelang heeft bij een oordeel van de Raad over het bestreden besluit. Appellante kan niet worden ontvangen in haar beroep. Dit is door de rechtbank niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

LJN BK8326 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante niet woonachtig is op het opgegeven adres. Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag voor de conclusie van het college dat appellante in de periode in geding niet woonde op het opgegeven adres. In het bijzonder sluiten deze bevindingen niet uit dat in die periode sprake is geweest van een situatie van inwoning. Wat de andere periode betreft, komt de Raad tot een ander oordeel. Daarbij acht de Raad van belang dat twee buren hebben verklaard dat de laatste drie weken niemand meer in de woning woonde.

LJN BK8581 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellante de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college van appellante meer gegevens kon verlangen gelet op het feit dat uit de overgelegde bankafschriften bleek dat er na de datum in geding bijschrijvingen in verband met kasstortingen op voorkwamen. Van appellante kon in ieder geval worden verwacht nadere gegevens over de herkomst van deze kasstortingen te geven. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante niet over deze gegevens beschikte dan wel hierover niet redelijkerwijs de beschikking kon krijgen.

LJN BK8722 - Besluit 1 (WIA-uitkering): De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functie van productiemedewerker niet in overeenstemming is met de belastbaarheid van betrokkene, zoals vastgesteld in de aangepaste FML. Daarmee resteren er onvoldoende functies om aan de schatting ten grondslag te leggen en heeft de rechtbank het bestreden besluit 1 terecht vernietigd. Besluit 2 (ZW-uitkering): Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van bestreden besluit 1 is overwogen, is de Raad van oordeel dat aan bestreden besluit 2 eveneens de grondslag is komen te ontvallen. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 dan ook terecht vernietigd. Er dient een nieuw besluit op bezwaar te worden genomen.

LJN BL1107 - Proceskostenvergoeding. De Raad is van oordeel dat appellante er in de gegeven omstandigheden van mocht uitgaan dat een rapportage van de revalidatiearts - gelet op diens deskundigheid - een relevante bijdrage zou leveren aan de beantwoording van de in geding zijnde rechtsvraag en deswege van belang zou zijn voor de oordeelsvorming van de rechtbank. Op deze grond is de Raad dan ook van oordeel dat de kosten van de door de revalidatiearts opgestelde medische rapportage zijn aan te merken als redelijkerwijs gemaakte kosten voor een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Naar het oordeel van de Raad had de rechtbank ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor het verschijnen ter zitting van de als arts-gemachtigde van appellante aan te merken revalidatiearts een halve punt moeten toekennen, hetgeen leidt tot een vergoeding van €161,-.

LJN BL1636 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering omdat de echtgenote van appellant heeft nagelaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Er is onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat de echtgenote een concreet aanbod voor een functie is gedaan. Vernietiging van het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.

LJN BL4506 - Toekenning WGA-uitkering. Met het nader besluit hangende hoger beroep wordt appellant voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd. Vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering en proceskostenveroordeling.

LJN BL5423 - Afwijzing vordering van €91.555,80 over de periode van 20 juli 2001 tot en met 30 november 2006. Dit bedrag is opgebouwd uit het verschil tussen een over deze periode berekende Ioaw-uitkering, uitgaande van het in het betreffende besluit genoemde bedrag van € 2574,56 (in plaats van ƒ2764,68), en de over deze periode feitelijk ontvangen uitkering. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het voor appellanten redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat per abuis een bedrag in euro's was toegekend in plaats van in guldens.

LJN BL7304 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomsten uit onderverhuur. De bewijslast van de stelling dat appellant genoemde inkomsten uit onderverhuur heeft genoten rust niet op appellant, maar op het college. De verklaring van één persoon is daarvoor niet voldoende.

LJN BL9286 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant reeds bij de aanvang van zijn verzekering op 1 oktober 2003 volledig arbeidsongeschikt was. Voor toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA dienen, zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie LJN BH2844), de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties te geven voor het bestaan van een reële arbeidsongeschiktheid, in dit geval op 1 oktober 2003. Naar het oordeel van de Raad kan overigens uit het totaal van de beschikbare gegevens niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat er voor appellant op 1 oktober 2003 op grond van ziekte of gebrek zodanige beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Wet WIA bestonden dat hij per deze datum reeds als volledig arbeidsongeschikt in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd. Het bestreden besluit, waarbij de arbeidsongeschiktheid van appellant op 15 oktober 2007 buiten aanmerking is gelaten, kan wegens een onvoldoende draagkrachtige motivering geen stand houden.

LJN BL9497 - Opschorting, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant weigert informatie over verzwegen bankrekeningen te verstrekken. Appellant heeft geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de bankafschriften over de periode in geding alsnog over te leggen, zodat aan de hand daarvan het recht op bijstand kan worden vastgesteld.

LJN BL9928 - Toekenning WGA-uitkering en geen IVA-uitkering waarop appellant meent recht te hebben. Onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. Er is de Raad niet gebleken van concrete medische gegevens met betrekking tot de aan de ziekmelding voorafgaande periode, zoals het hebben ondergaan van een behandeling of het vertonen van een hoog ziekteverzuim, die aannemelijk maken dat appellant desondanks al vóór de ziekmelding niet in staat was tot het verrichten van zijn arbeid. De Raad is van oordeel dat met de enkele verwijzing naar verbetermogelijkheden door het bieden van medicatie en structuur volstrekt onvoldoende concreet en toereikend is gemotiveerd dat er op termijn voor appellant een meer dan geringe kans op herstel bestaat. De Raad acht daarbij van belang dat de (bezwaar)verzekeringsartsen herstel in de eerste twee ter beoordeling voorliggende jaren nog niet mogelijk achtten. Onvoldoende duidelijk is gemaakt welke concrete resultaten, in termen van verbetering van de belastbaarheid, er met de behandeling voor appellant kunnen worden bereikt.

LJN BM0076 - Herziening en terugvordering Wazo-uitkering wegens gefingeerd dienstverband. Appellante heeft wegens het ontbreken van verzekering ingevolge de Wazo geen recht op een uitkering ingevolge die wet. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellante voorafgaande aan het moment dat haar de Wazo-uitkering is toegekend, dan wel ten hoogste tien weken vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, terecht niet als werknemer in de zin van artikel 1:1 van de Wazo is aangemerkt.

LJN BM2072 - Weigering Wsw-indicatie. De Raad komt tot de conclusie dat sprake is van een gebrekkige advisering. Het bestreden besluit berust op een onzorgvuldige voorbereiding en een ondeugdelijke motivering. De rechtbank heeft het besluit ten onrechte in stand gelaten. Het UWV dient een nieuw besluit op bezwaar nemen.

LJN BM2555 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en langdurigheidstoeslag wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid. Met betrekking tot één periode in geding bieden de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag voor de conclusie dat appellante ook in die periode werkzaamheden als prostituee heeft verricht en daarmee inkomsten heeft ontvangen.

LJN BM2700 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het UWV voldoet niet aan de bewijslast. Het samengevatte rapport van de bezwaarverzekeringsarts stelt naar het oordeel van de Raad niet buiten twijfel dat de toegenomen beperkingen een andere ziekteoorzaak hebben dan die in verband waarmee appellant tot 1 september 2007 een WAO-uitkering genoot. De bezwaarverzekeringsarts legt in dat rapport zelf het verband tussen de toegenomen beperkingen en persoonlijkheidsstoornis. Verder neemt de Raad in aanmerking dat diverse oudere medische rapporten melding maken van psychische problematiek, zoals het medisch onderzoeksverslag van 1 maart 2000 en het attest van de huisarts van 30 januari 2001. De verzekeringsarts vermeldt uit de medische voorgeschiedenis "somatoforme stoornis" en "surmenage klachten", vindt bij zijn onderzoek op 25 april 2006 geen "evidente tekenen van grove psychopathologie" en neemt in de FML in de rubriek persoonlijk functioneren beperkingen op. Het bestreden besluit ontbeert een voldoende draadkrachtige motivering.

LJN BM2756 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante toen zij begon met werken reeds dezelfde gezondheidsklachten had als de klachten waardoor ze niet kon werken bij het einde van de wachttijd. De Raad heeft in de rapporten van de arbeidsdeskundige onvoldoende aanwijzingen aangetroffen dat appellante bij aanvang van de WIA-verzekering al volledig arbeidsongeschikt was. De Raad is van oordeel dat het UWV zijn onderzoeksplicht onvoldoende is nagekomen. In de loop van de beroeps- en hogerberoepsprocedure heeft het UWV daaraan, kennelijk ten betoge dat het dubieus is of appellante daadwerkelijk voor het betreffende uitzendbureau heeft gewerkt, nog toegevoegd dat de werkgever van appellante er ook nog frauduleuze praktijken op na hield. De Raad gaat daaraan voorbij nu het bestreden besluit er onmiskenbaar van uitgaat dat appellante in de desbetreffende periode arbeid voor het uitzendbureau heeft verricht.

LJN BM3290 - Toekenning WGA-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met een meer dan geringe kans op herstel. Het UWV heeft onvoldoende onderzocht en heeft derhalve ook ondeugdelijk gemotiveerd dat in het eerstkomende jaar een verbetering van de belastbaarheid kon worden verwacht zodanig dat bij een herbeoordeling mogelijk een minder vergaande FML kon worden opgesteld.

LJN BM6287 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bestreden besluit berust op voldoende medische grondslag. Niet is kunnen blijken dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies een overschrijding inhoudt van de belastbaarheid. Vast is komen te staan dat zelfs bij herberekening aan de hand van een later bekend geworden recenter CBS-indexcijfer de grens van 35% verlies aan verdiencapaciteit nog steeds (net) niet wordt bereikt.

LJN BM6658 - Afwijzing verzoek om herziening. Verzoekster heeft geen nieuwe feiten of nieuwe omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb naar voren gebracht.

LJN BM6746 - Herziening, intrekking en terugvordering van algemene en bijzondere bijstand wegens vermogen boven de vermogensgrens dat op verzwegen bankrekeningen stond met een totaalsaldo van €94.413,28. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de besparingen tijdens de bijstandsverlening zijn gerealiseerd. Zij heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat zij niet uit haar bijstandsuitkering heeft gespaard. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, noch is sprake van bijzondere omstandigheden.

LJN BM7009 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Er is geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat appellante op de datum in geding in psychisch opzicht meer beperkt was dan in de FML is vastgelegd. Uit de wijziging van de arbeidskundige grondslag in hoger beroep volgt dat in beroep - achteraf bezien - geen sprake was van een deugdelijke arbeidskundige grondslag. Nu in hoger beroep echter alsnog tot een deugdelijke arbeidskundige grondslag is gekomen, ziet de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit op bezwaar alsnog in stand te laten.

LJN BN1197 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante ten onrechte niet heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde en dat haar partner inkomsten had. De financiële bijdragen van de voogdij-instelling waren bestemd voor (een deel van) de kosten van het bestaan van de partner. Gelet hierop zijn deze betalingen, op grond van artikel 32, derde lid, in samenhang met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb van belang voor het bepalen van de hoogte van de aan appellante te verstrekken bijstand.

LJN BN1408 - Terugvordering geldlening. Het college heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant na de intrekking van de algemene bijstand niet aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan en dat het college bevoegd was met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb de kosten van de aan appellant in de vorm van een geldlening verleende bijzondere bijstand van hem terug te vorderen. Het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering.

LJN BN3903 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat de bijstand van appellanten eerder is verlaagd wegens onvoldoende medewerking aan een onderzoek naar appellantes mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Er is geen sprake van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Van een dubbele bestraffing is geen sprake indien een aanvraag om langdurigheidstoeslag vanwege een eerder opgelegde verlaging wordt afgewezen.

LJN BN5000 - Weigering Ioaz-uitkering omdat het voor de toepassing van de Ioaz van belang zijnde inkomen van appellante lag boven het Ioaz-toetsingsinkomen. Appellante heeft bij haar volgende Ioaz-aanvraag geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden aangevoerd. Het college mocht hier volstaan met een beoordeling van de situatie ten tijde van de eerste aanvraag om uitkering en hoefde niet tevens de situatie van appellante ten tijde van de tweede aanvraag te bezien.

LJN BN5543 - Afwijzing verzoek om herziening omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb.

LJN BN6001 - Vaststelling dagloon IVA-uitkering. Daadwerkelijk genoten loon in de referteperiode. Het UWV heeft bij de berekening van het dagloon ten onrechte artikel 24, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen toegepast. Bij de berekening van het dagloon moet worden uitgegaan van de hoofdregel zoals neergelegd in artikel 3, eerste lid, van het besluit. Volgens de gedingstukken had appellant recht op 8% vakantietoeslag, zodat het UWV bij de berekening van dit dagloon conform artikel 3, eerste lid, van het besluit met deze vakantietoeslag alsnog rekening moet houden.

LJN BN7968 - Terugvordering van bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht. Ter uitvoering van twee uitspraken van de Raad heeft het UWV aan appellant de door hem betaalde griffierechten vergoed. Het college is bevoegd de verstrekte bijzondere bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, onder 2º, van de Wwb van appellant terug te vorderen. Er is geen sprake van dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering moet afzien.

LJN BN9423 - Intrekking bijstandsuitkering omdat betrokkene geen juiste mededeling heeft gedaan van zijn daadwerkelijke woon- en/of verblijfplaats. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat betrokkene vanaf de datum in geding niet daadwerkelijk woonachtig was op het opgegeven adres. De Raad kent daarbij in de eerste plaats betekenis toe aan het uit het onderzoek gebleken waterverbruik op het adres van betrokkene. Betrokkene heeft in het geheel niet gereageerd op diverse uitnodigingen van de sociale recherche.

LJN BO0479 - Weigering langdurigheidstoeslag. Voor het bepalen van de hoogte van het inkomen in de referteperiode dient naar vaste rechtspraak (o.a. LJN AY0262) als regel te worden uitgegaan van het netto-inkomen zoals dat feitelijk in die periode is ontvangen. In dit geval is aanleiding om, in afwijking van deze hoofdregel, voor het inkomen van betrokkene uit te gaan van de door haar ontvangen WAO-uitkering zonder daarbij de door het UWV ingetrokken en teruggevorderde toeslag te betrekken. Betrokkene heeft voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb neergelegde inkomenseis.

LJN BO1351 - Weigering WW-uitkering. Voor zover appellante al recht op een WW-uitkering zou hebben, is volgens het UWV haar aanvraag zodanig laat ingediend dat het recht niet meer opeisbaar is. Er ontbreekt een rechtvaardiging voor het tijdsverloop tussen het moment waarop appellante in maart 2006 van het doen van een aanvraag werd afgehouden en de indiening van de WW-aanvraag in januari 2009. Er is geen sprake van een bijzonder geval.

LJN BO2852 - Weigering WW-uitkering over vijf van de 25 genoten vakantiedagen in het betreffende jaar. In artikel 2 van de Vakantieregeling WW is bepaald dat de werknemer per kalenderjaar gedurende 20 dagen vakantie kan genieten met behoud van zijn recht op WW-uitkering. De Vakantieregeling WW voorziet niet in het overhevelen van niet-genoten vakantiedagen naar een volgend jaar.

LJN BO3636 - Vaststelling eerste ziektedag ter zake van de toegekende IVA-uitkering. Het UWV heeft ten onrechte nagelaten zorgvuldig te onderzoeken of appellant met zijn medische beperkingen vanaf juni 2002 realiter in staat was zijn eigen functie of een soortgelijke functie in volle omvang te verrichten. Het standpunt van het UWV dat vanaf juni 2002 tot 15 januari 2007 geen periode van 52 weken is aan te wijzen waarin appellant onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, is onvoldoende gemotiveerd.

LJN BO4281 - Toekenning WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In hoger beroep is een IVA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% toegekend en daarmee is in termen van uitkeringspercentage de maximaal haalbare WIA-uitkering aan appellant verstrekt. Derhalve is volledig aan zijn bezwaar tegemoetgekomen. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De aan appellant door zijn schoonzus verleende rechtshulp vindt overwegend zijn grond in de tussen hen bestaande familierelatie, zodat geen vergoeding van rechtsbijstandskosten kan worden toegewezen.

LJN BO4346 - Weigering herziening dagloon. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door de werkgever betaalde bedrag van €12.500,- dient te worden aangemerkt als loon dat appellant in de referteperiode, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de WW, heeft verdiend. Ook indien de door de werkgever in de salarisspecificatie gegeven kwalificatie als "ontslagvergoeding" buiten beschouwing wordt gelaten, bieden de door appellant overgelegde (proces)stukken een te smalle basis om aard en samenstelling van het bedrag met voldoende nauwkeurigheid te kunnen bepalen. Reeds hierom kan bij de bepaling van het dagloon niet alsnog met de nabetaling rekening worden gehouden. Niet is gebleken van een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

LJN BO5680 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant niet woonachtig is op het opgegeven adres en hij onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woonsituatie. Naar het oordeel van de Raad bestond in dit geval geen redelijke grond voor het afleggen van een bezoek aan de woning van appellant. Daarmee is inbreuk op het huisrecht gemaakt en is het huisbezoek onrechtmatig. De bevindingen van het huisbezoek mogen niet worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand.

LJN BO5977 - Intrekking en terugvordering Ioaw-uitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit raamprostitutie gedurende vijftien jaren. Appellante beheerst de Nederlandse taal onvoldoende. Aan de verklaring van appellante, welke tot stand is gekomen zonder tolk, wordt geen bewijskracht toegekend. Het bestreden besluit berust op onvoldoende voorbereiding en motivering.

LJN BO6507 - Tussenuitspraak. Intrekking loongerelateerde WGA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per datum in geding minder dan 35% bedraagt. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en daardoor niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat in dit geding aan de orde is een op initiatief van het UWV gestart heronderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante en dat het, in het geval dat leidt tot vaststelling van een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, in de eerste plaats op de weg van het UWV ligt te bewerkstelligen dat uiterlijk bij het nemen van het bestreden besluit de voor een rechtens aanvaarbare medische grondslag van het bestreden besluit noodzakelijke gegevens voorhanden zijn.

LJN BO9899 - Tussenuitspraak. Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een babyfoon, een autostoeltje en geboortekaartjes omdat deze kosten niet als noodzakelijk dienen te worden aangemerkt. Voor de overige kosten van de babyuitzet is bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van €155,-. Appellante heeft onvoldoende onderbouwd dat de aanschaf van een autostoeltje en een babyfoon noodzakelijk waren. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat appellante met het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand van €75,- destijds een deugdelijke duowagen heeft kunnen aanschaffen. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

LJN BP1398 - Weigering TW-uitkering omdat appellant op grond van de toepasselijke CAO voor de schoonmaakbranche een aanvulling op zijn WAO-uitkering van zijn voormalige werkgever heeft ontvangen. Het ligt op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij de aanvulling niet heeft ontvangen, waarin appellant naar het oordeel van de Raad niet is geslaagd. De rechtbank heeft ten onrechte aanleiding gezien de vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase vastgestelde vergoeding van schade tot een bedrag van €5500,- te matigen naar €1000,-.

LJN BP3308 - Intrekking en terugvordering van algemene en bijzondere bijstand wegens vermogen boven de vermogensgrens. De waarde van de Mercedes Benz samen met het bij de aanvang van de bijstandverlening vastgestelde vermogen was hoger dan het in het geval van appellant van toepassing zijnde bedrag van het vrij te laten vermogen. Van de tenaamstelling van de auto heeft appellant geen melding gemaakt aan het college.

LJN BP4769 - Weigering kwijtschelding van de openstaande vordering ter hoogte van €7113,15. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid van het college. Er is geen sprake van een dringende reden als bedoeld in de door het college gevolgde vaste gedragslijn of van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van zijn beleid had moeten afwijken. Niet is gebleken van onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van de verdere terugvordering voor appellant.

LJN BP7033 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante geschikt is voor haar eigen werk. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is een nieuw besluit genomen met dezelfde inhoud, na een nader arbeidskundig onderzoek. De Raad heeft een onafhankelijke deskundige ingeschakeld, die zich kan verenigen met de vastgestelde FML. Er is geen aanleiding van het oordeel van de deskundige af te wijken. In voldoende mate is aangetoond dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk voor 32 uur per week.

LJN BP7218 - Weigering om terug te komen van eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluiten omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Appellantes Wazo-uitkering was met terugwerkende kracht beëindigd en de onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd omdat appellante nooit werkzaamheden voor het uitzendbureau heeft verricht en daarom niet verzekerd was voor de Wazo. Ter ondersteuning van haar herzieningsverzoek heeft appellante een afschrift aantekening mondeling vonnis van de politierechter overgelegd waaruit blijkt dat zij is vrijgesproken van de haar ten laste gelegde valsheid in geschrifte omdat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.

LJN BP7240 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag. Gelet op de aard van de gegevens die nog moesten worden verstrekt, is de Raad van oordeel dat de aanvankelijk geboden hersteltermijn van ongeveer tien dagen op zichzelf kort te noemen is, maar dat de in totaliteit geboden termijn niet als onredelijk kort kan worden aangemerkt. Appellant heeft het geconstateerde verzuim verwijtbaar niet binnen de gestelde termijn hersteld. Het college was derhalve bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen.

LJN BP9870 - Buitenbehandelingstelling aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van de bewindvoerder. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college niet bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen, maar inhoudelijk op deze aanvraag had moeten en kunnen beslissen. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het college van betrokkene een bewijsstuk heeft gevraagd dat ten tijde van de primaire besluitvorming niet aanwezig was, waarover betrokkene niet de beschikking had en dat haar daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.

LJN BQ0058 - Afwijzing verzoek om toestemming voor vakantie omdat het tijdens het drie maanden durende re-integratietraject niet is toegestaan om met vakantie te gaan. Appellante heeft voldoende bewijs geleverd van het feit dat de reservering reeds gemaakt was. Het kan appellante niet worden tegengeworpen dat zij de reservering niet eerder heeft overgelegd. De Raad is van oordeel dat het dagelijks bestuur bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen appellante de toestemming voor de vakantie in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren. Het bestreden besluit berust op onzorgvuldig onderzoek en een ondeugdelijke motivering.

LJN BQ0064 - Oplegging maatregel van 5% verlaging van de Ioaw-uitkering gedurende één maand omdat appellante eerst na zeventien dagen melding heeft gemaakt van het daadwerkelijk starten van de opleiding, terwijl zij was aangemeld voor deelname aan een re-integratietraject. De Raad is van oordeel dat het starten van de opleiding als zodanig onder de gegeven omstandigheden geen informatie betreft die van belang is voor de verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden van het aan de maatregel ten grondslag gelegde artikel 4, aanhef, eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag.

LJN BQ0626 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. De hardnekkige weigering om de opgedragen werkzaamheden te verrichten, hebben geresulteerd in ontslag. Afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening omdat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten in hoger beroep, voor bevestiging in aanmerking komt.

LJN BQ1188 - Re-integratievisie. In hoger beroep heeft het UWV de aangevallen uitspraak bestreden met de stelling dat de betreffende brief en het plan van aanpak voor betrokkene wel rechtsgevolgen in het leven roepen. De Raad oordeelt dat het plan van aanpak in dit geval is gericht op een zelfstandig rechtsgevolg, zodat het dient te worden aangemerkt als (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De Raad bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

LJN BQ2501 - Tussenuitspraak. Weigering werkgeverssubsidie voor de aanschaf van een video-intercom-systeem (VIS). De in artikel 4 van het Reïntegratiebesluit gestelde eis dat een voorziening slechts wordt verleend indien deze in overwegende mate op het individu is gericht, geldt niet voor de in artikel 36 van de Wet WIA genoemde werkgeverssubsidies. De aanvragen hadden dan ook niet mogen worden afgewezen op de grond dat het VIS een niet op het individu gerichte voorziening is. In het kader van artikel 36 van de WIA had het UWV moeten onderzoeken in hoeverre de individuele betrokkenen de aangevraagde unit (mede) gebruiken voor communicatie met bewoners. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De Raad draagt het UWV op het gebrek in de besluiten te herstellen. Zie ook LJN BU5811.

LJN BQ4416 - Weigering om terug te komen van een eerder, rechtens onaantastbaar geworden besluit omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Betrokkene heeft in de tweede periode in geding een gezamenlijke huishouding gevoerd, zodat appellant de aanvraag om een Ioaw-uitkering naar de norm van een alleenstaande terecht heeft afgewezen.

LJN BQ5040 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de hem eerder in het kader van een WIA-beoordeling voorgehouden functies, welke elk afzonderlijk gelden als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW. Het bestreden besluit berust op zorgvuldig medisch onderzoek. Appellant is geschikt te achten voor de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies. Er is geen sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor in de bezwaarfase.

LJN BQ5660 - Intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering omdat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de omvang van zijn werkzaamheden voor bedrijf 1 en later bedrijf 2, waardoor het recht op een Ioaz-uitkering niet kan worden vastgesteld. Nu de precieze omvang van de werkzaamheden onmiskenbaar van belang is voor het bepalen van het recht op een Iaow-uitkering, is de Raad van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting het recht van appellant op een uitkering niet kan worden vastgesteld. Ten onrechte is een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase geweigerd.

LJN BQ6468 - Toekenning WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 78,57%. Anders dan de rechtbank leest de Raad in het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde neuroloog dat het voor appellant niet mogelijk is om vier uur achtereen zonder extra rustmomenten te werken. Vernietiging van het bestreden besluit wegens ontoereikende medische grondslag.

LJN BQ6574 - Tussenuitspraak. Toekenning WGA-uitkering. Het UWV heeft geen onderzoek gedaan naar de omvang van en de verdiensten uit de werkzaamheden van de werknemer als zelfstandige. In dit geval waren bij het einde van de wachttijd en in elk geval ten tijde van de beslissing over het recht op een WGA-uitkering de modaliteiten van de hervatting als zelfstandige per datum in geding al wel bekend aan het UWV. Niet kan dan ook worden uitgesloten dat reeds bij het einde van de wachttijd mede een beslissing over de toepassing van artikel 52 van de Wet WIA had kunnen worden gegeven, waarna het UWV had kunnen bezien of en op welke wijze dit behoorde door te werken in de door appellante te betalen premie. Het UWV dient het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BQ8523 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid als huishoudelijke hulp. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld. Het ontbreken van de gegevens omtrent de omvang van de werkzaamheden en de inkomsten komt voor risico van appellante. Er zijn geen dringende redenen om af te zien van terugvordering.

LJN BQ9939 - Weigering ZW-uitkering omdat er vanaf de datum in geding geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van een voorgaande WAO-beoordeling. De Raad ziet in het in het kader van het hoger beroep ingebrachte rapport van de arbeidsdeskundige geen aanknopingspunten voor twijfel aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts, nu medische informatie in dit rapport ontbreekt en dit rapport is opgemaakt ver na de datum in geding en betrekking heeft op de arbeidsparticipatie van appellant in het kader van de Wwb. In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een onderzoek door een medisch deskundige te gelasten.

LJN BQ9994 - Toekenning zwangerschaps- en bevallingsuitkering ingevolge de Wazo. In de Wazo-besluiten kan geen weigering van ZW-uitkering worden gelezen. Het bezwaar tegen het eerste ZW-besluit is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Inzake het tweede ZW-besluit, tot beëindiging van het ziekengeld, is de rechtbank terecht van oordeel dat het daaraan ten grondslag gelegde medische onderzoek zorgvuldig en deugdelijk is verricht en zij mitsdien geen reden heeft om de conclusie voor onjuist te houden dat appellante met ingang van de datum in geding weer haar eigen arbeid kan verrichten.

LJN BR1549 - Herziening en terugvordering TW-uitkering omdat appellants inkomen niet minder bedraagt dan 70% van het wettelijk minimum(jeugd)loon. De Raad oordeelt dat, hoewel appellant zich in een situatie van schuldhulpverlening bevond, hij de betreffende besluiten zelf heeft ontvangen en hij naar aanleiding daarvan kon begrijpen dat het toekennen van TW-uitkering niet kon kloppen.

LJN BR1565 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De Raad constateert dat nu gelet op het rapport van de arbeidsdeskundige er na raadpleging van het CBBS onvoldoende functies als bedoeld in artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten te duiden zijn, het bestreden besluit uitsluitend steunt op de geschiktheid van appellante voor het laatst verrichte eigen werk vóór uitval. Gelet op de conclusies van de door de Raad ingeschakelde registerarbeidsdeskundige met betrekking tot het door appellante verrichte werk, te weten dat zij daarvoor niet geschikt is, ziet de Raad het hoger beroep slagen. Het UWV is gehouden aan appellante met ingang van de datum in geding een loongerelateerde WGA-uitkering toe te kennen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

LJN BR1906 - Tussenuitspraak. Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering op basis van volledige, maar niet duurzame, arbeidsongeschiktheid. De Raad komt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet op een afdoende arbeidskundige grondslag berust. Nu de Raad tot het oordeel is gekomen dat de medische grondslag wel deugdelijk is en dat twee van de drie geselecteerde functies geschikt zijn te achten voor betrokkene, is de omvang van het geschil tussen partijen dat thans nog resteert beperkt. Met het oog op finale beslechting van het geschil acht de Raad het aangewezen dat het UWV in de gelegenheid wordt gesteld het gebrek in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit te helen.

LJN BR2382 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Het UWV heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellante vanaf de datum van het tweede deskundigenoordeel tot het einde van de wachttijd alsnog tekort is geschoten en in die periode onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Tegen de achtergrond van het genoemde deskundigenoordeel moet dan ook worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust. Vernietiging van de uitspraak en het bestreden besluit.

LJN BR2501 - Afwijzing verzoek om veroordeling in de proceskosten in hoger beroep omdat van proceshandelingen in deze procedure die voor vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen niet gesproken kan worden. De Raad bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

LJN BR2509 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een bril voor appellants echtgenote omdat zij geen gebruik heeft gemaakt van de collectieve ziektekostenverzekering, die als een voorliggende voorziening wordt aangemerkt. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat onder andere met een brief in november 2007 informatie is verschaft over de collectieve ziektekostenverzekering en de beleidswijziging met ingang van 1 januari 2008.

LJN BR2763 - Weigering WW-uitkering omdat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de WW, noch van een met een privaatrechtelijke dienstbetrekking gelijk te stellen arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder d, van de WW. Niet als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding die in overwegende mate wordt beheerst door een familieverhouding, hetgeen het geval was met de "zorgovereenkomst met inwonend familielid" welke appellante had gesloten met de partner van haar overleden moeder.

LJN BR3079 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellanten, blijkens een afgelegd huisbezoek, niet op het opgegeven adres wonen. Niet staat vast dat appellanten een onjuiste opgave hebben gedaan van hun woonadres. De gerezen twijfel had voor het college aanleiding behoren te zijn om nader onderzoek te doen, door ten minste appellanten in de gelegenheid te stellen om op de bevindingen bij het huisbezoek te reageren en zo nodig nog een huisbezoek af te leggen.

LJN BR4030 - Ontheffing van de arbeidsverplichting. Anders dan de rechtbank volgt de Raad het college niet wat betreft het opleggen van de volledige arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb. Naar het oordeel van de Raad komt uit de medische en arbeidskundige adviezen naar voren dat appellant niet te verwaarlozen psychische klachten heeft en dat zijn arbeidsmarktkansen zonder intensieve begeleiding beperkt zijn. Daarnaast heeft het college het kennelijk ook zelf nodig geacht dat appellant eerst een voorzieningstraject volgde om hem beter toe te rusten voor de reguliere arbeidsmarkt. Gelet hierop had het college aan appellant ten tijde in geding nog niet de volledige arbeidsverplichting kunnen opleggen en had het appellant tijdelijk van die verplichting dienen te ontheffen.

LJN BS8891 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Nu verzoeker niet over enige inkomsten beschikt, is er sprake van spoedeisend belang. Het hoger beroep heeft geen kans van slagen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

LJN BT1729 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Teneinde te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet door middel van deze tussenuitspraak het UWV opdracht te geven het bestreden besluit deugdelijk te motiveren.

LJN BT1731 - Onterechte dwangsomoplegging. Nu paragraaf 4.1.3.2 van de Awb met ingang van 1 oktober 2009 in werking is getreden, is de Raad, gelet op de data in geding en het bepaalde in artikel III, eerste lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, van oordeel dat de mogelijkheid van het opleggen van een dwangsom niet aanwezig was.

LJN BT2514 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening wegens het ontbreken van een voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter heeft verzoeker erop gewezen dat hij het college in het kader van de nieuwe bijstandsaanvraag om een voorschot kan verzoeken en zich, indien het college geen of ontoereikende toepassing geeft aan artikel 52 van de Wwb, op grond van artikel 81 van de Wwb tot de voorzitter van gedeputeerde staten kan wenden. Bovendien staan tegen de (eventuele) afwijzing van de nieuwe bijstandsaanvraag rechtsmiddelen open, waaronder een - bij de voorzieningenrechter van de rechtbank in te dienen - verzoek om een voorlopige voorziening.

LJN BT2613 - Proceskostenveroordeling in hoger beroep. Vergoeding van de kosten van de medische rapportage van de verzekeringsarts en de kosten van het medisch adviesbureau, tezamen €1523,84.

LJN BT6353 - Belastingschade wegens te laat betaalde WW-uitkering. Niet onaannemelijk is dat appellant door de nabetaling ineens van de WW-uitkering belastingschade heeft geleden. De door appellant overgelegde aanslagen en arresten van de Hoge Raad bieden onvoldoende houvast om de omvang van de belastingschade te kunnen vaststellen. Daarbij komt nog dat niet is gebleken dat appellant gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de fiscale autoriteiten te verzoeken om middeling of om de zogenoemde uitsmeerregeling toe te passen op grond waarvan de omvang van de schade kan verminderen of zelfs tot nihil kan worden teruggebracht. Appellant is niet tekortgedaan door een bedrag van €545,- aan hem te vergoeden.

LJN BT6623 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Gelet op het in opdracht van de Raad uitgebrachte deskundigenrapport is de Raad van oordeel dat appellant op de datum in geding voldeed aan de criteria van artikel 4 van de Wet WIA en dat voor hem met ingang van deze datum recht op een IVA-uitkering is ontstaan. De Raad draagt het UWV op een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van het bij deze uitspraak bepaalde.

LJN BT6767 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellant reeds bij de aanvang van zijn verzekering volledig arbeidsongeschikt was. Appellant heeft gedurende acht maanden Wsw-werk verricht. Er is geen grondslag voor het oordeel dat er voldoende en ondubbelzinnige gegevens waren om volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering aan te nemen. Dit betekent dat het UWV appellant ten onrechte op die grond uitkering heeft geweigerd. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BT8452 - Tussenuitspraak. Weigering ZW-uitkering omdat appellantes werkgever een loondoorbetalingsplicht heeft tijdens ziekte. Appellante is door de handelwijze van het UWV zodanig op het verkeerde been gezet dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest. Het betreffende formulier dient te worden aangemerkt als (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid,  van de Awb. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BT8674 - Weigering om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit met betrekking tot de einddatum van de WW-uitkering omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden.

LJN BU3180 - Afbouw TW-uitkering van in Turkije wonende betrokkenen in een periode van drie jaar (2000, 2001 en 2002) op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. De Raad oordeelt dat intrekking van de TW-uitkering wegens wonen in Turkije in strijd is met het associatierecht EU-Turkije; evenmin mogen TW-uitkeringen worden afgebouwd op gelijke wijze als ten aanzien van EU-onderdanen per 1 januari 2008.

LJN BU3214 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering. Door het niet melden van het aangaan van het geregistreerd partnerschap heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De Raad oordelt dat het aangaan van het geregistreerd partnerschap ook de gezinssituatie van appellant wijzigt, ondanks het feit dat zijn woonsituatie nog niet was gewijzigd. Appellant had bovendien redelijkerwijs kunnen begrijpen dat het inkomen van zijn partner van belang zou kunnen zijn voor het recht op en/of de hoogte van de TW-uitkering nu op het aanvraagformulier hier specifiek naar wordt gevraagd. Appellant is terecht als gehuwd aangemerkt. De beleidsregels zijn op consistente wijze toegepast.

LJN BU3274 - Weigering langdurigheidstoeslag omdat appellanten in de referteperiode een maatregel is opgelegd in verband met verwijtbaar verlies van arbeidsinkomsten. Het door appellante ingestelde hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep is immers gericht tegen de aangevallen uitspraak in een geding waarbij appellante geen partij was, terwijl evenmin is aangevoerd dat de rechtbank appellante ten onrechte niet als partij in het geding in eerste aanleg heeft betrokken. Er zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan had moeten worden afgeweken van de gemeentelijke beleidsregel. De wettelijke systematiek voorziet niet in een separate beoordeling van aanspraken op een langdurigheidstoeslag van gehuwden of daarmee gelijkgestelden.

LJN BU3367 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De rechtbank heeft terecht het oordeel van de door haar geraadpleegde deskundige niet gevolgd omdat de motivering ervan, ook na de daarop gegeven toelichting, te algemeen van aard is en te weinig toegespitst op de gezondheidssituatie van appellante op de datum in geding.

LJN BU3435 - Gegrondverklaring van het verzet. Gemachtigde heeft het griffierecht tijdig betaald maar hij heeft een kenmerk van een voorliggende nota vermeld. Als gevolg hiervan heeft hij in een andere bij de Raad aanhangige hogerberoepszaak het griffierecht dubbel betaald. Deze betaling is door de griffier van de Raad teruggestort. De Raad heeft aanleiding gezien (de gemachtigde van) appellante opnieuw in de gelegenheid te stellen het verschuldigde griffierecht te voldoen. Het griffierecht is vervolgens, binnen de gestelde termijn, voldaan.

LJN BU4699 - Weigering bijstandsuitkering omdat uit onderzoek is gebleken dat de woon- en leefsituatie niet overeenkomt met de opgave van appellant. Gebleken is dat hij een gezamenlijke huishouding voert met zijn verre neef. Gelet op het in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wwb neergelegde onweerlegbare rechtsvermoeden was het college niet gehouden een onderzoek in te stellen naar de woon- en leefsituatie van appellant. Er is hier geen sprake van beleidsvrijheid van het college.

LJN BU4830 - Weigering Ioaw-uitkering met terugwerkende kracht. In beginsel wordt geen uitkering verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van bijzondere omstandigheden is hier echter geen sprake. Appellant heeft met zijn keuze om de gevraagde gegevens niet te verstrekken het risico genomen dat het besluit om zijn aanvraag niet te behandelen in rechte zou standhouden.

LJN BU6756 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant in de periode in geding, al dan niet met onderbrekingen, niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het opgegeven adres en daarvan verzuimd heeft aan het college opgave te doen. De onderzoeksresultaten en het rapport van de sociale recherche bieden onvoldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant gedurende de periode in geding niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het opgegeven adres.

LJN BU8337 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand wegens het verwijtbaar niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Bij de beoordeling of appellant de onderhavige verplichting verwijtbaar niet is nagekomen, dienen de uit zijn geloofsovertuiging voortkomende zwaarwegende bezwaren tegen bepaalde arbeid te worden gerespecteerd. Er is echter geen reden om aan te nemen dat het voor appellant op onoverkomelijke bezwaren zou stuiten als de werkzaamheden zodanig waren georganiseerd dat hij niet direct met varkensvlees in aanraking zou komen, bijvoorbeeld doordat hij uitsluitend zou worden belast met toezicht op de afhandeling van bestellingen van supermarkten. Door deze opstelling heeft appellant geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om arbeid te verkrijgen die ook voor hem acceptabel was.

LJN BV0036 - Toekenning WIA-uitkering na bezwaar. (Immateriële)schadevergoeding. De gestelde schadeposten komen - afgezien van de door het UWV reeds aan appellante toegekende wettelijke rente die hier niet in geding is - niet voor verdergaande vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot de door appellante gevorderde vergoeding van immateriële schade is zij er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij door het besluit van het UWV zodanig heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van haar persoon, waarvoor het UWV schadeplichtig zou zijn.

LJN BV0124 - Weigering Bbz-uitkering omdat het bedrijf van appellanten niet levensvatbaar wordt geacht. De op zichzelf juiste constatering dat het door het college ingeschakelde adviesbureau geen specifieke kennis heeft van de branche van appellant doet geen afbreuk aan de deskundigheid van dat adviesbureau op het terrein van het verrichten van bedrijfseconomische analyses van bedrijven. Het bestreden besluit is zorgvuldig voorbereid. Appellanten hebben geen objectieve gegevens overgelegd die hun stelling dat wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf kunnen onderbouwen.

LJN BV0244 - Tussenuitspraak. Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens termijnoverschrijding. De tekst van het primaire besluit laat aan duidelijkheid te wensen over. Voor appellant bestond er ten tijde van de ontvangst van het besluit geen reden om bezwaar te maken tegen de inhoud van dat besluit. Eerst nadat de betaling van de uitkering in de maand mei 2010 was uitgebleven en appellant hiernaar op 1 juni 2010 bij het UWV navraag had gedaan, was hem duidelijk dat een maatregel was opgelegd, inhoudende de weigering van de uitkering over de maanden maart en april 2010. Onder deze omstandigheden kan het appellant niet worden tegengeworpen niet eerder dan op 1 juni 2010 bezwaar te hebben gemaakt. De termijnoverschrijding is dan ook verschoonbaar. Het UWV dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

LJN BV0947 - Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen vermogen en oncontroleerbare inkomsten. Er bestaan geen aanwijzingen dat appellante na augustus 2007, de maand waarin de laatste stortingen hebben plaatsgevonden, oncontroleerbare inkomsten heeft ontvangen. Dit betekent dat de intrekking van de bijstand vanaf 1 september 2007 ten onrechte is gebaseerd op verzwegen vermogen en oncontroleerbare inkomsten. De Raad ziet in dit geval, nu nog slechts een nieuw te maken berekening van het terug te vorderen bedrag resteert ten aanzien van de in deze uitspraak duidelijk gemarkeerde periode (de periode van 23 februari 2007 tot en met 31 augustus 2007) en daarover naar verwachting geen discussie zal kunnen ontstaan, af van toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus om te komen tot finale beslechting van het geschil.

LJN BV1989 - Proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft ten onrechte geen proceskostenveroordeling uitgsproken. De raadsman is advocaat en neef van appellant. In dit geval is geen sprake van een zodanig nauwe familierelatie dat niet meer gesproken kan worden van door een derde beroepsmatig verleende rechtshulp op zakelijke basis. In dat verband is mede van belang dat de raadsman advocaat is en in die hoedanigheid namens appellante beroep heeft ingesteld en dat die raadsman niet behoort tot het huishouden van appellante. Er is sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat het hoger beroep slaagt.

LJN BV2298 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 35,94%. In de situatie van appellante maakt het voor de hoogte van haar uitkering niet uit wat de mate van arbeidsongeschiktheid is, zolang deze ten minste 35% bedraagt. Het hoger beroep wordt wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

LJN BV2335 - Tussenuitspraak. Gedeeltelijke toekenning arbeidsplaatsvoorziening. Nu betrokkene gemotiveerd heeft aangegeven dat twee Belcanto Comfort Plus hoortoestellen in zijn specifieke situatie noodzakelijk zijn, kan het UWV niet zonder nadere motivering volstaan met de toekenning van een gemaximeerd bedrag van €1400,-. De rechtbank had niet zelf in de zaak mogen voorzien nu de vraag welke hoortoestellen voor het UWV de goedkoopste adequate oplossing zijn niet is beantwoord, terwijl er nog onderzoeksmogelijkheden openstaan. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat het op de weg van het UWV ligt om te onderzoeken welke hoortoestellen voor appellant de goedkoopste adequate oplossing zijn.

LJN BV3329 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschuikt wordt geacht. De door de Raad ingeschakelde psychiater heeft zich niet kunnen verenigen met de voor appellante vastgestelde FML. Hij is van mening dat appellante meer beperkt is in haar persoonlijk en sociaal functioneren en niet in staat is om voltijds te werken. Er bestaat geen aanleiding af te wijken van het in vaste rechtspraak besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Het UWV krijgt de opdracht de medische grondslag van het bestreden besluit in overeenstemming te brengen met het oordeel van de deskundige, zo nodig gevolgd door een arbeidskundige rapportage met betrekking tot de vraag of één en ander gevolgen heeft voor de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, dan wel een nader besluit te nemen.

LJN BV6330 - Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen evenwel niet bedoeld om door middel van die procedure de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.

LJN BV7186 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van het verzoek tot ondervolmachtstelling en voor de kosten van de volmacht over 2008 omdat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd zich voordoen.

LJN BV8696 - Wijziging einddatum van de periode waarover toestemming is verleend om werkzaamheden te verrichten in een eigen bedrijf. Er kan en mag niet worden afgeweken van de in artikel 77a van de WW genoemde maximale periode van 26 weken waarover toestemming voor een startperiode verleend kan worden. Het betoog van appellant dat hij feitelijk geen gebruik heeft kunnen maken van de startperiode - nog daargelaten welke betekenis de juistheid van die stelling voor de werkelijk vastgestelde duur van de startperiode kan hebben - slaagt niet.

LJN BV9431 - Tussenuitspraak. Toekenning leefkilometervergoeding. De toekenning van de leefkilometervergoeding is met ingang van 1 september 2008 verlaagd naar de helft van het aanvankelijk aan appellante toegekende normbedrag. Het bestreden besluit is niet goed voorbereid en gemotiveerd. Het UWV heeft geen duidelijkheid kunnen bieden over het aantal kilometers dat appellante met de toegekende taxikostenvergoeding kan reizen. Voorts blijkt uit het arbeidskundig rapport onvoldoende in welke mate appellante op het gebruik van een taxi is aangewezen, zodat evenmin duidelijk is of er, gelet op de individuele omstandigheden van appellante, aanleiding bestaat om van de bandbreedte van 1500 tot 2000 kilometer per jaar af te wijken. Het UWV krijgt de opdracht om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BV9955 - Toekenning WGA-uitkering. Vaststelling eerste ziektedag. Vaststaat dat werkneemster zich op de datum in geding heeft ziek gemeld en dat appellante daarvan op de hoogte was. Dat deze ziekmelding volgens appellante op oneigenlijke grond is geschied, doet aan deze vaststelling niet af. Indien appellante deze ziekmelding betwist, had het op haar weg gelegen actie te ondernemen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts gebrekkig is dan wel dat de daarin gegeven beoordeling over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en het doorlopen van de wettelijke wachttijd onjuist is.

LJN BW0627 - Intrekking verleende toestemming voor een voorbereidingsperiode omdat appellant niet meer is aan te merken als een persoon die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004. Dit brengt met zich dat appellant met het hier voorliggende hoger beroep niet kan bereiken dat hij alsnog wordt toegelaten tot de voorbereidingsperiode als bedoeld in dat artikellid. Het hoger beroep wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

LJN BW2903 - Toekenning bijstand naar de norm van een alleenstaande, verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 12% van de echtparennorm. De gedingstukken bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat sprake is geweest van woningdeling en dat appellante de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft gedeeld met een medebewoner. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke feitelijke grondslag. De Raad herroept het primaire besluit en bepaalt dat aan appellante een toeslag van 20% wordt verleend, omdat zij als niet-woningdelende alleenstaande aangemerkt dient te worden.

LJN BW4823 - Tussenuitspraak. Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit en weigering WIA-uitkering. Met de latere diagnose van het syndroom van Asperger is sprake van een nieuw gebleken feit dat bij de eerdere beoordeling niet bekend was bij de verzekeringsarts (noch bij appellant) en dat destijds ook niet bekend had kunnen zijn, terwijl dit gegeven, ware het destijds bekend geweest, tot een ander besluit had kunnen leiden. Het UWV heeft ten onrechte de door appellant ingediende informatie ten aanzien van de diagnose van het syndroom van Asperger niet aangemerkt als nieuw gebleken feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het UWV dient een nieuw inhoudelijk besluit op bezwaar te nemen.

LJN BW5347 - Tussenuitspraak. Weigering Bbz-lening voor bedrijfskapitaal omdat het te starten bedrijf niet levensvatbaar is. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat appellant de deskundigheid van de financieel-economisch adviseur nader dient te onderbouwen, hetgeen leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraken. Appellant heeft zonder inhoudelijk in te gaan op de door betrokkene betwiste specifieke aspecten in het bestreden besluit slechts verwezen naar een deskundigenadvies, waarbij appellant bovendien niet duidelijk heeft gemaakt welk advies wordt bedoeld. Inhoudelijk heeft hij de bezwaren van betrokkene dus niet weerlegd. Hiermee heeft appellant het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Appellant krijgt de opdracht het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

LJN BW5721 - Intrekking en terugvordering WW-uitkering. Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat uit de feiten volgt dat het UWV het voor de hoogte van de boete in aanmerking genomen benadelingsbedrag niet te hoog heeft vastgesteld. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is hier geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het UWV is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Het beroep tegen het nieuwe besluit waarbij de opgelegde boete is gehandhaafd, is ongegrond. Er is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

LJN BW5885 - Weigering arbeidsplaatsvoorziening. Het UWV had gebruik moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb nu, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, de gevolgen van het handelen overeenkomstig het beleid voor betrokkene onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Nu enerzijds het beleid geen uitsluitsel geeft wat onder de duur van de "lange termijn" moet worden verstaan en anderzijds in het geval van betrokkene het nut en effect van het gebruik van de SpeechEasy ten minste voor ruim twee jaar voldoende duidelijk is geworden, moet de SpeechEasy onder deze omstandigheden voor betrokkene worden beschouwd als een adequate en specifieke arbeidsplaatsvoorziening.

LJN BW5886 - Weigering terug te komen van een eerder genomen, rechtens onaantastbaar geworden besluit tot weigering van ZW-uitkering, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden. Uitgaande van de in de bezwaarfase bekende feiten en omstandigheden en de naar aanleiding daarvan uitgebrachte rapportages door de bezwaarverzekeringsartsen kan, gelet op hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd, niet worden gezegd dat het UWV niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel dat daarbij anderszins is gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

LJN BW9691 - Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens heeft overgelegd. Appellant heeft verwijtbaar nagelaten de gevraagde gegevens tijdig te overleggen en er is geen aanleiding voor het college de vader van appellant ten tijde van de aanvraag als gemachtigde van appellant aan te merken.

LJN BX1193 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Het UWV was niet bevoegd om een loonsanctie op te leggen. Het UWV heeft niet aangetoond dat het primaire besluit is verzonden. Er is geen sprake van een verzendadministratie en evenmin is op andere wijze gebleken van registratie van uitgaande post. Ook niet staat vast dat het primaire besluit vóór afloop van de wachttijd is bekendgemaakt en derhalve uiterlijk één dag vóór afloop van de wachttijd is verzonden.

 LJN BX1634 - Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang. In de situatie van appellant maakt het voor de hoogte van zijn uitkering niet uit wat de mate van arbeidsongeschiktheid is, zolang deze ten minste 35% bedraagt. Het resultaat dat appellant in deze procedure nastreeft, kan geen feitelijke betekenis voor hem hebben.

LJN BX2516 - Tussenuitspraak. Samenloop van Duitse invaliditeitsuitkering en WIA-uitkering. Aan appellant is meegedeeld dat zijn uitkering is berekend onder toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, waarbij ervan uit is gegaan dat appellant in Nederland 6,167 jaar werkzaam is geweest en in Duitsland 32,417 jaar. In totaal is appellant 38,584 jaren verzekerd geweest. Het Nederlandse verhoudingscijfer is daarom 6,167/38,584, zijnde 0,1599. Het UWV heeft ten onrechte de periode dat appellant werkzaam is geweest bij Philips-Duphar niet meegeteld. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BX4618 - Toekenning schadevergoeding wegens het ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie. In het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit heeft het UWV een nieuw besluit op bezwaar genomen waarin de bij de berekening van de schadevergoeding in acht te nemen termijn van loondoorbetaling is gesteld op tien maanden. In de situatie van appellante waarin de omvang van de schade niet met zekerheid is vast te stellen, is hiermee in overeenstemming dat het UWV bij de berekening van de schadevergoeding enerzijds is uitgegaan van een bij onvoldoende re-integratie-inspanning van de werkgever verplicht op te leggen loonsanctie van 52 weken, maar daarbij anderzijds ook de termijn in aanmerking heeft genomen die de werkgever, ware de loonsanctie opgelegd, nodig zou hebben gehad om het geconstateerde gebrek te herstellen, ervan uitgaande dat de werkgever dit herstel zo spoedig mogelijk zou hebben gemeld en het UWV vervolgens tot bekorting van de loonsanctie zou hebben besloten. De Raad acht dit op zich, althans in het onderhavige geval, een alleszins redelijk uitgangspunt, waarmee appellante niet te kort is gedaan.

LJN BX6452 - Met het nieuwe besluit ter uitvoering van de tussenuitspraak is geheel tegemoetgekomen aan de bezwaren van betrokkene. Proceskostenveroordeling, renteschadevergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.

LJN BX8181 - Tussenuitspraak. Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand. De overeenkomst met de werkgever worden moet gekwalificeerd als gesubsidieerde arbeid, onmiskenbaar bedoeld om appellant te ondersteunen en te begeleiden bij zijn arbeidsinschakeling met als uiteindelijk doel het verwerven van reguliere arbeid, waarbij geen gebruikgemaakt van een voorziening. Een dergelijke werkervaringsplaats bij de werkgever kan niet als algemeen geaccepteerde arbeid worden beschouwd, maar dient te worden aangemerkt als een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb. De opgelegde maatregel kan daarom niet zijn grondslag vinden in de gedraging dat appellant door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. De Raad draagt het dagelijks bestuur op om het gebrek te herstellen.

LJN BX9075 - Weigering vergoeding van doventolkuren. Appellante heeft in strijd met de Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2009 nagelaten voorafgaand aan haar verblijf in Griekenland een aanvraag in te dienen voor vergoeding van de tolkkosten in Griekenland. Het UWV heeft de aanvraag overeenkomstig zijn beleidsregels afgewezen. Het beroep op toepassing van het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Er zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het UWV van zijn beleidsregels had moeten afwijken.

LJN BX9735 - Tussenuitspraak. Blijvend gehele weigering ZW-uitkering omdat appellante een benadelingshandeling heeft gepleegd als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Appellante heeft volgens het UWV een onnodig beroep gedaan op een ZW-uitkering omdat het dienstverband door de kantonrechter is beëindigd en de beëindiging aan appellante zelf te wijten was. Het UWV heeft onvoldoende eigen onderzoek gedaan naar de gedragingen van appellante en de verwijtbaarheid van die gedragingen en heeft aldus onvoldoende invulling gegeven aan de verplichting van artikel 3:2 van de Awb. De Raad draagt het UWV op om het gebrek te herstellen.

LJN BX9936 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Betrokkene had vanaf de datum in geding onveranderd haar hoofdverblijf in de woning van haar partner en vader van haar kinderen. Dat betrokkene als gevolg van de relationele problemen geregeld bij vriendinnen heeft verbleven en zij mogelijkerwijs in eerste instantie de intentie had om de haar toegewezen woning te betrekken, betekent niet dat zij op een ander adres haar hoofdverblijf had. Nu betrokkene in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting appellant niet ervan in kennis heeft gesteld dat zij ongewijzigd haar hoofdverblijf had in de woning van haar partner, was daarom sprake van een gezamenlijke huishouding.

LJN BY1342 - Voorlopige voorziening. Weigering toestemming om met behoud van WW-uitkering vrijwilligerswerk te verrichten bij het Bureau Sociaal Raadslieden. Aangezien het recht op WW-uitkering met ingang van de datum in geding geheel is beëindigd en niet vaststaat dat dit recht op korte termijn geheel of gedeeltelijk zal herleven, is er op dit moment geen aanleiding om te oordelen dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Ook op andere wijze is niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure die, zo deze wordt voortgezet, bij de huidige stand van zaken slechts betrekking kan hebben op een reeds afgesloten periode, niet door haar zou kunnen worden afgewacht.

LJN BY1983 - Tussenuitspraak. Het UWV heeft ten onrechte blijvend geheel WW-uitkering geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat voor de bepaling van het recht op WW-uitkering van appellant diverse gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt. Het UWV zal daarom worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

LJN BY4046 - Tussenuitspraak. Verzoek om vergoeding van de geleden schade als gevolg van de opgelegde plicht tot loondoorbetaling in de hoedanigheid van houder van een PGB. Aangezien het UWV zich nog niet heeft uitgelaten over het gehele verzoek om schade, draagt de Raad het UWV op het gebrek te herstellen. Het UWV dient te beoordelen of het bedrag aan vergoeding van wettelijke rente te laag is en of er aanleiding is om overige schade te vergoeden. Alvorens tot herstel over te gaan, dient het UWV appellante in de gelegenheid te stellen haar vordering tot schadevergoeding nader te onderbouwen. Appellante dient hiervoor een termijn te worden geboden van minimaal vier weken.

LJN BY4335 - Tussenuitspraak. Vaststelling dagloon WIA-uitkering. Het dagloon dat met in achtneming van het in de aangifte van het UWV opgenomen terugbetaalde bedrag is vastgesteld, werkt, anders dan met betrekking tot een loonbelastingheffing het geval is, in beginsel door tot zich een eindigingsgrond van de uitkering voordoet. Door aldus te handelen wordt ten aanzien van betrokkene op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de Wet WIA en aan het beginsel dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau van betrokkene. Het UWV dient het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BY5222 - Toekenning IVA-uitkering na beroep bij de rechtbank omdat appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht. Toewijzing van schadevergoeding ad €500,- wegens overschrijding met een halfjaar van de redelijke termijn van vier jaren voor een procedure in drie instanties in een zaak zoals deze.

LJN BY6087 - Verlening Wsw-indicatie voor de duur van drie jaar waarbij appellants arbeidshandicap is ingedeeld in de categorie matig en bepaald is dat appellant in aanmerking komt voor begeleid werken in een regulier bedrijf. Appellant heeft zijn stelling dat zijn situatie is verslechterd van geen enkele onderbouwing voorzien. Niet gebleken is dat de betrokken adviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen.

LJN BY6258 - Intrekking en terugvordering WAO- en TW-uitkering wegens inkomsten uit het zetten van piercings en tattoos. Als gevolg van het feit dat het UWV per 16 juni 2006 toepassing heeft gegeven en, gelet op de tussenuitspraak, heeft mogen geven aan artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder d, van de WAO, is aan appellant over de periode van 16 juni 2006 tot en met 30 april 2009 ten onrechte een bedrag van €16.342,73 verstrekt aan WAO-uitkering. Het UWV is gehouden dit bedrag van appellant terug te vorderen omdat van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien niet is gebleken. Zie ook LJN BX3038.

LJN BY6375 - Schending verbod van reformatio in peius. Als gevolg van de aangevallen uitspraak herleeft het primaire besluit, waarbij was vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering en ontvalt de grondslag aan de door het UWV aan appellante gedane betalingen. Appellante heeft dit met haar beroep niet beoogd. Zulks strijdt met het uit artikel 8:69 van de Awb voortvloeiende verbod van reformatio in peius. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

LJN BY6785 - Weigering laagdrempelige bijzondere bijstand omdat betrokkenen niet voldoen aan de voorwaarde dat zij gedurende twee jaar vóór de datum van de aanvraag een netto-inkomen exclusief vakantietoeslag hebben gehad van maximaal 110% van de voor hen van toepassing zijnde nettobijstandsnorm exclusief vakantietoeslag. Met het college en anders dan betrokkenen en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de inachtneming van het beleid niet tot een uitkomst leidt die niet strookt met een redelijke wetsuitleg. Er is geen sprake van een bijzonder geval.

LJN BY8631 - Weigering bijzondere bijstand voor appellantes aandeel in de kosten van de uitvaart van haar zus. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante ten tijde van het nemen van het bestreden besluit haar aandeel in de nalatenschap van haar zus inmiddels had verworpen. Dit betekent dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd niet zien op noodzakelijke kosten. Het betreft immers geen kosten van appellante zelf en deze kosten moeten geacht worden nooit voor haar rekening te zijn gekomen omdat zij geacht wordt nooit erfgenaam te zijn geweest. Het beroep op dringende redenen kan niet slagen.

LJN BY9856 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van een caravan en voor de kosten van aanschaf van een bedrijfs- en privéauto. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Appellant heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat hij moet worden aangemerkt als een in de prefase verkerende startende ondernemer. Het verzoek van het college om appellant wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht te veroordelen in de door het dagelijks bestuur in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten wordt afgewezen.

LJN BY9894 - Terugvordering van onverschuldigd betaalde ZW-uitkering wegens inkomsten uit drugshandel. Het recht op ZW-uitkering kan niet worden vastgesteld omdat appellant geen mededeling wilde/kon doen over de omvang van zijn werkzaamheden en de hoogte van zijn inkomsten uit die werkzaamheden. Appellant heeft nimmer (uitdrukkelijk) afstand gedaan van zijn recht te worden gehoord. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

LJN BZ1552 - Weigering Bbz-uitkering ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal omdat het bedrijf van appellanten niet levensvatbaar is. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het advies van IMK Intermediair op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Appellanten hebben geen objectieve gegevens overgelegd die hun standpunt ondersteunen dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf.

LJN BZ3437 - Tussenuitspraak. Deeltijd-WW. In geding is de vraag of de werkgever belanghebbende is aangezien het slechts de werknemer is die de gerechtigde is op deeltijd-WW. Het Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten legt een groot aantal verplichtingen op de werkgever. Het besluit is een bijzondere regeling, met eigen normen die zich richten tot de werkgever. Deze normen hebben voor de werkgever zowel een begunstigend als een belastend karakter. Dit betekent dat de werkgever ook belanghebbende is als er besluiten tot beëindiging van de WW-uitkering van zijn werknemers voorliggen. Het UWV heeft de bezwaren van appellante tegen deze besluiten dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BZ4374 - Tussenuitspraak. Toekenning WGA-uitkering en geen IVA-uitkering waarop appellant meent recht te hebben. Het bestreden besluit berust op een ontoereikende motivering omdat de bezwaarverzekeringsarts wel duurzaamheid voor het eerste jaar heeft aangenomen, maar geen inschatting heeft gegeven van de duurzaamheid gedurende het tweede jaar. De na het bestreden besluit gegeven motivering waarom geen sprake is van duurzaamheid is evenmin toereikend. De enkele mededeling dat 70% van de patiënten met een angststoornis goed reageert op behandeling is geen concrete en toereikende onderbouwing van de meer dan geringe kans op herstel, zeker gezien in het licht van het aannemen van duurzaamheid in het eerste jaar. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts niet overtuigend gemotiveerd waarom in de brief van de behandeld psychotherapeut van appellant slechts sprake is van bekende klachten. In die brief is namelijk gemeld dat sprake is van een depressie, een diagnose die niet eerder is gesteld. Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BZ4700 - Afwijzing verzoek om herziening omdat hier sprake is van een andere kwalificatie van reeds bekende medische gegevens, hetgeen volgens vaste rechtspraak niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit in de zin van artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb.

LJN BZ4855 - Loonsanctie wegens te late indiening van de WIA-aanvraag: verlenging van de loondoorbetalingsverplichting met 58 dagen. Appellante stelt dat de zoon van de werknemer al ten tijde in geding een digitaal formulier namens de werknemer heeft ingediend en het re-integratieverslag per post heeft verzonden. Appellante heeft dit echter niet kunnen aantonen. De enkele verklaring van de zoon van de werknemer die appellante heeft overgelegd, acht de Raad daartoe onvoldoende. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden.

LJN BZ5743 - Herziening en terugvordering WW-uitkering. Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. De stelling van appellant dat hij zijn re-integratiecoach volledig op de hoogte heeft gesteld van zijn werkzaamheden als zelfstandige vindt geen steun in de gedingstukken. Als gevolg van het feit dat appellant al in juni 2006 werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht, is hem - achteraf bezien - ten onrechte toestemming verleend voor een startperiode als zelfstandige. De opgelegde boete is niet evenredig te achten. Gelet op de weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de Raad een boete van €1000,- evenredig.

LJN BZ7329 - Oplegging maatregel van 25% van het uitkeringsbedrag gedurende vier maanden omdat appellant de verplichtingen die zijn opgenomen in het plan van aanpak niet is nagekomen door niet op de aangegeven tijd en plaats te verschijnen. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanwijzing gevonden om te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant geen verschoonbare reden van medische aard had waardoor hij niet kon voldoen aan de re-integratieafspraken.

LJN BZ9782 - Oplegging maatregel van 25% korting op de WW-uitkering gedurende vier maanden omdat appellant onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn re-integratie. Het UWV heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant op de eerste stagedag zonder toestemming voortijdig is vertrokken. Dat betekent dat het UWV appellant ten onrechte een maatregel heeft opgelegd.

LJN BZ9828 - Weigering ZW-uitkering omdat appellante als zelfstandige niet verzekerd is voor de ZW. Appellante verrichtte als zorgverlener werkzaamheden voor haar verstandelijk gehandicapte zus, die wordt vertegenwoordigd door hun moeder, die budgethouder is van een PGB. De Raad oordeelt dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het UWV appellante terecht niet als werknemer voor de ZW heeft aangemerkt. Er is sprake van een arbeidsverhouding waarin de familierelatie overheerst. Het UWV heeft op juiste gronden gemotiveerd dat aan het verzoek om schadevergoeding geen onrechtmatig besluit of onrechtmatig handelen van het UWV ten grondslag ligt. Tevens is er geen sprake van aantoonbare schade, noch van causaal verband tussen de vermeende schade en het vermeende onrechtmatige besluit.

LJN CA1511 - Weigering om appellant in aanmerking te brengen voor de voorbereidingsperiode op grond van het Bbz 2004. Gelet op de bevindingen van twee adviesbedrijven zullen de plannen van appellant naar verwachting niet leiden tot vestiging van een levensvatbaar bedrijf.

LJN CA3842 - Herziening en terugvordering WW-uitkering. Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is in een situatie als de onderhavige waarin een uitkeringsgerechtigde heeft nagelaten een volledige opgave te doen van zijn werkzaamheden en van de gewerkte uren zelf geen registratie heeft bijgehouden, aanvaardbaar dat het UWV een schatting maakt van de omvang van die werkzaamheden. Het risico dat die schatting ten nadele van betrokkene uitvalt, komt voor diens rekening en risico, mits door het UWV voldoende en zorgvuldig onderzoek is verricht om tot een vaststelling te komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert.

LJN ZB7402 - Inhouding op de Ioaz-uitkering van de pensioenuitkering die gedaagde ontvangt via haar ex-echtgenoot. Deze pensioenuitkering wordt aangemerkt als inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven. In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het pensioen dat gedaagde van haar ex-echtgenoot ontvangt niet is aan te merken als haar inkomen in verband met arbeid en dat artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ioaz (waarop appellant zich baseert) niet ziet op inkomen van een ander, maar uitsluitend op inkomen uit of in verband met arbeid van de Ioaz-gerechtigde.

LJN ZB9112 - Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. De Raad oordeelt dat de rechtbank terecht het beroepschrift wegens onvoldoende frankering heeft geweigerd. Het nadien per fax ingezonden beroepschrift is niet tijdig ingediend.

ECLI:NL:CRVB:2013:734 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering, na beroep bij de rechtbank, voor de duur van dertien maanden. Er zijn geen medisch gronden voor het aannemen van een verdergaande urenbeperking. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen dient het dagloon te worden geïndexeerd naar de ingangsdatum van de uitkering met de mate waarin het minimumloon in deze periode werd herzien. In de periode van 20 mei 2007 tot 10 juni 2009 werd het minimumloon totaal verhoogd met 6,18%. Het per 10 juni 2009 geldende dagloon bedraagt € 97,27 en gelet op de wenselijkheid van finale geschilbeslechting zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het dagloon per 10 juni 2009 op dit bedrag vaststellen.

ECLI:NL:CRVB:2013:816 - Tussenuitspraak. Ten onrechte weigering WIA-uitkering omdat er geen grondslag is voor het oordeel dat er voldoende en ondubbelzinnige gegevens waren om de volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering aan te nemen. Het UWV dient de gebreken in de twee bestreden besluiten te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2013:867 - Verhaal op eigenrisicodrager. Appellante is terecht aangemerkt als eigenrisicodrager voor de betaling van de WGA-uitkering van de ex-werkneemster over de periode 1 januari 2010 tot 1 juni 2010. Het UWV heeft de aan de (ex-)werkneemster uitbetaalde WGA-uitkering over die periode dan ook terecht op appellante verhaald. Onderschreven wordt het standpunt van de rechtbank dat het bezwaar tegen het toekenningsbesluit niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Over de maanden juni en juli 2010 is geen toekenningsbesluit genomen, hetgeen een onontbeerlijke voorwaarde is voor het nemen van verhaalsbesluiten. Het UWV heeft zonder deugdelijke wettelijke grondslag de verhaalsbesluiten over maanden juni en juli 2010 genomen en gehandhaafd.

ECLI:NL:CRVB:2013:908 - Weigering Bbz-uitkering voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal omdat het te starten bedrijf niet levensvatbaar is. Niet is gebleken dat het advies van IMK Intermediair op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of feitelijke onjuistheden bevat. Dat appellante het gevoel heeft dat er niet naar haar is geluisterd, vormt op zichzelf bezien geen grond voor het oordeel dat voornoemd advies ondeugdelijk is. Appellante heeft in beroep geen objectieve gegevens overgelegd, zoals een deskundig tegenadvies, welke haar standpunt dat wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf kunnen onderbouwen.

ECLI:NL:CRVB:2013:1086 - Weigering WIA-uitkering omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Omvang van het geding. De rechtbank is met haar overweging ten aanzien van het door het UWV beoordelen van eventuele bij betrokkene toegenomen arbeidsongeschiktheid per 23 december 2009 buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil getreden. Met het UWV is de Raad van oordeel dat het onderhavige geschil zich dient te beperken tot de beoordeling van een eventueel recht van betrokkene op een WIA-uitkering per 11 mei 2009. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig te achten. Voldoende is gemotiveerd dat de voorgehouden functies geschikt zijn voor betrokkene.

ECLI:NL:CRVB:2013:1089 - Tussenuitspraak. Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering en IVA-uitkering waarop betrokkene meent recht te hebben. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd. De Raad onderschrijft niet het oordeel van de rechtbank dat het rapport van de door haar geraadpleegde deskundige voldoet aan de eisen van inzichtelijkheid en consistentie. De door de Raad geraadpleegde deskundige geeft aan dat gezien de geringe draagkracht en de toegenomen relatieve hoge draaglast van betrokkene de door het UWV aangenomen urenbeperking uit medisch oogpunt mogelijk een te grote draaglast voor betrokkene zou kunnen zijn en dat hij hierdoor verder kan decompenseren. De door het UWV tegen de bevindingen van de door de Raad benoemde deskundige ingebrachte bezwaren geven geen aanleiding om het oordeel van deze deskundige niet te volgen. De aangepaste FML bevat geen juiste beschrijving van de beperkingen van betrokkene voor het verrichten van arbeid. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

ECLI:NL:CRVB:2013:1521 - Weigering vergoeding van de kosten van een Pabo-opleiding omdat deze meerjarige opleiding voor appellant niet noodzakelijk is. Appellant beschikt over goede kwalificaties voor zijn arbeidsinschakeling en hij heeft veel werkervaring in verschillende functies. Het bestreden besluit berust op een toereikende motivering.

ECLI:NL:CRVB:2013:1575 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellante samenwoonde met een partner die over eigen inkomsten beschikte. Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat de rechtbank voorbijgegaan is aan de wezenlijke beroepsgrond van appellante, waarmee de rechtbank heeft gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Vaststaat dat het UWV na de datum in geding een ongekorte TW-uitkering is blijven betalen aan appellante. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat haar ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Het UWV mocht die uitkering dan ook intrekken met terugwerkende kracht. Er is geen sprake van dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien. De boete van €580,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellante.

ECLI:NL:CRVB:2013:1693 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat geen sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht. Van bijzondere betekenis hierbij is dat van de zijde van verzoeker in het geheel geen stukken in het geding zijn gebracht welke kunnen dienen ter onderbouwing van zijn stelling met betrekking tot zijn financiële noodsituatie.

ECLI:NL:CRVB:2013:1844 - Weigering WIA-uitkering omdat betrokkene vóór het einde van de wachttijd hersteld is verklaard. De Raad stelt vast dat het UWV er, noch bij het nemen van het primaire besluit, noch bij het nemen van het bestreden besluit blijk van heeft gegeven andere gegevens in de beoordeling betrokken te hebben dan de hersteldverklaring in het kader van de ZW. Pas in hoger beroep heeft het uwv zich de vraag gesteld of na de datum in geding sprake is geweest van het opnieuw intreden van arbeidsongeschiktheid, in welk geval de wachttijd, na een onderbreking, zou kunnen zijn vervuld. De beoordeling die aan het bestreden besluit vooraf is gegaan, is dus onvolledig en daarmee onzorgvuldig geweest. De Raad ziet aanleiding om, anders dan de rechtbank, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

ECLI:NL:CRVB:2013:1887 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 48%. Het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke arbeidskundige onderbouwing. Betrokkene voldoet niet aan de eisen in twee van de vier functies met betrekking tot de beheersing van de Nederlandse taal. In zijn beschrijving van de ondernomen activiteiten vermeldt de consulent van het re-integratiebedrijf de constatering van een school dat de Nederlandse spreekvaardigheid van betrokkene onvoldoende is om les te kunnen geven of om te kunnen assisteren als klassenassistent.

ECLI:NL:CRVB:2013:1926 - Herziening en terugvordering ZW-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Boeteoplegging van €170,- wegens schending van de inlichtingenverplichting, waartegen het hoger beroep van appellant zich uitsluitend richt. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden. Uit de feiten en omstandigheden volgt dat hem van het overtreden van de inlichtingenverplichting ook subjectief een verwijt valt te maken. Het UWV was bevoegd tot het opleggen van een boete vanwege het schenden van de inlichtingenverplichting, maar toepassing van artikel 2, eerste en tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten leidt tot een lagere boete van €140,-.

ECLI:NL:CRVB:2013:2011 - Korting Ioaw-uitkering omdat appellant werkzaamheden als professioneel rechtsbijstandverlener uitvoert en dat deze werkzaamheden als op geld waardeerbare arbeid worden aangemerkt. Niet duidelijk is wat de feitelijke omvang van de werkzaamheden is geweest en eventuele onkosten zijn niet inzichtelijk gemaakt. Daarom is het redelijk voor de werkzaamheden een fictief inkomen te nemen en dit vast te stellen op de hoogte van de ontvangen proceskostenvergoeding. Er is geen grond om te oordelen dat de werkwijze van de adviescommissie in strijd is met artikel 7:13, zesde lid, van de Awb.

ECLI:NL:CRVB:2013:2069 - Toekenning IVA-uitkering. Anders dan de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts op grond van de in het rapport genoemde feiten en omstandigheden tot het oordeel heeft kunnen komen dat betrokkene steeds arbeidsongeschikt is gebleven voor de maatgevende arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van deze gegevens tot het oordeel kunnen komen dat uitgegaan dient te worden van de datum in geding als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en dat deze arbeidsongeschiktheid vervolgens 104 weken onafgebroken heeft voortgeduurd.

ECLI:NL:CRVB:2013:2083 - Hangende de procedure in hoger beroep heeft het UWV appellant in verband met een verslechtering van zijn gezondheidssituatie aangemerkt als 100% arbeidsongeschikt. Het hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

ECLI:NL:CRVB:2013:2278 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellante is gaan samenwonen en het totale inkomen van appellante en haar partner hoger was dan het wettelijk minimumloon. Schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat reeds uit de door appellante gestelde pogingen het UWV op de hoogte te stellen van wijzigingen in haar leefsituatie blijkt dat haar duidelijk was dat deze gevolgen konden hebben voor haar TW-uitkering. Het UWV heeft de TW-uitkering over de genoemde perioden terecht ingetrokken. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

ECLI:NL:CRVB:2013:2403 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant niet voldoet aan de wachttijd van 104 weken. De Raad is van oordeel dat de besluitvorming van het UWV met betrekking tot het bestreden besluit onzorgvuldig is geweest, omdat deze uitsluitend afhankelijk is gesteld van de omstandigheid dat tijdens de wachttijd eerdere hersteldverklaringen hadden plaatsgevonden. Het bestreden besluit berust op een onzorgvuldige voorbereiding en daardoor ondeugdelijke motivering. Het UWV dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2013:2420 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellante per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit op voldoende medische grondslag berust. De rechtbank heeft op goede gronden doorslaggevende betekenis toegekend aan het op haar verzoek door de psychiater/neuroloog als deskundige uitgebrachte rapport.

ECLI:NL:CRVB:2013:2494 - Boeteoplegging van €2080,- wegens ernstige en herhaalde overtreding van de inlichtingenverplichting. Terugvordering van €20.736,04 aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering. Betrokkene heeft van 1 april 2009 tot 1 november 2010 gewerkt en ontving daarvoor een salaris van ongeveer €1500,- bruto per maand, terwijl haar WIA-uitkering ongewijzigd werd doorbetaald. Het UWV heeft terecht aangevoerd dat betrokkene elke keer dat zij voor haar werk werd betaald, heeft nagelaten het UWV daarvan mededeling te doen.

ECLI:NL:CRVB:2013:2528 - Terugvordering Wsw-uitkering omdat over 2009 de totale realisatie, uitgedrukt in arbeidsjaren, minder bedraagt dan tot uitdrukking gebracht is in de verstrekte uitkering over dat jaar. Het college heeft van de correctiemogelijkheid ingevolge het buitenwettelijk beleid geen gebruikgemaakt en heeft de omissie in de verantwoording pas na ontvangst van het terugvorderingsbesluit onderkend.

ECLI:NL:CRVB:2013:2645 - Intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering omdat appellant meer werkzaamheden had verricht dan hij had opgegeven. Het intrekkingsbesluit is in rechte onaantastbaar geworden, zodat het college op grond van artikel 25, eerste lid, van de Ioaz bevoegd is de uitkering terug te vorderen. Het geding is beperkt tot de vraag of de wijze waarop het college van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt in rechte stand kan houden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college, met toepassing van artikel 4:84 van de Awb, in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

ECLI:NL:CRVB:2013:2674 - Toekenning schadevergoeding als gevolg van het ten onrechte doorbetalen van loon, vermeerderd met werkgeverslasten en vakantiegeld en wettelijke rente. Geen schadevergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met het voeren van twee kortgedingprocedures en van een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

ECLI:NL:CRVB:2013:2678 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering en geen IVA-uitkering waarop appellant meent recht te hebben. De Raad oordeelt dat de inschatting van de bezwaarverzekeringsarts van de kans op herstel van appellant in het eerste jaar na einde wachttijd en daarna niet berust op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij appellant aan de orde zijn. De Raad voorziet op de voet van artikel 8:72, derde lid, onderdeel b, van de Awb zelf in de zaak en bepaalt dat appellant met ingang van de datum in geding recht heeft op een IVA-uitkering.

ECLI:NL:CRVB:2013:2684 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De overstap van het eerste naar het tweede spoor (andere werkgever) was volgens het UWV voorbarig. Uit een beoordeling van de gedingstukken blijkt de Raad dat de werknemer lijdt aan een progressieve, niet-behandelbare neurologische aandoening. De werknemer is niet in staat zijn eigen werk duurzaam te verrichten en in het bedrijf zijn geen andere passende functies. Het standpunt van het UWV dat de werkgever desondanks had moeten blijven inzetten op re-integratie van de werknemer in het eerste spoor wordt dan ook niet gevolgd. Het besluit tot het opleggen van een loonsanctie aan betrokkene is terecht door de rechtbank vernietigd.

ECLI:NL:CRVB:2013:2715 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van procesbelang. Appellant heeft wel degelijk procesbelang ten aanzien van het besluit tot toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35 tot 80%. Appellant claimt immers volledig arbeidsongeschikt te zijn. Indien de mate van arbeidsongeschiktheid zou worden vastgesteld op 80 tot 100% ten aanzien van de loongerelateerde periode, heeft dit gevolgen voor de inkomenseis die van belang is na afloop van de loongerelateerde periode. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak, maar verklaart het beroep ongegrond.

ECLI:NL:CRVB:2013:2759 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellanten niet onverkort recht hebben op bijstand aangezien appellant langer dan vier weken verblijf heeft gehouden in het buitenland. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat appellant wegens zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Wwb, niet in staat was om tijdig naar Nederland terug te keren.

ECLI:NL:CRVB:2013:2875 - Weigering algemene en bijzondere bijstand omdat het bedrag aan studiefinanciering dat appellant maandelijks ontvangt hoger is dan het bedrag aan bijstand, inclusief bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Wwb, waarop appellant aanspraak zou kunnen maken. Studiefinanciering is op grond van de WSF 2000 aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor appellant toereikend en passend te zijn. Aangezien appellant studiefinanciering op grond van de WSF 2000 ontving, stond artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de Wwb dan ook in beginsel aan het verlenen van bijstand in de weg, omdat er is geen sprake van zeer dringende redenen.

ECLI:NL:CRVB:2013:2983 - Tussenuitspraak. Intrekking ZW-uitkering omdat appellant per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de hem eerder in het kader van een WAO-beoordeling voorgehouden functies, welke elk afzonderlijk gelden als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit een deugdelijke medische onderbouwing ontbeert. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2014:12 - Tussenuitspraak. Terugvordering van ten onrechte verstrekte voorschotten op de WIA-uitkering. Het standpunt van het UWV dat hij verplicht is de voorschotten terug te vorderen (behoudens bij dringende reden), verdraagt zich niet met het per 1 juli 2009 gewijzigde wettelijk stelsel, waarbij de terugvordering van in het kader van de Wet WIA verstrekte voorschotten wordt beheerst door artikel 4:95, vierde lid, van de Awb. Dit betekent dat bij de terugvordering een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb had moeten plaatsvinden. Nu daarvan geen sprake is geweest, oordeelt de Raad dat het bestreden besluit reeds om deze reden in rechte geen stand kan houden. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2014:221 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Uit de stukken is gebleken - en dit is desgevraagd ter zitting bevestigd - dat de bedrijfsarts de werknemer na januari 2011 niet meer heeft gezien en appellante na januari 2011 geen activiteiten richting re-integratie van haar werknemer meer heeft ondernomen. Ook heeft appellante geen stappen gezet om haar werknemer te dwingen om aan zijn re-integratie mee te werken en de afspraken met de bedrijfsarts na te komen.

ECLI:NL:CRVB:2014:777 - Toekenning WGA-uitkering. Onrechtmatige overheidsdaad. De Raad is van oordeel dat in een situatie als hier aan de orde waarbij in bezwaar de eerder vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80% die ten grondslag ligt aan de loongerelateerde WGA-uitkering alsnog wordt gewijzigd in meer dan 80%, sprake is van een wijziging van de rechtspositie van betrokkene en aldus sprake is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb. Anders dan de rechtbank, oordeelt de Raad dat sprake is van een herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, herroept de Raad het primaire besluit.

ECLI:NL:CRVB:2014:801 - Intrekking en terugvordering aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) wegens inkomsten uit diverse bronnen. Appellante heeft haar stelling dat zij leningen is aangegaan niet afdoende met stukken onderbouwd. De SVB wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen één van de bestreden besluiten. Dit nieuwe besluit vergt van de SVB slechts een rekenkundige uitwerking die naar verwachting tussen partijen niet tot een geschil leidt. Daarom is een bestuurlijke lus niet aangewezen.

ECLI:NL:CRVB:2014:859 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bestreden besluit berust op voldoende medische grondslag. De arbeidskundige grondslag is niet deugdelijk gemotiveerd. Het UWV heeft ten onrechte aangenomen dat de combinatie van opleiding en ervaring van appellante zodanig is dat deze op één lijn mag worden gesteld met het voltooien van basisonderwijs. Nu de arbeidsongeschiktheidsberekening is gebaseerd op functies die alle opleidingsniveau 2 vereisen en waarin appellante onder meer schriftelijke werkopdrachten moet kunnen lezen, kan niet worden aangenomen dat appellante voldoet aan de functie-eisen behorend bij de geselecteerde functies. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2014:890 - Verzoek tot vergoeding van gederfde winst vanwege onjuiste vaststelling van de eerste ziektedag. De Raad oordeelt dat de winstdervingsschade onvoldoende is geconcretiseerd dan wel feitelijk onderbouwd. Voor vergoeding komt dan ook niet in aanmerking de winst die appellante mogelijkerwijs had kunnen maken, maar alleen de winst waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij die werkelijk zou hebben gemaakt als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden.

ECLI:NL:CRVB:2014:1006 - Beëindiging loonkostensubsidie ten behoeve van de bij appellante in dienst zijnde ID-werknemers omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij binnen de gegunde termijn niet de benodigde maatregelen kon treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidie te ondervangen. Door appellante alsnog subsidie toe te kennen tot de datum in geding heeft het college een redelijke termijn in acht heeft genomen.

ECLI:NL:CRVB:2014:1057 - Toekenning door de rechtbank van een WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank terecht en op basis van een juiste motivering geconcludeerd dat de functie van medewerker tuinbouw niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Anders dan het UWV in hoger beroep heeft aangevoerd, is de Raad van oordeel dat sprake is van een ontoelaatbare relativering van de in de FML verwoorde belastbaarheid op het item staan.

ECLI:NL:CRVB:2014:1131 - Weigering Ioaw-uitkering omdat appellant niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres, zodat niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op uitkering. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woonadres, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van een uitkering als in dit geval.

ECLI:NL:CRVB:2014:1147 - Verzet tegen onbevoegdverklaring van de Raad. Terechte niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Volgens vaste rechtspraak is doorbreking van het verbod van hoger beroep (alleen) mogelijk als sprake is van evidente schending van eisen van goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. De geschetste gang van zaken bij de rechtbank biedt voor dit oordeel geen grondslag. Van excessief formalisme is evenmin sprake. Indien op correcte wijze griffierecht is geheven en het griffierecht wordt onverschoonbaar niet of te laat betaald, dan levert dat een in de rechtspraak algemeen aanvaarde grond voor niet-ontvankelijkverklaring op.

ECLI:NL:CRVB:2014:1167 - Toekenning WGA-uitkering en geen IVA-uitkering waarop appellant meent recht te hebben. Omdat appellant veroordeling van het UWV tot vergoeding van de wettelijke rente had gevorderd, heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 2 terecht ongegrond verklaard.

ECLI:NL:CRVB:2014:1268 - Weigering vergoeding loonschade ten gevolge van het niet opleggen van een loonsanctie aan de werkgever. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het UWV zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de periode in geding van voor vergoeding in aanmerking komende loonschade niet is gebleken. Het aan betrokkene toekomende bedrag aan wettelijke rente in verband met te late betaling van WIA-uitkering is niet juist berekend.

ECLI:NL:CRVB:2014:1325 - Intrekking WIA- en TW-uitkering met terugwerkende kracht en terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering. Het bestreden besluit berust op zorgvuldig medisch onderzoek en voldoende medische grondslag. Simulatie van klachten: degene die een ziekte voorwendt, kan weten dat hij ten onrechte een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Er zijn geen dringende redenen om van intrekking af te zien.

ECLI:NL:CRVB:2014:1442 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellante per datum in geding niet langer ongeschikt wordt geacht voor de haar eerder in het kader van een WAO-beoordeling voorgehouden functies. De door de Raad geraadpleegde deskundige bevestigt de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Uit het rapport van de deskundige blijkt dat bij de beoordeling van de geschiktheid van appellante voor de eerder geduide functies met de door de deskundige vastgestelde psychische klachten in voldoende mate rekening is gehouden.

ECLI:NL:CRVB:2014:1596 - Toekenning WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. De bevindingen van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige inzake het chronischevermoeidheidssyndroom van appellant komen in grote lijnen overeen met de bevindingen van de door appellant geraadpleegde artsen. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het UWV in de FML verdergaande beperkingen had moeten aannemen. De geduide functies worden geschikt geacht.

ECLI:NL:CRVB:2014:1601 - Tussenuitspraak. Ingangsdatum IVA-uitkering met verkorte wachttijd nu betrokkene vanaf de datum in geding als grensarbeider na 78 weken geen uitkering meer ontving uit Duitsland. Nu de aanvraag voor een WW-uitkering van betrokkene, zeker na de contacten met de medewerkers van het UWV, duidelijk de strekking had om voor hem de gevolgen van het zogenoemde WIA-gat zo mogelijk op te lossen, had het UWV, mede gelet op het door het UWV gehanteerde beleid om in gevallen als het onderhavige het nationale recht waar mogelijk verdragsconform uit te leggen, die aanvraag mede moeten aanmerken als een aanvraag om een verkorte wachttijd voor de Wet WIA. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2014:1663 - Verzet. Nu niet kan worden aangenomen dat de uitnodiging voor de zitting te bestemder plaatse is aangekomen, moet het ervoor worden gehouden dat appellante niet in staat is gesteld op de zitting van de Raad haar standpunt toe te lichten. Appellante heeft daarom terecht gesteld dat haar recht op een eerlijk proces is geschonden.

ECLI:NL:CRVB:2014:1729 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 80%. Appellante heeft met succes aangevoerd dat de werknemer ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering omdat hij wat zijn fysieke aandoening betreft is uitbehandeld. De Raad stelt op grond van het rapport van de arbeidsdeskundige vast dat, wat er ook verder zij van een eventuele verbetering van de overige lichamelijke en psychische beperkingen van de werknemer, reeds de blijvende beperking van de rugbeweeglijkheid tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid van werknemer leidt, omdat er voor de werknemer geen passend werk is waarin niet meer dan 15º getordeerd behoeft te worden. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat de werknemer met ingang van de datum in geding in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.

ECLI:NL:CRVB:2014:1757 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. De wijziging in arbeidsduur is met ingang van 1 juni 2008 een weloverwogen, gezamenlijke keuze van de werkneemster en haar werkgever geweest. Het UWV heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de bedongen arbeid is gewijzigd, dat ten gevolge daarvan met ingang van 8 april 2009 een nieuwe periode van verplichte loondoorbetaling als bedoeld in artikel 7:629 van het BW is ontstaan en dat de daaruit ontvangen inkomsten in mindering moeten worden gebracht op de uitkering van de werkneemster. Het hoger beroep van het UWV slaagt derhalve.

ECLI:NL:CRVB:2014:1803 - Intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering omdat betrokkene niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting wat betreft de omvang van zijn werkzaamheden, de aard van zijn werkzaamheden en de ontvangen financiële middelen, waardoor het recht op uitkering niet is vast te stellen. Betrokkene heeft op geld waardeerbare arbeid verricht en hij heeft niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens opheldering kunnen verschaffen over de door hem daarvoor ontvangen betalingen.

ECLI:NL:CRVB:2014:2136 - Leenbijstand wegens in aanmerking te nemen vermogen gebonden in de door appellanten bewoonde woonwagen. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat, gelet op de verbintenisrechtelijke aanspraken van appellanten op de woonwagen en de op hen rustende risico’s en onderhoudsverplichtingen, deze woonwagen is aan te merken als een bezitting van appellanten in de zin van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb. Terecht is uitgegaan van de WOZ-waarde van de woonwagen. Dat moet worden uitgegaan van de waarde van de woonwagen na gebruikmaking van het wegbreekrecht en de daarmee verband houdende kosten en mogelijke schade, is niet aannemelijk gemaakt. De Raad voorziet zelf in de zaak en stelt het bedrag aan leenbijstand vast op €37.379,-.

ECLI:NL:CRVB:2014:2146 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding van de vermogensgrens met €86.900,-. Door van de eigendom van de woning geen melding te maken aan het college en zich als huurder te presenteren, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De gestelde schuld bij zijn moeder is niet in voldoende mate aannemelijk gemaakt en ook staat niet vast dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

ECLI:NL:CRVB:2014:2164 - Tussenuitspraak. Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijbare werkloosheid omdat aan het ontslag een dringende reden ten grondslag ligt die appellante kan worden verweten. De Raad oordeelt dat als een werknemer een aanvraag om een WW-uitkering doet en in verband daarmee alle inlichtingen verstrekt die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op de uitkering, en het UWV de uitkering vervolgens blijvend en geheel weigert in verband met de aanwezigheid van een dringende reden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, het aan het UWV is om het bestaan van die dringende reden te bewijzen. Niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de werkgever appellante op staande voet heeft ontslagen op grond van de in het bestreden besluit genoemde redenen. Dat betekent dat evenmin vaststaat dat aan de werkloosheid van appellante een dringende reden ten grondslag ligt.

ECLI:NL:CRVB:2014:2267 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van een koelkast, komfoor en televisie. De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Voor duurzame gebruiksgoederen geldt dat appellant deze dient te betalen door vooraf geld te reserveren, dan wel door daarvoor geld te lenen bij de gemeentelijke kredietbank of door gespreide betaling achteraf. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor appellant geen gebruik kan maken van deze opties.

ECLI:NL:CRVB:2014:2279 - Weigering bijzondere bijstand voor extra stookkosten omdat de kosten niet als medisch noodzakelijk zijn aan te merken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het advies van de GGD op deugdelijke wijze tot stand is gekomen. Appellant heeft dit advies niet bestreden met een ander deskundigenadvies.

ECLI:NL:CRVB:2014:2325 - Ingangsdatum Ioaw-uitkering. Appellanten hebben voldoende actie in de richting van het UWV ondernomen die had moeten leiden tot het toezenden van een aanvraagformulier Ioaw. Hierbij is mede van belang dat het UWV als meldingsdatum 17 september 2010 op het aanvraagformulier heeft ingevuld, hetgeen vervolgens handmatig is gewijzigd in 4 augustus 2011. Dat appellanten de afspraak op 22 december 2010 hebben afgezegd en dat zij vervolgens tot 5 april 2011 hebben afgewacht alvorens opnieuw contact op te nemen met het UWV, kan appellanten, gelet op de duur van deze periode en door het UWV gedane mededelingen, niet worden tegengeworpen. De Raad voorziet zelf in de zaak en stelt de ingangsdatum van de uitkering opnieuw vast.

ECLI:NL:CRVB:2014:2355 - Tussenuitspraak. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. De werkgever heeft in de periode na afronding van het onderzoek tot het moment dat verzoeker in kennis is gesteld van het voornemen tot strafontslag niet voortvarend gehandeld. Gelet op dit tijdsverloop moet worden geconcludeerd dat de gedragingen van verzoeker voor de werkgever blijkbaar niet zodanig waren dat deze een arbeidsrechtelijke dringende reden voor ontslag vormden. Aan het ontslag van verzoeker heeft geen dringende reden ten grondslag gelegen.

ECLI:NL:CRVB:2014:2362 - Bijstandverlening met terugwerkende kracht. Appellante heeft op grond van, achteraf onjuist gebleken, informatie van de bijstandsconsulent afgezien van een aanvraag. Daarin zijn bijzondere omstandigheden gelegen die rechtvaardigen dat de bijstand, in afwijking van artikel 44, eerste lid, van de Wwb, met ingang van een eerdere datum wordt toegekend dan de datum waarop appellante zich laatstelijk bij het UWV-Werkbedrijf heeft gemeld.

ECLI:NL:CRVB:2014:2481 - Intrekking en terugvordering aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) wegens overschrijding van de vermogensgrens. Door de eigendom van het appartementencomplex in Turkije niet te melden, hebben appellanten hun inlichtingenverplichting geschonden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, recht op AIO-aanvulling bestond.

ECLI:NL:CRVB:2014:2512 - Toekenning WGA-vervolguitkering waarbij de arbeidsongeschiktheidsklasse ongewijzigd is vastgesteld op 35 tot 45%. In hoger beroep is komen vast te staan dat aan de onderhavige schatting voldoende geschikte functies ten grondslag kunnen worden gelegd. Op basis van deze drie functies wijzigt de bij het bestreden besluit vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse niet. De in het bestreden besluit vastgestelde verdiencapaciteit wijzigt daarentegen wel, omdat thans een andere functie aan de schatting ten grondslag wordt gelegd dan aanvankelijk het geval was. Aangezien deze (resterende) verdiencapaciteit van belang is voor de vaststelling van de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit om deze reden in rechte geen stand kan houden. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid en de verdiencapaciteit van betrokkene wordt vastgesteld op respectievelijk 43,15% en €1955,-.

ECLI:NL:CRVB:2014:2519 - Tussenuitspraak. Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 100% en niet de door appellant gevraagde IVA-uitkering. De raadpleging van een arbeidsdeskundige strekt in een geval als het onderhavige niet tot beoordeling van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid - het beoordelen van de duurzaamheid van beperkingen is en blijft een uitsluitende taak van de verzekeringsarts -, maar strekt louter tot beantwoording van de vraag of niet reeds de door de verzekeringsarts als blijvend aangemerkte arbeidsbeperkingen tot volledige arbeidsongeschiktheid leiden. De medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd.

ECLI:NL:CRVB:2014:2685 - Tussenuitspraak. Toekenning WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 47,21%. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is de fictie dat appellant Nederlands kan "leren" spreken en verstaan niet van toepassing, omdat het gaat om een functie met een opleidingseis uitstijgend boven afgerond basisonderwijs, namelijk VMBO-niveau. Nu appellant geen Engels of Duits spreekt en bovendien het Nederlands onvoldoende beheerst, is de functie van beveiliger in een museum dan ook ten onrechte aan de schatting ten grondslag gelegd. Het bestreden besluit berust op een gebrekkige arbeidskundige motivering.

ECLI:NL:CRVB:2014:2704 - Onvoltooide verjaringstermijn terugvordering. Aan appellanten is onverschuldigd Ioaw-uitkering betaald omdat zij in de periode in geding hoofdzakelijk buiten de gemeente verbleven. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de commissie eerder met onverschuldigdheid van de betaling van de uitkering op de hoogte is geraakt dan na hun gehoor en de afsluiting van het onderzoek op 12 december 2006. Immers, bij dat onderzoek is de woonplaats geraadpleegd en is toen pas bekend geworden dat appellanten al ruim vóór juli 2005 aanvragen hadden gedaan om toestemming voor permanente bewoning van hun woningen op een recreatiepark in de andere gemeente, terwijl voorts in dat onderzoek getuigen zijn gehoord op het vakantiepark en verbruiks- en belastinggegevens bekend zijn geworden, waaruit de gevolgtrekking kon worden gemaakt dat appellanten al sinds april 2000 hoofdzakelijk buiten de gemeente verbleven. Hieruit volgt, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, dat de terugvordering niet is verjaard.

ECLI:NL:CRVB:2014:2765 - Tussenuitspraak. Indien het effect van een gemeentelijke verordening is dat een betrokkene als gevolg van detentie in feite gedurende drie jaren wordt uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, is de gemeenteraad niet bevoegd tot het stellen van regels die tot uitsluiting leiden van het recht op langdurigheidstoeslag. Het college dient nader te onderzoeken of appellant over de jaren 2009, 2010 en 2011 aanspraak kan maken op langdurigheidstoeslag. De Raad draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2014:2896 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante heeft geweigerd mee te werken aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld. Het standpunt van appellante dat haar vanwege gestelde psychische problematiek geen verwijt kan worden gemaakt van de weigering mee te werken aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek volgt de Raad niet omdat appellante dit niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt. Er is geen sprake van dringende redenen om van intrekking af te zien.

ECLI:NL:CRVB:2014:2944 - Tussenuitspraak. Intrekking bijstandsuitkering omdat appellante beschikt over onroerend goed in Turkije waarvan de waarde hoger is dan de voor haar toepasselijke vermogensgrens. Naar Turks recht bewijst de verkrijger na een eigendomsovergang met een "tapu senedi" op een bepaalde datum eigenaar van een bepaalde onroerende zaak te zijn geworden. Dit betekent, anders dan de Raad in een eerdere uitspraak heeft overwogen, dus ook dat de vervreemder naar Turks recht met een "tapu senedi" kan bewijzen met ingang van die datum niet langer eigenaar te zijn.

ECLI:NL:CRVB:2014:2947 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd zonder daarvan mededeling te doen aan het college. De Raad oordeelt dat kerntaken met betrekking tot de bijstandverlening, zoals de preventie van bijstandsfraude, binnen het publieke domein dienen te worden uitgevoerd. Deze mogen niet worden uitbesteed aan een privaat bedrijf, zoals in onderhavige zaak is gebeurd. Gebeurt dat wel, dan is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs dat niet gebruikt kan worden door het college.

ECLI:NL:CRVB:2014:2971 - Ingangsdatum bijstandsuitkering. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het appellant valt te verwijten dat hij de aanvraag om bijstand niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend na de melding op de datum in geding, zodat het college de ingangsdatum van de bijstand ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Wwb had moeten vaststellen op die datum. Daarbij wordt aangetekend dat het college niet heeft aangevoerd dat er enig beletsel bestaat om aan appellant met ingang van die datum bijstand te verlenen.

ECLI:NL:CRVB:2014:2994 - Ingangsdatum WIA-uitkering na indiening van een onvolledige aanvraag. Nu appellant naar aanleiding van de brief van het UWV waarin was vermeld dat hij vóór de datum in geding een WIA-uitkering kon aanvragen een (nagenoeg compleet) re-integratieverslag heeft opgestuurd, blijkt hieruit voldoende duidelijk dat appellant beoogde een WIA-uitkering aan te vragen. Daarbij is van belang dat het gebruik van een aanvraagformulier geen vereiste is op grond van de Awb en de Wet WIA. Een niet op de juiste wijze ingediende of niet-volledige aanvraag kan worden afgehandeld op de wijze die in artikel 4:5 van de Awb is voorzien, hetgeen van invloed kan zijn op de termijn waarop beslist kan worden op de aanvraag, maar niet op de ingangsdatum van de toe te kennen uitkering.

ECLI:NL:CRVB:2014:3120 - Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat appellant door zonder tegenbericht niet te verschijnen om de arbeidsovereenkomst te ondertekenen algemeen geaccepteerde arbeid heeft geweigerd. Gelet op een eerder opgelegde maatregel is tevens sprake van recidive. Het college heeft onvoldoende maatwerk geleverd. Het college had appellant niet aangesproken over het geruime tijdsverloop van het arbeidsverzuim (meer dan tweeënhalve maand) en over de aangeboden tweede verlenging van de arbeidsovereenkomst, maar heeft appellant plompverloren uitgenodigd om een arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Het is niet verwijtbaar dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de oproep om het nieuwe contract te ondertekenen.

ECLI:NL:CRVB:2014:3221 - Tussenuitspraak. Weigering bijzondere bijstand voor dieetkosten. De Raad oordeelt dat bijzondere bijstand voor kosten van glutenvrij dieet ten onrechte is afgewezen op de grond dat de Zorgverzekeringswet voor deze kosten als voorliggende voorziening ten opzichte van de Wwb is aan te merken. De Raad draagt het college op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2014:3245 - Intrekking ZW-uitkering omdat appellante de laatste vier weken vóór de ziekmelding niet persoonlijk arbeid heeft verricht dan wel loon heeft ontvangen. De Raad oordeelt dat het UWV niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Dat geen loon zou zijn betaald, hetgeen appellante gemotiveerd heeft betwist, is evenmin aannemelijk geworden.

ECLI:NL:CRVB:2014:3251 - Intrekking bijstand omdat appellante door geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek de op haar ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wwb rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het betoog van appellante dat het college van haar geen medewerking mocht verlangen aan het afleggen van een huisbezoek omdat een melding van zes jaar terug waaruit twijfel over de woon- en leefsituatie naar voren is gekomen geen redelijke grond vormt voor een huisbezoek en dat appellante niet is geïnformeerd over wat meer dan die melding tot een huisbezoek noopt, wordt verworpen. Ter zake van bestreden besluit 2 heeft de rechtbank niet onderkend dat appellante de hoogte van de toegekende wettelijke rente heeft betwist en dat de wijze waarop de wettelijke rente is berekend onjuist is. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen dat besluit dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI:NL:CRVB:2014:3351 - Tussenuitspraak. Weigering bijstandsuitkering omdat appellant ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wwb geen recht op algemene bijstand heeft daar hij jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen. Appellant heeft terecht aangevoerd dat hij in de te beoordelen periode niet uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kon volgen omdat het alleen mogelijk is om in september en in februari met de beoogde opleidingen te beginnen. De Raad oordeelt dat in aanmerking moet worden genomen de datum waarop deelname aan dit onderwijs feitelijk mogelijk was. Het bestreden besluit ontbeert een toereikende motivering en juiste feitelijke grondslag. De Raad draagt het college op het gebrek te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2014:3361 - Herziening bijstandsuitkering van de gehuwden- naar de ongehuwdennorm omdat de echtgenote van appellant in de periode in geding haar hoofdverblijf had in Egypte. Terugvordering van ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van €35.493,52. De in de rapportage van de SVB opgenomen samenvatting van de verklaring van de kinderen, 13 en 16 jaar oud, waarborgt onvoldoende dat wat de kinderen hebben verklaard juist is weergegeven en bovendien wordt niet weergegeven hoe de gesprekken zijn verlopen. De getuigenverklaringen van de buurtbewoners bieden onvoldoende aanknopingspunten om het standpunt van het college te onderbouwen. De Raad oordeelt dat er ontoereikende feitelijke grondslag is voor het standpunt dat het centrum van het maatschappelijk leven van de echtgenote van appellant zich in Egypte bevond.

ECLI:NL:CRVB:2014:3416 - Tussenuitspraak. Herziening, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant in de periode in geding contante bedragen op zijn bankrekening heeft gestort waarvan de herkomst onduidelijk is gebleven. De Raad oordeelt dat een eenmalige kasstorting die, in afwijking van de voorgaande periodieke kasstortingen, de toepasselijke bijstandsnorm te boven gaat, moet worden aangemerkt als vermogen. Het recht op bijstand kan wel worden vastgesteld. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2014:3441 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Appellante heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, hetgeen heeft geleid tot de disciplinaire straf van ontslag. De gedragingen van appellante vormen in objectieve en subjectieve zin een dringende reden voor de korpschef om de aanstelling van appellante te beëindigen. Als de disciplinaire procedure is afgerond binnen de geldende voorschriften en tot aan de bekendmaking van het ontslagbesluit steeds voldoende voortvarend is gehandeld, dan kan ook als er enige tijd is verstreken tussen de (bekendwording van de) gedraging en het ontslagbesluit nog sprake zijn van een dringende reden en dus van verwijtbare werkloosheid. Van belang is voorts dat appellante op geen enkel moment te kennen is gegeven dat de verweten gedragingen niet als ernstig plichtsverzuim worden gezien of dat daaraan andere gevolgen zouden worden verbonden dan een ontslag.

ECLI:NL:CRVB:2014:3495 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV heeft de beperkingen voor arbeid van appellante zorgvuldig en juist beoordeeld. In het bestreden besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 70,78% en is tevens de resterende verdiencapaciteit gewijzigd. Aangezien de resterende verdiencapaciteit van belang is voor de vaststelling van de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis, is met de wijziging van de resterende verdiencapaciteit ook een verandering in de rechtspositie van appellante aangebracht. Er is sprake van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Hieruit volgt dat het UWV ten onrechte het bezwaar van appellante ongegrond heeft verklaard en ten onrechte heeft geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden.

ECLI:NL:CRVB:2014:3691 - Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering bijstandsuiktering omdat appellant zich als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. In geding is de redelijkheid van de duur van de intrekking met terugwerkende kracht. De Raad geeft een aantal criteria voor toepassing van de uitsluitingsgrond "het onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf". Naar het oordeel van de Raad heeft het college de uitsluiting van het recht op bijstand op deze uitsluitingsgrond, gebaseerd op informatie van het CJIB, onvoldoende onderbouwd. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2014:3698 - Weigering bijstandsuitkering omdat appellant niet alle relevante informatie heeft overgelegd, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, gaat het onder de omstandigheden te ver om voor de toepassing van de Wwb zonder meer aan te nemen dat appellant in de periode in geding enkel op grond van een nimmer gebruikte machtiging voor bankrekeningen van diens zus en zwager beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken over in aanmerking te nemen vermogen dat aan bijstandverlening aan hem in de weg stond. Daaruit vloeit tevens voort dat de door het college gevraagde afschriften van de bankrekeningen niet noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand.

ECLI:NL:CRVB:2014:3754 - Herziening en terugvordering WW-uitkering en boeteoplegging van €14.658,01 wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij over de hoogte en de bekendmaking van de boete is beslist. Omdat deze uitspraak de eerste is over een bestuurlijke boete die is opgelegd onder de werking van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, gaat de Raad uitgebreid in op onder meer het overgangsrecht, de toepassing van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, de evenredigheid en de draagkracht van de overtreder. De Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, die met ingang van 1 januari 2013 in werking is getreden, voorziet in een drastische verhoging van op te leggen boetes in de sociale zekerheid. Tot 1 januari 2013 bedroeg de hoogte van op te leggen boetes in beginsel 10% van het benadelingsbedrag met een maximum van €2269,-. Vanaf 1 januari 2013 bedraagt de boete in beginsel 100% van het benadelingsbedrag zonder wettelijk maximum. Ook de wettelijke ondergrens van de op te leggen boete is verhoogd, namelijk van €52,- naar €150,-.

ECLI:NL:CRVB:2014:3763 - Weigering bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting doordat appellant heeft geweigerd informatie te verstrekken over de identiteit van de ten tijde van het huisbezoek aanwezige vrouw. Niet kan worden gezegd dat appellant door de vraag over de identiteit van de in zijn woning aanwezige vrouw niet te beantwoorden de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant was niet gehouden meer te verklaren dan hij heeft gedaan. In dit kader is van belang dat appellant wel heeft meegewerkt aan het huisbezoek.

ECLI:NL:CRVB:2014:3791 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat appellante niet aan haar eerst afgelegde en ondertekende verklaring kan worden gehouden omdat zij zonder tolk is gehoord terwijl het college haar had opgeroepen met een tolk. Er zijn onvoldoende waarborgen dat het rapport juist en zakelijk weergeeft wat appellante heeft verklaard.

ECLI:NL:CRVB:2014:3806 - Boeteoplegging wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. In deze zaak laat de Raad zich voor het eerst uit over een aantal procedurevoorschriften bij het opleggen van een bestuurlijke boete. Artikel 5:53 van de Awb bepaalt dat bij overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van meer dan €340,- de zogenoemde verzwaarde procedure van toepassing is, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Deze verzwaarde procedure betekent dat op het bestuursorgaan de verplichting rust om van de door betrokkene gepleegde overtreding een boeterapport op te maken, dat de betrokkene in de gelegenheid moet worden gesteld zijn zienswijze te geven op het voornemen hem een boete op te leggen en dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete niet wordt verleend aan degene die van de overtreding een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt.

ECLI:NL:CRVB:2014:3897 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering op de grond dat betrokkene vanaf de datum in geding niet meer woonachtig is in de gemeente zodat jegens het college geen recht bestaat op bijstand, dat contant geld en sieraden in een kluis op het uitkeringsadres zijn aangetroffen en dat betrokkene gemachtigd was op een tweetal rekeningen van haar zoon. Door dit alles niet te melden aan het college heeft betrokkene de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad oordeelt dat het aangetroffen geld tot het vermogen van betrokkene kan worden gerekend, maar dat dit nog niet rechtvaardigt dat de bijstand over een voorliggende periode niet kan worden vastgesteld.

ECLI:NL:CRVB:2014:3970 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegen verwijtbare werkloosheid. Toewijzing verzoek om voorlopige voorziening in die zin dat het UWV bij wijze van voorschot op de WW-uitkering aan verzoeker met ingang van de datum in geding een bedrag van €500,- bruto per maand betaalt. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd over zijn financiële situatie een voldoende spoedeisend belang gelegen. Voorts bestaat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen stand zal houden.

ECLI:NL:CRVB:2014:3987 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant in de jaren in geding, gelet op het feit dat hij de weekenden in België verblijft en omdat hij in die jaren al langer dan de maximale duur van vier weken in het buitenland had verbleven, één dag per week geen recht heeft op bijstand. De Raad oordeelt echter dat de bijzondere omstandigheden van dit geval er niet toe leiden dat onverkorte bijstandverlening in strijd komt met het in de Wwb neergelegde territorialiteitsbeginsel.

ECLI:NL:CRVB:2014:4006 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding. De Raad overweegt dat indien na intrekking of beëindiging wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding betrokkene bij een nieuwe aanvraag verklaringen overlegt met concrete en feitelijke informatie over de woonsituatie, van het college kan worden verlangd dat een onderzoek wordt verricht naar de juistheid van deze verklaringen, bijvoorbeeld door het afleggen van een huisbezoek. De Raad voorziet zelf in de zaak.

ECLI:NL:CRVB:2014:4113 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellanten redelijkerwijs konden beschikken over vermogen boven de vermogensgrens. Appellant heeft als gemachtigde bij een bankrekening in de periode in geding transacties verricht. Dat daarna een periode volgt zonder transacties brengt niet mee dat appellanten ook in deze latere periode niet redelijkerwijs hebben kunnen beschikken over het tegoed op die rekening.

ECLI:NL:CRVB:2014:4214 - Intrekking, terugvordering en boeteoplegging wegens verzwegen inkomsten uit nabestaandenpensioenen. Uit de artikelen 8:69 en 8:72a van de Awb, in onderlinge samenhang bezien met artikel 5:46, tweede en vierde lid, van de Awb, volgt dat de Raad gehouden is een aan zijn oordeel onderworpen boete te vernietigen indien sprake is van feiten en omstandigheden die het oordeel rechtvaardigen dat die boete ten onrechte door de rechtbank is opgelegd of niet als een evenredige boete kan worden bestempeld. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt niet dat de wetgever de bevoegdheid van de Raad om een door de rechtbank opgelegde boete desgeraden ook ten nadele van het bestuursorgaan te vernietigen of te verlagen, heeft willen beperken met de invoering van incidenteel hoger beroep.

ECLI:NL:CRVB:2014:4350 - Weigering bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting doordat appellant heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek en voortijdig de spreekkamer heeft verlaten, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad oordeelt dat onder de gegeven omstandigheden appellant in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij er, wellicht wat emotioneel, blijk van heeft gegeven op dat moment niet te kunnen instemmen met een onmiddellijk af te leggen huisbezoek aangezien dit het eerder geplande sollicitatiegesprek, en daarmee de mogelijkheid van het verkrijgen van een baan, zou doorkruisen.

ECLI:NL:CRVB:2014:4388 - Tussenuitspraak. Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Ter zake van het strafontslag kan niet worden gezegd dat de toenmalige korpsbeheerder na ontvangst van het betreffende rapport onverwijld actie heeft ondernomen om te komen tot een beëindiging van de aanstelling van appellant. Vanaf de datum in geding, toen duidelijkheid bestond over de verklaringen van de betrokkenen en de (ontkennende) verklaringen van appellant, heeft het immers nog ruim 3,5 maand geduurd voordat het strafontslag werd geëffectueerd. Het UWV heeft aan appellant ten onrechte WW-uitkering geweigerd op de grond dat aan zijn werkloosheid een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt. Van verwijtbare werkloosheid is geen sprake. Ook het voorschot is ten onrechte geweigerd. Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2015:34 - Weigering Bbz-uitkering omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een wijziging van het eerder ter zake van hetzelfde doel genomen besluit. De levensvatbaarheid van de onderneming van appellante ten tijde van de aanvraag is door het college niet onderzocht. Gezien het korte tijdsverloop tussen de aanvraag van 7 augustus 2012 en de aanvraag van 3 april 2013 is aannemelijk dat de levensvatbaarheid op beide data niet wezenlijk verschilde. Voorts heeft het college geen aannemelijke verklaring kunnen geven waarom het in april 2013 aanwezige vermogen in zijn geheel is aangemerkt als voor de uitoefening van het bedrijf noodzakelijk vermogen en waarom het in augustus 2012 aanwezige vermogen in zijn geheel niet. De Raad merkt ook het in augustus 2012 aanwezige vermogen in zijn geheel aan als voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijk vermogen.

ECLI:NL:CRVB:2015:57 - Weigering bijstandsuitkering omdat betrokkene niet rechtmatig verblijf houdt in Nederland. Het college was niet bevoegd om zelfstandig vast te stellen dat betrokkene geen verblijfsrecht (meer) heeft. Het college had daarover in overleg moeten treden met de staatssecretaris. Door dit na te laten, heeft het colege het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid en heeft het college de afwijzing van de aanvraag ten onrechte gebaseerd op de grond dat betrokkene als gevolg van de aanvraag om bijstand niet langer rechtmatig verblijf houdt in Nederland, zodat betrokkene geen rechthebbende is in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Wwb. Het college heeft niet in overleg met de staatssecretaris onderzocht of betrokkene aan het recht van de EU in de beoordelingsperiode een verblijfsrecht hier te lande kon ontlenen. Dat het hier gaat om een EU-burger die zich niet bij de IND heeft gemeld, maakt dat niet anders.

ECLI:NL:CRVB:2015:89 - Tussenuitspraak. Herleving WW-uitkering. De Raad oordeelt dat appellante niet altijd juist is geïnformeerd door het UWV over de complexe samenloop van haar uitkeringen en stelt vast dat hier sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35 van de WW dat rechtvaardigt dat de uitkering eerder kan ingaan dan 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het bestreden besluit berust op een onvoldoende motivering. De Raad draagt het UWV op om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2015:138 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 62,23%. De belastbaarheid van appellant is niet overschat. De geschiktheid van de geselecteerde functies is afdoende gemotiveerd. De herberekening van de urenomvang van de maatman levert een zeer miniem verschil op nu het arbeidsongeschiktheidspercentage hierdoor is gewijzigd van 62,23 naar 62,31. De enkele, zeer minieme, bijstelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage zonder wijziging in de vastgestelde resterende verdiencapaciteit heeft geen enkele consequentie voor de hoogte van de uitkering van appellant.

ECLI:NL:CRVB:2015:153 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante meer uren heeft gewerkt dan opgegeven. Het beroep op artikel 8 EVRM faalt. Het college heeft het onderzoeks- en controlemiddel van heimelijke waarnemingen mogen inzetten omdat er geen minder belastend onderzoeksmiddel was. Er bestond geen reële mogelijkheid om eerst bij de werkgever navraag te doen naar de omvang van de werkzaamheden.

ECLI:NL:CRVB:2015:177 - Ingangsdatum bijstandsuitkering. Er is sprake van bijzondere omstandigheden die verlening van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Nu het college zelf de onduidelijkheid over de afhandeling van een eerdere aanvraag om bijstand van appellante heeft geschapen, kan appellante niet worden verweten dat zij niet eerder een aanvraag om bijstand heeft gedaan.

ECLI:NL:CRVB:2015:185 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De intrekking van de bij nader besluit toegekende WGA-uitkering ontbeert een deugdelijke medische grondslag. De door de Raad geraadpleegde psychiaters concluderen in hun rapport tot de aanwezigheid van meer beperkingen, aangezien appellante leed aan een ernstige depressieve stoornis met atypische psychotische kenmerken. Daarnaast is sprake van lichte zwakzinnigheid. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van de datum in geding ongewijzigd wordt vastgesteld op 80 tot 100%. Veroordeling tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

ECLI:NL:CRVB:2015:193 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid omdat appellant hardnekkig heeft geweigerd te voldoen aan de redelijke bevelen of opdrachten die door de werkgever werden verstrekt, welke gedragingen een objectieve dringende reden voor ontslag vormen. Van een subjectieve dringende reden was naar de mening van het UWV ook sprake, omdat de werkgever na ontvangst van het deskundigenoordeel spoedig actie heeft ondernomen om te komen tot beëindiging van het dienstverband. De Raad oordeelt echter dat van een objectieve dringende reden geen sprake was. Volgens de Raad valt niet in te zien dat in de onderhavige situatie redelijkerwijs niet van de werkgever gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren totdat op een verzoek tot ontbinding van die overeenkomst wegens verandering in de omstandigheden zou zijn beslist.

ECLI:NL:CRVB:2015:202 - Administratieve loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Met de vaststelling dat het re-integratieverslag compleet is geworden met het van de werknemer ontvangen document en het UWV dus beschikt over alle voorgeschreven stukken, is het stadium gepasseerd waarin aan appellante een administratieve loonsanctie kon worden opgelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA kan nu geen loonsanctie wegens eventuele inhoudelijke tekortkomingen meer worden opgelegd. De Raad voorziet zelf in de zaak en herroept het besluit waarbij aan appellante de verplichting tot doorbetalen van loon aan de werknemer is opgelegd.

ECLI:NL:CRVB:2015:249 - Weigering voorschot op de WW-uitkering vanwege de verwachting dat een WW-uitkering bij wijze van maatregel blijvend geheel zal worden geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid van betrokkene, omdat aan diens ontslag een dringende reden ten grondslag lag, te weten het als politiefunctionaris bevragen van politiesystemen voor niet-zakelijke doeleinden. De Raad oordeelt dat van voortvarend handelen, gericht op een zo spoedig mogelijke beëindiging van de aanstelling van betrokkene, geen sprake is geweest. Er is geen dringende reden voor ontslag, zodat de werkloosheid niet verwijtbaar is. Dit betekent dat ten tijde van het besluit tot weigering van een voorschot niet de gerechtvaardigde verwachting bestond dat de WW-uitkering blijvend geheel zou worden geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.

ECLI:NL:CRVB:2015:267 - Herziening en verlaging ZW-uitkering per datum in geding omdat de arbeidsongeschiktheid niet het gevolg is van de zwangerschap maar van een auto-ongeval. De Raad oordeelt dat het UWV ten onrechte heeft beslist dat appellante geen recht meer heeft op een ZW-uitkering ter hoogte van het dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW. De gebruikte woorden van de verzekeringsarts "in overwegende mate" duiden er niet op dat het buiten twijfel staat dat de klachten van appellante alleen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de zwangerschap. Daarnaast prevaleert bij een combinatie van oorzaken van arbeidsongeschiktheid volgens de Standaard Zwangerschap en Bevalling de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de zwangerschap. Het UWV heeft niet gemotiveerd dat de bekken- en rugklachten, opzichzelfstaand, niet tot arbeidsongeschiktheid leiden. Het staat dan ook niet buiten twijfel dat de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid alleen voortvloeit uit het auto-ongeval en zijn oorzaak niet (mede) vindt in de zwangerschap.

ECLI:NL:CRVB:2015:298 - Geen oplegging loonsanctie omdat de werkgever heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Bij de mogelijkheden van de werknemer om op te komen tegen het oordeel van het UWV over de re-integratie-inspanningen en om te verzoeken om vergoeding van schade als een loonsanctie ten onrechte achterwege is gebleven, is anders dan voorheen tot uitgangspunt genomen dat het UWV zijn beoordeling van de re-integratie-inspanningen niet alleen moet neerleggen in een beschikking als aan de werkgever een loonsanctie wordt opgelegd, maar dat het UWV ook gehouden is een beschikking te geven als voor een loonsanctie geen grond is. Hiermee is aangesloten bij de huidige praktijk van het UWV. Ook als in verband met artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA geen loonsanctie meer kan worden opgelegd, behoudt de werknemer belang bij een oordeel over de re-integratie-inspanningen van de werkgever als hij te kennen heeft gegeven dat hij de schade vergoed wil hebben die het gevolg is van het volgens hem ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie.

ECLI:NL:CRVB:2015:343 - Oplegging maatregel van 100% gedurende drie maanden omdat appellant wederom verwijtbaar niet heeft meegewerkt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. De opgelegde verplichting om aan het re-integratietraject deel te nemen, is geen arbeidsverplichting als verboden in artikel 4 EVRM. De gemeentelijke verordening biedt geen grondslag voor de opgelegde maatregel. De Raad oordeelt dat, gelet op de recidive, een maatregel van 50% gedurende twee maanden had moeten worden opgelegd.

ECLI:NL:CRVB:2015:425 - Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante inkomsten heeft gehad uit het fokken van, handelen in en het laten dekken van honden, waarvan zij aan het college geen opgave heeft gedaan. Anders dan het college heeft aangevoerd, is er geen sprake van een onderzoek door een privaat bedrijf dat is uitgevoerd onder gezag en aansturing van de gemeente en dat louter vanwege gespecialiseerde expertise ingehuurd is. Het college heeft kerntaken, die binnen het publieke domein dienen te worden uitgevoerd, uitbesteed aan een privaat bedrijf. Dit leidt ook in dit geding tot de conclusie dat het college de onderzoeksbevindingen heeft verkregen in strijd met artikel 7, vierde lid, van de Wwb. Van dit onrechtmatig verkregen bewijs moet ook in dit geval worden gezegd dat het gebruik ervan door het college zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

ECLI:NL:CRVB:2015:455 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomsten uit handel in (nep) verdovende middelen. Appellant heeft geen inzicht verschaft in de omvang van zijn activiteiten en de hieruit genoten inkomsten, als gevolg waarvan het recht op bijstand over de maanden in geding niet kan worden vastgesteld. Het besluit tot intrekking van de bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Processen-verbaal uit de strafprocedure kunnen een voldoende grondslag vormen voor de besluitvorming van het college.

ECLI:NL:CRVB:2015:456 - Opschorting en intrekking bijstandsuitkering en oplegging van een maatregel van 30% gedurende één maand omdat betrokkene zijn arbeidsverplichtingen niet is nagekomen door verwijtbaar niet te verschijnen op de oproepen voor deelname aan een oriëntatieperiode. Het niet voldoen aan een re-integratieverplichting zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb kan niet worden aangemerkt als een situatie waarin het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In dat geval kan het college het recht op bijstand niet opschorten en daarna intrekken.

ECLI:NL:CRVB:2015:459 - Tussenuitspraak. Indiening nieuwe bijstandsaanvraag na eerdere intrekking van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding. De aanvraag is afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn. De stelling van appellante dat in haar woning geen spullen van de partner zullen worden aangetroffen, is naar het oordeel van de Raad een relevante gewijzigde omstandigheid. Deze omstandigheid is concreet en verifieerbaar voor het college, terwijl appellante deze omstandigheid niet verder kan aantonen.

ECLI:NL:CRVB:2015:486 - Tussenuitspraak. Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Het door appellant in geding gebrachte expertiserapport getuigt van een zorgvuldig verricht en diepgaand onderzoek waarbij op basis van anamnese, fysiek onderzoek van appellant en bestudering van de medische informatie tot inzichtelijke en consistente conclusies is gekomen. Hetgeen de verzekeringsarts tegen het expertiserapport heeft ingebracht, is mede gelet op het weinig inhoudelijke karakter van de in de betreffende rapporten vervatte reacties onvoldoende om de uitgebreide en inzichtelijke afwegingen en conclusies in het expertiserapport te weerleggen, waardoor deze rapporten overtuigingskracht missen. Het bestreden besluit berust op een onvoldoende deugdelijke medische grondslag en is daarom ontoereikend gemotiveerd.

ECLI:NL:CRVB:2015:627 - Weigering toestemming om gebruik te mogen maken van de startersregeling op grond van artikel 77a van de WW omdat appellante reeds activiteiten als ondernemer heeft verricht voordat het UWV de plannen heeft beoordeeld. Intrekking WW-uitkering omdat het recht op WW-uitkering niet kan worden vastgesteld. De gronden daartegen zijn gericht op een beroep waarover de rechtbank (nog) geen uitspraak heeft gedaan, zodat het hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk wordt verklaard.

ECLI:NL:CRVB:2015:678 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van neurofeedbehandelingen omdat de Zvw en AWBZ als voorliggende voorzieningen gelden. De Raad oordeelt dat in de bijzondere medische omstandigheden van dit specifieke geval zeer dringende redenen zijn gelegen die bijzondere bijstand voor de kosten van de behandeling noodzakelijk maken. De Raad treft de voorlopige voorziening dat het dagelijks bestuur vanaf de dagtekening van deze uitspraak voor de neurofeedbackbehandelingen bij wijze van voorschot bijzondere bijstand verleent tot zes weken na de nieuwe beslissing op bezwaar.

ECLI:NL:CRVB:2015:808 - Terechte buitenbehandelingstelling Ioaz-aanvraag onder toepassing van artikel 4:5 van de Awb omdat appellant een groot deel van de gevraagde stukken, ook na een geboden hersteltermijn, niet heeft overgelegd. Verzoek om het beroep door een andere rechtbank te laten behandelen. Bij brief van 16 december 2013 heeft de griffier van de rechtbank appellant laten weten dat de brief van 28 november 2013 (met poststempel van 4 december 2013) pas op 5 december 2013 door de rechtbank is ontvangen en dat toen al, namelijk op de zitting van 3 december 2013, op het beroep uitspraak was gedaan.

ECLI:NL:CRVB:2015:810 - Geen oplegging loonsanctie omdat de werkgever heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Appellant stelt schade te hebben geleden door het ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie aan zijn werkgever. Ten tijde van het verzoek om schadevergoeding was de beslissing om geen loonsanctie op te leggen reeds neergelegd in het besluit tot toekenning van de WGA-uitkering. Voor vergoeding van de gestelde schade kan slechts plaats zijn indien het toekenningsbesluit als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Nu tegen dat besluit geen rechtsmiddelen zijn aangewend, heeft het besluit formele rechtskracht gekregen. Er is geen aanleiding voor een uitzondering op de formele rechtskracht.

ECLI:NL:CRVB:2015:907 - Herziening en terugvordering van bijstandsuitkering en AIO-aanvulling omdat het (verzwegen) Bosnisch pensioen van appellant als inkomen wordt aangemerkt dat op de bijstand in mindering dient te worden gebracht. De Raad oordeelt dat artikel 33, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wwb zoals die bepaling luidde op 1 juli 2004 een vrijlatingsbepaling kent voor particuliere oudedagsvoorzieningen, die door de SVB niet is toegepast. Wat betreft de zogeheten zesmaandenjurisprudentie van de Raad is voor toepassing daarvan in Wwb-zaken in beginsel geen plaats nu sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt ook.

ECLI:NL:CRVB:2015:921 - Toekenning IVA-uitkering, waarop 70% van het loon dat appellante aan de werkneemster heeft betaald in mindering wordt gebracht. Slechts voor zover het loon een rechtstreekse beloning vormt voor bepaalde arbeid of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid is sprake van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en maakt het deel uit van het sociaalverzekeringsrechtelijke loonbegrip. Indien een werkgever loon betaalt in een situatie waarin daarvoor geen uit de arbeidsovereenkomst en het BW voortvloeiende verplichting valt aan te wijzen, is dat loon niet aan te merken als tegenprestatie voor verrichte arbeid. Er is dan sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking. Het UWV heeft ten onrechte bij de berekening van de IVA-uitkering een bedrag van 70% van het door de werkgeefster doorbetaalde loon in mindering gebracht op het bedrag dat is berekend als het WIA-maandloon van de werkneemster. De Raad voorziet zelf in de zaak.

ECLI:NL:CRVB:2015:926 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. In de talrijke verzekeringsgeneeskundige rapporten die het UWV vanaf het bezwaar van appellante tot in hoger beroep als onderbouwing heeft gegeven, is nog steeds geen toereikende motivering te vinden van de opvatting dat appellante is afgegaan op een onjuist advies van haar bedrijfsarts en om die reden re-integratiekansen heeft gemist. De Raad komt daarom tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit niet in stand kunnen blijven.

ECLI:NL:CRVB:2015:973 - Herhaalde Ioaz-aanvraag na eerdere afwijzing op de grond dat appellant ten tijde van de bedrijfsbeëindiging nog geen 55 jaar oud was. De aanvraag van appellant uit 2011 moet worden opgevat als een herhaling van de aanvraag uit 2008 waarop het college in 2009 reeds heeft beslist. Op zo’n herhaalde aanvraag is artikel 4:6 van de Awb van toepassing en mag een bestuursorgaan de aanvraag, met verwijzing naar zijn eerdere besluit, afwijzen indien de aanvrager geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren brengt. Verder heeft appellant het college op 6 juli 2012 in gebreke gesteld. Het college heeft het bestreden besluit, binnen twee weken na ingebrekestelling, op 11 juli 2012 genomen, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college geen dwangsom heeft verbeurd.

ECLI:NL:CRVB:2015:1096 - Tussenuitspraak. Intrekking WGA-uitkering omdat appellante na herbeoordeling minder dan 35% arbeisdsongeschikt wordt geacht. Bij het laatste verzekeringsgeneeskundig heronderzoek is op aspect 1.9.3 niet langer een beperking in de FML opgenomen. Weliswaar staat het een verzekeringsarts vrij om op basis van de eigen beoordeling tot een andere inschatting van de belastbaarheid te komen dan bij een eerdere beoordeling, maar dit neemt niet weg dat in een situatie als de onderhavige, waarin bij een eerdere beoordeling is vastgesteld dat betrokkene is aangewezen op werk dat onder directe begeleiding wordt verricht, van welke beperking ter zitting van de zijde van het UWV is onderkend dat deze van grote betekenis kan zijn voor de mogelijkheid om functies te kunnen duiden, het niet langer aannemen van zo’n beperking deugdelijk gemotiveerd dient te worden. Een dergelijke motivering is in de verzekeringsgeneeskundige rapporten niet gegeven.

ECLI:NL:CRVB:2015:1098 - Weigering WW-uitkering omdat betrokkene wegens het ontbreken van een gezagsverhouding niet als werknemer kan worden aangemerkt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of betrokkene over de periode in geding, de periode waarin zij met twee anderen het bestuur van de Stichting vormde, als directeur in een gezagsverhouding heeft gestaan ten opzichte van de Stichting. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is bij de beoordeling van de vraag of tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon een gezagsverhouding bestaat niet van belang welke personen deel uitmaken van het orgaan van de rechtspersoon dat instructies aan die natuurlijke persoon kan geven. Of materieel sprake is van een gezagsverhouding is bij die beoordeling daarom niet relevant. De Hoge Raad heeft deze zogenoemde formele benadering recent bevestigd in (rechtsoverweging 3.3.3 van) zijn arrest van 22 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY9295). Betrokkene stond als directeur formeel in een gezagsverhouding tot het bestuur van de Stichting, hetgeen leidt tot de conclusie dat betrokkene in een gezagsverhouding stond tot de Stichting. Niet relevant is of er materieel sprake was van een gezagsverhouding tussen betrokkene en het bestuur. Hieruit volgt dat tevens niet relevant is dat betrokkene zelf deel uitmaakte van het bestuur.

ECLI:NL:CRVB:2015:1101 - Weigering WW-faillissementsuitkering. De Raad oordeelt dat met de enkele stelling dat appellant zich onvoldoende heeft vergewist van de solvabiliteit van de werkgever het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor appellant vóór het sluiten van de arbeidsovereenkomst naar objectieve maatstaf voorzienbaar is geweest dat het met de betaling van zijn loon op een kwade dag mis zou gaan, althans dat de kans daarop heel wat groter was dan de kans dat het daarmee wel goed zou aflopen. Het UWV heeft geen nadere objectieve gegevens overgelegd waaruit deze voorzienbaarheid wel kan worden afgeleid.

ECLI:NL:CRVB:2015:1112 - Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering WGA-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Het UWV heeft ten onrechte geconcludeerd dat op basis van de uit de waarnemingen verkregen gegevens, in samenhang met de tijdens het onderzoek alsnog door appellant verstrekte informatie, geen verantwoorde schatting kan worden gemaakt van de met de door appellant verrichte werkzaamheden verworven inkomsten. Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door alsnog de schatting te verrichten en zo nodig een nieuw besluit te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2015:1212 - Tussenuitspraak. Weigering bijstandsuitkering op de grond dat appellant beschikt over voldoende middelen van bestaan, omdat zijn inkomsten, bestaande uit zijn reguliere loon van de coffeeshop en de vaste bijkomende beloning van zijn werkgever in de vorm van één gram hasj per werkdag, hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm voor appellant en zijn gezin. Omdat appellant de ontvangen hasj niet vrij kan besteden, dit geen loon in natura betreft en voorts niet is onderbouwd dat deze kosten betrekking hebben op kosten die in de algemene bijstand zijn inbegrepen, kan de hasj niet als middel in de zin van artikel 31 van de Wwb worden aangemerkt. In dit geval kan de bijstand worden afgestemd in de vorm van een verlaging omdat in kosten van appellant wordt voorzien.

ECLI:NL:CRVB:2015:1213 - Tussenuitspraak. Weigering bijstandsuitkering met terugwerkende kracht. In dit geval heeft het college ten onrechte nagelaten een standpunt in te nemen over de vraag of appellant met terugwerkende kracht in aanmerking kan komen voor bijstand nu appellant, na eerdere afwijzing van zijn bijstandsaanvraag, een beroep kan doen op de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets. Het bestreden besluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust evenmin op een deugdelijke motivering.

ECLI:NL:CRVB:2015:1228 - Weigering bijstandsuitkering omdat betrokkenen onvoldoende duidelijkheid hebben verschaft over het woningbezit in Marokko waardoor het recht op bijstand ten tijde van de aanvraag niet is vast te stellen. De Raad oordeelt dat gemeenten zonder enige directe aanleiding mogen onderzoeken of mensen terecht bijstand ontvangen. Gemeenten mogen daarbij gebruik maken van risicoprofielen en die mogen worden gebaseerd op onderscheid naar land van herkomst.

ECLI:NL:CRVB:2015:1257 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant heeft verzuimd om vóór de datum in geding deel 2 en deel 3 van het kentekenbewijs en een aankoopbewijs of betalingsbewijs van de aanschaf van de auto over te leggen. De Raad oordeelt dat appellant geen verwijt kan worden gemaakt dat hij het verzuim niet heeft hersteld door niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens te verstrekken. Om deze reden was het college niet bevoegd om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Wwb tot intrekking over te gaan.

ECLI:NL:CRVB:2015:1295 - Intrekking IVA-uitkering met terugwerkende kracht en terugvordering omdat appellant bij de onderzoeken door verzekeringsartsen van het UWV een onjuist beeld heeft gegeven van zijn medische toestand. De Raad oordeelt dat niet voldoende is onderbouwd dat appellant met opzet, te weten met het doel een WIA-uitkering te verkrijgen, zich tijdens de onderzoeken door de verzekeringsartsen anders heeft voorgedaan dan op grond van zijn medische toestand op dat moment in de rede lag. De Raad herroept de besluiten waarbij aan appellant het recht op een WIA-uitkering is ontzegd en betaalde uitkeringen zijn teruggevorderd.

ECLI:NL:CRVB:2015:1316 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De Raad oordeelt dat de bestreden besluiten berusten op voldoende medische grondslag en duiding van een voldoende aantal geschikte functies. De bijgeduide functie valt binnen de belastbaarheid van appellant. Het alsnog meenemen van de zogenoemde zomerbonus in de berekening van het maatmaninkomen leidt niet tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is met bijna acht maanden overschreden, hetgeen leidt tot veroordeling van de Staat en het UWV tot betaling van een schadevergoeding aan appellant van €500,- ieder.

ECLI:NL:CRVB:2015:1342 - Terugvordering voorschot op de WW-uitkering dat aan appellant is verstrekt tijdens de startperiode als zelfstandig ondernemer. Appellant heeft op basis van de onvolledige en onjuiste informatievoorziening een beslissing over de rechtsvorm van zijn bedrijf genomen die hij bij de juiste voorlichting achterwege had gelaten of anders had gedaan. Het UWV heeft dat ook erkend in het bestreden besluit, waar is gesteld dat door toedoen van het UWV te veel uitkering is betaald. De Raad acht het in strijd met het door het UWV gewekte vertrouwen om de uitkering te herzien en hetgeen in dat verband ten onrechte is betaald terug te vorderen.

ECLI:NL:CRVB:2015:1383 - Tussenuitspraak. Weigering bijstandsuitkering omdat appellant als eigenaar wordt beschouwd van de auto die hij kort na zijn bijstandsaanvraag op naam van zijn moeder heeft gezet en daarmee beschikt over een vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen. De Raad oordeelt dat met betrekking tot een periode waarin een kenteken van een auto op naam van de betrokkene is geregistreerd, de betrokkene aannemelijk moet maken dat die auto desondanks niet tot zijn vermogen kan worden gerekend. Nadat in de hierop aansluitende periode het kentekenbewijs op naam van de moeder van de betrokkene is gesteld, moet het college op basis van de vooronderstelling dat de auto tot het vermogen van deze derde behoort aannemelijk maken dat desondanks de auto tot het vermogen van de betrokkene moet worden gerekend.

ECLI:NL:CRVB:2015:1429 - Intrekking bijstandsuitkering omdat met de ontvangst van een dwangsom van in totaal €3780,- appellante beschikt over een vermogen boven de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen. De Raad oordeelt dat een dwangsom vermogen betreft ook al strekt deze ertoe om het bestuursorgaan door middel van de financiële prikkel tot tijdig beslissen te manen. Ook bij bijstandsgerechtigden blijft die prikkel ten aanzien van het college bestaan omdat de dwangsom veelal niet leidt tot overschrijding van de vermogensgrens en een interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm kan worden gehanteerd.

ECLI:NL:CRVB:2015:1488 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging omdat appellante het college niet heeft gemeld dat zij de woning van haar dochter beheerde op een zodanige wijze (hennepkwekerij) dat gesproken kan worden van op geld waardeerbare activiteiten. Appellante heeft opnames van de creditcardrekening gedaan tot een bedrag van in totaal €11.500,-. Tevens zijn er diverse overschrijvingen gedaan van de rekeningen van haar kinderen op haar bankrekening tot een totaalbedrag van €5000,-. Het college heeft terecht het saldo van de opnames en de terugstortingen op de creditcardrekening alsmede de overschrijvingen van de kinderen als middelen aangemerkt en op de bijstand in mindering gebracht.

ECLI:NL:CRVB:2015:1499 - Weigering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding, waarbij niet is vast te stellen of appellante in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. De opgegeven woonsituatie stemt niet overeen met wat tijdens het huisbezoek is vastgesteld, zodat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Raad oordeelt dat er geen sprake is van het verzwijgen van een gezamenlijke huishouding door op het aanvraagformulier niet te vermelden dat een betrokkene op het uitkeringsadres woont. Aan het woord "wonen" komt, zeker in het alledaagse spraakgebruik, niet dezelfde betekenis toe als aan het woord "hoofdverblijf" in het kader van een gezamenlijke huishouding. Er is geen grondslag aanwezig voor het geven van een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in artikel 18a, vierde lid, van de Wwb.

ECLI:NL:CRVB:2015:1539 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening, welk verzoek inhoudt dat de voorschotverlening, zoals eerder door de voorzieningenrechter van de rechtbank bepaald, met ingang van de datum in geding onverkort wordt voortgezet tot op het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan het advies van IMK Intermediair. De conclusie van het advies is bovendien niet uitsluitend gebaseerd op de ondernemingskenmerken van verzoeker, maar ook op een commerciële en financiële analyse van het bedrijfsplan. Hierin is rekening gehouden met de marktsituatie en de marktmogelijkheden en zijn de financiële positie, de kredietbehoefte en de financiering in kaart gebracht. De aangevallen uitspraak zal naar verwachting in de bodemprocedure in stand kunnen blijven en de uiteindelijke uitkomst van de procedure zal dezelfde zijn.

ECLI:NL:CRVB:2015:1641 - Herziening en terugvordering WW-uitkering en boeteoplegging van €300,- omdat appellante heeft verzwegen dat zij na de startperiode als zelfstandige, voor gemiddeld 26 uur per week werkzaamheden is blijven verrichten. De Raad oordeelt dat het UWV bij het opleggen van de boete ten onrechte geen rekening heeft gehouden met omissies in de uitvoering van de WW ten aanzien van appellante. Appellante is meerdere keren niet correct geïnformeerd over haar aanspraken op WW-uitkering na afloop van de startperiode als zelfstandige. De Raad overweegt dat sprake is van gedeelde verwijtbaarheid, die tot een verlaging van de opgelegde boete moet leiden. De gebleken verminderde verwijtbaarheid van appellante, de omstandigheden waaronder zij haar overtreding heeft begaan en haar persoonlijke omstandigheden geven aanleiding om de boete nader vast te stellen op €150,-.

ECLI:NL:CRVB:2015:1654 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het PGB door de bewindvoerder. De Raad oordeelt dat de weigering niet kan worden gebaseerd op het standpunt dat de AWBZ en de Regeling subsidies AWBZ een voorliggende voorziening vormen, maar wel op de grond dat er sprake is van niet-noodzakelijke kosten van het bestaan. Betrokkene had ook kunnen kiezen voor zorg in natura.

ECLI:NL:CRVB:2015:1661 - Gedeeltelijke herziening en terugvordering bijstandsuitkering op de grond dat appellanten hebben verzwegen op regelmatige basis geld te hebben ontvangen van hun dochter en dat sprake is geweest van twee kasstortingen waarvan de herkomst niet is te herleiden. De door de dochter direct aan de touroperator betaalde vliegtickets en de direct aan de Belastingdienst betaalde wegenbelasting kunnen niet als middelen van appellanten worden aangemerkt. Appellanten hebben niet over deze gelden beschikt noch redelijkerwijs kunnen beschikken.

ECLI:NL:CRVB:2015:1701 - Tussenuitspraak. Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de WSF 2000. De Raad oordeelt dat de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, onder 2º, van de Wwb niet ziet op de situatie waarin appellant door het Rijk betaald onderwijs volgt waarvoor hij geen aanspraak heeft op studiefinanciering en het onderwijs waarvoor hij wel aanspraak zou hebben op studiefinanciering niet volgt. Evenmin volgt uit dit artikel en de wetsgeschiedenis dat appellant om bijstand te behouden, gedwongen is zijn door het Rijk betaalde opleiding waarvoor hij geen aanspraak kan maken op studiefinanciering te staken en alsnog een opleiding met aanspraak op studiefinanciering te volgen.

ECLI:NL:CRVB:2015:1773 - Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Appellant heeft echter ontslag genomen omdat er onaanvaardbare risico’s werden genomen door met het schip in slechte staat te varen en hij daarvoor niet de verantwoordelijkheid wilde te nemen. Er is sprake geweest van een situatie met serieuze risico’s voor de veiligheid, de gezondheid, het materiaal en het milieu, op welke situatie de werkgever ondanks aandringen van appellant niet reageerde, zodat van appellant redelijkerwijs niet langer de voortzetting van het dienstverband kon worden gevergd. Er is daarom geen aanleiding de WW-uitkering te weigeren.

ECLI:NL:CRVB:2015:1801 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging van €6534,11 wegens verzwegen inkomsten als zelfstandige. De Raad beslist voor het eerst over de gevolgen in bijstandszaken van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. Als ingangsdatum van het aangescherpte Boetebesluit socialezekerheidswetten voor Wwb-zaken moet 1 januari 2013 worden aangehouden. Het vanaf die datum gecreëerde boeterecht vraagt om een indringender toets aan het evenredigheidsbeginsel, omdat de (standaard)boete fors verhoogd is. De Raad ziet in dit geval geen grond voor het matigen van de boete omdat opzet is aangetoond, aangezien appellant de werkzaamheden willens en wetens niet heeft gemeld om te voorkomen dat dit gevolgen zou kunnen hebben voor zijn uitkering of zou kunnen leiden tot strafvervolging.

ECLI:NL:CRVB:2015:1878 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat de werknemer vóór het einde van de wachttijd van 104 weken weer arbeidsgeschikt was. Het UWV is bij zijn standpuntbepaling in overwegende mate afgegaan op een deskundigenoordeel en een vonnis van de kantonrechter. Eigen onderzoek door een verzekeringsarts en/of een arbeidsdeskundige heeft niet plaatsgevonden en daarmee heeft het UWV niet voldaan aan de op hem rustende plicht tot het verrichten van eigen onderzoek zoals in vaste rechtspraak van de Raad is neergelegd. In het kader van definitieve beslechting van het geschil krijgt het UWV opdracht de gebreken in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2015:1879 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging wegens verzwegen inkomsten uit de exploitatie van een hennepkwekerij in de woning van appellant. De Raad beslist voor het eerst over de gevolgen in bijstandszaken van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. Als ingangsdatum van het aangescherpte Boetebesluit socialezekerheidswetten voor Wwb-zaken moet 1 januari 2013 worden aangehouden. Het vanaf die datum gecreëerde boeterecht vraagt om een indringender toets aan het evenredigheidsbeginsel, omdat de (standaard)boete fors verhoogd is. De Raad ziet in dit geval grond voor het matigen van de boete. Daarbij is van belang dat het gaat om een relatief kleine hennepkwekerij (zes planten), appellant niet strafrechtelijk was vervolgd, hij telkens heeft gesteld dat de hennepplanten waren bedoeld voor eigen gebruik en er nog geen hennep was geoogst.

ECLI:NL:CRVB:2015:1953 - Ingangsdatum bijstandsaanvraag. De Raad oordeelt dat een binnen de zoekperiode van vier weken ingediende aanvraag om bijstand van een jongere moet worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 41 van de Wwb en dat de wettelijke zoekperiode hieraan niet in de weg staat. Dat de bijstandsaanvragen onvolledig waren, onder meer omdat deze nog moesten worden ondertekend, betekent niet dat er geen aanvragen om bijstand tot stand zijn gekomen. Het college heeft ten onrechte met ingang van een latere datum bijstand toegekend. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bijstand wordt toegewezen.

ECLI:NL:CRVB:2015:2222 - Toekenning WGA-vervolguitkering en weigering IVA-uitkering. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag is gebaseerd en dat in de FML ten onrechte geen rekening is gehouden met het gebruik van tramadol door betrokkene. Het bestreden besluit berust op een onjuiste arbeidskundige grondslag.

ECLI:NL:CRVB:2015:2450 - Weigering herleving ZW-uitkering omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en weigering Wsw-indicatie omdat appellant niet tot de doelgroep van de Wsw behoort. De Raad oordeelt dat er geen grond is voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen dat appellant vanwege zijn onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren niet in een werkomgeving kan functioneren, ook niet onder aangepaste omstandigheden. Het UWV heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant niet behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wsw.

ECLI:NL:CRVB:2015:2451 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging omdat appellante het college niet, dan wel niet tijdig, op de hoogte heeft gesteld van haar verhuizing naar een andere gemeente. Omdat appellante voorafgaand aan het afleggen van haar verklaring aan de sociaal rechercheur niet de cautie is gegeven, kan haar verklaring niet aan de opgelegde boete ten grondslag worden gelegd. Er is onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante onjuiste of onvolledige inlichtingen over haar woonplaats heeft verstrekt. Het college was dan ook niet bevoegd om een boete op te leggen.

ECLI:NL:CRVB:2015:2465 - Herziening en terugvordering WW-uitkering en boeteoplegging wegens onjuiste opgave van het aantal gewerkte uren. In geding is de benadelingsbedragsaldering van de te veel betaalde uitkering met wat te weinig aan uitkering is betaald over de periode tussen het begin en het einde van de overtreding van de inlichtingenplicht. De Raad oordeelt dat het te weinig betaalde over de betreffende weken niet buiten beschouwing kan blijven bij de vaststelling van het benadelingsbedrag omdat de overtreding met betrekking tot de in die weken gewerkte uren niet tot benadeling van het UWV heeft geleid. De bruto te weinig aan betrokkene betaalde uitkering moet daarom in mindering worden gebracht op het totaal van wat bruto te veel is betaald.

ECLI:NL:CRVB:2015:2529 - Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting omdat appellant door het zonder tegenbericht niet verschijnen op een afspraak niet de informatie heeft verschaft die noodzakelijk is voor het voortzetten van zijn uitkering. Als ingangsdatum van het aangescherpte Boetebesluit socialezekerheidswetten voor Ioaw-zaken moet 1 januari 2013 worden aangehouden. Het vanaf die datum gecreëerde boeterecht vraagt om een indringender toets aan het evenredigheidsbeginsel, omdat de (standaard)boete fors verhoogd is. De Raad ziet in dit geval geen grond voor het matigen van de boete.

ECLI:NL:CRVB:2015:2677 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. In het deskundigenoordeel wordt expliciet gesteld dat een traject in het kader van het tweede spoor (andere werkgever) de komende maanden niet reëel is. Appellante heeft hierop mogen afgaan en behoefde geen rekening te houden met een achteraf gewijzigde visie van het UWV dat al vanaf september 2011 re-integratieactiviteiten hadden moeten plaatsvinden. Daarnaast is van doorslaggevend belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen, in navolging van de primaire verzekeringsarts, dat zich sinds het deskundigenoordeel geen essentiële wijzigingen hebben voorgedaan en dat de medische situatie van de werkneemster stabiel is. In feite komt het erop neer dat het UWV achteraf bezien zijn deskundigenoordeel niet handhaaft. Deze standpuntwijziging kan niet voor risico van appellante worden gebracht.

ECLI:NL:CRVB:2015:2787 - Weigering voorschot ZW-uitkering omdat het UWV zolang onduidelijkheid bestaat over de doorbetaling van loon geen voorschot op een ZW-uitkering mag verstrekken. De Raad stelt vast dat betrokkene en zijn werkgever zijn verdeeld over het voortbestaan van de aanstelling van betrokkene en daarmee ook over de daaruit voor de werkgever voortvloeiende loonverplichtingen. Dat dit ertoe kan leiden dat betrokkene op enig moment in een situatie komt te verkeren dat hij niet meer de beschikking heeft over voldoende middelen van bestaan en aangewezen is op een uitkering op grond van de Wwb, is een gevolg van de door de wetgever gemaakte keuze. In het onderhavige geval bestaat geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen.

ECLI:NL:CRVB:2015:2792 - Toekenning bijstandsuitkering met oplegging van de verplichting dat betrokkene als dakloze elke nacht gebruik dient te maken van de nachtopvang. Oplegging van maatregelen omdat betrokkene telkens niet aan deze verplichting heeft voldaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze nadere verplichting op een ondeugdelijke grondslag berust. De enkele omstandigheid van dakloos zijn betekent niet dat het verblijven in de nachtopvang voor betrokkene gericht is op arbeidsinschakeling. Nadere toelichting ontbreekt waarom een minder ingrijpende verplichting zoals dagbesteding niet zou volstaan. Voorts staan gemaakte afspraken in geval van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en aanwezige kosten niet in de weg aan het aannemen van procesbelang. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is niet sprake van een eenvoudige zaak en moet deze zaak als gemiddeld (factor 1) worden aangemerkt.

ECLI:NL:CRVB:2015:2826 - Intrekking WIA-uitkering met terugwerkende kracht, terugvordering en boeteoplegging omdat appellante simulatie en schending van de inlichtingenverplichting wordt verweten. De Raad concludeert dat het UWV in dit geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat met ingang van de datum in geding ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt. Hieruit volgt reeds dat niet aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot intrekking en terugvordering te besluiten is voldaan en dat daarmee de grondslag komt te ontvallen aan de boete.

ECLI:NL:CRVB:2015:2982 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante vanaf de datum in geding niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Er is voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie van het college dat appellante in de periode in geding niet langer duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Het bewijs tijdens het huisbezoek is onrechtmatig verkregen en mag niet worden betrokken bij de beoordeling. De Raad oordeelt dat de zogeheten "indruisregel" niet opgaat ten aanzien van de aan het huisbezoek voorafgaande periode. Aan de indruisregel ligt ten grondslag dat een weigering om aan het huisbezoek mee te werken - gegeven de aanwezigheid van een redelijke grond - gevolgen zou hebben gehad voor het recht op bijstand voor de periode vanaf de datum van het huisbezoek. Deze weigering zou op zichzelf geen gevolgen hebben gehad voor het verleden. Daarom is het niet juist om het onrechtmatig verkregen bewijs (wegens gebrekkig "informed consent") wel te betrekken in de beoordeling van de periode voorafgaand aan het huisbezoek.

ECLI:NL:CRVB:2015:3018 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat het inkomen van appellante en haar echtgenoot boven het voor hen geldende sociaal minimum ligt. Boeteoplegging van €1990,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat de beleidsregels consistent zijn toegepast. Indien, zoals in dit geval, uitsluitend inkomsten van de partner van de uitkeringsgerechtigde zijn verzwegen, komt de boete volgens het beleid voor rekening van de partner, omdat die de inkomsten heeft verzwegen. Dit beleid gaat de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten.

ECLI:NL:CRVB:2015:3096 - Intrekking loongerelateerde WGA-uitkering na bezwaar omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Uit artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA en de daarop gegeven toelichting blijkt dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest voor de beëindiging van de loongerelateerde WGA-uitkering een afzonderlijke, van de hoofdregel voor beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering afwijkende, regeling te treffen. Als de wetgever, zoals het UWV voorstaat, een inbreuk op die regel aanvaardbaar zou hebben geacht in een situatie als thans in dit geschil aan de orde is, dan had het voor de hand gelegen dat de wetgever daar expliciet bij had stilgestaan. Dat is niet gebeurd.

ECLI:NL:CRVB:2015:3188 - Weigering bijstandsuitkering omdat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Betrokkene dient aannemelijk te maken van wie, wanneer en op welke wijze en tot welk bedrag hij een lening heeft ontvangen en dat uiterlijk bij de betaling is afgesproken dat het een terug te betalen lening betreft. Het college kan aan de bijstandverlening de voorwaarde verbinden dat de schulden worden terugbetaald. Indien de lening hoger is dan de bijstandsnorm, dient het meerdere als inkomen bij de bijstandverlening te worden betrokken.

ECLI:NL:CRVB:2015:3294 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering en oplegging van een maatregel van 50% gedurende twee maanden omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het college niet te melden dat zij maandelijks van haar ex-partner goederen voor haar kinderen ontving ter waarde van €120,66. De Raad oordeelt dat deze middelen geen inkomsten in natura betreffen omdat geen sprake is van een door appellante opgeofferd bedrag nu zij geen aanspraak heeft op deze goederen. De bijstand moet worden afgestemd in de vorm van een verlaging tot het bedrag van de waarde van de ontvangen goederen. De maatregel is terecht opgelegd omdat appellante de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door het ontvangen van de goederen niet aan het college te melden. Verrekening van de dwangsom met de openstaande vordering is toegestaan.

ECLI:NL:CRVB:2015:3553 - Weigering WIA-uitkering omdat uit verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is gebleken dat betrokkene al bij de aanvang van zijn verzekering arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelt dat het in beginsel op betrokkenes weg ligt om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht op een uitkering heeft. Dit brengt met zich mee dat betrokkene aannemelijk moet maken dat hij in de van belang zijnde periode werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad voegt hieraan toe dat in een situatie waarbij betrokkene zijn werkzaamheden eerder heeft verricht in het kader van een overeenkomst van opdracht, hij buiten twijfel moet stellen dat deze werkzaamheden op de relevante data door hem werden uitgevoerd in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het hoger beroep van appellante wordt wegens verlies van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI:NL:CRVB:2015:3556 - Intrekking en terugvordering IVA-uitkering en boeteoplegging wegens simulatie en schending van de inlichtingenverplichting. Het UWV heeft aannemelijk gemaakt dat appellant bij het medisch onderzoek, dat uiteindelijk heeft geleid tot toekenning van een IVA-uitkering en TW-toeslag, de arts van het UWV bewust heeft misleid door een ernstige psychiatrische ziekte voor te wenden. De verstrekking van IVA-uitkering en TW-toeslag aan appellant staan in een rechtstreeks oorzakelijk verband met de simulatie. Appellant valt ook subjectief een verwijt te maken van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Het UWV heeft ter zitting medegedeeld dat, gelet op de actuele persoonlijke omstandigheden van appellant, de boete dient te worden verlaagd.

ECLI:NL:CRVB:2015:3634 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant niet verzekerd was nu hij zorg verleende aan een direct familielid (zijn moeder) die hem daarvoor uitbetaalde uit haar PGB. Er is dan geen sprake van een gezagsverhouding en daarmee ook niet van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad oordeelt dat tussen appellant en zijn moeder sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst en dat appellant daarom moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Wet WIA. Anders dan in het verleden neemt de Raad niet langer tot uitgangspunt dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen ouder en kind in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding.

ECLI:NL:CRVB:2015:3662 - Intrekking en (mede)terugvordering van onder meer de bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Appellant heeft een huisbezoek geweigerd. De Raad oordeelt dat in het midden kan blijven of appellant op de gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek is gewezen omdat, ook als dat niet zo zou zijn, niet is gebleken dat appellant daarvan nadeel heeft ondervonden. Hij was immers al op de hoogte van zijn rechten en verplichtingen ten aanzien van het voorgenomen huisbezoek en de gevolgen van het niet nakomen van die verplichtingen.

ECLI:NL:CRVB:2015:3723 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzegen) gezamenlijke huishouding. Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - volgens de Hoge Raad heeft de CRvB een onjuiste maatstaf gehanteerd ten aanzien van de vaststelling van het hoofdverblijf - concludeert de CRvB dat niet aannemelijk is gemaakt dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de ene betrokkene tijdens de te beoordelen periode op het adres was waar de andere betrokkene zijn hoofdverblijf had.

ECLI:NL:CRVB:2015:3767 - Weigering Wsw-indicatie omdat appellant niet tot de doelgroep van de Wsw behoort. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het UWV terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant met zijn beperkingen, met behulp van aanpassingen op de werkplek, in een normale arbeidsomgeving kan functioneren. Er zijn voldoende geschikte reguliere functies. Appellant is niet uitsluitend op Wsw-arbeid aangewezen. Een nieuw onderzoek door de verzekeringsdeskundige was niet aangewezen. Er is onvoldoende aanleiding om een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

ECLI:NL:CRVB:2015:3792 - Intrekking bijstandsuitkering omdat appellante een gezamenlijke huishouding voert met haar zus op het adres van haar zus. Omdat appellante niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd, bestaat er volgens het college geen recht meer op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. De Raad oordeelt dat er wel sprake is van hoofdverblijf op hetzelfde adres, maar niet van wederzijdse zorg. Omdat het louter gezamenlijk boodschappen doen te duiden is als een voornamelijk sociale activiteit en de overige (zorg)elementen van onvoldoende gewicht zijn, is er geen sprake van wederzijdse zorg en is dus niet voldaan aan de vereisten van een gezamenlijke huishouding.

ECLI:NL:CRVB:2015:3867 - Niet-uitbetaling toegekende WIA-uitkering omdat betrokkene woonachtig was in de Republiek Singapore, een land waarmee Nederland geen socialezekerheidsverdrag heeft gesloten. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat de toepassing van de Wet BEU niet in strijd komt met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het eigendomsrecht van betrokkene omvat de WIA-uitkering met inbegrip van de voorwaarde dat hij in Nederland, dan wel een land waarnaartoe een uitkering kan worden geëxporteerd, woonachtig is. Op dit eigendomsrecht is geen inbreuk gemaakt.

ECLI:NL:CRVB:2015:3917 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat het hoger beroep niet slaagt. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit werkzaamheden bij een croissanterie. Omdat verzoeker evenmin opgave heeft gedaan van de omvang van zijn werkzaamheden, is het recht op bijstand niet vast te stellen. Het bestreden besluit berust op zorgvuldig onderzoek. Er is voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat de handhavingsspecialisten verzoeker - en niet zijn broer - werkend in de croissanterie hebben waargenomen.

ECLI:NL:CRVB:2015:3919 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellante, die inmiddels op Aruba woont, niet heeft voldaan aan haar verplichting mee te werken aan een noodzakelijk medisch onderzoek in Nederland door een verzekeringsarts van het UWV. Uit het stelsel van artikel 7 van het Convenant tussen Nederland en Aruba vloeit voort dat het medisch onderzoek primair plaatsvindt waar de uitkeringsgerechtigde woont of verblijft. Om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op te roepen voor een medisch onderzoek in Nederland dient het Uwv, met in achtneming van de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb, deugdelijk te motiveren waarom dat nodig is. In onderhavig geval ontbreekt een deugdelijke en inzichtelijke afweging van belangen.

ECLI:NL:CRVB:2015:4198 - Herziening en terugvordering TW-uitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid. Oplegging maximumboete van €2269,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat tot de aannemelijk geworden omstandigheden ook behoort de omstandigheid dat er geruime tijd, ook na het bestreden besluit, sprake is geweest van een reële aflossingscapaciteit, die ook heeft geleid tot reële aflossingen. Verder onderschrijft de Raad het standpunt van het UWV dat de door de rechtbank bepaalde boete van €52,- in dit geval geen recht doet aan de ernst van de overtreding. Alle omstandigheden van het geval, waaronder de gebleken aflossingscapaciteit en de omstandigheid dat deze inmiddels nihil is, geven aanleiding de boete vast te stellen op €1134,54, zijnde het bedrag dat door betrokkene al is afgelost.

ECLI:NL:CRVB:2015:4236 - Schadevergoeding omdat het UWV ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd aan de werkgever. De Raad zet nader uiteen langs welke lijn moet worden beoordeeld of betalingen die de werkgever gedurende de periode van de onterechte loonsanctie heeft gedaan in een zodanig verband staan met de loondoorbetaling dat deze schadeposten, met aansluiting bij de genoemde artikelen van het BW, als gevolg van het onrechtmatige besluit aan het UWV kunnen worden toegerekend en voor vergoeding door het UWV in aanmerking komen.

ECLI:NL:CRVB:2015:4248 - Schadevergoeding omdat het UWV ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd aan de werkgever. Verzoeker verzoekt om vergoeding van loon-, pensioen- en immateriële schade. Loonschade ten gevolge van een ten onrechte opgelegde of niet-opgelegde loonsanctie strekt zich in beginsel uit over een periode van 52 weken. De beperking in de rechtspraak van het aantal maanden waarover loonschade wordt geleden, is gebaseerd op het resultaat van onderzoek naar de gemiddelde duur van de loonsancties. Toepassing van de gemiddelde uitkomst op een individueel geval is naar zijn aard hypothetisch en geeft geen uitsluitsel op grond waarvan in de omstandigheden mogelijke re-integratie-inspanningen van de werkgever van verzoeker tot een bekorting van de loonsanctie zouden hebben kunnen leiden. De Raad ziet aanleiding niet langer betekenis toe te kennen aan de betreffende onderzoeken in die zin dat deze niet langer als afdoende onderbouwing kunnen dienen voor beperking van loonschadeclaims tot maximaal tien of elf maanden. Dit heeft tot gevolg dat, als het UWV stelt dat in het betreffende geval sprake is van een kortere duur van de loonschade dan 52 weken, dit voor dat geval voldoende aannemelijk zal moeten worden gemaakt.

ECLI:NL:CRVB:2015:4380 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en daardoor geen recht heeft op bijstand in de periode in geding. De Raad oordeelt dat het college met de door het CJIB verstrekte informatie onvoldoende heeft onderbouwd dat appellant zich aan de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf heeft onttrokken. Nu appellant op het uitkeringsadres stond ingeschreven, gesteld heeft daar steeds woonachtig te zijn en ook voor het college bereikbaar is geweest, is de mededeling van de politie dat betrokkene was "vertrokken onbekend waarheen", zonder nadere onderbouwing, ontoereikend voor de conclusie van het college dat justitie pogingen zou hebben gedaan om tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te komen.

ECLI:NL:CRVB:2015:4421 - Weigering WW-uitkering omdat appellanten in België wonen en dat zij als volledige werkloze grensarbeiders op grond van Vo. 883/2004 uitsluitend aanspraak hebben op een werkloosheidsuitkering in hun woonland België. De Raad oordeelt echter dat appellanten gedurende het verrichten van hun werkzaamheden hun woonplaats in Nederland hebben behouden. Hierbij wordt van belang geacht dat appellanten zodanige sterke banden met Nederland hebben opgebouwd dat een (definitieve) verbreking van die band voldoende duidelijk dient te zijn. In dit geval is daar geen sprake van. Er is veeleer sprake van een situatie waarin appellanten uitsluitend wegens een contractuele verplichting een tweede woning hebben moeten huren om zo dicht mogelijk bij hun feitelijke werkplaats te kunnen zijn in geval van calamiteiten. Dat deze woning in België lag, had, naar appellanten stellen en aannemelijk wordt geacht, te maken met de lagere huurprijzen en beschikbaarheid van huurwoningen op relatief korte termijn. Het huren van een woning in België was er niet op gericht om de banden met Nederland te verbreken. Integendeel, uit de thans beschikbare gegevens blijkt dat alleszins aannemelijk is dat appellanten gedurende het verrichten van hun werkzaamheden het overgrote deel van de tijd feitelijk in hun woning in Rotterdam verbleven.

ECLI:NL:CRVB:2015:4576 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant niet verplicht verzekerd is aangezien de gezagsverhouding tussen hem en zijn werkgeefster, die zijn nicht is, ontbreekt. Subsidiair heeft het UWV de WIA-uitkering geweigerd op de grond dat appellant bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelt dat niet is gebleken dat appellant zich vrijelijk aan zijn werkzaamheden kon onttrekken of dat het hem vrij stond het werk naar eigen inzicht te verrichten dan wel de omvang van het door hem verrichte werk te bepalen. Zo rustte op appellant de verplichting om in het kader van een gezagsverhouding gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. In de verhouding van appellant met zijn nicht is wel sprake geweest van een arbeidsovereenkomst, zodat appellant op grond van de Wet WIA verplicht verzekerd was. Ten aanzien van de subsidiaire weigeringsgrond stelt de Raad vast dat geen sprake is van voldoende en ondubbelzinnige indicaties voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.

ECLI:NL:CRVB:2015:4752 - Weigering Bbz-uitkering omdat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Afwijzing voorlopige voorziening wegens het ontbreken van een spoedeisend financieel belang. Een voorlopige voorziening is niet bedoeld om door middel van zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Verzoeker heeft onvoldoende met objectieve en verifieerbare stukken inzichtelijk gemaakt dat uitbetaling van het achterstallig loon tot gevolg heeft dat hij zijn onderneming moet staken.

ECLI:NL:CRVB:2015:4841 - Oplegging maatregel van 100% gedurende één maand omdat appellant onvoldoende heeft gesolliciteerd en hij niet langer meewerkt aan een op arbeidsinschakeling gericht re-integratietraject. De Raad oordeelt dat bij het opleggen van een re-integratievoorziening maatwerk moet worden geleverd. Indien appellant acht maanden een traject heeft gevolgd dat is gericht op stimuleren en motiveren en hem niet duidelijk is gemaakt waarom en tot hoelang hij dezelfde werkzaamheden in dit traject nog moet blijven verrichten, treft hem geen verwijt indien hij niet meer meewerkt aan het traject.

ECLI:NL:CRVB:2015:4881 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante haar hoofdverblijf heeft op het adres van betrokkene buiten de gemeente en op dat adres met hem een gezamenlijke huishouding voert. De Raad oordeelt dat de verschillende stapsgewijs gehanteerde onderzoeksmiddelen, waaronder cameraobservaties, voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de daarmee gemaakte inbreuk op respect voor het privéleven van appellante is gerechtvaardigd.

ECLI:NL:CRVB:2016:9 - Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging van 100% van het benadelingsbedrag wegens verzwegen inkomsten uit hennepteelt. Omdat appellant geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden over de exacte omvang van de hennepteelt, de oogsten en de daaruit ontvangen inkomsten, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad geeft nadere invulling en uitwerking aan het boeteregime in bijstandszaken. De Raad oordeelt dat vanwege de financiële omstandigheden en de draagkracht van appellant de boete dient te worden gematigd tot 24 maal 10% van de toepasselijke bijstandsnorm.

ECLI:NL:CRVB:2016:10 - Herziening en terugvordering bijstandsuitkering en boeteoplegging van 100% van het benadelingsbedrag van €23.300,- wegens het verwijgen van twee bankrekeningen waarop in de periode in geding in totaal €37.274,43 aan stortingen en bijschrijvingen zijn gedaan. De Raad geeft nadere invulling en uitwerking aan het boeteregime in bijstandszaken. De rechtbank heeft terecht de boete gematigd tot 12 maal 10% van de toepasselijke bijstandsnorm tot een bedrag van €1990,-. De verwijtbaarheid van betrokkene noch de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, geven aanleiding om van een lager bedrag uit te gaan. Er is geen grond voor bijstelling van wat reeds (deels door een derde) is betaald.

ECLI:NL:CRVB:2016:4463 - Terugvordering Wazo-uitkering. Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om voorlopige voorziening omdat, nu het UWV het tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken, niet langer wordt voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd hoger beroep is ingesteld. Gelet op het feit dat verzoekster zich als gevolg van het door het UWV ingestelde hoger beroep genoodzaakt heeft gezien de voorzieningenrechter van de Raad te verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen, bestaat aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten van verzoekster.