Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BF9115
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BF9115
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 07/2344 NIOAZ
Datum uitspraak: 14-10-2008
Wetsartikelen: artt. 2 en 5 Ioaz
Essentie: Weigering Ioaz-uitkering omdat niet is voldaan aan de driejareneis. Appellant heeft voorafgaand aan de aanvraag niet onafgebroken drie jaar als zelfstandige een bedrijf uitgeoefend en heeft de aanvraag niet ingediend vóór de beëindiging van zijn bedrijf.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/2344 NIOAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 maart 2007, 06/1651 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (hierna: Dagelijks Bestuur).

Datum uitspraak: 14 oktober 2008.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. A.M. Boogaart, advocaat te Leeuwarden, een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boogaart. Het Dagelijks Bestuur heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 24 mei 2006 heeft het Dagelijks Bestuur de afwijzing van de aanvraag van appellant om uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd (primair) dat appellant voorafgaand aan de aanvraag niet onafgebroken drie jaar als zelfstandige een bedrijf heeft uitgeoefend en (subsidiair) dat hij de aanvraag niet heeft ingediend vóór de beëindiging van zijn bedrijf.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 24 mei 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 2, eerste lid, van de IOAZ bepaalt dat onder gewezen zelfstandige wordt verstaan de persoon die voor de voorziening in het bestaan was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep en die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar het bedrijf of beroep heeft beëindigd.

4.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder ten eerste, van de IOAZ heeft - voor zover hier van belang - recht op uitkering (…) de gewezen zelfstandige die gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland heeft uitgeoefend. Daarbij geldt ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder ten vierde, dat de aanvraag moet zijn ingediend vóór het beëindigen van het bedrijf of beroep.

4.3. Uit de stukken blijkt dat appellant sedert 1973 als zelfstandig ondernemer werkzaam is geweest. In november 2001 heeft hij zijn bedrijf verkocht en is hij voor 40 uur per week in dienst getreden van [naam werkgever] als werkvoorbereider, begeleider en uitvoerder. Over 2002 ontving hij daarvoor een loon van € 53.024,--. Appellant is tijdens dit dienstverband directeur-grootaandeelhouder van [naam Holding] gebleven. Op 17 januari 2003 is de dienstbetrekking met [naam werkgever] weer beëindigd en heeft hij zijn activiteiten als zelfstandige hervat/voortgezet. Op 2 september 2005 zijn de laatste werknemers van [naam Holding] ontslagen en de feitelijke, commerciële bedrijfsactiviteiten gestaakt. Op 30 december 2005 zijn de activa van [naam Holding] overgedragen aan een derde.

4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant ten tijde in geding niet voldeed aan de in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder ten eerste, van de IOAZ opgenomen drie-jareneis. Appellant heeft weliswaar betoogd dat hij naast zijn dienstverband met [naam werkgever] betekenisvolle, substantiële bedrijfsactiviteiten als zelfstandige is blijven verrichten voor [naam Holding], maar de Raad kan dit niet volgen. Zoals door appellant ter zitting nog is toegelicht waren deze activiteiten met name gericht op werving van nieuwe klanten en het genereren van nieuw werk voor [naam werkgever] of de bij die vennootschap betrokken derden zonder dat daar een (directe) beloning tegenover stond. De beoogde vergoeding op termijn in de vorm van provisie en/of goodwill is door faillissement van [naam werkgever] overigens niet gerealiseerd. De Raad acht een en ander onvoldoende om te kunnen aannemen dat appellant over de periode van november 2001 tot januari 2003, naast een volledig dienstverband, zijn status van zelfstandige in de zin van artikel 2 van de IOAZ heeft behouden. Daarmee is gegeven dat in het onderhavige geval niet aan de drie-jareneis is voldaan.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.4 is overwogen, kan de vraag of appellant (tevens) heeft voldaan aan de eis dat de aanvraag vóór de bedrijfsbeëindiging moet worden ingediend verder buiten bespreking blijven.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.