Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BX7621
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2012:BX7621
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 10/2103 NIOAZ
Datum uitspraak: 18-09-2012
Wetsartikelen: artt. 3, 13, 17, 25 en 26 Ioaz
Essentie: (Mede)terugvordering Ioaz-uitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Aangezien uit artikel 26, tweede lid, van de Ioaz volgt dat het college gehouden is om tot medeterugvordering over te gaan, is voor toetsing aan het door appellante genoemde evenredigheidsbeginsel hier geen plaats. Voor de vaststelling of het college tot medeterugvordering bevoegd was, is niet van belang of appellante al dan niet op de hoogte was van de aan betrokkene verleende Ioaz-uitkering en of zij van die uitkering al dan niet profijt heeft gehad. Er zijn geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van medeterugvordering af te zien.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 10/2103 NIOAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 1 april 2010, 10/24 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn (college).

Datum uitspraak 18 september 2012.




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. F.H.W. Verberne hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 26 juni 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.




OVERWEGINGEN


1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. [H.] ([H.]) ontving sinds 1 januari 2005 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).

1.3. Naar aanleiding van een adviesreportage van de Sociale Dienst van de gemeente Zuidhorn heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (SR) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [H.] verleende uitkering. In dat kader heeft de SR, onder meer, appellante en [H.] gehoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 2 april 2009.

1.4. Op grond van het resultaat van het onderzoek heeft het college bij besluit van 17 juli 2009 de uitkering van [H.] herzien over de periode van 16 juni 2006 tot en met 30 september 2008, onder meer op de grond dat hij gedurende deze periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellante, zonder daarvan bij het college melding te hebben gemaakt. Tevens heeft het college de over de periode van 16 juni 2006 tot en met 30 september 2008 in verband daarmee ten onrechte betaalde IOAZ-uitkering van [H.] teruggevorderd en, bij afzonderlijk besluit van 17 juli 2008, tot een bedrag van € 29.962,10 mede van appellante teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 8 december 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het tot haar gerichte besluit van 17 juli 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de IOAZ, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, wordt, indien de uitkering naar de norm van een gezin had moeten worden verstrekt, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende zijn inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte verleende uitkering mede teruggevorderd van de persoon met wiens inkomen bij de verlening van de uitkering rekening had moeten worden gehouden.

4.2. Op grond van artikel 26, derde lid, van de IOAZ zijn de belanghebbende en de in het tweede lid bedoelde persoon hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte verleende uitkering.

4.3. Niet in geschil is dat [H.] en appellante in de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat hiervan geen melding is gedaan aan het college. Nu appellante de persoon is met wiens inkomen bij de verlening van de uitkering rekening gehouden had moeten worden, is aan de voorwaarden van artikel 26, tweede lid, van de IOAZ voldaan en was het college gehouden om tot medeterugvordering ten aanzien van appellante over te gaan.

4.4. Aangezien uit artikel 26, tweede lid, van de IOAZ volgt dat het college gehouden is om tot medeterugvordering over te gaan, is voor toetsing aan het door appellante genoemde evenredigheidsbeginsel hier geen plaats.

4.5. De stellingen van appellante dat zij niet op de hoogte was van het feit dat [H.] een IOAZ-uitkering ontving en dat zij geen profijt heeft gehad van de uitkering - wat daarvan zij - treffen geen doel. Voor de hoofdelijke aansprakelijkstelling en medeterugvordering is slechts bepalend dat appellante ten tijde in geding met [H.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Voor de vaststelling of het college tot medeterugvordering bevoegd was, is niet van belang of appellante al dan niet op de hoogte was van de aan [H.] verleende uitkering en of zij van die uitkering al dan niet profijt heeft gehad.

4.6. Ten slotte ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van medeterugvordering af te zien.

4.7. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.M. Tason Avila