Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:1521
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 12/2230 NIOAW
Datum uitspraak: 23-07-2013
Wetsartikelen: artt. 36 Ioaw / 8:69 Awb
Essentie: Weigering vergoeding van de kosten van een Pabo-opleiding omdat deze meerjarige opleiding voor appellant niet noodzakelijk is. Appellant beschikt over goede kwalificaties voor zijn arbeidsinschakeling en hij heeft veel werkervaring in verschillende functies. Het bestreden besluit berust op een toereikende motivering.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 12/2230 NIOAW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 maart 2012, 11/6057 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft I.T. Martens hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2013, waar appellant, met bericht, niet is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Savas.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In aansluiting op zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving appellant sinds 25 mei 2010 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). In 2009 is appellant begonnen met de deeltijdopleiding van de Pabo. Op 24 augustus 2010 heeft appellant het college verzocht om een financiƫle vergoeding in de kosten om deze hogere beroepsopleiding te (ver)volgen.

1.2. Bij besluit van 15 oktober 2010, gehandhaafd bij besluit van 17 juni 2011 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat deze meerjarige opleiding voor appellant niet noodzakelijk is. Appellant beschikt over goede kwalificaties voor zijn arbeidsinschakeling en hij heeft veel werkervaring in verschillende functies.

1.3. Het college heeft bij besluit van 29 december 2010 de IOAW-uitkering van appellant per 22 oktober 2010 ingetrokken omdat appellant inkomsten heeft die hoger zijn dan de voor hem geldende grondslag

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge de artikelen 2:1 en 2:2 van de Participatieverordening gemeente Rijswijk 2010 (verordening) biedt het college aan personen die tot de doelgroep behoren ondersteuning bij participatie en/of arbeidsinschakeling, en voor zover dat naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht, een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling. Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria van de verordening en de beleidsregels.

4.1.2. Ingevolge artikel 5:2 van de verordening kan het college in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen van de verordening als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

4.1.3. Ingevolge artikel 3:5 van de Beleidsregels Participatie 2010 wordt scholing ingezet voor de belanghebbende bij wie het college heeft vastgesteld dat dit noodzakelijk is omdat arbeidsinschakeling (mede) vanwege ontbrekende kennis en/of vaardigheden niet direct mogelijk is. Doel van de scholing is het bijbrengen van kennis, vaardigheden of het behalen van een startkwalificatie die de arbeidsinschakeling mogelijk maakt.

4.2. Vaststaat dat appellant beschikt over een aantal afgeronde opleidingen zoals sociaal pedagogisch werk (SPW) 3, SPW 4 en diverse automatiseringsopleidingen. Daarnaast heeft hij een ruime werkervaring in verschillende functies.

4.3. Uitgangspunt van de verordening is dat een opleiding moet bijdragen aan het vergroten van de kansen van een belanghebbende op de arbeidsmarkt. Het college komt beoordelingsvrijheid toe bij het vaststellen van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het door appellant al bereikte opleidingsniveau bezien in samenhang met zijn ruime werkervaring, biedt volgens het college een voldoende basis voor (her)inschakeling in arbeid. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college, anders dan door appellant is aangevoerd, toereikend heeft gemotiveerd dat er geen grond is om de gevraagde vergoeding in de kosten voor de pabo-opleiding toe te kennen. Het standpunt van appellant dat de rechtbank in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht niet is ingegaan op de aangevoerde beroepsgronden wordt niet onderschreven, omdat in de aangevallen uitspraak de gestelde ontoereikende motivering van het bestreden besluit is besproken. In de door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals zijn gevorderde leeftijd, al zijn inspanningen en zijn positieve inzet om aan het werk te blijven, heeft het college geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van artikel 5:2 van de verordening af te wijken. Van belang hierbij is nog dat appellant ook daadwerkelijk in staat is gebleken om in betrekkelijk korte tijd weer werk te vinden waarmee hij in zijn levensonderhoud kan voorzien.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding, zoals door appellant verzocht.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) S.K. Dekker