Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2014:384
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 12/6003 IOAW
Datum uitspraak: 11-02-2014
Wetsartikelen: art. 2 Ioaw
Essentie: Weigering Ioaw-uitkering omdat appellant niet voldoet aan de in artikel 2, aanhef en onder a, onder 2º en 3º, van de Ioaw neergelegde voorwaarden voor toekenning van een Ioaw-uitkering, aangezien hij niet in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van hoofdstuk II van de WW van meer dan drie maanden (verlengde WW-uitkering). Dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat zijn werkzaamheden als raadslid en plaatsvervangend raadslid zouden meetellen voor de zogeheten jareneis waaraan moet zijn voldaan om recht te krijgen op een verlengde WW-uitkering, doet er niet aan af dat hij niet aan bedoelde voorwaarden voldeed en dus geen recht had op een Ioaw-uitkering. Voor zover appellant van mening is dat hij recht had op een verlengde WW-uitkering, had hij dat bij het UWV moeten aankaarten, bijvoorbeeld door bezwaar te maken tegen het betreffende besluit.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 12/6003 IOAW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 3 oktober 2012, 11/1201 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het dagelijks bestuur van Het Plein (dagelijks bestuur).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. F. van Nisselrooij, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Nisselrooij. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Buiting.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren [in] 1959, is op 8 november 2010 werkloos geworden. Bij besluit van 29 november 2010 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) appellant een uitkering toegekend op grond van de Werkloosheidswet (WW) over de periode van 8 november 2010 tot en met 7 februari 2011. Appellant heeft op 21 januari 2011 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). Bij besluit van 14 maart 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 juni 2011(bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan de in artikel 2, aanhef en onder a, ten tweede en ten derde, van de IOAW neergelegde voorwaarden voor toekenning van een IOAW-uitkering, aangezien hij niet in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van (hoofdstuk II van) de WW van meer dan drie maanden (verlengde uitkering).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij recht had op een verlengde uitkering omdat hij begrepen had dat hij WW-premie afdroeg over de vergoedingen die hij ontving uit hoofde van zijn raadslidmaatschap en plaatsvervangend raadslidmaatschap. Hij hoefde er niet op bedacht te zijn dat zijn arbeidsverleden als raadslid en plaatsvervangend raadslid niet zou meetellen voor de zogeheten jareneis als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de WW.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 2 van de Wet IOAW bepaalt voor zover hier van belang dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder werkloze werknemer de persoon die werkloos is en de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en:
a. die:
1. na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos is geworden;
2. in verband met die werkloosheid recht heeft gekregen op een uitkering op grond van hoofdstuk II van de Werkloosheidwet met een duur van meer dan drie maanden, en
3. nadien de volledige uitkeringsduur, bedoeld in hoofdstuk II van de Werkloosheidswet, inclusief een eventuele verlenging van deze duur op grond van artikel 76 van die wet, heeft bereikt, tenzij op dat tijdstip een maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering op grond van artikel 27, eerste of tweede lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.

4.2. Met het in 1.1 vermelde besluit van 29 november 2010 staat vast, zoals ter zitting ook door appellant is erkend, dat appellant niet voldoet aan de in artikel 2, aanhef en onder a, ten tweede, van de IOAW neergelegde voorwaarden voor toekenning van een IOAW-uitkering. Dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat zijn werkzaamheden als raadslid en plaatsvervangend raadslid zouden meetellen voor de zogeheten jareneis waaraan moet zijn voldaan om recht te krijgen op een verlengde uitkering, doet er niet aan af dat hij niet aan bedoelde voorwaarden voldeed en dus geen recht had op een uitkering op grond van de IOAW. Voor zover appellant van mening is dat hij recht had op een verlengde uitkering had hij dit bij het Uwv moeten aankaarten, bijvoorbeeld door bezwaar te maken tegen het besluit van 29 november 2010.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling van het college tot vergoeding van schade bestaat geen grond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2014.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) T.A. Meijering