Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2015:3849
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 14/1232 NIOAW
Datum uitspraak: 03-11-2015
Wetsartikelen: artt. 15 en 16a Ioaw
Essentie: Toekenning Ioaw-uitkering met ingang van de datum in geding omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de uitkering op een eerdere datum moet worden toegekend. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die toekenning van zijn Ioaw-uitkering met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 14/1232 NIOAW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 februari 2014, 13/7890 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Namens appellant is mr. De Witte verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving tot en met 1 maart 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 6 april 2013 heeft appellant zich gemeld bij het UWV WERKbedrijf en heeft hij een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) ingediend. Hierbij heeft hij als gewenste ingangsdatum 2 maart 2010 opgegeven.

1.2. Bij besluit van 21 mei 2013, zoals dat na bezwaar is gewijzigd bij besluit van 23 september 2013 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant een uitkering op grond van de IOAW toegekend met ingang van 6 april 2013. Volgens het college was er geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de uitkering eerder dan met ingang van 6 april 2013 had moeten worden toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het geschil ziet op de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die de toekenning van een IOAW-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 2 maart 2010 rechtvaardigen. Appellant voert aan dat hij zich in verband met de beëindiging van de WW-uitkering begin maart 2010 heeft gewend tot het UWV WERKbedrijf in Den Haag, waar hem voor het loket werd verteld dat voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) een vermogenstoets van toepassing is. Hij is er toen niet op gewezen dat hij in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van de IOAW, waarvoor de vermogenstoets niet geldt. Appellant heeft een aanvraagformulier voor bijstand ingevolge de WWB overgelegd, dat hij destijds zou hebben meegekregen en wat hij zou kunnen gebruiken als hij voldoende zou hebben ingeteerd op zijn vermogen.

4.2. Het gaat in deze zaak om een aanvraag om een IOAW-uitkering. Het ligt dan op de weg van appellant aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die toekenning van zijn IOAW-uitkering met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Appellant is hierin niet geslaagd. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich begin maart 2010 tot het UWV WERKbedrijf heeft gemeld en toen is afgehouden van het doen van een aanvraag om een uitkering ingevolge de IOAW. Vaststaat dat van het door appellant gestelde gesprek aan het loket van het UWV WERKbedrijf in maart 2010 geen registratie heeft plaatsgevonden en dat geen melding tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 16a, tweede lid, van de IOAW. Dat appellant zich begin maart 2010 tot het UWV WERKbedrijf heeft gewend, zou moeten blijken uit het door hem overgelegde aanvraagformulier. Dit blanco aanvraagformulier is ongedateerd. Uit dit aanvraagformulier blijkt niet dat het in maart 2010 aan het loket van het UWV WERKbedrijf aan appellant is meegegeven. De verklaringen van appellant en van zijn vriendin, [naam vriendin], over de gang van zaken bij het gesprek aan het loket van het UWV WERKbedrijf in maart 2010 zijn te weinig concreet en specifiek en zijn niet met objectief verifieerbare gegevens onderbouwd. Zo wordt niet duidelijk op welke datum het gesprek heeft plaatsgevonden, wat appellant precies heeft gevraagd en welke gegevens hij over zijn situatie heeft verstrekt. Voorts heeft appellant wisselend verklaard over de hoogte van de vermogensgrens die hem aan het loket zou zijn meegedeeld. Dit is van belang omdat appellant bij zijn aanvraag en in bezwaar een bedrag van € 5.555,- heeft genoemd, als het bedrag dat hem aan het loket als de voor hem geldende vermogensgrens zou zijn meegedeeld. Het bedrag van € 5.555,- gold pas in 2011. In 2010 was dit nog € 5.480,-. Dat appellant tussen maart 2010 en 6 april 2013 heeft ingeteerd op zijn eigen vermogen is niet in geschil. Dat dit interen het gevolg was van onjuiste informatievertrekking door het college in maart 2010, is echter niet gebleken.

4.3. Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2015.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M.S. Boomhouwer