Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BD3446
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BD3446
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 07/115 NIOAW en 07/116 NIOAW
Datum uitspraak: 27-05-2008
Wetsartikelen: artt. 8 en 9 Ioaw
Essentie: Weigering hogere Ioaw-uitkering. In geding is de vraag of bij de berekening van de hoogte van de uitkering van appellanten terecht rekening is gehouden met de algemene heffingskorting ten aanzien van appellante door deze loonheffingskorting net als de overige inkomsten van appellanten in mindering te brengen op de grondslag van hun uitkering (bij appellant wordt de loonheffingskorting niet verrekend omdat die reeds in aanmerking is genomen bij zijn uitkering ingevolge de WAO).

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/115 NIOAW en 07/116 NIOAW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant 1] en [appellant 2], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 november 2006, 06/2685 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College).

Datum uitspraak: 27 mei 2008.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. J. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2008. Appellanten en hun gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout, werkzaam bij de gemeente Tilburg.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen tot 1 januari 2006, in aanvulling op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), van het College een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw).

Bij besluit van 25 november 2005 heeft het College het verzoek van appellanten om een hogere uitkering afgewezen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 april 2006.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 27 april 2006 ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College, bij de berekening van de hoogte van de uitkering van appellanten terecht rekening heeft gehouden met de algemene heffingskorting, bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: loonheffingskorting), ten aanzien van appellante, door deze loonheffingskorting net als de overige inkomsten van appellanten in mindering te brengen op de grondslag van hun uitkering ingevolge de Ioaw (bij appellant wordt de loonheffingskorting door het College niet verrekend, omdat die reeds in aanmerking is genomen bij zijn uitkering ingevolge de WAO). Naar de mening van appellanten geschiedt dit ten onrechte, omdat appellante geen teruggave van de loonheffingskorting bij de Belastingdienst heeft aangevraagd, aangezien zij volgens haar bij uitbetaling van de volledige loonheffingskorting een deel daarvan nadien moet terugbetalen aan de Belastingdienst. Door deze niet genoten korting toch in mindering te brengen op de grondslag, heeft het College appellanten een te laag bedrag aan uitkering ingevolge de Ioaw toegekend, waardoor hun inkomen onder bijstandsniveau is komen te liggen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Ioaw bedraagt de uitkering het verschil tussen de van toepassing zijnde grondslag en het inkomen.

De Raad stelt vast dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet blijkt dat appellante een zodanig inkomen heeft dat zij niet in aanmerking komt voor een volledige loonheffingskorting. Gelet hierop valt niet in te zien waarom appellante niet uitbetaling van deze loonheffingskorting had kunnen aanvragen bij de Belastingdienst. De Raad is dan ook van oordeel dat het College de loonheffingskorting waarop appellante recht kan doen gelden heeft kunnen meenemen bij de berekening van de hoogte van de uitkering ingevolge de Ioaw. Dat appellanten uitbetaling van deze heffingskorting niet wensten aan te vragen moet voor hun rekening blijven.

Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) W. Altenaar.