Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BE0074
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BE0074
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 07/3552 NIOAW
Datum uitspraak: 05-08-2008
Wetsartikelen: artt. 3, 5, 13, 17, 25, 26 en 60b Ioaw
Essentie: Intrekking en (mede)terugvordering Ioaw-uitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste kamerhuurrelatie.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/3552 NIOAW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 26 april 2007, 06/1583 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard (hierna: College).

Datum uitspraak: 5 augustus 2008.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.C.A. Stoop, advocaat te Heerhugowaard, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Stoop. Tevens is als getuige gehoord [naam dochter], de dochter van appellante. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door D.P. van der Velden en H. Wijkvliet, beiden werkzaam bij de gemeente Heerhugowaard.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het College heeft aan [K.] (hierna: [K.]) met ingang van 5 augustus 2001 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) naar de norm voor een alleenstaande toegekend. [K.] woonde in op het adres van appellante. Omdat het vermoeden bestond dat hij geen juiste opgave had gedaan van de door hem gewerkte dagen en uren en een gezamenlijke huishouding met appellante voerde, heeft op verzoek van het College de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [K.] verleende uitkering. In het kader van dit onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een op 13 januari 2005 aan het College aangeboden proces-verbaal, zijn onder meer door [K.] en appellante verklaringen afgelegd.

1.2. Het College heeft naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek bij besluit van 24 augustus 2005 de uitkering van [K.] over de periode van 5 augustus 2001 tot 1 oktober 2004 ingetrokken. Het College heeft daarbij overwogen, voor zover hier van belang, dat [K.] heeft verzwegen dat hij met ingang van 5 augustus 2001 een gezamenlijke huishouding voerde met appellante. Bij besluit van 9 januari 2006 heeft het College de over de periode van 5 augustus 2001 tot 1 oktober 2004 verleende uitkering tot een bedrag van € 28.442,61 van [K.] teruggevorderd. Bij besluiten van 9 november 2005 respectievelijk 28 maart 2006 heeft het College de door [K.] tegen beide besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. [K.] heeft tegen de besluiten op bezwaar geen beroep ingesteld.

1.3. Bij besluit van 9 januari 2006 heeft het College de over de periode van 5 augustus 2001 tot 1 oktober 2004 aan [K.] verleende uitkering onder verwijzing naar artikel 26, derde lid, van de Ioaw mede van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 11 april 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 januari 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 april 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Nu niet in geding is dat [K.] in de hier aan de orde zijnde periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante, is slechts aan de orde het antwoord op de vraag of [K.] en appellante in die periode blijk hebben gegeven zorg voor elkaar te dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaw. Is dat het geval dan is het College op grond van artikel 26, tweede en derde lid, van de Ioaw gehouden de over die periode aan [K.] verleende uitkering mede van appellante terug te vorderen.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante de persoon is met wie [K.] in de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste kamerhuurrelatie. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat uit de door [K.] en door appellante tegenover de sociale recherche afgelegde en door hen ondertekende verklaringen blijkt dat appellante en [K.] zorg naar elkaar hadden. De ter zitting van de Raad door de dochter van appellante afgelegde verklaring heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid, omdat die verklaring in hoofdzaak betrekking had op het hoofdverblijf van [K.] en niets inhield op het punt van (het ontbreken van) de wederzijdse zorg.

4.3. De in hoger beroep aangevoerde grief dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet, reeds omdat [K.] het College over zijn woon- en leefsituatie bij appellante geen juiste inlichtingen heeft verstrekt. Evenmin volgt de Raad appellante in haar stelling dat het College het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. De door [K.] en appellante afgelegde verklaringen ter zake van de wederzijdse zorg zijn duidelijk en niet voor een andere uitleg vatbaar. Met betrekking tot de in dit verband nog naar voren gebrachte stelling dat appellante van de door haar afgelegde verklaring is teruggekomen verwijst de Raad kortheidshalve naar de overwegingen van de rechtbank op dit punt. De Raad kan zich hiermee verenigen. De Raad stelt zich eveneens achter de overwegingen van de rechtbank ter zake van de omstandigheid dat appellante door de strafrechter is vrijgesproken van de haar ten laste gelegde feiten.

4.4. Gelet op het vorenstaande is het College gehouden de ten onrechte aan [K.] verleende uitkering mede van appellante terug te vorderen. In hetgeen door en namens appellante is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Ioaw, zodat het College niet bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van terugvordering van appellante af te zien.

4.5. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

4.6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en G.A.J. van den Hurk en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.