Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BM5959
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BM5959
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/2127 IOAW
Datum uitspraak: 25-05-2010
Wetsartikelen: artt. 5, 8, 13, 17 en 25 Ioaw
Essentie: Intrekking en terugvordering Ioaw-uitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit autohandel. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat bij gebreke aan verifieerbare gegevens over de autohandel het recht op Ioaw-uitkering niet kan worden vastgesteld.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 08/2127 IOAW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 maart 2008, 07/2414 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College).

Datum uitspraak: 25 mei 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. Y. van der Linden, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Geraads, kantoorgenote van mr. Van der Linden, en door zijn zoon [naam zoon]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Linders, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.




II. OVERWEGINGEN


1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant en zijn echtgenote ontvingen sedert begin 1992 een uitkering ingevolge Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) naar de grondslag voor gehuwden, ter aanvulling op appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met ingang van 1 januari 2006 is de IOAW-uitkering ingetrokken vanwege een toename van de WAO-uitkering.

1.2. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant en zijn echtgenote verleende IOAW-uitkering is informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW). Daaruit bleek dat ettelijke kentekens van auto’s op naam van appellant hadden gestaan of nog stonden. Daarop is nader onderzoek verricht, waarbij aan appellant onder meer is verzocht om deugdelijke en verifieerbare gegevens te overleggen over de transacties met de auto’s.

1.3. Op basis van de resultaten van het nader onderzoek heeft het College bij besluit van 12 september 2006 de IOAW-uitkering van appellant en zijn echtgenote over de periode van 12 september 1997 tot en met 27 juni 2005 ingetrokken en de over deze periode verstrekte uitkering ten bedrage van € 23.411,50 bruto teruggevorderd. Daarbij is uitgegaan van doorlopende autohandel door appellant, waarvan ten onrechte geen melding was gedaan aan het College. Voorts heeft het College zich op het standpunt gesteld dat bij gebreke aan verifieerbare gegevens over de autohandel, het recht op IOAW-uitkering niet kan worden vastgesteld.

1.4. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 juni 2007 gegrond verklaard, in die zin dat de intrekking en terugvordering is beperkt tot de 34 maanden - in de periode van oktober 1997 tot en met juni 2005 - waarin transacties van auto’s hebben plaatsgevonden. Het bedrag dat wordt teruggevorderd is daarbij bepaald op € 8.685,21.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 12 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt op basis van de informatie van de RDW vast dat, beoordeeld vanaf oktober 1997 tot en juni 2005, 50 auto’s op naam van appellant hebben gestaan en dat in deze periode met 48 auto’s een transactie heeft plaatsgevonden. Verder is van belang dat 15 auto’s zijn geëxporteerd, dat een flink aantal auto’s slechts één of enkele dagen op naam van appellant heeft gestaan en dat appellant regelmatig meerdere auto’s op zijn naam had staan. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het College zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat gesproken moet worden van autohandel, in de zin van op geld waardeerbare activiteiten bij de verkoop van auto’s.

3.2. Appellant heeft aangevoerd dat buitenlandse vrienden van hem geen auto in Nederland konden kopen, en dat hij daarom samen met hen een auto uitzocht en hijzelf de auto kocht, waarna export kon plaatsvinden. Gelet op de omvang waarin deze export heeft plaatsgevonden, acht de Raad dit het kader van het verlenen van een vriendendienst evenwel te buiten gaan.
Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij in de jaren 2004 en 2005 maar weinig auto’s op zijn naam had staan, waarvan twee gedurende enkele maanden, welke auto’s volgens hem bestemd waren voor consumptief gebruik. Nu echter in deze jaren ook enkele auto’s kortdurend op naam van appellant hebben gestaan en verder voor een deel ook sprake was van elkaar overlappende periodes, doet de omstandigheid dat twee auto’s enkele maanden op naam van appellant hebben gestaan niet af aan het totaalbeeld dat gesproken moet worden van autohandel.
De stelling van appellant dat enkele auto’s aan zijn kinderen toebehoorden en uitsluitend om verzekeringstechnische redenen op zijn naam stonden is niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat de Raad hier verder aan voorbij zal gaan.

3.3. Van de onder 3.1 bedoelde transacties die onmiskenbaar van belang zijn voor de verlening van de IOAW-uitkering heeft appellant ten onrechte geen mededeling gedaan aan het College. Het gaat hier om met transacties verworven inkomsten, waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij die inkomsten eigener beweging had moeten melden. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant in de maanden waarin transactie(s) van auto’s hebben plaatsgevonden de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Aangezien controleerbare gegevens over de met de transacties verworven inkomsten ontbreken, kan over die maanden het recht op IOAW-uitkering niet worden vastgesteld.

3.4. In hetgeen onder 3.3 is overwogen ligt besloten dat het College gehouden was om, met toepassing van artikel 17, derde lid, aanhef en onder a, van de IOAW over te gaan tot intrekking van de IOAW-uitkering over de 34 maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden, zoals nader aangeduid in het besluit van 12 juni 2007. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen op grond waarvan het College van intrekking van de IOAW-uitkering over deze maanden had moeten afzien.

3.5. Aangezien tegen het oordeel van de rechtbank over de terugvordering geen zelfstandige beroepsgronden zijn aangevoerd, behoeft de Raad daar verder niet op in te gaan.

3.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E. Heemsbergen.