Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BQ0064
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0064
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 09/3723 NIOAW
Datum uitspraak: 29-03-2011
Wetsartikelen: artt. 13 en 20 Ioaw / 8:72 en 8:73 Awb
Essentie: Oplegging maatregel van 5% verlaging van de Ioaw-uitkering gedurende één maand omdat appellante eerst na zeventien dagen melding heeft gemaakt van het daadwerkelijk starten van de opleiding, terwijl zij was aangemeld voor deelname aan een re-integratietraject. De Raad is van oordeel dat het starten van de opleiding als zodanig onder de gegeven omstandigheden geen informatie betreft die van belang is voor de verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden van het aan de maatregel ten grondslag gelegde artikel 4, aanhef, eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 09/3723 NIOAW




U I T S P R A A K




[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 mei 2009, 08/581 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard (hierna: Dagelijks Bestuur).

Datum uitspraak: 29 maart 2011.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 09/3722 NIOAW en 08/5714 NIOAW, plaatsgevonden op 25 januari 2011. Voor appellante is verschenen mr. S. Dosljak, advocaat te Amsterdam en waarnemend voor mr. Labordus. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Munster en J.Z. Schoemaker, beiden werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Thans wordt in deze zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 27 juli 2007 heeft het Dagelijks Bestuur aan appellante met ingang van 1 augustus 2007 een uitkering toegekend ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: Ioaw). Daarbij is vermeld dat appellante is aangemeld bij de re-integratiebureaus VierL, dat haar zal begeleiden bij het vinden van betaald werk, en [naam bedrijf], waar appellante zal gaan werken met behoud van uitkering.

1.2. Appellante is op 5 november 2007 gestart met een opleiding tot callcenter medewerker, waaruit inkomsten werden ontvangen. Zij heeft hiervan aan het Dagelijks Bestuur melding gemaakt op 22 november 2007. De inkomsten heeft zij aangegeven op het daartoe bestemde inkomstenformulier dat zij eind november bij het Dagelijks Bestuur heeft ingeleverd.

1.3. Bij besluit van 12 december 2007 heeft het Dagelijks Bestuur de uitkering van appellante over de maand januari 2008 met 5% verlaagd, op de grond dat appellante niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft verstrekt die van belang is voor de verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan. Het Dagelijks Bestuur heeft hierbij verwezen naar artikel 20, derde lid, van de Ioaw en artikel 4, eerste lid, onder b van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit).

1.4. Bij besluit van 15 april 2008 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 december 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 15 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Artikel 13 van de Ioaw luidde ten tijde in geding als volgt: “1. De belanghebbende doet aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald.
2. De belanghebbende is verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. (…)”.

4.1.2. Artikel 20, derde lid, van de Ioaw luidde ten tijde in geding: “Indien de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid (…) niet binnen de door burgemeester en wethouders (…) daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, dan wel een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede lid (…) niet of niet behoorlijk is nagekomen, weigeren burgemeester en wethouders de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk.” In het vierde lid van artikel 20 van de Ioaw is onder meer opgenomen dat een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert.

4.1.3. Artikel 4, aanhef, eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit luidde ten tijde in geding: “De gedragingen bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de Ioaw (…) worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het niet binnen de door burgemeester en wethouders daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan.”.

4.2. De Raad stelt vast dat appellante niet verweten wordt dat zij de uit de opleiding tot callcenter medewerker voortvloeiende inkomsten te laat zou hebben opgegeven. Van de zijde van het Dagelijks Bestuur was aan appellante ook toestemming voor het (gaan) volgen van de opleiding verleend. De maatregel is aan appellante opgelegd omdat zij eerst na 17 dagen melding heeft gemaakt van het daadwerkelijk starten van de opleiding, terwijl appellante was aangemeld voor deelname aan een door het Dagelijks Bestuur bekostigd re-integratietraject. De Raad is van oordeel dat het starten van de opleiding als zodanig onder de gegeven omstandigheden geen informatie betreft die van belang is voor de verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan - hetgeen ter zitting van de Raad van de zijde van het Dagelijks Bestuur is erkend - zodat niet is voldaan aan de voorwaarden van het door het Dagelijks Bestuur aan de maatregel ten grondslag gelegde artikel 4, aanhef, eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit. De Raad concludeert dan ook dat het besluit van 15 april 2008 berust op een onjuiste wettelijke grondslag.

4.3. Uit hetgeen onder 4.2 is overwogen volgt dat het besluit van 15 april 2008 niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren. Het besluit van 15 april 2008 dient als in strijd met de onder 4.1 genoemde wettelijke bepalingen te worden vernietigd. De Raad zal voorts de zaak zelf afdoen en het besluit van 12 december 2007 herroepen op dezelfde grond.

4.4. De Raad ziet aanleiding om het verzoek om vergoeding van schade met toepassing van artikel 8:73 van de Awb toe te wijzen. Wat betreft de wijze waarop het Dagelijks Bestuur de aan appellante toekomende vergoeding, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkering, dient te berekenen, volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak van 14 december 2010, LJN BO8851.

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 483,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag van de proceskosten heeft de Raad rekening gehouden met de gelijktijdige behandeling van meerdere zaken van appellante ter zitting in hoger beroep en met de proceskostenveroordeling in zijn uitspraak van heden met nummer 09/3722 NIOAW.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 15 april 2008;
Herroept het besluit van 12 december 2007;
Veroordeelt het Dagelijks Bestuur tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering als onder 4.4 bepaald;
Veroordeelt het Dagelijks Bestuur tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 805,--;
Bepaalt dat het Dagelijks Bestuur het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) C. de Blaeij.