Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN CA2811
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:CA2811
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/3308 IOAW
Datum uitspraak: 11-06-2013
Wetsartikelen: artt. 5 en 8 Ioaw
Essentie: Weigering Ioaw-uitkering omdat appellant inkomsten uit vroegere arbeid geniet die hoger zijn dan de voor hem geldende grondslag. Het college heeft terecht onder toepassing van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder g, van het Inkomensbesluit Ioaw de op grond van de afvloeiingsregeling verkregen periodieke uitkeringen als inkomen in verband met arbeid aangemerkt.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 11/3308 IOAW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 april 2011, 10/4190 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Soest (college).

Datum uitspraak 11 juni 2013.




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft [naam gemachtigde] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2013. Namens appellant zijn verschenen [naam gemachtigde] en mr. E.M.A. Hindriks. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H.M. van den Brink-Hilhorst.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren [in] 1948, is met ingang van 1 maart 2007 om bedrijfseconomische redenen ontslagen uit zijn dienstbetrekking als bedrijfsleider bij [naam boekhandel]. In verband met zijn ontslag is appellant op grond van het Sociaal Plan een afvloeiingsregeling aangeboden. Deze houdt in dat [de boekhandel] het inkomen van appellant tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd aanvult tot 80% van het door hem laatst genoten bruto maandloon inclusief emolumenten.

1.2. Appellant heeft in verband met het op 1 mei 2010 verstrijken van de maximale uitkeringsduur van de Werkloosheidswet (WW) op 15 april 2010 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) aangevraagd. Bij besluit van 5 juli 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat appellant inkomsten uit vroegere arbeid geniet die hoger zijn dan de voor hem geldende grondslag.

1.3. [de boekhandel] heeft op 23 juli 2010 ter financiële compensatie over de periode van 1 mei 2010 tot 31 december 2012 aan appellant de keuze geboden tussen een eenmalige uitkering tot een bedrag van € 46.722,-- bruto (optie 1) en de verkrijging van een stamrecht voor genoemd bedrag ten laste van [de boekhandel], dat recht geeft op periodieke uitkeringen (optie 2). Appellant heeft voor optie 2 gekozen.

1.4. Appellant heeft op 13 augustus 2010 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 juli 2010. Daarbij heeft appellant onder verwijzing naar de hem geboden keuzemogelijkheid als bedoeld in 1.3 een beroep gedaan op artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, van het Inkomensbesluit IOAW (Besluit) op grond waarvan periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht niet als inkomen in verband met arbeid worden beschouwd.

1.5. Bij besluit van 19 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant bij de beëindiging van de dienstbetrekking op 1 maart 2007 niet heeft gekozen voor een eenmalige uitkering waarmee een stamrecht kon worden aangekocht, maar voor een afvloeiingsregeling, zodat niet aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder j (lees: h), van het Besluit wordt voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat onder de term ‘beëindiging van de dienstbetrekking’ als gehanteerd in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, van het Besluit wordt verstaan voorafgaand of korte tijd na die beëindiging. Het vestigen van een stamrecht drie jaar na het beëindigen van het dienstverband valt daar niet onder.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende aangevoerd. De in 2 bedoelde uitleg van de rechtbank is niet in de tekst van het Besluit opgenomen, maar wordt ontleend aan de nota van toelichting bij het Besluit waarmee onderdeel j aan artikel 7, tweede lid, van het Besluit is toegevoegd. Als de tekst duidelijk is en ook nog in het voordeel van de belanghebbende, dan gaat deze voor op de toelichting. Als reden dat pas op 23 juli 2010 aan appellant een eenmalige uitkering is aangeboden en niet direct na beëindiging van het dienstverband voert appellant aan dat op dat moment nog niet in het Besluit was opgenomen dat bij een keuzerecht geen sprake zou zijn van inkomen in verband met arbeid. Verder doet appellant een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bij de toepassing van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) in het geval van een ex-collega in een vergelijkbare situatie als die van appellant niet tot korting van de IOW-uitkering heeft besloten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de IOAW, voor zover van belang, heeft de werkloze werknemer recht op uitkering, indien het inkomen per maand minder bedraagt dan de van toepassing zijnde grondslag.

4.1.2. Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit, voor zover van belang, bepaalt dat voor de toepassing van de wet onder inkomen in verband met arbeid wordt verstaan loon dat uit vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

4.1.3. Bij besluit van 25 februari 2008 tot wijziging van onder meer het Besluit is aan artikel 7, tweede lid, een onderdeel j (thans: h) toegevoegd. Ingevolge dit onderdeel wordt in afwijking van artikel 7, eerste lid, van het Besluit niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die beëindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht van de werknemer te besteden.

4.2. Aan appellant is in verband met de beëindiging van zijn dienstbetrekking per 1 maart 2007 een afvloeiingsregeling aangeboden als omschreven in 1.1. Deze regeling voorziet niet in periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, verkregen uit een eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, van het Inkomensbesluit IOAW. [de boekhandel] heeft appellant ruim drie jaar na het einde van zijn dienstbetrekking een nieuw aanbod in de vorm van een eenmalige uitkering gedaan. Weliswaar laten de woorden "beëindiging van de dienstbetrekking" als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Besluit ruimte voor meerdere uitleg, maar, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, brengt een redelijke wetsuitleg, gelet op de nota van toelichting bij het in 4.1.3 genoemde Besluit van 25 februari 2008, mee dat hieronder wordt verstaan: voorafgaand aan of korte tijd na die beëindiging. Het beroep van appellant op genoemde bepaling slaagt om die reden niet.

4.3. Overigens kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat [de boekhandel] hem pas op 23 juli 2010 een eenmalige uitkering heeft aangeboden en niet direct na de beëindiging van zijn dienstbetrekking, omdat op dat moment het Besluit nog niet voorzag in de onder 4.1.3 genoemde bepaling. Ten tijde van de beëindiging van appellants dienstbetrekking voerden gemeenten reeds het beleid om uitkeringen uit hoofde van een door de werkgever aangekocht stamrecht niet als inkomen aan te merken, mits de werknemer kon aantonen dat hij een vrije keuze had bij de besteding van de eenmalige ontslagvergoeding. Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordiger van het college bevestigd dat ook het college dit beleid voerde. De wijziging van het Besluit als bedoeld in 4.1.3 heeft deze uitvoeringspraktijk slechts vastgelegd. [de boekhandel] had dan ook direct na de beëindiging van het dienstverband appellant een eenmalige uitkering kunnen aanbieden. In plaats daarvan heeft [de boekhandel] een afvloeiingsregeling aangeboden.

4.4. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het college terecht onder toepassing van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit de op grond van de afvloeiingsregeling verkregen periodieke uitkeringen als inkomen in verband met arbeid heeft aangemerkt.

4.5. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet nu dit beginsel niet zo ver strekt dat een bestuursorgaan gebonden zou zijn aan beslissingen van andere bestuursorganen, zoals in dit geval het Uwv, in vergelijkbare zaken.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en W.H. Bel en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) T.A. Meijering