Vrouwe Justitia

 

 

 

(Zie ook Abw en Wwb)


TIP: zoeken binnen deze pagina kan met Ctrl+F

 

LJN AA4022 - Terechte afwijzing bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag na eindiging van de (redelijke) overbruggingsperiode om te voldoen aan de verhuisplicht wegens woonlasten boven de maximumhuurgrens.

LJN AF4874 - Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep omdat niet vóór het verstrijken van de beroepstermijn een besluit tot het instellen van hoger beroep is genomen. Uit de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 43, tweede lid, van de Ioaz volgt dat aan het instellen van beroep een besluit van het betrokken college zélf ten grondslag dient te liggen. Mandatering van die bevoegdheid (aan een gemeenteambtenaar) is niet toegestaan.

LJN AK3414 - Intrekking en (mede)terugvordering Ioaz-uitkering en boeteoplegging omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert en daarvan aan het college ten onrechte niet tijdig mededeling heeft gedaan. In geding is de vraag of de ontvangen uitkering ingevolge de Duitse wetgeving onder het inkomen valt dat in het Inkomensbesluit Ioaw wordt genoemd en waarmee derhalve bij de vaststelling van de Ioaz-uitkering rekening mag worden gehouden.

LJN AO3135 - Blokkering, intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering omdat geen recht op uitkering ontstaat zolang het bedrijf of beroep door de zelfstandige en de echtgenoot niet is beëindigd. In verband hiermee is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat blokkering van de uitbetaling van de uitkering in afwachting van nader onderzoek naar het recht op uitkering geoorloofd is. De Raad stelt voorts vast dat appellante aan het college geen opening van zaken heeft gegeven over het tijdstip waarop het bedrijf is beëindigd.

LJN AO8707 - Intrekking en (mede)terugvordering Ioaz-uitkering omdat uit een onderzoek naar zijn woonomstandigheden is gebleken dat appellant sedert de datum in geding een gezamenlijke huishouding voert met appellante, die een inkomen heeft boven de voor appellant van toepassing zijnde uitkeringsnorm. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Er zijn geen dringende redenen om af te zien van terugvordering.

LJN AQ2695 - Oplegging arbeidsverplichtingen. In geding is de vraag of terecht is besloten dat appellante niet langer is ontheven van de verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid. Er is geen sprake van redenen van medische of sociale aard dan wel redenen gelegen in de aard en het doel van de uitkering die zich tegen oplegging van de arbeidsverplichtingen zouden verzetten.

LJN AR6017 - Intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering omdat appellant en zijn echtgenote sedert de datum in geding werkzaam zijn in een vennootschap onder firma zonder het college daarvan mededeling te hebben gedaan. Het mag zo zijn dat appellant meende goede gronden te hebben om in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als zelfstandige ingeschreven te staan en ingeschreven te blijven, dat laat onverlet dat die inschrijving alsmede het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige door appellant of zijn echtgenote in de weg staan aan het recht op Ioaz-uitkering.

LJN AR6893 - Intrekking en (mede)terugvordering Ioaz-uitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad ziet de verklaring van appellant bevestigd in de door de sociale recherche verrichte observaties, waarbij in de periode in geding de auto van appellant nagenoeg dagelijks vroeg in de ochtend is aangetroffen op het erf van de woning van appellante.

LJN AR6894 - De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college het bezwaar van appellant wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. Mede in aanmerking genomen dat het college niet beschikt over een verzendregister van besluiten stelt de Raad vast dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer het bestreden besluit is bekendgemaakt, zodat niet kan worden vastgesteld wanneer de bezwaartermijn is aangevangen. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

LJN AT6725 - Intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering omdat het inkomen uit vermogen hoger is dan de toepasselijke grondslag. Bij de vaststelling van het vermogen van appellant heeft het college het toegewezen deel van het melkquotum buiten beschouwing gelaten en slechts het aangekochte deel van het melkquotum betrokken. De Raad is van oordeel dat de waarde van het aangekochte deel van het melkquotum dient te worden gesteld op de boekwaarde bij de bedrijfsbeëindiging en niet op de vrije verkoopwaarde. Voorts is het melkquotum door de maatschap aangekocht en kan daarom slechts voor een deel gerekend worden tot het vermogen van appellant toen hij zijn bedrijfsactiviteiten staakte.

LJN AU7200 - Weigering Ioaz-uitkering omdat appellant niet kan worden aangemerkt als een gewezen zelfstandige in de zin van artikel 2, vijfde lid, van de Ioaz nu hij niet voldoet aan het urencriterium voor toepassing van de zelfstandigenaftrek. Appellant heeft reeds vanaf 1996 geen aanspraak meer gemaakt op de zelfstandigenaftrek omdat hij in dat jaar - wegens te weinig rendement - feitelijk is gestopt met zijn varkenshouderij.

LJN AX1591 - Niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening van het college wegens het ontbreken van procesbelang. Het college heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist.

LJN AZ5264 - Intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering omdat appellant zijn arbeid in bedrijf of beroep heeft hervat. Of sprake is van het hervatten of het aanvangen van de arbeid in bedrijf of beroep wordt bepaald door de concrete feiten en omstandigheden van het geval. De formele constructie van de wijze waarop die arbeid wordt verricht of het beroep wordt uitgeoefend is hierbij derhalve niet doorslaggevend. De duur van de rechterlijke procedure is zodanig lang dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

LJN BA0147 - Intrekking Ioaz-uitkering wegens gezamenlijke huishouding. Betrokkene stelt een deel van zijn woning te verhuren. In geding is de vraag of is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering. Alleen indien betrokkene bij een nader onderzoek naar de woon- en leefsituatie geen of geen toereikende inlichtingen zou hebben verschaft, had kunnen worden overgegaan tot intrekking van de uitkering op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke omvang recht op uitkering bestaat.

LJN BA1098 - Intrekking Ioaz-uitkering omdat appellant zijn bedrijfsactiviteiten niet heeft gestaakt. Appellant heeft niet overeenkomstig de daartoe opgelegde verplichting een liquidatiebalans van zijn bedrijf overgelegd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant met ingang van de datum in geding niet als gewezen zelfstandige in de zin van de Ioaz kon worden aangemerkt reeds omdat hij - onbetwist - per die datum met een nieuw bedrijf is gestart.

LJN BB6602 - Toekenning Ioaz-uitkering naar de norm voor gehuwden onder aftrek van onder meer de inkomsten van appellants echtgenote uit haar zelfstandig beroep. Het college heeft de winst uit het zelfstandig beroep van appellants echtgenote ten onrechte als in aanmerking te nemen inkomen op de Ioaz-uitkering in mindering gebracht. Echter, de echtgenote had haar zelfstandig beroep ten tijde in geding niet beëindigd, waarmee niet is voldaan aan de voorwaarde voor het recht op een Ioaz-uitkering, zodat geen recht op een Ioaz-uitkering is ontstaan.

LJN BD7004 - Toekenning Ioaz-uitkering waarbij de inkomsten uit arbeid van appellant als vrijwillig politieambtenaar, rekening houdend met een gewenningstermijn, op zijn uitkering in mindering worden gebracht. Terecht is tot uitgangspunt genomen dat appellant in een publiekrechtelijke dienstbetrekking staat tot de korpsbeheerder van de betreffende regiopolitie, maar geen werknemer is in de zin van de Wfsv.

LJN BF9115 - Weigering Ioaz-uitkering omdat niet is voldaan aan de driejareneis. Appellant heeft voorafgaand aan de aanvraag niet onafgebroken drie jaar als zelfstandige een bedrijf uitgeoefend en heeft de aanvraag niet ingediend vóór de beëindiging van zijn bedrijf.

LJN BH3844 - Weigering Ioaz-uitkering omdat appellant niet kan worden aangemerkt als gewezen zelfstandige als bedoeld in de Ioaz. Niet in geschil is dat appellant in de periode van drie jaar onmiddellijk voorafgaand aan de Ioaz-aanvraag onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland heeft uitgeoefend. Het geding spitst zich toe op de vraag of appellant in de zeven jaren die aan de voornoemde periode voorafgingen een bedrijf of beroep in Nederland heeft uitgeoefend dan wel arbeid in dienstbetrekking heeft verricht en meer in het bijzonder of appellant in de periode in geding toen hij een WW-uitkering ontving, vanwege psychische klachten niet in staat was om arbeid te verrichten.

LJN BI1923 - Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van de boekhouder omdat deze kosten niet behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Weigering Ioaz-uitkering omdat appellant de aanvraag heeft ingediend nadat het bedrijf is beëindigd. Appellant is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord voordat op het bezwaar is beslist. De gang van zaken rondom de Wwb-aanvraag is niet goed verlopen, aangezien het gebruikelijk is om de aanvraag om bijstand af te handelen ook in een situatie waarin de jaarstukken nog niet (volledig) beschikbaar zijn omdat ze bij een boekhouder liggen.

LJN BM1975 - Weigering Ioaz-uitkering omdat appellante onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag niet onafgebroken drie jaar als zelfstandige een bedrijf heeft uitgeoefend. De Raad hecht vooral waarde aan de door appellante gedane opgave op het aanvraag- en inlichtingenformulier Ioaz, waaruit volgt dat zij haar bedrijfsactiviteiten heeft onderbroken in de periode van 1 mei 2001 tot 1 december 2002.

LJN BN5000 - Weigering Ioaz-uitkering omdat het voor de toepassing van de Ioaz van belang zijnde inkomen van appellante lag boven het Ioaz-toetsingsinkomen. Appellante heeft bij haar volgende Ioaz-aanvraag geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden aangevoerd. Het college mocht hier volstaan met een beoordeling van de situatie ten tijde van de eerste aanvraag om uitkering en hoefde niet tevens de situatie van appellante ten tijde van de tweede aanvraag te bezien.

LJN BQ5660 - Intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering omdat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de omvang van zijn werkzaamheden voor bedrijf 1 en later bedrijf 2, waardoor het recht op een Ioaz-uitkering niet kan worden vastgesteld. Nu de precieze omvang van de werkzaamheden onmiskenbaar van belang is voor het bepalen van het recht op een Iaow-uitkering, is de Raad van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting het recht van appellant op een uitkering niet kan worden vastgesteld. Ten onrechte is een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase geweigerd.

LJN BV3065 - Herziening en terugvordering Ioaz-uitkering omdat ten onrechte de WAO-uitkering van appellants echtgenote niet bruto, maar netto op de Ioaz-uitkering van appellant is gekort, waardoor hij te veel uitkering heeft ontvangen. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. Daarmee staat vast dat over de periode in geding tot een te hoog bedrag aan uitkering is verleend, zodat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel slaagt niet. Er is geen sprake van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

LJN BV6409 - Intrekking en beëindiging Ioaz-uitkering, waarbij is afgezien van terugvordering. Er is geen sprake van strijd met een algemeen rechtsbeginsel of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Voor een beoordeling van de vraag of sprake is van daadwerkelijke ingrijpendheid van de intrekking van de uitkering of van kennelijke onredelijkheid is slechts aanleiding indien de intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt en het te veel betaalde van de betrokken persoon wordt teruggevorderd. Die situatie doet zich hier niet voor.

LJN BX7621 - (Mede)terugvordering Ioaz-uitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Aangezien uit artikel 26, tweede lid, van de Ioaz volgt dat het college gehouden is om tot medeterugvordering over te gaan, is voor toetsing aan het door appellante genoemde evenredigheidsbeginsel hier geen plaats. Voor de vaststelling of het college tot medeterugvordering bevoegd was, is niet van belang of appellante al dan niet op de hoogte was van de aan betrokkene verleende Ioaz-uitkering en of zij van die uitkering al dan niet profijt heeft gehad. Er zijn geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van medeterugvordering af te zien.

LJN BZ8498 - Intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering en bijzondere bijstand omdat appellanten, door geen melding te maken van de registraties bij de Kamer van Koophandel en van de ten behoeve van die bedrijven verrichte activiteiten, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden, met als gevolg dat het recht op Ioaz-uitkering en bijzondere bijstand niet kan worden vastgesteld.

LJN ZB7402 - Inhouding op de Ioaz-uitkering van de pensioenuitkering die gedaagde ontvangt via haar ex-echtgenoot. Deze pensioenuitkering wordt aangemerkt als inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven. In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het pensioen dat gedaagde van haar ex-echtgenoot ontvangt niet is aan te merken als haar inkomen in verband met arbeid en dat artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ioaz (waarop appellant zich baseert) niet ziet op inkomen van een ander, maar uitsluitend op inkomen uit of in verband met arbeid van de Ioaz-gerechtigde.

ECLI:NL:CRVB:2013:2645 - Intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering omdat appellant meer werkzaamheden had verricht dan hij had opgegeven. Het intrekkingsbesluit is in rechte onaantastbaar geworden, zodat het college op grond van artikel 25, eerste lid, van de Ioaz bevoegd is de uitkering terug te vorderen. Het geding is beperkt tot de vraag of de wijze waarop het college van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt in rechte stand kan houden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college, met toepassing van artikel 4:84 van de Awb, in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

ECLI:NL:CRVB:2014:1122 - Intrekking Ioaz-uitkering met toepassing van artikel 17, vierde lid, van de Ioaz omdat appellant, ondanks de drie verzoeken daartoe, niet het aan hem toegestuurde statusformulier heeft ingevuld en ondertekend heeft geretourneerd. Vaststaat dat appellant het statusformulier niet binnen de in het opschortingsbesluit gegeven hersteltermijn heeft ingeleverd. Appellant heeft er geen zorg voor gedragen dat tijdens zijn afwezigheid in het buitenland de op zijn huisadres ontvangen post adequaat zou worden behandeld. Door aldus te handelen, heeft appellant een risico genomen waarvan de gevolgen voor zijn rekening dienen te blijven.

ECLI:NL:CRVB:2014:1803 - Intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering omdat betrokkene niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting wat betreft de omvang van zijn werkzaamheden, de aard van zijn werkzaamheden en de ontvangen financiële middelen, waardoor het recht op uitkering niet is vast te stellen. Betrokkene heeft op geld waardeerbare arbeid verricht en hij heeft niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens opheldering kunnen verschaffen over de door hem daarvoor ontvangen betalingen.

ECLI:NL:CRVB:2015:808 - Terechte buitenbehandelingstelling Ioaz-aanvraag onder toepassing van artikel 4:5 van de Awb omdat appellant een groot deel van de gevraagde stukken, ook na een geboden hersteltermijn, niet heeft overgelegd. Verzoek om het beroep door een andere rechtbank te laten behandelen. Bij brief van 16 december 2013 heeft de griffier van de rechtbank appellant laten weten dat de brief van 28 november 2013 (met poststempel van 4 december 2013) pas op 5 december 2013 door de rechtbank is ontvangen en dat toen al, namelijk op de zitting van 3 december 2013, op het beroep uitspraak was gedaan.

ECLI:NL:CRVB:2015:973 - Herhaalde Ioaz-aanvraag na eerdere afwijzing op de grond dat appellant ten tijde van de bedrijfsbeëindiging nog geen 55 jaar oud was. De aanvraag van appellant uit 2011 moet worden opgevat als een herhaling van de aanvraag uit 2008 waarop het college in 2009 reeds heeft beslist. Op zo’n herhaalde aanvraag is artikel 4:6 van de Awb van toepassing en mag een bestuursorgaan de aanvraag, met verwijzing naar zijn eerdere besluit, afwijzen indien de aanvrager geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren brengt. Verder heeft appellant het college op 6 juli 2012 in gebreke gesteld. Het college heeft het bestreden besluit, binnen twee weken na ingebrekestelling, op 11 juli 2012 genomen, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college geen dwangsom heeft verbeurd.

ECLI:NL:CRVB:2015:1248 - Weigering Bbz-uitkering omdat appellant niet voldoet aan het urencriterium. Artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van het Bbz (Bbz-uitkering aan een arbeidsongeschikte die een WAZ-uitkering heeft aangevraagd) is thans een loze bepaling, zodat het beroep van appellant op deze bepaling daarom niet slaagt. Weigering Ioaz-uitkering omdat appellant niet voldoet aan het urencriterium, zodat appellant ten tijde van de aanvraag geen oudere gewezen zelfstandige was en dus niet behoort tot de kring van rechthebbenden van de Ioaz. Het dagelijks bestuur heeft in navolging van het advies van FBA Adviesgroep vervolgens gekeken of appellant alsnog in aanmerking zou kunnen komen voor een Ioaz-uitkering indien het jaar waarin appellant nog wel voldeed aan het urencriterium tot uitgangspunt wordt genomen. Hiermee heeft het dagelijks bestuur onverplicht toepassing willen geven aan de wettelijke bepalingen die sinds 29 december 2005 geen gelding meer hebben. Nu dit niet berust op een beleidsregel of een vaste gedragslijn van het dagelijks bestuur, moet dit worden gezien als een onverplichte, coulancehalve beoordeling die zich aan een rechterlijk oordeel onttrekt.

ECLI:NL:CRVB:2015:3103 - Intrekking en terugvordering Ioaz-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit autohandel. Aangezien controleerbare gegevens over de met de transacties verworven inkomsten ontbreken, kan het recht op Ioaz-uitkering in de betreffende maanden niet worden vastgesteld. Gelet op de korte duur van de eigendom van de auto's is niet aannemelijk dat de betreffende voertuigen uitsluitend bestemd waren voor eigen gebruik. Daarbij is tevens van betekenis dat appellant ook meerdere auto’s tegelijkertijd op zijn naam heeft gehad. Appellant heeft geen boekhouding, andere administratie of objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd die zijn standpunt onderbouwen dat hij met de transacties geen dan wel nauwelijks inkomsten heeft verworven of had kunnen bedingen.