Vrouwe Justitia

 

 

 


TIP: zoeken binnen deze pagina kan met Ctrl+F

 

LJN AA4177 - Herziening en terugvordering TW-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit kerkelijk invaliditeitspensioen. In geding is de vraag in hoeverre het aan gedaagdes toedoen is te wijten dat het Lisv onverschuldigd TW-uitkering heeft betaald. Met betrekking tot de vraag over welke periode het Lisv hetgeen onverschuldigd is betaald, mocht terugvorderen alsmede of de wijze waarop het Lisv van de betreffende bevoegdheid gebruik heeft gemaakt de rechterlijke toetsing kan doorstaan, volgt de Raad het oordeel van de rechtbank.

LJN AA8805 - Herziening en terugvordering TW-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit en in verband met arbeid. In geding is de vraag of appellants aanspraken op TW-uitkering juist zijn vastgesteld en het bestreden besluit bevoegdelijk is genomen. De Raad oordeelt dat de betreffende brief is afgegeven op briefpapier van het Lisv en dat die brief een concrete, afgeronde schriftelijke beslissing omtrent de terugvordering van een met name genoemd bedrag bevat, welke beslissing zonder enig voorbehoud is geformuleerd en als zodanig dan ook op rechtsgevolg is gericht.

LJN AF2667 - Herziening en terugvordering TW-uitkering omdat gedaagde met betrekking tot haar inkomsten uit Anw- en ABP-pensioen niet de op haar rustende wettelijke verplichting is nagekomen tot het doorgeven van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat ze van invloed kunnen zijn op de uitkering. In geding is de vraag of de zesmaandenjurisprudentie van toepassing is. De Raad is van oordeel dat zich in het geval van gedaagde geen zodanige bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat het UWV gehouden zou moeten worden geacht op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk af te zien van de in het bestreden besluit neergelegde terugvordering.

LJN AF4350 - Vaststelling hoogte TW-uitkering. In geding is de vraag of appellant voor een hogere TW-uitkering in aanmerking dient te komen omdat hij wegens faillissement in het jaar in geding een negatief inkomen heeft genoten. De Raad is van oordeel dat in het kader van de toepassing van de TW een door de fiscus aanvaard negatief inkomen dient te worden aangemerkt als een nihilinkomen en het in het betreffende jaar door appellants echtgenote verworven inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven niet in aanmerking komt om te worden verrekend met het door de fiscus aanvaarde negatieve inkomen van appellant.

LJN AF5937 - Afbouw TW-uitkering van in Turkije wonende gedaagden in een periode van drie jaar op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. De Raad oordeelt dat de bestreden besluiten bij de huidige stand van het recht niet langer in strijd kunnen worden geacht met artikel 11, eerste lid, van het EVSZ. Evenmin acht de Raad de bestreden besluiten in strijd met artikel 5 van ILO-Verdrag nr. 118.

LJN AF7515 - Afbouw TW-uitkering als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet BEU. De Raad oordeelt dat sprake is van gerechtvaardigde beperking van kennisneming van door de Staatssecretaris van SZW ingezonden stukken die betrekking hebben op de onderhandelingen over aanpassing van de verdragen inzake sociale zekerheid met Canada en de Verenigde Staten.

LJN AF8092 - Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting omdat gedaagde niet onverwijld aan het UWV heeft doorgegeven dat hij met ingang van de datum in geding werkzaamheden is gaan verrichten. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat gelet op het benadelingsbedrag van €41,93 een boete van €136,13 niet evenredig is in verhouding tot de ernst van de verweten overtreding. Voorts heeft de Raad in de in het dossier aanwezige stukken geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in het geval van gedaagde sprake is van een verminderde verwijtbaarheid met betrekking tot de betreffende overtreding dan wel van een geheel ontbreken van die verwijtbaarheid.

LJN AF8107 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering wegens inkomsten uit arbeid van appellants echtgenote. Boeteoplegging van €272,26 wegens schending van de inlichtingenverplichting omdat appellant te laat mededeling heeft gedaan van de door zijn echtgenote verworven inkomsten. In geding is de vraag of appellant terecht stelt dat niet door zijn toedoen ten onrechte TW-uitkering is betaald en dat hem ook niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat ten onrechte TW-uitkering werd betaald.

LJN AH8678 - Terugvordering TW-uitkering, verhoogd met de invorderingskosten omdat appellante niet tot terugbetaling is overgegaan noch met het UWV in overleg is getreden over een terugbetalingsregeling. Voor de tenuitvoerlegging van de terugvordering van onverschuldigd betaalde TW-uitkering en de daarbij te hanteren beslagvrije voet zijn de gevraagde inlichtingen van essentieel belang. Door deze slechts summierlijk te verstrekken, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat de beslagvrije voet terecht op nihil is gesteld en het verschuldigde is verrekend in maandelijkse termijnen.

LJN AJ6850 - Afbouw TW-uitkering van in Marokko wonende gedaagden in een periode van drie jaar op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. In geding is de vraag of de afbouw van de TW-uitkering in strijd is met het verdrag tussen Nederland en Marokko.

LJN AO6627 - Ambtshalve vervallen verklaren van de uitspraak waarbij ten onrechte het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht. De Raad oordeelt dat een rechtelijke beslissing tot ambtshalve vervallen verklaren niet is gebonden aan een initiatief daartoe van één der partijen. Voorts overweegt de Raad dat er voor het ambtshalve vervallen verklaren van een uitspraak aanleiding kan zijn indien geen rechtsmiddel is ingesteld omdat het voor betrokkene niet kenbaar was dat er een (rechtelijke) fout is gemaakt. In casu was het voor appellant niet kenbaar of het griffierecht al dan niet was bijgeschreven op de bankrekening van de Raad.

LJN AP4603 - Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-verschoonbare niet-tijdige betaling van het griffierecht. Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep uit dien hoofde kennelijk niet-ontvankelijk. Voorts bevat het ingediende beroepschrift geen gronden. Nu op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden geoordeeld dat appellant met betrekking tot het indienen van de gronden van het beroep niet in verzuim is geweest, is het hoger beroep ook uit dien hoofde niet-ontvankelijk.

LJN AQ0422 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit handel op de rommelmarkt op zaterdagen en zondagen. In geding is de vraag of, gelet op appellants verklaringen, is uitgegaan van het juiste bedrag aan inkomsten en er sprake is van dringende redenen op grond waarvan het UWV de bevoegdheid heeft om te besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

LJN AQ6913 - Ongegrondverklaring verzet omdat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare niet-tijdige betaling van het griffierecht. De Raad stelt vast dat opposant niets in zijn verzetschrift heeft aangevoerd dat kan dienen als verontschuldiging voor de te late betaling.

LJN AQ8876 - Vaststelling ingangsdatum TW-uitkering. De Raad oordeelt dat het UWV in appellants brieven aanleiding had behoren te vinden tevens een verzoek om TW-uitkering te lezen, deze als een aanvraag in behandeling te nemen en aan appellants gemachtigde een adequate reactie had dienen te zenden.

LJN AR4004 - Intrekking TW-uitkering omdat appellant met ingang van de datum in geding geen recht meer heeft op een loondervingsuitkering op grond waarvan een TW-uitkering kan worden verleend. De Raad oordeelt dat de rechtbank met recht over de daadwerkelijke uitbetaling van de TW-uitkering geen uitspraak heeft gedaan aangezien die uitbetaling buiten de omvang van het geding valt. De Raad concludeert dat de grieven van appellant niet tot het door hem gewenste resultaat kunnen leiden, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

LJN AR4050 - Intrekking TW-uitkering omdat appellant met ingang van de datum in geding geen recht meer heeft op een loondervingsuitkering op grond waarvan een TW-uitkering kan worden verleend. De Raad oordeelt dat de daadwerkelijke uitbetaling van de TW-uitkering buiten de reikwijdte van de bestreden besluiten valt en uit dien hoofde geen onderdeel uitmaakt van het geschil tussen partijen.

LJN AR4451 - Intrekking WAO-uitkering en daarmee intrekking TW-uitkering omdat appellante met ingang van de datum in geding geen recht meer heeft op een loondervingsuitkering op grond waarvan een TW-uitkering kan worden verleend. De Raad oordeelt dat de bestreden besluiten op zorgvuldig medisch onderzoek berusten en dat de intrekking van de WAO-uitkering op de juiste gronden heeft plaatsgevonden.

LJN AR4848 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering over de periode in geding omdat appellant in die periode, zonder dat aan het UWV te hebben gemeld, samenwoonde. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

LJN AR5220 - Intrekking TW-uitkering over de betreffende maand omdat appellant over die maand een eindejaarsuitkering van het UWV heeft ontvangen, welke van invloed is op de aanspraak op TW-uitkering. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden waarop het bezwaar berust. Daarbij acht de Raad mede van belang dat het UWV appellant schriftelijk heeft gewezen op zijn verzuim en hem de gelegenheid heeft geboden dit verzuim te herstellen.

LJN AR5222 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering wegens inkomsten uit (nabetaalde) WAZ-uitkering. De Raad oordeelt dat de enkele omstandigheid dat het UWV heeft nagelaten de aan appellant betaalde TW-uitkering met diens nabetaalde WAZ-uitkering te verrekenen er niet toe kan leiden dat het UWV had behoren af te zien van de intrekking van de TW-uitkering. Dringende redenen om van terugvordering af te zien, kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Van dergelijke gevolgen is de Raad in casu niet gebleken.

LJN AR5990 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellante een (verzwegen) gezamenlijke huishouding voerde en de gezamenlijke inkomsten het wettelijk minimumloon overschreden. De Raad oordeelt dat de feitelijke situatie ten tijde hier van belang zodanig was dat van een verbreking van de echtelijke samenleving van appellante en haar partner geen sprake was. Niet kan worden gesproken van duurzaam gescheiden leven, hetgeen betekent dat, nu de gezamenlijke inkomsten meer dan het wettelijk minimumloon bedroegen, appellante geen recht had op TW-uitkering.

LJN AR6063 - Intrekking TW-uitkering omdat appellant verzuimd zou hebben het UWV te informeren over zijn inkomsten uit arbeid. Terugvordering TW-uitkering omdat het appellant vanaf de datum in geding redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat hij geen recht had op TW-uitkering. De Raad stelt vast dat de rechtbank ten onrechte het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard. In geschil is of het UWV terecht een wachttijd van 52 weken heeft gehanteerd alvorens de WAO-uitkering van appellant te herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100% en het UWV terecht heeft besloten tot terugvordering van de over het betreffende tijdvak betaalde TW-uitkering.

LJN AR6837 - Intrekking en terugvordering WW- en TW-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat het niet adequaat reageren door het UWV geen grond is voor het aannemen van een dringende reden om gedeeltelijk van herziening en terugvordering van de uitkeringen af te zien. Volgens de Raad meent de rechtbank ten onrechte dat de dringende reden ook ziet op de oorzaak van de herziening c.q. terugvordering van de uitkeringen.

LJN AR6955 - Toekenning TW-uitkering, maar slechts met terugwerkende kracht van één jaar. In geding is de vraag of in redelijkheid is geoordeeld dat er geen sprake is van een bijzonder geval waarin het UWV bevoegd is om een TW-uitkering toe te kennen met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar. De Raad oordeelt dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel omdat het UWV, alvorens tot de conclusie te mogen komen dat de aanvraag door appellante was ingetrokken, daaromtrent bij appellantes gemachtigde navraag had moeten doen.

LJN AR8517 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering over de perioden in geding omdat gedaagdes (gezins)inkomen boven de grens ligt die geldt om aanspraak te kunnen maken op een TW-uitkering. De Raad geeft ter zake van intrekking en terugvordering uitleg over de reikwijdte en toepassing van artikel 11a van de TW.

LJN AS2673 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellants totale inkomen boven de grens ligt die geldt om aanspraak te kunnen maken op een TW-uitkering. In geding is de vraag of het UWV is uitgegaan van de juiste intrekkingsdatum en het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat te veel TW-uitkering was betaald. Nu het UWV het te veel ingevorderde inclusief wettelijke rente terugbetaalt, heeft appellant geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

LJN AS5611 - Afbouw TW-uitkering van in Marokko wonende appellant in een periode van drie jaar op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens verval van procesbelang omdat de rechtbank het beroep volledig heeft gehonoreerd. Het verdrag met Marokko verzet zich tegen de afbouw van de TW-uitkering.

LJN AS8623 - Afbouw TW-uitkering van in Turkije wonende appellant in een periode van drie jaar op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. In geding is de vaststelling van de woonplaats van appellant alsmede de tijdigheid van de indiening van het beroepschrift bij de bevoegde rechtbank. De Raad wijst de zaak terug naar de bevoegde rechtbank.

LJN AS8635 - Ongegrondverklaring verzet omdat de reden van overschrijding van de beroepstermijn onvoldoende grond is om het verzuim van opposant te verontschuldigen.

LJN AT1551 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering ondanks dat gedaagde op tijd en regelmatig de juiste gegevens omtrent zijn inkomsten uit arbeid aan het UWV heeft verstrekt. In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van een met een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling op één lijn te stellen uitlating van het UWV, die niet is toe te rekenen aan onjuiste informatie van gedaagde, zodat het UWV vanwege dringende redenen van terugvordering had moeten afzien.

LJN AT3106 - Herziening, intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellants echtgenote inkomsten uit arbeid heeft genoten. Appellant heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat hij in het in geding zijnde tijdvak, evenals in de daaraan voorafgegane periode, duurzaam gescheiden van zijn echtgenote leefde. De Raad oordeelt dat indien appellant zou worden gevolgd in zijn stelling, hij als ongehuwde zonder kinderen voor wie hij kinderbijslag ontvangt in het geheel geen recht zou hebben op TW-uitkering omdat zijn WAZ-uitkering niet lager is dan 70% van het minimumloon. Appellant is met de bestreden besluiten derhalve in ieder geval niet te kort gedaan. Het hoger beroep treft mitsdien geen doel.

LJN AT3940 - Intrekking, terugvordering en weigering TW-uitkering omdat gedaagdes inkomen hoger is dan het voor haar in het kader van de TW geldende sociaal minimum. Tegen het intrekkings- en het latere weigeringsbesluit heeft gedaagde geen rechtsmiddelen aangewend. In geding is de vraag of het UWV terecht stelt dat de door de rechtbank aangenomen regel met betrekking tot de toetsing van in rechte onaantastbaar geworden besluiten niet in de jurisprudentie van de Raad is terug te vinden en dat uitgaande van de juistheid van het intrekkingsbesluit moet worden vastgesteld dat het UWV tot terugvordering verplicht is.

LJN AT4119 - Afbouw TW-uitkering van in Turkije wonende appellant in een periode van drie jaar op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. De Raad oordeelt dat, nu het UWV volledig tegemoet is gekomen aan appellants grieven voor zover betrekking hebbend op de hier in geding zijnde tweede fase van de afbouwregeling, appellant niet langer belang heeft bij handhaving van het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

LJN AT7374 - Weigering TW-uitkering omdat de periodieke uitkering uit een stamrecht welke gedaagde ontvangt en waartoe de beëindigingsvergoeding van ƒ144.000,- is aangewend, is aan te merken als inkomen in verband met arbeid als bedoeld in de TW. In geding is de vraag of de uitkering die gedaagde ontvangt uit hoofde van het door de werkgever ten behoeve van hem gevestigde stamrecht wel of niet onder het toepassingsbereik van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit Toeslagenwet valt.

LJN AT7928 - Weigering TW-uitkering per 11 juli 1999 omdat appellants echtgenote is geboren na 31 december 1971 en sinds 18 september 2001 een kind jonger dan 12 jaar tot appellants huishouden behoort, zodat appellant eerst per laatstgenoemde datum in aanmerking komt voor het recht op TW-uitkering. Ook de Raad oordeelt dat appellant, gelet op de hier aan de orde zijnde wettelijke bepalingen, niet eerder dan de geboortedatum van zijn kind in aanmerking kan komen voor een TW-uitkering.

LJN AT9087 - Intrekking, herziening en terugvordering TW-uitkering omdat appellant niet onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden heeft medegedeeld over de inkomsten van zijn echtgenote. De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft besloten de TW-uitkering met terugwerkende kracht in te trekken dan wel te herzien over de in geschil zijnde tijdvakken. Verder was het UWV op grond van artikel 20 van de TW gehouden de onverschuldigd betaalde TW-uitkering terug te vorderen.

LJN AU2244 - Herziening en terugvordering TW-uitkering wegens inkomsten van appellants echtgenote. Het geschil spitst zich in het bijzonder toe op de vraag of het beroep op de bijzondere omstandigheden van het geval met zich brengt dat van terugvordering dient te worden afgezien. Door eerst na geruime tijd over te gaan tot herziening van de TW-uitkering en vervolgens de onverschuldigd betaalde TW-uitkering terug te vorderen, heeft het UWV naar het oordeel van appellant gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

LJN AU3055 - Afbouw TW-uitkering van in Turkije wonende appellant in een periode van drie jaar op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. Het UWV heeft de Raad meegedeeld dat als gevolg van ’s Raads jurisprudentie de afbouw van de TW-uitkering van in Turkije woonachtige uitkeringsgerechtigden (waaronder ook die van appellant) met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2001 (datum afbouw) is hersteld en aan hen is nabetaald. Dit betekent dat de grondslag aan de terugvordering is komen te vervallen zodat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

LJN AU3213 - Weigering TW-uitkering omdat het gezinsinkomen per dag niet lager is dan het wettelijk minimuminkomen per dag. In geding is de vraag of de uitkering die appellant ontvangt uit hoofde van het door de werkgever ten behoeve van hem gevestigde stamrecht wel of niet onder het toepassingsbereik van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit Toeslagenwet valt.

LJN AU3323 - Toekenning TW-uitkering, maar slechts met terugwerkende kracht van één jaar. Nu het UWV het bestreden besluit heeft ingetrokken, ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen enkele grond om in het onderhavige geval een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW aanwezig te achten. De enkele omstandigheid dat appellante - en blijkbaar ook haar gemachtigde - niet van het bestaan van dit voorschrift op de hoogte waren, vormt blijkens vaste jurisprudentie in het algemeen onvoldoende grond voor een dergelijk oordeel. Het UWV wordt veroordeelt tot renteschadevergoeding.

LJN AU3498 - Afwijzing herhaald verzoek om TW-uitkering met terugwerkende kracht over de periode in geding. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die kunnen rechtvaardigen dat het UWV van het eerder genomen afwijzingsbesluit betreffende die periode terugkomt.

LJN AU3965 - Terugvordering TW-uitkering. Opnihilstelling van de beslagvrije voet omdat appellant niet de inlichtingen heeft verstrekt die voor de terugvordering en de vaststelling van de beslagvrije voet van belang zijn. Evenals de rechtbank overweegt de Raad dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellant - ondanks herhaald verzoek van de kant van het UWV - het formulier onderzoek financiële omstandigheden niet tijdig heeft ingeleverd. De door appellant genoemde omstandigheid dat de onverschuldigde betaling van TW-uitkering niet aan zijn toedoen te wijten zou zijn, leidt de Raad niet tot een ander oordeel nu de vraag of al dan niet sprake is van toedoen geen rol speelt bij het vaststellen van de beslagvrije voet.

LJN AU5215 - Toekenning TW-uitkering, maar slechts met terugwerkende kracht van één jaar. Oplegging maatregel van 20% korting op de TW-uitkering gedurende 365 dagen wegens overschrijding van de aanvraagtermijn. Alles afwegende, komt de Raad tot het oordeel dat er een grote mate van onevenredigheid bestaat tussen de ernst van betrokkenes overtreding van de controlevoorschriften en de mate waarin deze hem kan worden verweten enerzijds en de opgelegde maatregel, die volgens de berekening van het UWV neerkomt op ƒ1700,-, anderzijds.

LJN AU6890 - Intrekking en terugvordering WAO- en TW-uitkering over de periode in geding omdat gedaagde heeft verzwegen dat hij zich gedurende die periode in detentie bevond. Anders dan de rechtbank ziet de Raad geen gronden voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarbij de terugvordering van TW-uitkering is gehandhaafd geen stand kan houden. Er is geen sprake van reformatio in peius, maar van herstel van een kennelijke misslag. Het hoger beroep van het UWV slaagt.

LJN AU9560 - Terugvordering WAZ-uitkering wegens inkomsten uit arbeid en toekenning TW-uitkering. Evenals voor de rechtbank staat ook in hoger beroep uitsluitend ter beoordeling de vraag of bij de vaststelling van de in geding zijnde TW-uitkering over het jaar 2000 rekening dient te worden gehouden met de in de bezwaarprocedure door betrokkene voorgestane saldering van de WAZ-uitkering over 2000 met de terugbetaling in 2000 over 1998.

LJN AU9675 - Toekenning TW-uitkering onder toepassing van een korting van 20% gedurende 279 dagen wegens overschrijding van de aanvraagtermijn. De Raad is van oordeel dat het UWV bij het bestreden besluit de lengte van de termijnoverschrijding terecht heeft bepaald op 236 dagen. Gelet op de omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de mate van verwijtbaarheid zodanig verminderd is dat aanleiding bestaat om de hoogte van de maatregel te stellen op 10% in plaats van 20%. Van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid is derhalve evenmin sprake.

LJN AV8305 - Afbouw TW-uitkering van in Marokko wonende gedaagde in een periode van drie jaar (2000, 2001 en 2002) op grond van overgangsrecht van de Wet BEU, waartegen gedaagde destijds niet in rechte is opgekomen. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 12 september 2003, waarbij de Raad heeft geoordeeld dat deze afbouw in strijd is met het verdrag met Marokko, heeft gedaagde het UWV verzocht om nabetaling van de misgelopen TW-uitkering en aldus terug te komen van het eerder genomen herzienings- en intrekkingsbesluit betreffende de afbouw. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant (het UWV) terecht heeft besloten de TW-uitkering niet eerder opnieuw toe te kennen dan per 12 september 2003.

LJN AW5224 - Herziening en terugvordering TW-uitkering wegens niet tijdig gemelde inkomsten uit arbeid. De Raad oordeelt dat appellant, anders dan appellant stelt, wist of had kunnen weten dat hij een TW-uitkering ontving en dat hij tevens wist of had kunnen weten dat het totale gezinsinkomen van belang was voor het vaststellen van de hoogte van deze TW-uitkering.

LJN AW7868 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellants dochter sinds de datum in geding niet bij hem, maar bij de moeder woonachtig was, die ook kinderbijslag voor dit kind ontving. Op de jaarlijkse inlichtingenformulieren had appellant vanaf de toekenning van de TW-uitkering ingevuld dat zijn minderjarige dochter bij hem woonde en dat hij ook kinderbijslag voor haar ontving. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niets heeft aangevoerd waaruit zou blijken dat er dringende redenen zijn om af te zien van de terugvordering. Het UWV heeft inderdaad lang geen actie ondernomen nadat de anonieme tip was binnengekomen, maar het stilzitten van het bestuursorgaan levert volgens vaste jurisprudentie geen dringende reden op.

LJN AY0098 - Weigering TW-uitkering omdat de inkomsten hoger zijn dan het wettelijk minimumloon. Het UWV heeft in de loop van de procedure één en andermaal uitvoerig uiteengezet op welke WAO- en ZW-uitkering appellante per datum in geding recht had en aan haar zijn uitbetaald. De Raad heeft, evenals de rechtbank, geen enkele reden om aan de juistheid van de door het UWV gehanteerde bedragen te twijfelen.

LJN AY0159 - Herziening en terugvordering TW-uitkering omdat vanwege de verhoging van appellants WAO-uitkering te veel TW-uitkering is betaald. De Raad oordeelt dat het feit dat het UWV pas in een zeer laat stadium tot herziening van de TW-uiterking is overgegaan niet afdoet aan de uit artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder b, van de TW voortvloeiende verplichting om tot herziening over te gaan. Uit de verhoging van zijn WAO-uitkering had appellant kunnen afleiden dat dit gevolgen zou hebben voor zijn recht op TW-uitkering.

LJN AY0194 - Afbouw TW-uitkering van in Marokko wonende betrokkenen in een periode van drie jaar (2000, 2001 en 2002) op grond van overgangsrecht van de Wet BEU, waartegen betrokkenen destijds niet in rechte zijn opgekomen. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 12 september 2003, waarbij de Raad heeft geoordeeld dat deze afbouw in strijd is met het verdrag met Marokko, hebben betrokkenen het UWV verzocht om nabetaling van de misgelopen TW-uitkering en aldus terug te komen van het eerder genomen herzienings- en intrekkingsbesluit betreffende de afbouw. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant (het UWV) terecht heeft besloten de TW-uitkering niet eerder opnieuw toe te kennen dan per 12 september 2003. De Raad kent wegens bijzondere omstandigheden aanzienlijk hogere proceskostenvergoeding toe dan de geldende forfaitaire bedragen.

LJN AY3570 - Niet-ontvankelijkverklaring verzet wegens overschrijding van de indieningstermijn. De Raad merkt op dat appellant in de uitspraak op zijn hoger beroep duidelijk is gewezen op de verzetstermijn van zes weken. De Raad is niet gebleken van redenen om de overschrijding van de termijn voor indiening van het verzetschrift verschoonbaar te achten.

LJN AY3888 - Weigering WAO- en TW-uitkering omdat uit opsporingsonderzoek in het kader van premiefraude is gebleken dat appellante op de datum waarop zij arbeidsongeschikt werd niet verzekerd was voor de WAO. De Raad oordeelt dat, nu appellante per datum in geding geen recht meer had op ZW-uitkering en zij ook volgens haar eigen verklaring het werk daarna niet heeft hervat, vaststaat dat zij vanaf die datum niet meer verzekerd was voor de socialewerknemersverzekeringswetten.

LJN AY3974 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep bij de rechtbank omdat het griffierecht niet binnen de daarvoor gestelde termijn is betaald. De Raad stelt vast dat appellant ook in hoger beroep geen enkele omstandigheid heeft aangevoerd die tot het oordeel zou kunnen leiden dat hij buiten staat is geweest het griffierecht tijdig te betalen.

LJN AY5016 - Toekenning TW-uitkering, maar niet eerder dan met ingang van één jaar vóór de datum van indiening van de aanvraag. In geding is de vraag of terecht als aanvraagdatum is gehanteerd de datum waarop de jaarstukken van appellants eigen bedrijf door het UWV zijn ontvangen.

LJN AY5128 - Afbouw TW-uitkering van in de Filippijnen wonende appellant in een periode van drie jaar (2000, 2001 en 2002) op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat appellant eerst na ruim drie jaar alsnog bezwaar heeft gemaakt tegen het betreffende besluit. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond bevat waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest.

LJN AY5319 - Intrekking TW-uitkering op grond van de Wet BEU omdat appellant langer dan drie maanden in Turkije verblijft. Tijdens de bezwaarschriftprocedure is echter gebleken dat appellant op 1 april 2001 niet als gehuwde is aan te merken in de zin van de TW nu uit de voorhanden gegevens valt op te maken dat appellant in ieder geval sedert april 2001 niet meer samenwoont met zijn echtgenote. Voorts voldoet appellant ook als ongehuwde niet aan de voorwaarden voor het recht op TW-uitkering. Naar het oordeel van de Raad heeft het UWV appellant terecht als ongehuwd in de zin van de TW aangemerkt en de TW-uitkering die was gebaseerd op zijn situatie van gehuwde ingetrokken.

LJN AY6383 - Weigering TW-uitkering omdat het inkomen van appellant niet lager is dan 70% van het wettelijk minimumloon, maar daaraan precies gelijk is. Met overneming van de gronden in de aangevallen uitspraak is ook de Raad van oordeel dat het UWV appellant terecht geen TW-uitkering heeft toegekend.

LJN AY6885 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering. De Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het beroep van appellante op dringende redenen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de TW om af te zien van terugvordering van de onverschuldigd betaalde TW-uitkering faalt. De fouten van het UWV zien op de oorzaak van de terugvordering en leveren geen dringende redenen op om af te zien van terugvordering.

LJN AY6897 - Definitieve vaststelling TW-uitkering en terugvordering van de over de jaren in geding te veel betaalde TW-uitkering. In geschil is de vraag of rekening dient te worden gehouden met de inkomsten uit gemeenteraadslidmaatschap van appellantes echtgenoot.

LJN AY7021 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat na de toekenning van de WW-uitkering appellant vanaf de datum in geding aan WAO- en WW-uitkering tezamen meer heeft ontvangen dan het brutominimumloon. In geding is de vraag of het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij onverschuldigd TW-uitkering ontving.

LJN AY8175 - Herziening en terugvordering TW-uitkering en boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. Nadat het UWV op verzoek van de Raad nadere gegevens van onder meer de Belastingdienst had ingezonden, heeft het UWV de Raad bericht het bestreden besluit niet langer te handhaven. De Raad veroordeelt het UWV tot renteschade- en proceskostenvergoeding.

LJN AY8248 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering wegens gewijzigde gezinssamenstelling. In geding is de vraag of het UWV bevoegd was de toegekende TW-uitkering met terugwerkende kracht te herzien naar een TW-uitkering voor alleenstaanden en er sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

LJN AY8819 - Intrekking TW-uitkering. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bij de rechtbank wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De Raad oordeelt dat de omstandigheid dat in Turkije wonende appellant de Nederlandse taal niet machtig is, niet kan leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding.

LJN AZ0282 - Intrekking TW-uitkering omdat appellant niet langer voldoet aan de voorwaarde dat hij per dag een inkomen heeft dat lager is dan het wettelijk minimumloon. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat geen aanleiding bestaat consequenties te verbinden aan de onjuiste motivering van het bestreden besluit met betrekking tot onjuiste bedragen nu niet is gebleken dat appellant daardoor in zijn belangen is geschaad.

LJN AZ0412 - Ingangsdatum TW-uitkering. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat met ingang van de datum in geding appellants WW-uitkering is beëindigd, waardoor zijn inkomen onder het voor hem relevante sociaal minimum is gedaald, zodat hij eerst per die datum recht heeft op TW-uitkering.

LJN AZ1610 - Vaststelling hoogte TW-uitkering. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het UWV de TW-uitkering heeft moeten vaststellen op het verschil tussen het in het vierde lid van artikel 8 van de TW voorgeschreven maximum, te weten het WAO-dagloon van appellante (exclusief vakantietoeslag) en de WAO-uitkering van appellante (exclusief vakantietoeslag). Het UWV heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat uit de relevante wettelijke bepalingen van de TW blijkt dat de TW-uitkering niet onder alle omstandigheden een aanvulling is op de uitkering tot het niveau van 100% van het wettelijk minimumloon, aangezien de TW-uitkering aan een maximum is gebonden.

LJN AZ4252 - Intrekking TW-uitkering omdat appellantes partner niet feitelijk bij haar woont, zodat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding en het totale inkomen van appellante meer bedraagt dan het relevante sociaal minimum. In geding is de vraag of er op de datum in geding geen sprake meer was van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en haar partner.

LJN AZ5933 - Vaststelling hoogte TW-uitkering. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat appellant op geen enkele wijze heeft onderbouwd waarom de hoogte van de TW-uitkering niet op het juiste bedrag zou zijn vastgesteld.

LJN AZ7676 - Afbouw TW-uitkering van in Marokko wonende betrokkene in een periode van drie jaar (2000, 2001 en 2002) op grond van overgangsrecht van de Wet BEU, waartegen betrokkene destijds niet in rechte is opgekomen. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 12 september 2003, waarbij de Raad heeft geoordeeld dat deze afbouw in strijd is met het verdrag met Marokko, heeft betrokkene het UWV verzocht om nabetaling van de misgelopen TW-uitkering en aldus terug te komen van het eerder genomen herzienings- en intrekkingsbesluit betreffende de afbouw. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant (het UWV) terecht heeft besloten de TW-uitkering niet eerder opnieuw toe te kennen dan per 12 september 2003.

LJN BA0921 - Ingangsdatum TW-uitkering. In geding is de vraag of er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW, zodat het UWV zich terecht niet bevoegd heeft geacht de aan appellante toegekende TW-uitkering eerder te doen ingaan dan per datum in geding. De Raad oordeelt dat het niet aan appellante te wijten is dat zij niet eerder een aanvraag voor TW-uitkering heeft ingediend.

LJN BA1521 - Weigering TW-uitkering met een terugwerkende kracht van langer dan één jaar vóór de datum van aanvraag. In geding is de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden gelet op de posttraumatische stressstoornis waaraan appellant lijdt. De Raad oordeelt dat uit de stukken niet aannemelijk is geworden dat appellant destijds niet in staat was om binnen zes weken na het besluit tot toekenning van een gedeeltelijke WAO-uitkering een aanvraag voor een TW-uitkering in te dienen.

LJN BA3517 - Toekenning TW-uitkering op het maximale bedrag van 30% van het wettelijk minimumloon. De Raad oordeelt dat nu appellant met zijn rechtsmiddelen tegen het bestreden besluit niet meer kan bewerkstelligen dan wat hij aan TW-uitkering heeft ontvangen, hij bij die rechtsmiddelen geen belang heeft. Het bezwaar wordt derhalve alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

LJN BA8897 - Proceskostenveroordeling nadat het UWV hangende het hoger beroep geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant.

LJN BA9360 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering wegens inkomsten uit en in verband met arbeid waardoor het gezinsinkomen meer bedraagt dan het wettelijk minimumloon. In geding is de vraag of er sprake is van dringende redenen om af te zien van terugvordering over de periode in geding. Namens appellant is in dit verband gewezen op de trage besluitvorming door het UWV en de psychische problematiek van appellant.

LJN BA9361 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering wegens inkomsten uit WAZ-uitkering van betrokkenes partner. Boeteoplegging van €484,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. In geding is de vraag of het betrokkene, die met zijn partner in de schuldsanering is opgenomen, redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte TW-uitkering kreeg uitbetaald. In bezwaar heeft betrokkene aangevoerd dat de WAZ-uitkering door de bewindvoerder namens zijn partner is aangevraagd. Het toekenningsbesluit is naar de bewindvoerder gezonden. De uitkeringen zijn direct op de boedelrekeningen gestort. Betrokkene zegt geen weet te hebben van de WAZ-uitkering van zijn partner. De inlichtingenformulieren zijn volgens hem dan ook niet onjuist ingevuld.

LJN BA9414 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat uit onderzoek is gebleken dat betrokkene per datum in geding samenwoont met haar echtgenoot. De Raad oordeelt dat de feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat ten tijde hier van belang niet kan worden gesproken van duurzaam gescheiden leven.

LJN BB2355 - Weigering TW-uitkering vanwege de eenmalige uitkering na uitdiensttreding van appellant, omgezet in een stamrechtuitkering in de vorm van een lijfrente-uitkering. De Raad stelt vast dat de rechtbank is terecht heeft geoordeelt dat de lijfrente-uitkeringen voortvloeiend uit het stamrecht zijn aan te merken als inkomen in verband met arbeid. Met die lijfrente-uitkeringen heeft appellant een hoger inkomen dan het wettelijk minimumloon, zodat hij geen recht heeft op TW-uitkering.

LJN BB4929 - Intrekking en (bruto)terugvordering TW-uitkering omdat het inkomen van appellante hoger is dan het voor haar geldende sociaal minimum en haar dat redelijkerwijs duidelijk kon zijn. De Raad oordeelt dat herziening en terugvordering ook kan plaatsvinden indien aan de zijde van het uitvoeringsorgaan fouten zijn gemaakt. Het is in overeenstemming met vaste jurisprudentie van de Raad dat het uitvoeringsorgaan de onverschuldigd betaalde uitkering bruto terugvordert indien - zoals in dit geval - de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten.

LJN BB7476 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omdat de brief van 26 november 2002 van het UWV slechts als een attendering op de naderende einddatum van de TW-uitkering is bedoeld en daarom niet kan worden aangemerkt als een op rechtsgevolg gericht besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat voornoemde brief niet op rechtsgevolg is gericht en derhalve geen besluit is in de zin van de Awb. De intrekking van de TW-uitkering met ingang van 1 januari 2003 was al onderdeel van het besluit van 28 november 2000 en voornoemde brief wijzigt de intrekking niet.

LJN BC1479 - Herziening, intrekking en terugvordering WW-, ZW- en TW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband. In geding is de vraag of appellante in hoger beroep terecht stelt dat zij in de aan de orde zijnde periode wel degelijk een reëel, normaal dienstverband heeft gehad met de werkgever, werkzaamheden heeft verricht en loon heeft ontvangen.

LJN BC1683 - Toekenning TW-uitkering met oplegging van een maatregel van 20% korting op de uitkering gedurende de periode in geding wegens overschrijding van de aanvraagtermijn. De Raad oordeelt dat er geen sprake is van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, noch van een verminderde mate van verwijtbaarheid. De Raad acht het niet aannemelijk dat appellante niet in staat was zo nodig hulp van anderen in te roepen bij het aanvragen van de TW-uitkering. Dat zij, naar zij stelt, de aanvraag letterlijk is vergeten, komt voor haar rekening en risico.

LJN BC2908 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering naar de gehuwdennorm wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Appellant woonde in de periode in geding niet langer samen met zijn echtgenote en voerde geen gezamenlijke huishouding met haar. Er is geen sprake van dringende redenen om af te zien van terugvordering.

LJN BC6275 - Terugvordering TW-uitkering wegens inkomsten uit hondenuitlaatservice en boeteoplegging van €165,- omdat appellante niet (tijdig) aan het UWV opgave heeft gedaan van haar verdiensten. De boete is naar het oordeel van de Raad op juiste wijze afgestemd op de ernst van de appellante verweten tekortkoming, het verwijt dat haar kan worden gemaakt en de omstandigheden waarin zij verkeert.

LJN BD1652 - Herziening, intrekking en terugvordering TW-uitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende aanknopingspunten bieden voor het standpunt van het UWV dat appellant en zijn zuster ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding voerden. Er zijn geen dringende redenen op grond waarvan het UWV geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering kan afzien.

LJN BF7576 - Herziening en terugvordering TW-uitkering wegens inkomsten uit Anw-uitkering. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat de betaling van de nabestaandenuitkering over de maanden in geding, welke in verband met de datering van de toekenningsbeslissing op een later tijdstip plaatsvond, wel aan die maanden moet worden toegerekend, zodat het gezinsinkomen in die maanden boven het voor appellant geldende sociaal minimum ligt. Er is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

LJN BG1573 - Weigering kwijtschelding van het nog resterende terug te betalen bedrag aan TW-uitkering. De Raad oordeelt met de rechtbank dat appellant zijn inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 12 van de TW heeft geschonden, zodat kwijtschelding ingevolge artikel 20, tweede en derde lid, van de TW pas mogelijk is indien hij vijf jaar aan zijn terugbetalingsverplichting heeft voldaan.

LJN BG2005 - Herziening, intrekking en terugvordering WAO- en TW-uitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit hondenfokkerij en hondentraining. De Raad oordeelt dat aard en omvang van de activiteiten het karakter van een hobby overstijgen. Voor het toepassen van anticumulatie is geen medisch onderzoek noodzakelijk. Naar het oordeel van de Raad is appellant er niet in geslaagd de juistheid van de schatting van de inkomsten te weerleggen met ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare inkomensgegevens. Er is geen sprake van dringende redenen op grond waarvan het UWV bevoegd is om van terugvordering af te zien.

LJN BG5675 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. De brief waarbij kennis wordt gegeven van de beslaglegging en wordt meegedeeld dat appellante met ingang van de eerstvolgende reguliere betaling 90% van de nettobetaling (zijnde de beslagvrije voet) ontvangt en dat ook de vakantietoeslag aan de beslaglegger wordt betaald, moet, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, volgens de Raad als een (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Het bezwaar is niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

LJN BG9710 - Herziening en intrekking TW-uitkering met terugwerkende kracht omdat appellantes dochter op de datum in geding 18 jaar is geworden. De hogere eenoudernorm vervalt als het thuiswonende kind 18 jaar wordt. Het inkomen van appellante bedraagt ten minste 70% van het minimumloon, zodat zij niet langer voor een TW-uitkering in aanmerking komt. De Raad oordeelt dat als redelijkerwijs duidelijk is of kon zijn dat ten onrechte uitkering werd verstrekt, het besluit wordt herzien met terugwerkende kracht, welk beleid de Raad aanvaardbaar geacht.

LJN BI5331 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering. Volgens de Raad heeft het UWV in de gestelde toename van de psychische klachten van appellant terecht geen dringende reden gezien om van de terugvordering af te zien. De Raad volgt de door de rechtbank ingeschakelde deskundige. Het door de deskundige verrichte onderzoek is volledig en zorgvuldig geweest en de conclusies zijn inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd. De Raad ziet geen aanleiding opnieuw een deskundige te benoemen. Van onaanvaardbare gevolgen is de Raad niet gebleken.

LJN BI5354 - Herziening en terugvordering TW-uitkering met terugwerkende kracht omdat de TW-uitkering was vastgesteld op basis van een onjuiste geboortedatum van het kind van appellant. Daarbij is aangegeven dat het feit dat appellant ten onrechte uitkering ontving niet diens fout was. De Raad oordeelt dat uit de toekenningsbesluiten zelf niet duidelijk is op grond waarvan de TW-uitkering is verleend, zodat aan appellant niet kan worden tegengeworpen dat hij begrepen moet hebben dat die uitkering werd verleend in verband met zijn (onjuiste) opgave van de geboortedatum van zijn kind. Er is geen grond voor herziening met terugwerkende kracht en daarmee is voor de terugvordering ook geen grondslag aanwezig.

LJN BJ5276 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellant in de periode in geding niet voldeed aan de voorwaarde dat de totale inkomsten van hem en zijn echtgenote lager zijn dan het wettelijk minimumloon. De Raad oordeelt dat de intrekking met terugwerkende kracht terecht is omdat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte of tot een te hoog bedrag TW-uitkering ontving aangezien zijn gezinsinkomen ruim boven het wettelijk minimumloon uitkwam. Bij nieuw besluit ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank is het terug te vorderen bedrag lager vastgesteld. Er zijn geen dringende redenen op grond waarvan het UWV had moeten afzien van terugvordering. Het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel staan aan terugvordering niet in de weg.

LJN BJ5919 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat het inkomen van appellante niet lager is dan het wettelijk minimumloon, waarbij rekening is gehouden met het inkomen van haar partner. De Raad stelt vast dat het UWV op geen enkele wijze heeft doen onderzoeken en ook overigens niet is gebleken of en in hoeverre appellante en haar huisgenoot beiden een bijdrage hebben geleverd in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging hebben voorzien. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het UWV op grond van het bepaalde in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de TW de TW-uitkering van appellante kon beëindigen.

LJN BJ9936 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit prepensioen en WAO-hiaatpensioen en boeteoplegging van €517,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat het UWV krachtens de wettelijke bepalingen tot terugvordering is verplicht. Dat appellante, naar zij stelt, zich van het ten onrechte ontvangen van TW-uitkering niet bewust was, behoefde het UWV er derhalve niet toe te brengen om van terugvordering af te zien. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering of het opleggen van een boete af te zien.

LJN BK0552 - Intrekking en terugvorderiing TW-uitkering en boeteoplegging wegens het niet of niet tijdig doorgeven van de wijziging van de leefvorm nadat de echtgenote van appellant hem had verlaten. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Mede gelet op de met appellant getroffen betalingsregeling waarbij rekening is gehouden met zijn financiële situatie, is niet gebleken dat de terugvordering tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor appellant zal leiden. Naar het oordeel van de Raad heeft het UWV terecht en op goede gronden besloten tot het opleggen van een boete, dat er geen sprake is van verminderde dan wel ontbrekende verwijtbaarheid en dat de boete niet op een lager bedrag dan het reeds tot €66,- gematigde boetebedrag wordt vastgesteld.

LJN BK6419 - Weigering TW-uitkering omdat het gezinsinkomen boven het voor appellant geldende sociaal minimum ligt. De Raad oordeelt dat voor het recht op TW-uitkering het recht op bruto-uitkering bepalend is en niet het bedrag dat uiteindelijk netto wordt uitbetaald.

LJN BL6029 - Ingangsdatum TW-uitkering. De Raad oordeelt dat er geen sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan de TW-uitkering met meer dan één jaar terugwerkende kracht kan worden toegekend. De verklaringen van betrokkene zijn niet consistent. Niet kan worden staande gehouden dat betrokkene in haar directe omgeving geen mensen had op wie zij een beroep kon doen en niet in staat is geweest om met hulp van één of meer van diegenen eerder een TW-uitkering aan te vragen.

LJN BM1497 - Berekening terugvorderingsbedrag van €22.973,11 aan onverschuldigd betaalde TW-uitkering. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat haar de berekening van het bedrag van de terugvordering nog steeds niet duidelijk is. De Raad is van oordeel dat met de vermelding van het bedrag van de TW-uitkering per dag, de data en percentages van de indexeringen en het aantal betaaldagen per periode van een halfjaar (of korter) het UWV op een voor appellante controleerbare wijze de gemaakte berekening heeft toegelicht.

LJN BN1655 - Terugvordering van €25.486,06 ten onrechte ontvangen TW-uitkering. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante aan de inkomensoverzichten geen rechten kon ontlenen. Per maand ontving zij een bedrag van €323,33 bruto, terwijl de TW-uitkering slechts €135,50 bruto was. Zij had moeten begrijpen dat dat niet klopte. Haar stelling dat haar telefonisch door het UWV verzekerd is dat het bedrag wel juist was, is niet onderbouwd. De Raad volgt de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien op grond van de medische situatie van appellante.

LJN BN4849 - Ingangsdatum TW-uitkering. Er is geen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW om de aanvraag van de TW-uitkering eerder te doen ingaan dan één jaar vóór de datum van de indiening van de aanvraag. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op het UWV geen rechtsplicht rust om uitkeringsgerechtigden te informeren over een mogelijk recht op TW-uitkering. Het aanvragen van een TW-uitkering is de eigen verantwoordelijkheid van een uitkeringsgerechtigde.

LJN BO2803 - Herziening en intrekking TW-uitkering omdat appellantes totale inkomen niet meer onder het sociaal minimum ligt. De Raad oordeelt dat door toedoen van appellante aan haar te veel TW-uitkering is betaald, hetgeen haar redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn. Op appellante rust de verplichting om wijzigingen in inkomen door te geven. Van enige disculperende werking van het uitblijven van wijzigingsformulieren kan geen sprake zijn. De intrekking met terugwerkende kracht berust op goede gronden en er is geen dringende reden om van herziening van de TW-uitkering af te zien.

LJN BO4303 - Weigering TW-uitkering omdat de aanvraag meer dan één jaar te laat is gedaan. Naar appellantes mening blijkt uit de informatie van haar behandelaars duidelijk dat zij niet in staat was eerder een aanvraag in te dienen. De Raad acht in het geval van appellante beslissend dat niet is aangetoond dat appellante geen beroep kon doen op haar echtgenoot of eventueel haar boekhouder, die haar ook behulpzaam is geweest bij de aanvraag om een WAZ-uitkering. Bij de toekenning van die uitkering is ook gewezen op de mogelijkheid van het aanvragen van een TW-uitkering.

LJN BP1398 - Weigering TW-uitkering omdat appellant op grond van de toepasselijke CAO voor de schoonmaakbranche een aanvulling op zijn WAO-uitkering van zijn voormalige werkgever heeft ontvangen. Het ligt op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij de aanvulling niet heeft ontvangen, waarin appellant naar het oordeel van de Raad niet is geslaagd. De rechtbank heeft ten onrechte aanleiding gezien de vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase vastgestelde vergoeding van schade tot een bedrag van €5500,- te matigen naar €1000,-.

LJN BQ4816 - Intrekking TW-uitkering omdat de uitkering niet langer mag worden geëxporteerd. Het UWV heeft bij de bestreden besluiten de TW-uitkering van appellanten ingetrokken met inachtneming van de afbouwregeling van artikel 44b van de TW. De Raad is van oordeel dat daarmee aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan. Van strijd met het Europees of internaal recht is geen sprake.

LJN BQ5733 - Herziening en terugvordering met terugwerkende kracht van de TW-uitkering wegens inkomsten uit het bedrijf van appellantes echtgenoot. De Raad oordeelt dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat haar ten onrechte TW-uitkering werd verstrekt. Er is geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Buiten de aanwezigheid van een dringende reden bestaat geen bevoegdheid om het bedrag van de terugvordering te matigen.

LJN BR1549 - Herziening en terugvordering TW-uitkering omdat appellants inkomen niet minder bedraagt dan 70% van het wettelijk minimum(jeugd)loon. De Raad oordeelt dat, hoewel appellant zich in een situatie van schuldhulpverlening bevond, hij de betreffende besluiten zelf heeft ontvangen en hij naar aanleiding daarvan kon begrijpen dat het toekennen van TW-uitkering niet kon kloppen.

LJN BR2501 - Afwijzing verzoek om veroordeling in de proceskosten in hoger beroep omdat van proceshandelingen in deze procedure die voor vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen niet gesproken kan worden. De Raad bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

LJN BR3511 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering. De Raad oordeelt dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat het ontvangen door zijn echtgenote van inkomsten uit arbeid ten bedrage van ongeveer €600,- per maand mogelijk niet zonder gevolgen zou kunnen blijven voor de door hem op zijn WAO-uitkering ontvangen TW-uitkering. Ter effectuering van de terugvordering wordt per maand een bedrag van €10,- op appellants WAO-uitkering ingehouden.

LJN BR5375 - Herziening en terugvordering TW-uitkering. De Raad oordeelt dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zijn inkomsten van invloed konden zijn op de hoogte van zijn TW-uitkering. De rechtbank heeft terecht niet aannemelijk geacht dat het appellant niet is opgevallen dat hij sinds de datum in geding een hoger inkomen genoot dan daarvoor. Er is geen sprake van dringende redenen om van herziening of terugvordering af te zien.

LJN BT6810 - Intrekking TW-uitkering omdat appellantes inkomen en dat van haar partner samen hoger is dan het wettelijk minimumloon. Naar aanleiding van een rechtmatigheidsonderzoek zeven jaar nadien is appellante een boete opgelegd van €650,- wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat de verklaring van appellante een toereikende grondslag vormt voor de conclusie dat appellante en haar partner in de periode in geding hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres. De Raad ziet in de overgelegde GBA-gegevens geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel.

LJN BU3180 - Afbouw TW-uitkering van in Turkije wonende betrokkenen in een periode van drie jaar (2000, 2001 en 2002) op grond van overgangsrecht van de Wet BEU. De Raad oordeelt dat intrekking van de TW-uitkering wegens wonen in Turkije in strijd is met het associatierecht EU-Turkije; evenmin mogen TW-uitkeringen worden afgebouwd op gelijke wijze als ten aanzien van EU-onderdanen per 1 januari 2008.

LJN BU3214 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering. Door het niet melden van het aangaan van het geregistreerd partnerschap heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De Raad oordelt dat het aangaan van het geregistreerd partnerschap ook de gezinssituatie van appellant wijzigt, ondanks het feit dat zijn woonsituatie nog niet was gewijzigd. Appellant had bovendien redelijkerwijs kunnen begrijpen dat het inkomen van zijn partner van belang zou kunnen zijn voor het recht op en/of de hoogte van de TW-uitkering nu op het aanvraagformulier hier specifiek naar wordt gevraagd. Appellant is terecht als gehuwd aangemerkt. De beleidsregels zijn op consistente wijze toegepast.

LJN BV8343 - Ingangsdatum TW-uitkering. Evenals in beroep stelt appellante zich op het standpunt dat zij vanaf 2002 recht heeft op TW-uitkering omdat zij al sinds 2002 een onderhoudsbijdrage voor haar zoon betaalt. De Raad oordeelt dat appellante in de in geding zijnde periode echter geen kinderbijslag ontving en daarom niet voldoet aan de voorwaarde voor het recht op TW-uitkering. Evenmin heeft appellante over die periode recht op TW-uitkering voor een ongehuwde alleenstaande omdat de hoogte van haar Wajong-uitkering gelijk is aan het voor appellante relevante sociaal minimum van 70% van het wettelijk minimumloon.

LJN BV9932 - Herziening, intrekking en terugvordering TW-uitkering wegens inkomsten uit arbeid en boeteoplegging van €95,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat er geen dringende redenen zijn op grond waarvan het UWV had kunnen besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van herziening, intrekking of terugvordering. Het oordeel van de rechtbank dat de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 in het geval van appellant op consistente wijze zijn toegepast, is juist. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De hoogte van de opgelegde boete is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellant.

LJN BX3038 - Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering WAO- en TW-uitkering over de jaren 2004-2009 wegens inkomsten uit het zetten van piercings en tattoos. De Raad oordeelt dat gezien de omstandigheden het ervoor moet worden gehouden dat appellant vanaf 16 juni 2006 werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten. Het UWV heeft een zorgvuldig onderzoek verricht en bij het ontbreken van concrete en relevante gegevens over de werkzaamheden van appellant en de daarmee verworven inkomsten kon het UWV overgaan tot toepassing van artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder d, van de WAO. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, kan het UWV echter pas met ingang van 16 juni 2006 toepassing geven aan voornoemd artikel. De Raad draagt het UWV op het gebrek te herstellen. Zie ook LJN BY6258.

LJN BX3448 - Verjaring terugvordering. Herziening en terugvordering TW-uitkering wegens inkomsten uit invaliditeitspensioen. Het besluit waarbij aan appellante een invaliditeitspensioen is toegekend, is namens de Stichting Pensioensfonds ABP genomen door het UWV. De Raad stelt vast dat het UWV op 29 januari 2004 op de hoogte was van het feit dat appellante vanaf 1 december 2002 recht had op een invaliditeitspensioen. Het UWV kon voldoende duidelijk zijn dat dit consequenties zou hebben voor de door appellante ontvangen TW-uitkering en dat een besluit omtrent terugvordering in de rede lag. Tussen 29 januari 2004 en het terugvorderingsbesluit van 3 december 2009 liggen meer dan vijf jaren. Van een stuiting van de verjaringstermijn op enig moment vóór 3 december 2009 is de Raad niet gebleken. De rechtbank heeft appellantes beroep op verjaring ten onrechte afgewezen.

LJN BY6258 - Intrekking en terugvordering WAO- en TW-uitkering wegens inkomsten uit het zetten van piercings en tattoos. Als gevolg van het feit dat het UWV per 16 juni 2006 toepassing heeft gegeven en, gelet op de tussenuitspraak, heeft mogen geven aan artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder d, van de WAO, is aan appellant over de periode van 16 juni 2006 tot en met 30 april 2009 ten onrechte een bedrag van €16.342,73 verstrekt aan WAO-uitkering. Het UWV is gehouden dit bedrag van appellant terug te vorderen omdat van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien niet is gebleken. Zie ook LJN BX3038.

LJN BY8447 - Herziening, intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat het kind waarvoor appellant de zorg had uit de GBA was uitgeschreven en naar Egypte was vertrokken. Boeteoplegging van €860,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat er geen sprake is van een situatie waarin de kinderen - mede - tot het huishouden van appellant behoorden. Er zijn geen dringende redenen om van herziening, intrekking of terugvordering af te zien. Ter zitting van de Raad heeft het UWV het boetebesluit niet in volle omvang gehandhaafd en de boete vastgesteld op het minimale boetebedrag van €52,-.

LJN BZ3896 - (Bruto)terugvordering van onverschuldigd betaalde TW-uitkering. De Raad oordeelt dat het UWV op grond van artikel 20 van de TW verplicht is om hetgeen onverschuldigd aan appellante is betaald van haar terug te vorderen. Er zijn geen dringende redenen op grond waarvan het UWV had kunnen besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering.

LJN BZ7327 - Verjaring terugvordering. Aansluiting zoekend bij artikel 3:309 van het BW is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van TW-uitkering aanvangt op het moment dat het UWV bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellant naar aanleiding van de mededeling van betrokkene op het vragenformulier niet het voor de hand liggende onderzoek heeft ingesteld naar de inkomsten van betrokkene en haar partner. De Raad concludeert dat met de schriftelijke mededeling van betrokkene over haar gezinssituatie voor appellant voldoende duidelijk had moeten zijn dat er aanleiding was om te veronderstellen dat een besluit tot terugvordering in de rede lag.

LJN BZ8647 - Herziening en terugvordering TW-uitkering en boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat het appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat het al dan niet ontvangen van kinderbijslag van invloed was of kon zijn op (de hoogte van) de TW-uitkering en dat zij daarom het UWV had moeten melden dat de SVB kinderbijslag voor haar dochter had geweigerd. Ook had appellante het UWV moeten melden dat haar partner inkomsten uit arbeid genoot en vervolgens een ZW-uitkering ontving.

LJN BZ9178 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet aan het UWV heeft meegedeeld dat hij in de perioden in geding geen gezamenlijke huishouding meer voerde met zijn (ex-)partner. Hij had in die perioden daarom geen recht op TW-uitkering voor gehuwden en kwam evenmin in aanmerking voor TW-uitkering voor een alleenstaande (ouder). De Raad oordeelt dat appellant geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft overgelegd om aan te nemen dat hij een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Er is geen sprake van een dringende reden om van intrekking of terugvordering af te zien.

LJN CA0191 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat het totale inkomen vanaf de datum in geding hoger is dan het wettelijk minimumloon. De Raad oordeelt dat appellant - ondanks diverse brieven van het UWV - heeft nagelaten de benodigde (inkomens)gegevens te verschaffen om een betalingsregeling op maat vast te stellen. Het UWV was daarom op grond van artikel 20a, tweede lid, in verbinding met artikel 14g, vierde lid, aanhef en onder a, van de TW bevoegd om het terug te vorderen bedrag te verrekenen met appellants WAO-uitkering zonder daarbij rekening te houden met de beslagvrije voet.

LJN CA0917 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering en boeteoplegging wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. De Raad overweegt dat, gelet op de feiten en omstandigheden, een toereikende grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant in de betreffende perioden een gezamenlijke huishouding voerde. Er is geen sprake van cumulatie van een maatregel en een boete. Intrekking of terugvordering van de TW-uitkering kan niet worden beschouwd als een bestraffende sanctie, maar is een op herstel gerichte beslissing, omdat daarmee wordt beoogd de toekenning van TW-uitkering aan een betrokkene die daarop, naar later blijkt, geen recht heeft geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken. Het UWV was dan ook bevoegd om, naast en los van de intrekking en de terugvordering van de TW-uitkering, een boete - die wel een bestraffend karakter heeft - op te leggen.

ECLI:NL:CRVB:2013:800 - Herziening, intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellante met haar kinderen is ingetrokken in het huis van haar broer, die een inkomen uit arbeid in loondienst heeft. De Raad oordeelt dat de tijdens het huisbezoek afgelegde verklaring ontoereikende grondslag biedt voor het oordeel dat van wederzijdse zorg tussen appellante en haar broer sprake was. Nog afgezien van het feit dat de verslaglegging in het inspectierapport uitermate summier is, is geen ondertekende verklaring van appellante voorhanden. Bovendien strookt het verslag van het huisbezoek op onderdelen niet met de uit de gedingstukken blijkende feiten.

ECLI:NL:CRVB:2013:1132 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering. De Raad oordeelt dat het UWV terecht het standpunt heeft ingenomen dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat zij vanaf het bereiken van de leeftijd van 18 jaar van haar jongste kind ten onrechte TW-uitkering ontving berekend naar 90% van het wettelijk minimumloon. In het toekenningsbesluit en het aanvraagformulier wordt uitsluitend gesproken van een kind onder de 18 jaar waarvoor kinderbijslag wordt ontvangen. Daarmee is betrokkene voldoende ingelicht dat de hogere eenoudernorm vervalt als het thuiswonende kind 18 jaar wordt. Er zijn geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien.

ECLI:NL:CRVB:2013:1575 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellante samenwoonde met een partner die over eigen inkomsten beschikte. Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat de rechtbank voorbijgegaan is aan de wezenlijke beroepsgrond van appellante, waarmee de rechtbank heeft gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Vaststaat dat het UWV na de datum in geding een ongekorte TW-uitkering is blijven betalen aan appellante. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat haar ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Het UWV mocht die uitkering dan ook intrekken met terugwerkende kracht. Er is geen sprake van dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien. De boete van €580,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellante.

ECLI:NL:CRVB:2013:1586 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellante inkomsten uit arbeid dan wel uit een socialezekerheidsuitkering heeft gehad.  Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad komt tot het oordeel dat de hoogte van de boete van €2000,-, gelet op de ernst van de gedraging, de mate waarin appellante de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin zij verkeert, evenredig is. Er zijn geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien.

ECLI:NL:CRVB:2013:2278 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellante is gaan samenwonen en het totale inkomen van appellante en haar partner hoger was dan het wettelijk minimumloon. Schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat reeds uit de door appellante gestelde pogingen het UWV op de hoogte te stellen van wijzigingen in haar leefsituatie blijkt dat haar duidelijk was dat deze gevolgen konden hebben voor haar TW-uitkering. Het UWV heeft de TW-uitkering over de genoemde perioden terecht ingetrokken. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

ECLI:NL:CRVB:2014:391 - Herziening, intrekking en terugvordering TW-uitkering wegens inkomsten uit arbeid en boeteoplegging van €800,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat er geen bewijs is van de opgave aan het UWV van de werkzaamheden en inkomsten. Een boete van €52,- acht de Raad evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige ten aanzien van appellante gebleken omstandigheden.

ECLI:NL:CRVB:2014:1352 - Hoogte TW-uitkering. De Raad oordeelt dat voor de vaststelling van de hoogte van de TW-uitkering moet worden uitgegaan van het verschil tussen het dagloon en de hoogte van de WAO-uitkering, omdat het dagloon van appellant lager is dan het voor hem geldende wettelijk minimumloon. De stelling van appellant dat in zijn geval uitgegaan moet worden van het verschil tussen het sociaal minimum en zijn WAO-uitkering vindt geen steun in de wet en faalt.

ECLI:NL:CRVB:2014:1802 - Exportverbod TW-uitkering. Intrekking TW-uitkering omdat appellant in Duitsland is gaan wonen. De Raad oordeelt dat geen recht op TW-uitkering bestaat gedurende de periode dat een potentieel rechthebbende buiten Nederland woont. In mei 2005 is de TW vermeld op Bijlage IIbis bij Verordening 1408/71, hetgeen betekent dat de TW-uitkering in beginsel niet meer exportabel is binnen de EU. Het enkele feit dat appellant in Duitsland op korte afstand van de Nederlandse grens woont, doet niet af aan de conclusie dat de beperking van de TW-uitkering tot de sociaaleconomische context van Nederland gerechtvaardigd is.

ECLI:NL:CRVB:2014:3462 - Toewijzing verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De Raad stelt vast dat de redelijke termijn met vijf maanden is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van €500,-, waarvan €250,- ten laste komt van de Staat en €250,- ten laste komt van het UWV.

ECLI:NL:CRVB:2014:3806 - Boeteoplegging wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. In deze zaak laat de Raad zich voor het eerst uit over een aantal procedurevoorschriften bij het opleggen van een bestuurlijke boete. Artikel 5:53 van de Awb bepaalt dat bij overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van meer dan €340,- de zogenoemde verzwaarde procedure van toepassing is, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Deze verzwaarde procedure betekent dat op het bestuursorgaan de verplichting rust om van de door betrokkene gepleegde overtreding een boeterapport op te maken, dat de betrokkene in de gelegenheid moet worden gesteld zijn zienswijze te geven op het voornemen hem een boete op te leggen en dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete niet wordt verleend aan degene die van de overtreding een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt.

ECLI:NL:CRVB:2014:4214 - Intrekking, terugvordering en boeteoplegging wegens verzwegen inkomsten uit nabestaandenpensioenen. Uit de artikelen 8:69 en 8:72a van de Awb, in onderlinge samenhang bezien met artikel 5:46, tweede en vierde lid, van de Awb, volgt dat de Raad gehouden is een aan zijn oordeel onderworpen boete te vernietigen indien sprake is van feiten en omstandigheden die het oordeel rechtvaardigen dat die boete ten onrechte door de rechtbank is opgelegd of niet als een evenredige boete kan worden bestempeld. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt niet dat de wetgever de bevoegdheid van de Raad om een door de rechtbank opgelegde boete desgeraden ook ten nadele van het bestuursorgaan te vernietigen of te verlagen, heeft willen beperken met de invoering van incidenteel hoger beroep.

ECLI:NL:CRVB:2015:1163 - Toekenning TW-uitkering. De Raad oordeelt dat ingevolge de TW het recht op TW-uitkering niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen vóór één jaar voorafgaande aan de dag waarop de aanvraag om TW-uitkering is ingediend en dat er in casu geen sprake is van een bijzonder geval dat rechtvaardigt van die hoofdregel af te wijken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan van een bijzonder geval in de zin van artikel 11, zevende lid, van de TW sprake zijn indien appellante wat haar verlate aanvraag betreft redelijkerwijs gesproken niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Verder kan volgens vaste rechtspraak onbekendheid met de regels op zichzelf geen reden zijn om een bijzonder geval aan te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2015:1346 - Weigering TW-uitkering omdat appellant ingevolge de TW geen recht heeft op TW-uitkering gedurende de periode dat hij niet in Nederland woont. Appellant is met behoud van WAO-uitkering naar Turkije gemigreerd. In artikel 4a, eerste lid, van de TW is, kort samengevat, bepaald dat geen recht op TW-uitkering bestaat gedurende de periode dat een potentieel rechthebbende buiten Nederland woont. Dit artikel is per 1 januari 2000 ingevoerd bij de Wet BEU. De Raad oordeelt dat het woonplaatsvereiste van artikel 4a van de TW objectief gerechtvaardigd is te achten. Er is geen sprake van strijd met de discriminatieverboden.

ECLI:NL:CRVB:2015:1961 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering voor een alleenstaande omdat op grond van artikel 3 van de TW geen recht op TW-uitkering bestaat voor de gehuwde wiens echtgenoot is geboren na 31 december 1971, tenzij tot het huishouden een kind behoort dat jonger is dan 12 jaar. Appellante heeft de wijziging in haar omstandigheden niet tijdig aan het UWV meegedeeld. Uit coulance is de terugwerkende kracht van de intrekking beperkt tot de datum in geding. De Raad komt niet tot een ander oordeel dan het UWV en de rechtbank. Opgemerkt wordt dat het de rechter op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrijstaat de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

ECLI:NL:CRVB:2015:3018 - Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat het inkomen van appellante en haar echtgenoot boven het voor hen geldende sociaal minimum ligt. Boeteoplegging van €1990,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelt dat de beleidsregels consistent zijn toegepast. Indien, zoals in dit geval, uitsluitend inkomsten van de partner van de uitkeringsgerechtigde zijn verzwegen, komt de boete volgens het beleid voor rekening van de partner, omdat die de inkomsten heeft verzwegen. Dit beleid gaat de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten.

ECLI:NL:CRVB:2015:4198 - Herziening en terugvordering TW-uitkering wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid. Oplegging maximumboete van €2269,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat tot de aannemelijk geworden omstandigheden ook behoort de omstandigheid dat er geruime tijd, ook na het bestreden besluit, sprake is geweest van een reële aflossingscapaciteit, die ook heeft geleid tot reële aflossingen. Verder onderschrijft de Raad het standpunt van het UWV dat de door de rechtbank bepaalde boete van €52,- in dit geval geen recht doet aan de ernst van de overtreding. Alle omstandigheden van het geval, waaronder de gebleken aflossingscapaciteit en de omstandigheid dat deze inmiddels nihil is, geven aanleiding de boete vast te stellen op €1134,54, zijnde het bedrag dat door betrokkene al is afgelost.