Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:1586
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 11/3008 TW en 11/3009 TW
Datum uitspraak: 23-08-2013
Wetsartikelen: artt. 2, 11a, 12, 14a en 20 TW
Essentie: Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellante inkomsten uit arbeid dan wel uit een socialezekerheidsuitkering heeft gehad.  Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad komt tot het oordeel dat de hoogte van de boete van €2000,-, gelet op de ernst van de gedraging, de mate waarin appellante de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin zij verkeert, evenredig is. Er zijn geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 11/3008 TW en 11/3009 TW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 11 april 2011, 10/1611 en 10/1612 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




PROCESVERLOOP


Namens appellant en appellante heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2013. Appellant en appellante zijn verschenen, bijgestaan door mr. Offermans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.




OVERWEGINGEN


1.1. Appellant heeft op 16 april 1999 een aanvraag ingediend op grond van de Toeslagenwet (TW), om een toeslag op zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De aanvraag is mede ondertekend door appellante, zijn echtgenote. Bij besluit van 21 april 1999 is aan appellant met ingang van 14 april 1999 een toeslag toegekend.
Naar aanleiding van een aanvraag van appellante om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen heeft het Uwv een bestandsvergelijking gedaan en geconcludeerd dat aan appellant gelet op het totale gezinsinkomen teveel toeslag is uitgekeerd. Bij drie afzonderlijke besluiten van 7 juli 2010 is de toeslag over de periode van 5 januari 2004 tot en met 11 januari 2004 verlaagd, en over de perioden van 24 november 2003 tot en met 28 december 2003 en van 19 januari 2004 tot 7 juli 2010 beëindigd en de in verband hiermee onverschuldigd betaalde toeslag van € 19.979,99 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 13 oktober 2010 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 7 juli 2010 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hiertoe onder meer overwogen dat appellant de inlichtingenplicht van artikel 12 van de TW heeft overtreden.

1.2. Nadat appellante op 21 juli 2010 door het Uwv is gehoord naar aanleiding van het voornemen aan haar een boete op te leggen, heeft het Uwv bij besluit van 22 juli 2010 aan appellante een boete opgelegd van € 2.000,- omdat zij haar verplichting om het Uwv te informeren over haar inkomen niet was nagekomen. Deze boete is gerelateerd aan het bruto bedrag van € 19.979,99 dat haar echtgenoot, appellant, te veel aan toeslag heeft ontvangen. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat de overtreding geheel aan appellante was te wijten en zag daarom geen aanleiding om de boete te verlagen of kwijt te schelden. Bij besluit 13 oktober 2010 (bestreden besluit 2) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 juli 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant en appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat appellanten hebben kunnen weten en behoorden te weten dat appellant in de periode dat appellante inkomsten genoot, een toeslag op grond van de TW ontving en dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen, dan wel behoren te zijn, dat haar inkomsten van invloed konden zijn op het recht op toeslag. Beiden hebben in april 1999 het aanvraagformulier ondertekend en op de inlichtingenformulieren die appellant tot mei 2003 in verband met zijn WAO-uitkering heeft ontvangen, heeft appellante steeds het onderdeel dat betrekking heeft op de inkomsten van de partner, ingevuld en ondertekend.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat het beroep op de twee laatste volzinnen van artikel 12 van de TW faalt, reeds omdat er nog geen ministeriële regeling is vastgesteld en dat het feit dat voor appellante bij aanvang van haar werkzaamheden premie aan het Uwv is afgedragen, niet meebrengt dat het Uwv in verband met het verlenen van toeslag op grond van de TW hiermee bekend hoefde te zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering uit onverschuldige betaling niet is verjaard en dat haar niet is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

3. In hoger beroep hebben appellanten hun stellingen herhaald dat zij hun inlichtingenplicht niet hebben geschonden omdat zij zich niet hebben hoeven realiseren dat appellant vanaf november 2003 nog een toeslag ontving. Uit de specificaties van de aan appellant verstrekte WAO-uitkering noch uit de jaaropgaven blijkt de precieze opbouw van het totale uitkeringsbedrag. Vanaf mei 2003 heeft appellant geen inlichtingenformulier meer ontvangen.
Verder is het Uwv zelf in gebreke gebleven omdat hij op de hoogte heeft kunnen en moeten zijn van het feit dat appellante inkomsten genoot. Het Uwv heeft immers weet van de premie-afdracht en van het feit dat een socialezekerheidsuitkering wordt verstrekt.
Verder heeft appellant betoogd dat op grond van artikel 20, derde lid, van de TW alleen over de laatste drie jaren kan worden teruggevorderd, waarbij appellant wederom verwijst naar artikel 12 van de TW en het feit dat het Uwv uit zijn eigen administratie bekend is geweest met de inkomsten van zijn echtgenote. Om deze reden is de vordering tevens verjaard. Ter zitting heeft appellant zijn beroepsgrond ten aanzien van de twee laatste volzinnen van artikel 12 van de TW overigens ingetrokken. Tevens voeren appellanten aan dat de rechtbank ten onrechte in hun gezinsomstandigheden - hun beide kinderen leiden aan de ziekte lymfocytose - geen aanleiding heeft gezien de beroepen gegrond te verklaren.
Voor wat betreft de aan appellante opgelegde boete is nog aangevoerd dat inspecteur K.M.R.A. Stijns in zijn inspectierapport van 16 juli 2010 heeft geadviseerd om de boete op een lager bedrag vast te stellen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Het hoger beroep van appellant

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de perioden 5 januari 2004 tot en met 11 januari 2004, 24 november 2003 tot en met 28 december 2003 en 19 januari 2004 tot 7 juli 2010 inkomsten uit arbeid dan wel uit een socialezekerheidsuitkering heeft gehad en dat appellant in verband daarmee teveel aan TW-uitkering heeft ontvangen. De hoogte van de door appellante genoten inkomsten en de hoogte van de door het Uwv onverschuldigd aan appellant betaalde toeslag, zijn op zichzelf genomen evenmin in geschil.

4.2. De stelling van appellant dat hij de in artikel 12 van de TW neergelegde inlichtingenplicht niet heeft geschonden omdat hij niet wist dat hij een toeslag op grond van de TW ontving, kan niet worden gevolgd. Appellant heeft in april 1999 een - mede door zijn echtgenote ondertekende - aanvraag om toeslag ingediend en bij besluit van 21 april 1999 is hem een toeslag toegekend. Het feit dat het Uwv na mei 2003 geen inlichtingenformulieren meer heeft gestuurd en de omstandigheid dat hij uit de uitkeringspecificaties niet heeft afgeleid dat hij deze toeslag ontving, betekent niet dat hij niet wist of had behoren te weten dat hij deze toeslag ontving. Ook indien appellant niet de opzet heeft gehad de inkomsten van zijn echtgenote voor het Uwv te verzwijgen, kan van schending van de inlichtingenverplichting sprake zijn.

4.3. De stelling van appellant dat het Uwv van de inkomsten van zijn echtgenote op de hoogte had kunnen en dienen te zijn, slaagt evenmin. Het feit dat aan het Uwv premies worden afgedragen noch het feit dat het Uwv aan zijn echtgenote een uitkering heeft verstrekt, brengt mee dat het Uwv in het kader van de toeslag aan appellant geacht moet worden hiervan op de hoogte te zijn.

4.4. Op grond van artikel 11a, eerste lid, onder a, van de TW - voor zover hier van belang - herziet het Uwv de toeslag indien deze tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Voor de toepassing van het voornoemde artikel 11a van de TW hanteert het Uwv de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (beleid). Artikel 3, tweede lid, van het beleid - voor zover hier van belang - bepaalt dat indien als gevolg van of mede als gevolg van het niet nakomen door de verzekerde van een inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, de uitkering wordt herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop de uitkering zou zijn herzien als de verzekerde wel volledig aan zijn verplichting zou hebben voldaan.

4.5. Het beleid dient te worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals bijvoorbeeld neergelegd in de uitspraak van 19 augustus 2011, LJN BR5375, dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.6. Het beleid is in het geval van appellant op consistente wijze toegepast. In het in april 1999 door appellant ingevulde aanvraagformulier staat vermeld dat het gezinsinkomen bepalend is voor het recht op en de hoogte van de toeslag en in het toekenningsbesluit van 21 april 1999 is appellant er op gewezen dat hij wijzigingen in zijn inkomen of dat van zijn partner onmiddellijk aan het Uwv dient door te geven. Ook uit de - tot mei 2003 - verzonden inlichtingenformulieren blijkt het belang van de eventuele inkomsten van de partner. Nu appellant in strijd met deze inlichtingenplicht de inkomsten van zijn echtgenote over de in 4.1 genoemde perioden niet heeft opgegeven aan het Uwv staat vast dat hierdoor een te hoog bedrag aan toeslag is verstrekt. De rechtbank is derhalve met juistheid tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht de TW-uitkering heeft herzien c.q. beëindigd en ingevolge artikel 20 van de TW was gehouden tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering. Andes dan appellant heeft betoogd, ziet artikel 20, derde lid, van de TW niet op de periode waarover wordt teruggevorderd, maar op de bevoegdheid van het Uwv om, indien een belanghebbende een aantal jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, van verdere terugvordering af te zien. De stelling van appellant dat de vordering was verjaard, wordt, met verwijzing naar hetgeen in 4.3 is overwogen, niet gevolgd. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat van dringende redenen om van terugvordering af te zien niet is gebleken omdat appellant niet heeft aangetoond dat de terugvordering voor hem tot onaanvaardbare gevolgen leidt. Ter zitting is gebleken dat het Uwv een afbetalingsregeling met appellant heeft getroffen.

4.7. Uit hetgeen in overweging 4.1 tot en met 4.6 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover hierin het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient te worden bevestigd.



Het hoger beroep van appellante

5.1. Voor wat betreft het hoger beroep van appellante stelt de Raad vast dat het hoger beroep van appellante grotendeels een herhaling is van hetgeen in het hoger beroep van appellant is aangevoerd. Voor zover wordt betoogd dat het Uwv ten onrechte tot herziening en terugvordering van hetgeen appellant op grond van de TW heeft genoten, is overgegaan en dat daarom geen boete had mogen worden opgelegd, volgt uit 4.7 dat het hoger beroep van appellante in zoverre niet slaagt.

5.2. Dat het Uwv het advies van inspecteur Stijns om de hoogte van de boete te bepalen aan de hand van de terugvordering van de teveel genoten toeslag over de periode van 24 november 2003 tot en met 31 december 2005, niet heeft gevolgd, betekent niet dat het bestreden besluit rechtens onjuist is. Het Uwv heeft de hoogte van de boete, met inachtneming van artikel 14a van de TW en het Boetebesluit socialezekerheidswetten bepaald op 10% van het benadelingsbedrag van € 19.979,99, zijnde afgerond naar boven € 2.000,-. De Raad komt tot het oordeel dat de hoogte van de boete, gelet op de ernst van de gedraging, de mate waarin appellante de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin zij verkeert, evenredig is en overweegt hiertoe als volgt.

5.3. Appellante heeft de in april 1999 ingediende aanvraag om een toeslag mede ondertekend en heeft ook steeds de tot mei 2003 door het Uwv opgestuurde inlichtingenformulieren ingevuld en ondertekend. Zij was dus op de hoogte van het belang van haar inkomsten voor het recht op en de hoogte van de toeslag en heeft door hiervan geen melding aan het Uwv te maken, de in artikel 12 van de TW neergelegde inlichtingenplicht, die zich tevens richt tot de echtgenote van de toeslaggerechtigde, overtreden. Reeds omdat de inlichtingenplicht bepaalt dat de toeslaggerechtigde en/of zijn echtgenote verweerder uit eigen beweging dient te informeren over feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, kan aan het betoog van appellante dat het Uwv uit zijn eigen administratie kennis droeg van het feit dat appellante inkomsten uit arbeid en uit socialezekerheidsuitkeringen genoot, geen gewicht toekomen. De Raad acht hetgeen in 4.2 en 4.6 ten aanzien van appellant is overwogen, ten volle van toepassing op de gedraging van appellante en acht deze volledig verwijtbaar. Nu de hoogte van de boete is afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag en in hetgeen door appellante over de ziekte van haar kinderen geen omstandigheid is gelegen dat de boete op een te hoog bedrag is vastgesteld, acht de Raad de opgelegde boete evenredig.

5.4. Evenmin is gebleken van dringende redenen waardoor dient te worden afgezien van het opleggen van een boete. De ziekte van de kinderen kan niet als een zodanige reden worden gezien, waarbij er op gewezen wordt dat ter zitting is komen vast te staan dat de boete reeds volledig, na inhouding op de uitkering, is voldaan.

6. Uit hetgeen in overweging 5.1 tot en met 5.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak ook voor het overige dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en M.C. Bruning en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) G.J. van Gendt