Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AT7928
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2005:AT7928
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 03/2873 TW
Datum uitspraak: 03-06-2005
Wetsartikelen: artt. 2 en 3 TW
Essentie: Weigering TW-uitkering per 11 juli 1999 omdat appellants echtgenote is geboren na 31 december 1971 en sinds 18 september 2001 een kind jonger dan 12 jaar tot appellants huishouden behoort, zodat appellant eerst per laatstgenoemde datum in aanmerking komt voor het recht op TW-uitkering. Ook de Raad oordeelt dat appellant, gelet op de hier aan de orde zijnde wettelijke bepalingen, niet eerder dan de geboortedatum van zijn kind in aanmerking kan komen voor een TW-uitkering.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 03/2873 TW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 april 2003, nr. TW 02/2014, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 april 2005, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 8 februari 2002 heeft gedaagde aan appellant per 18 september 2001 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend ten bedrage van € 14,84 per dag.

In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat de uitkering eerder dan 18 september 2001, namelijk per 11 juli 1999, de datum dat hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, dient in te gaan, omdat die WAO-uitkering onder het sociaal minimum lag.

Bij besluit van 27 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het besluit van 8 februari 2002 gehandhaafd en appellants bezwaren tegen dat besluit ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij aangegeven, onder verwijzing naar de artikelen 2 en 3 van de TW, dat recht op toeslag bestaat voor de gehuwde wiens echtgenoot geboren is na 31 december 1971 en tot wiens huishouden een eigen kind behoort dat jonger is dan 12 jaar. Nu appellants echtgenote geboren is na 31 december 1971 (namelijk op 5 juni 1978) en sinds 18 september 2001 een kind jonger dan 12 jaar tot zijn huishouden behoort, komt appellant eerst sinds laatstgenoemde datum in aanmerking voor het recht op toeslag.

De rechtbank heeft de opvatting van gedaagde onderschreven en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikelen 2 en 3 van de TW, appellant eerst na de geboorte van het eigen kind op 18 september 2001 in aanmerking kan komen voor een toeslag.

Namens appellant is in hoger beroep het standpunt herhaald dat appellant per 11 juli 1999 recht heeft op een uitkering ingevolge de TW.

Met de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat, gelet op de hier aan de orde zijnde wettelijke bepalingen, appellant - die geboren is op 21 mei 1971 en gehuwd is op 18 augustus 1999 - niet eerder dan 18 september 2001, de geboortedatum van zijn kind, in aanmerking kan komen voor een toeslag ingevolge de TW.

Het hoger beroep kan dan ook niet slagen en de aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter, en mr. M.M. van der Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2005.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) C.D.A. Bos.