Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BF7576
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BF7576
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 06/4176 TW
Datum uitspraak: 03-10-2008
Wetsartikelen: artt. 2, 11a en 20 TW / 6 EVRM
Essentie: Herziening en terugvordering TW-uitkering wegens inkomsten uit Anw-uitkering. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat de betaling van de nabestaandenuitkering over de maanden in geding, welke in verband met de datering van de toekenningsbeslissing op een later tijdstip plaatsvond, wel aan die maanden moet worden toegerekend, zodat het gezinsinkomen in die maanden boven het voor appellant geldende sociaal minimum ligt. Er is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 06/4176 TW




U I T S P R A A K




p het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2006, 04/1559 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 oktober 2008.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 14 juli 2008, ontvangen op dezelfde dag, medische stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2008.
Namens appellant zijn zijn gemachtigde en zijn dochter, [naam dochter appellant], verschenen.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.




II. OVERWEGINGEN


1. Appellant ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke met ingang van 1 mei 1987 werd aangevuld met een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Op 10 april 2002 is de echtgenote van appellant overleden. De Sociale Verzekeringsbank heeft bij besluit van 14 juni 2002 aan appellant met ingang van april 2002 een nabestaanden-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend. Het Uwv heeft bij besluit van 7 juli 2003 de toeslag met ingang van 10 april 2002 herzien naar € 12,61 bruto per uitkeringsdag en heeft deze toeslag bij besluit van 4 juli 2003 met ingang van 10 mei 2002 ingetrokken. Ten slotte vorderde het Uwv op 8 juli 2003 de onverschuldigd betaalde bruto toeslag over de periode van 10 april 2003 (lees: 2002) tot en met 30 juni 2003 ten bedrage van € 4.414,17 van appellant terug.

2.1. Het Uwv heeft de tegen de besluiten van 4, 7 en 8 juli 2003 namens appellant gemaakte bezwaren bij besluit van 4 maart 2004 ongegrond verklaard.

2.2. Het Uwv heeft onder andere overwogen dat de betaling van de nabestaandenuitkering over de maanden april en mei 2002, welke in verband met de datering van de toekenningsbeslissing, op een later tijdstip plaatsvond wel aan die maanden moet worden toegerekend zodat het gezinsinkomen vanaf 10 april 2002 boven het voor appellant geldende sociaal minimum lag.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 4 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.2. De rechtbank overwoog, na het wettelijk kader te hebben uiteengezet, dat de omstandigheid dat de nabestaandenuitkering van appellant eerst op 24 juni 2002 betaalbaar werd gesteld, er niet aan afdoet dat deze betaling dient te worden toegerekend aan de periode vanaf 10 april 2002, de dag waarop van rechtswege het recht op nabestaandenuitkering van appellant inging. Onder verwijzing naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 juli 2003 (LJN AI0634) overwoog de rechtbank dat alleen in uitzonderlijke gevallen wegens dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien en dat in dit geval van dringende redenen geen sprake was. Ten slotte oordeelde de rechtbank dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet kon slagen omdat van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging geen sprake was. De rechtbank liet in dit verband nog daar dat een telefoonnotitie van het gestelde gesprek van het Uwv met de dochter van appellant ontbrak.

4. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat niet gemotiveerd is waarom er geen sprake was van dringende redenen en heeft zij om compensatie verzocht vanwege de lange duur van de bestuurlijke heroverweging. Ter zitting heeft de gemachtigde voorts uiteengezet waarom er naar haar mening wel sprake is geweest van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de kant van het Uwv in de contacten met de dochter van appellant.

5. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift gesteld dat er in het dossier geen aanwijzing is aangetroffen van het doen van een toezegging en dat de aanwezigheid van dringende redenen niet naar behoren is onderbouwd.

6.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in dit geval van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging geen sprake is. Evenals de rechtbank en het Uwv stelt ook de Raad vast dat in het dossier een telefoonnotitie van de contacten van de dochter van appellant met Uwv ontbreekt. Voorts is niet gebleken dat van de zijde van appellant de inhoud van die gestelde gesprekken aan het Uwv is bevestigd. Gelet op een en ander valt derhalve, voorzover van de zijde van het Uwv in die gesprekken al uitlatingen zijn gedaan van een strekking als gesteld door appellant, hetgeen door het Uwv niet is erkend, thans niet meer vast te stellen welke de precieze context van de gestelde telefonische contacten was en welke bewoordingen daarbij over en weer zijn gebezigd.

6.2. Evenals de rechtbank is ook de Raad niet gebleken van de aanwezigheid van dringende redenen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de TW. De Raad wijst er in de eerste plaats op dat dringende redenen uitsluitend kunnen worden aangenomen vanwege de onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering en niet (mede) in verband kunnen worden gebracht met de oorzaken van de terugvordering. Met inachtneming hiervan kan de aanwezigheid van dringende (medische) redenen naar het oordeel van de Raad in elk geval niet worden ontleend aan de op 14 juli 2008 in geding gebrachte medische stukken. Uit de informatie van de arts geriatrie van Mentrum te Amsterdam van 11 juli 2005 blijkt immers dat appellant ruim 3 jaar bekend is vanwege rouwproblematiek met suïcidaliteit en paniekaanvallen ontstaan na het overlijden van zijn echtgenote. Vergelijkbare informatie omtrent de problematiek van appellant komt ook reeds naar voren uit de brief van Mentrum van 4 december 2002. Deze brief vermeldde tevens dat op 1 december 1998 sprake was van een acuut voorwandmyocardinfarct en dat appellant vanwege hartklachten in juli en november 2002 was opgenomen, welke laatste opname werd bevestigd en besproken in de brief van de behandelend cardioloog van 4 december 2002, terwijl in een brief van een andere cardioloog van 6 juni 2002 reeds sprake was van een opname wegens hartklachten van 2 tot 10 mei 2002. De besluiten tot terugvordering zijn van ruim een jaar later.

6.3.1. Met betrekking tot het beroep van appellant op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb 1951,154; 1990,156; EVRM) stelt de Raad in de eerste plaats vast dat de gemachtigde van appellant ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat dit beroep uitsluitend ziet op het aandeel van het bestuursorgaan in de gestelde overschrijding.

6.3.2. De Raad overweegt voorts dat blijkens zijn vaste jurisprudentie de redelijke termijn doorgaans gaat lopen vanaf de ontvangst door het bestuursorgaan van het gemaakte bezwaar, in dit geval derhalve op 5 augustus 2003 toen het namens appellant gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 4, 7 en 8 juli 2003 door het Uwv werd ontvangen.
De Raad ziet geen aanleiding in het onderhavige geval van dit uitgangspunt af te wijken.

6.3.3. De Raad stelt vast dat van de totale procedure van ruim vijf jaar 7 maanden voor rekening van het bestuursorgaan komen. De Raad stelt voorts vast dat het in 6.3.2. vermelde en niet nader gemotiveerde bezwaarschrift op 15 augustus 2003 is gevolgd door een eveneens niet nader gemotiveerd bezwaarschrift van de toenmalige gemachtigde van appellant, een medewerker van het Bureau Rechtshulp Amsterdam Centrum. Hierna heeft het Uwv op 29 september 2003 die gemachtigde in de gelegenheid gesteld de gronden van het bezwaar in te dienen, waarna die gemachtigde op 21 oktober 2003 ontbrekende stukken opvroeg en aankondigde de zaken te willen overdragen aan een advocaat. Van deze overdracht deed de toenmalige gemachtigde mededeling aan het Uwv bij brief van 4 november 2003, waarna de huidige gemachtigde van appellant op 1 december 2003 een aanvullend bezwaarschrift indiende en daarop desgevraagd door het Uwv op 4 december 2003 bij brief van 10 december 2003 onder overlegging van enkele stukken nog een toelichting gaf en naar aanleiding van de brief van het Uwv van 15 december 2003 op 27 december 2003 nogmaals een toelichting verstrekte. Gelet op deze gang van zaken met betrekking tot de indiening van de motivering van het bezwaar dient naar het oordeel van de Raad - zonder daarvan overigens (de gemachtigde van) appellant een verwijt te willen maken - een substantieel deel van de duur van de bezwaarprocedure voor rekening en risico van appellant te komen. Dit brengt mee dat in dit geval van een overschrijding door het Uwv van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure niet kan worden gesproken.
De Raad wijst dan ook de vordering van appellant, welke uitsluitend is gebaseerd op het bestuurlijke aandeel in de overschrijding van de redelijke termijn, af.
6.4. Het overwogene in 6.1 tot en met 6.3.3 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.5. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en R. Kruisdijk en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.W.A. Schimmel.