Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BG5675
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BG5675
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/62 TW
Datum uitspraak: 12-11-2008
Wetsartikelen: artt. 2 TW / 1:3, 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. De brief waarbij kennis wordt gegeven van de beslaglegging en wordt meegedeeld dat appellante met ingang van de eerstvolgende reguliere betaling 90% van de nettobetaling (zijnde de beslagvrije voet) ontvangt en dat ook de vakantietoeslag aan de beslaglegger wordt betaald, moet, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, volgens de Raad als een (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Het bezwaar is niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 08/62 TW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 november 2007, 07/1315 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 12 november 2008.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 september 2008 heeft appellante nadere stukken aan de Raad toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2008. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Klaver, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante is met ingang van 19 april 2005 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en een bovenwettelijke uitkering toegekend. Op deze uitkeringen is op 7 februari 2006 op verzoek van de Interprovinciale Ziektekostenregeling N.V. te Harderwijk voor haar vordering van € 3.050,93 beslag gelegd. Bij besluit van 8 februari 2006 heeft het Uwv appellante daarvan in kennis gesteld. In verband met verlaging van de bovenwettelijke uitkering heeft appellante op 13 juni 2006 een uitkering op grond van de Toeslagenwet aangevraagd. Bij besluit van 2 november 2006 is haar die uitkering met ingang van 14 juni 2006 toegekend. Tegen dat besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Zij verzocht daarin enerzijds om duidelijkheid over de berekening van de toeslag en tevens, gezien de gewijzigde situatie, een herzien standpunt van het Uwv over de beslaglegging. Appellante stelt daarbij dat eerdere schriftelijke en telefonische pogingen bij het Uwv en de deurwaarder niet het gewenste resultaat opleverden. Het bezwaar tegen de berekening van de toeslag heeft appellante, na verkregen uitleg door het Uwv, ingetrokken. Haar standpunt met betrekking tot de beslagvrije voet heeft zij gehandhaafd.

1.2. Bij het besluit op bezwaar van 20 april 2007, zoals toegelicht bij verweerschrift in beroep, heeft het Uwv het bezwaar van 11 december 2006 van appellante met betrekking tot de beslagvrije voet aangemerkt als te zijn gericht tegen het besluit van 8 februari 2006 en dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank allereerst overwogen dat het Uwv het bezwaar van appellante terecht heeft aangemerkt als te zijn gericht tegen het schrijven van 8 februari 2006. Vervolgens heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het schrijven van 8 februari 2006 geen betrekking op een publiekrechtelijke rechtshandeling en is daarin geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervat waartegen bezwaar en beroep openstond. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard, zij het op onjuiste gronden.

3.1. De Raad acht het oordeel van de rechtbank over het schrijven van 8 februari 2006 onjuist. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer zijn uitspraak van 31 juli 2002, LJN AE6792, RSV 2002/249) moet de brief waarbij kennis wordt gegeven van de beslaglegging en wordt meegedeeld dat appellante met ingang van de eerstvolgende reguliere betaling 90% van de nettobetaling (de ‘beslagvrije voet’) ontvangt en dat ook de vakantietoeslag aan de beslaglegger wordt betaald, als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb worden aangemerkt. Zulks ligt trouwens ook besloten in de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Raad van 2 juli 2007, LJN BA8609. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

3.2. De Raad zal, doende wat de rechtbank behoorde te doen, het bestreden besluit beoordelen. De Raad constateert dat het Uwv heeft nagelaten om, alvorens het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, bij appellante na te gaan of er sprake was van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding. Om die reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Ter zitting van de Raad heeft appellante desgevraagd aangegeven dat zij ervan heeft afgezien om (tijdig) bezwaar aan te tekenen omdat zij daartoe geen reden zag. Daarin is naar het oordeel van de Raad geen reden gelegen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

3.3. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in beroep is de Raad niet gebleken. In hoger beroep worden deze kosten begroot op € 40,60 wegens reiskosten van appellante.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 40,60, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 145,-- aan appellante vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 november 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.J.A. Reinders.