Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BG9710
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BG9710
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 07/3150 TW
Datum uitspraak: 09-01-2009
Wetsartikelen: artt. 2 en 11a TW
Essentie: Herziening en intrekking TW-uitkering met terugwerkende kracht omdat appellantes dochter op de datum in geding 18 jaar is geworden. De hogere eenoudernorm vervalt als het thuiswonende kind 18 jaar wordt. Het inkomen van appellante bedraagt ten minste 70% van het minimumloon, zodat zij niet langer voor een TW-uitkering in aanmerking komt. De Raad oordeelt dat als redelijkerwijs duidelijk is of kon zijn dat ten onrechte uitkering werd verstrekt, het besluit wordt herzien met terugwerkende kracht, welk beleid de Raad aanvaardbaar geacht.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 07/3150 TW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 27 april 2007, 06/1108 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2009.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 6 juli 2006 heeft het Uwv de toeslag, die appellante op grond van de Toeslagenwet (TW) op haar uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving, met ingang van 16 januari 2003 ingetrokken.

1.2. Bij besluit van 28 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat haar dochter op 16 januari 2003 18 jaar is geworden. Het inkomen van appellante bedraagt ten minste 70% van het minimumloon, zodat zij niet langer voor een toeslag in aanmerking komt. Volgens het Uwv kon het, gelet op eerdere brieven die appellante in 2002 van het Uwv had ontvangen, haar redelijkerwijs duidelijk zijn dat zij per 16 januari 2003 haar recht op toeslag verloor.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. In het hoger beroep heeft appellante het standpunt ingenomen dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij ten onrechte toeslag ontving; zij acht de intrekking met volledige terugwerkende kracht in strijd met de rechtszekerheid, want het Uwv wist wanneer haar dochter 18 jaar werd. Destijds, toen haar dochter 18 jaar werd, heeft zij voorts telefonisch geïnformeerd bij het Uwv of dit van invloed was op haar toeslag. Tot slot wijst appellante erop dat zij na ontvangst van het besluit van 6 juli 2006 telefonisch van een medewerkster van het Uwv heeft vernomen dat zij het teveel ontvangen bedrag niet hoeft terug te betalen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Op grond van artikel 11a, eerste lid, onder b, van de TW, wordt de toeslag herzien of ingetrokken indien deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4.2. Het Uwv voert een beleid dat, indien het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte uitkering werd verstrekt, de beslissing in beginsel wordt herzien of ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is dit beleid aanvaardbaar.

4.3. Appellante betwist niet dat zij per 16 januari 2003 geen recht op toeslag meer had, maar zij voert aan dat dit haar niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn. Deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de Raad niet. Het Uwv heeft appellante ingelicht dat de hogere eenouder norm vervalt als het thuiswonende kind 18 wordt. De 18e verjaardag van haar dochter vormde volgens appellante voor haar ook aanleiding om telefonisch bij het Uwv te informeren naar de hoogte van de toeslag.

4.4. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, vormt geen dringende reden om van de intrekking of herziening af te zien. De vraag in hoeverre de intrekking, vanwege de hoogte van het daarmee gemoeide bedrag van € 4.897,79, onaanvaardbare financiële gevolgen voor appellante heeft, raakt de terug- en invordering en valt buiten het bereik van het bestreden besluit.

4.5. Naar aanleiding van hetgeen door appellante is aangevoerd over het telefonische contact dat zij heeft gehad met een medewerkster van het Uwv over het besluit van 6 juli 2006 stelt de Raad vast dat - wat daar overigens verder van zij - appellante daarop niet mocht afgaan nu dit geen ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van de kant van het Uwv betrof. Dit laatste geldt ook voor de telefonische informatie die appellante stelt in 2003 te hebben ingewonnen.

4.6. Hieruit vloeit voort dat het Uwv verplicht was om de toeslag op grond van artikel 11a van TW met terugwerkende kracht tot 16 januari 2003 in te trekken. Dit houdt in dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.