Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BO2803
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BO2803
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/1800 TW
Datum uitspraak: 29-10-2010
Wetsartikelen: artt. 2, 8, 11a en 12 TW
Essentie: Herziening en intrekking TW-uitkering omdat appellantes totale inkomen niet meer onder het sociaal minimum ligt. De Raad oordeelt dat door toedoen van appellante aan haar te veel TW-uitkering is betaald, hetgeen haar redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn. Op appellante rust de verplichting om wijzigingen in inkomen door te geven. Van enige disculperende werking van het uitblijven van wijzigingsformulieren kan geen sprake zijn. De intrekking met terugwerkende kracht berust op goede gronden en er is geen dringende reden om van herziening van de TW-uitkering af te zien.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/1800 TW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2008, 07/1675 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 oktober 2010.




I. PROCESVERLOOP


Mr. W.M. Bouman, advocaat te Rotterdam, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Ter zitting op 2 oktober 2009 heeft onderzoek plaatsgevonden. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bouman. Het Uwv is niet verschenen.
De Raad heeft in het verhandelde ter zitting aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en heeft in dat kader bij brief van 23 oktober 2009 aan het Uwv gevraagd in te gaan op het betoog van appellante ter zitting en een toelichting te geven op zijn verweerschrift. Bij brief van 30 november 2009 heeft het Uwv een reactie gegeven en bij brief van 6 september 2010 heeft appellante daarop commentaar geleverd.

Ter zitting op 17 september 2010 is het onderzoek voortgezet.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bouman. Voor het Uwv is verschenen J.C. Geldof.




II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 12 januari 2004 is de mate van arbeidsongeschiktheid waarnaar aan appellante per 1 juli 2003 een WAZ-uitkering is toegekend (80% of meer) per 10 maart 2004 herzien naar 65-80%.
Vanwege de daling van haar inkomen per 10 maart 2004 als gevolg van die herziening heeft appellante met gebruikmaking van het formulier “Toeslag aanvragen”, door haar gedateerd 16 februari 2004, een toeslag op de WAZ-uitkering aangevraagd.

2. In aanmerking genomen dat de Toeslagenwet (TW) de mogelijkheid biedt om aan uitkeringsgerechtigden een toeslag op hun uitkering te geven, indien hun inkomen onder het niveau van 70% van het minimumloon voor ongehuwden/alleenstaanden (sociaal minimum) ligt, is bij besluit van 18 maart 2004 aan appellante een toeslag van € 11,20 bruto per (gewerkte) dag toegekend.

3.1. Bij besluit van 23 november 2006 heeft het Uwv wat de periode van 16 oktober 2004 tot en met 31 december 2004 betreft de toeslag herzien van € 11,20 bruto naar € 1,04 bruto per gewerkte dag in verband met de wijziging per 16 oktober 2004 van het totale inkomen van appellante.

3.2. Bij besluit van eveneens 23 november 2006 heeft het Uwv wat de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 betreft de toeslag herzien in die zin dat is vastgesteld dat appellante geen recht meer heeft op een toeslag, omdat haar totale inkomen niet meer ligt onder het sociaal minimum.

4. Bij besluit van 3 april 2007 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de beide besluiten van 23 november 2006 ongegrond verklaard.

5.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 3 april 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

5.2. Appellante heeft haar inkomsten uit dienstbetrekking weliswaar in het kader van de WAZ aan het Uwv gemeld, maar niet ook - zoals gelet op artikel 12 van de TW op haar weg had gelegen - eigener beweging in het kader van de TW. Het besluit van 1 augustus 2005, waarbij de laatstelijk per 10 maart 2004 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% vastgestelde WAZ-uitkering aan haar is gehandhaafd, vormt daarvoor geen beletsel. De door appellante ter onderbouwing van haar standpunt aangehaalde jurisprudentie ziet op terugvordering en niet op intrekking en herziening, waarvan hier sprake is. Appellante heeft niet - bij voorbeeld met medische stukken - onderbouwd dat haar vanwege haar ziekteproces niets valt aan te rekenen, terwijl in hetgeen appellante voorts heeft aangevoerd geen reden is gelegen voor het aannemen van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel dan wel gedeeltelijk van herziening en intrekking had behoren af te zien.

6. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar hetgeen zij eerder in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat zij de inlichtingenplicht in het kader van de TW niet heeft verzaakt.
Met name heeft zij bestreden de conclusie van de rechtbank dat het feit dat zij van de afdeling TW van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geen inkomstenformulieren heeft ontvangen, haar niet disculpeert. Immers, bij andere inkomensafhankelijke uitkeringen is wel gebruikelijk om inlichtingenformulieren toe te zenden. Appellante heeft steeds inlichtingen over haar inkomsten uit dienstbetrekking verstrekt; dat die inlichtingen betrekking hadden op de WAZ doet daaraan niet af, aangezien de TW-uitkering was gekoppeld aan de WAZ-uitkering. Het lag niet op haar weg zich af te vragen of zij aan haar inlichtingenplicht voldeed. Het is de afdeling TW geweest die heeft verzuimd haar informatie over de dagelijkse gang van zaken te verstrekken, zoals bij de afdeling WW wel gebruikelijk is. De afdeling TW heeft jegens haar onjuist en onzorgvuldig gehandeld, waardoor, voor zover ook zijzelf een fout zou hebben gemaakt, haar die fout niet valt aan te rekenen en bij afweging van de wederzijdse belangen haar belangen voorop hadden behoren te worden gesteld.

7. In verweer - mede in reactie op de brief van 23 oktober 2009 van de Raad aan het Uwv - heeft het Uwv gehandhaafd zijn standpunt dat wat de periode van 16 oktober 2004 tot en met 31 december 2005 betreft aan appellante teveel toeslag is betaald en terecht met terugwerkende kracht is herzien respectievelijk ingetrokken. Nader heeft het Uwv die periode opgesplitst in twee delen; tot 14 maart 2005, toen zij voor het eerst tijdens het spreekuur bij de verzekeringsarts melding heeft gemaakt van haar inkomsten uit werk via een uitzendbureau, is door toedoen van appellante aan haar teveel toeslag betaald en per 14 maart 2005 heeft het haar redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat aan haar teveel toeslag is betaald.

8.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

8.2. Ingevolge het eerste lid van artikel 11a van de TW dient een besluit tot toekenning van een toeslag te worden herzien of ingetrokken, onder meer indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de in artikel 12 van de TW neergelegde inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag toekennen van de toeslag.
Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan van herziening of intrekking om dringende redenen worden afgezien.

8.3. De Raad is van oordeel dat de bewoordingen van evenvermeld eerste lid er in beginsel niet aan in de weg staan dat de herziening of intrekking met terugwerkende kracht geschiedt en voorts dat doel en strekking van dat eerste lid daarvoor evenmin een beletsel vormen.
Echter, dat laat onverlet dat herziening en intrekking onder omstandigheden in strijd kan zijn met het rechtszekerheidsbeginsel dan wel een (andere) ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. In dit verband zijn van belang de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van het Uwv, welke erin voorzien dat van intrekking en herziening met terugwerkende kracht wordt afgezien, indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was dan wel kon zijn dat hem of haar ten onrechte of tot een te hoog bedrag toeslag werd verstrekt. Die beleidsregels dienen te worden aangemerkt als een buitenwettelijk begunstigend beleid dat naar vaste rechtspraak van de Raad door de bestuursrechter terughoudend dient te worden getoetst. Dat houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven worden aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

8.4. Ingevolge artikel 12 van de Tw is onder meer degene die aanspraak maakt op toeslag verplicht aan het Uwv op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van dat toeslag dat wordt uitbetaald.

8.5. Vaststaat dat appellante over de periodes van 16 oktober 2004 tot en met 31 december 2004 en van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 in aanvulling op de aan haar toegekende WAZ-uitkering teveel toeslag heeft toegekend gekregen alsook ontvangen.
Vaststaat voorts dat de door het Uwv in het besluit op bezwaar uitgevoerde berekeningen als basis voor de herziening en intrekking correct zijn.

8.6. Blijkens de stukken is appellante via een uitzendbureau in week 42 van 2004 zes uren per week en in week 47 van 2004 negen uren per week gaan werken en heeft zij daaruit inkomsten verkregen, doch heeft zij daarvan aan het Uwv niet eerder melding gemaakt dan tijdens het spreekuur bij de verzekeringsarts op 14 maart 2005. Daaraan heeft het Uwv nader als gevolg verbonden dat tot 14 maart 2005 door toedoen van appellante aan haar teveel toeslag is betaald en per 14 maart 2005 het haar redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn dat aan haar teveel toeslag is betaald.
Voorts staat vast dat appellante tijdens haar bezoek aan de arbeidsdeskundige op 30 juni 2005 de op haar werkzaamheden via het uitzendbureau betrekking hebbende loonstroken heeft overhandigd.

8.7.1. Het Uwv heeft erop gewezen dat in het toekenningsbesluit van 18 maart 2004 de aandacht er uitdrukkelijk op is gevestigd dat appellante wijzigingen in onder meer haar inkomen onmiddellijk aan het Uwv moet doorgeven, daar die direct van invloed kunnen zijn op de toeslag die zij ontvangt, en dat zij die wijzigingen aan het Uwv kan doorgeven op het speciaal daarvoor bestemde "formulier van wijziging".
Appellante heeft aangevoerd dat die mededeling bij haar de gedachte heeft doen postvatten dat het Uwv haar telkenmale wijzigingsformulieren zal toezenden, zoals het Uwv tot dan toe ook had gedaan, en zij met de invulling en inzending van die formulieren aan de op haar rustende inlichtingenplicht zal hebben voldaan.
Dienaangaande heeft het Uwv erop gewezen dat het bij uitblijven van wijzigingsformulieren voor de hand had gelegen dat appellante het Uwv had gevraagd haar zo’n formulier toe te sturen, maar dat appellante die vraag niet heeft gesteld.
Voorts heeft het Uwv erop gewezen dat in het formulier met gebruikmaking waarvan appellante de toeslag op 16 februari 2004 heeft aangevraagd, duidelijk is aangegeven dat een inkomenswijziging direct aan het Uwv moet worden gemeld.

8.7.2. De Raad deelt het standpunt van het Uwv dat appellante verplicht was eigener beweging elke wijziging van haar inkomen direct aan het Uwv te melden en dat zij bij zowel haar aanvraag om toeslag als het toekenningsbesluit van 18 maart 2004 uitdrukkelijk op die verplichting is gewezen. Daartoe heeft zij gebruik kunnen maken van een speciaal daarvoor bestemd formulier, maar daarmee is niet gezegd dat zij niet anders dan met gebruikmaking van zo’n formulier aan die verplichting kan voldoen. Indien het Uwv haar zo’n formulier niet (telkenmale) heeft toegezonden, kan en mag daaruit niet worden afgeleid dat niet meer behoeft te worden voldaan aan de verplichting om eigener beweging onverwijld het Uwv van wijziging van haar inkomen in kennis te stellen. Dat bij haar de gedachte heeft postgevat het Uwv haar telkenmale wijzigingsformulieren zal toezenden, komt voor haar eigen risico en rekening; van enige haar disculperende werking van het uitblijven van zulke formulieren kan geen sprake zijn.

9.1.1. Het in 8.7.2 overwogene brengt met zich dat wat de periode van 16 oktober 2004 tot 14 maart 2005 betreft sprake is van door toedoen van appellante te veel aan haar betaalde toeslag en dat wat de periode van 14 maart 2005 tot en met 31 december 2005 betreft het appellante redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn dat haar teveel toeslag is betaald. Hierbij tekent de Raad overigens aan dat in het thans aanhangige geval het verschil tussen door toedoen van en redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn geen gevolg heeft voor de hoogte van het teveel betaalde bedrag.
De toeslag kon bijgevolg met terugwerkende kracht worden herzien, respectievelijk ingetrokken. Daartoe heeft de Raad het volgende in aanmerking genomen.

9.1.2. Appellante heeft de toeslag in februari 2004 aangevraagd toen haar duidelijk was geworden dat zij daarvoor per 10 maart 2004 in aanmerking zou komen vanwege de herziening per die datum van de mate van haar arbeidsongeschiktheid van 80% of meer naar 65-80% met als gevolg dat haar op dat moment uit WAZ-uitkering bestaande inkomen in relevante mate onder het sociaal minimum zou zakken. Daarna is zij in de loop van 2004 (eerst zes, later negen uren en in de loop van 2005 twaalf uren per week) via een uitzendbureau gaan werken (en heeft zij blijkens de wekelijkse loonstroken op haar uurloon ook ploegentoeslagen ontvangen). Aangezien met de toeslag aan appellante het “gat” tussen haar WAZ-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% en het voor haar geldende sociaal minimum werd opgevuld, betekende elke verdienste - hoe gering ook - het bereiken van de grens van het sociaal minimum. In aanmerking genomen voorts dat appellante zich bij het aanvragen van de toeslag in februari 2004 terdege bewust is geweest van de smalle marge per 10 maart 2004 tussen de WAZ-uitkering aan haar en dat sociaal minimum, kan bezwaarlijk worden aangenomen dat het appellante niet redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn dat zij met haar verdiensten per 16 oktober 2004 die smalle marge te buiten zou gaan en - na ontvangst van het loon - was gegaan.

10. Evenmin als de rechtbank acht de Raad dringende redenen aanwezig die het Uwv aanleiding hadden behoren te geven om gebruik te maken van de hem bij artikel 11a, tweede lid, van de TW gegeven bevoegdheid tot geheel of gedeeltelijk afzien van (de wettelijk verplichte) herziening of intrekking. In de beleidsregels is vermeld dat geen algemene regeling wordt gegeven en dat de dringende redenen slechts aan de orde komen, indien als gevolg van bijzondere aspecten van het individuele geval onaanvaardbare gevolgen optreden. Van zodanige aspecten of gevolgen is niet kunnen blijken. Evenmin is kunnen blijken dat de beleidsregels niet consistent zijn toegepast.
De Raad voegt hier aan toe dat naar zijn vaste rechtspraak dringende redenen als evenbedoeld niet kunnen zijn gelegen in de omstandigheid dat het Uwv adequater had kunnen reageren na het gesprek met de verzekeringsarts op 14 maart 2005 en na het gesprek met een arbeidsdeskundige op 30 juni 2005, bij welke gelegenheid appellante loonstroken heeft overgelegd.

11. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep en dient bijgevolg de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.