Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BZ3896
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3896
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/6391 TW
Datum uitspraak: 15-02-2013
Wetsartikelen: artt. 2, 11a en 20 TW
Essentie: (Bruto)terugvordering van onverschuldigd betaalde TW-uitkering. De Raad oordeelt dat het UWV op grond van artikel 20 van de TW verplicht is om hetgeen onverschuldigd aan appellante is betaald van haar terug te vorderen. Er zijn geen dringende redenen op grond waarvan het UWV had kunnen besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 11/6391 TW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 september 2011, 10/3381 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 15 februari 2013.




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2012. Appellante is verschenen met bijstand van haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.




OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 29 april 2010 heeft het Uwv appellante bericht dat van haar een bedrag van € 6.140,41 wordt teruggevorderd aan ten onrechte tot een te hoog bedrag in de periode van 18 mei 2009 tot 1 april 2010 betaalde toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Tegen dit besluit heeft appellante op 31 mei 2010 bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 25 juni 2010 heeft het Uwv aan appellante een invorderingsbesluit gezonden. Besloten is een bedrag van € 175,- per maand in te houden op haar uitkering. Bij schrijven van 8 juli 2010 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 juni 2010.

1.3. Bij beslissing op bezwaar (bestreden besluit) van 28 juli 2010 heeft het Uwv het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond verklaard en het bezwaar tegen hoogte van de maandelijkse inhouding gegrond. Het Uwv heeft het aflossingsbedrag op € 31,52 per maand gesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De hoger beroepsgronden spitsen zich toe op het oordeel van de rechtbank voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering. Zich daartoe beperkend overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellante heeft naar voren gebracht dat het Uwv ten onrechte heeft gesteld dat zij had kunnen weten dat zij teveel uitkering heeft ontvangen. De terugvordering is volgens haar in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met name het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Appellante is voorts ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld het netto teveel betaalde terug te betalen in het kalenderjaar waarin teveel is betaald. Dat is in strijd met de uitspraak van de Raad van 17 november 2010, LJN BO4405. Tenslotte beroept appellante zich op het bestaan van een dringende reden welke is gelegen in het feit dat de psychische beperkingen van appellante na de ontvangst van de zogenoemde primaire beslissing zijn toegenomen.

3.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het Uwv op grond van artikel 20 van de TW verplicht om hetgeen als gevolg van het besluit van 8 maart 2010 onverschuldigd aan appellante is betaald, van haar terug te vorderen. De Raad volgt appellante niet in de stelling dat het Uwv bij een belangenafweging tot een beperking van de terugvordering had moeten komen, aangezien in artikel 20, eerste lid, van de TW dwingendrechtelijk is bepaald dat onverschuldigd betaalde toeslag moet worden teruggevorderd.

3.3. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen dringende redenen zijn op grond waarvan het Uwv had kunnen besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering. Van dringende redenen in de zin van de artikelen 11a, tweede lid en 20, vierde lid, van de TW is slechts sprake indien door de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor appellante optreden. Daarvan is de Raad niet gebleken. Met de slechte financiële situatie van appellante heeft het Uwv in het kader van de invordering rekening gehouden bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit. De stelling van appellante dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk was dat zij teveel TW-uitkering ontving, ziet op het ontstaan van de terugvordering en kan daarom niet als een dringende reden worden aangemerkt. De door appellante gestelde gezondheidsklachten kunnen evenmin een dringende reden opleveren. De beschikbare gegevens leiden niet tot de conclusie dat de terugvordering leidt tot onaanvaardbare sociale gevolgen.

3.4. Niet in geschil is dat appellante hetgeen aan toeslag onverschuldigd is betaald niet in hetzelfde jaar heeft terugbetaald en voorts dat appellante niet direct na terugvordering het teveel betaalde bedrag daadwerkelijk heeft terugbetaald. Daarom is er geen grond voor het oordeel dat terugvordering van het bruto bedrag in dit geval onrechtmatig is.

3.5. De overwegingen 3.2 tot en met 3.4 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) M. Sahin