Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BZ9178
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9178
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 12/334 TW
Datum uitspraak: 01-05-2013
Wetsartikelen: artt. 1, 2, 11a, 12, 20 en 39 TW
Essentie: Intrekking en terugvordering TW-uitkering omdat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet aan het UWV heeft meegedeeld dat hij in de perioden in geding geen gezamenlijke huishouding meer voerde met zijn (ex-)partner. Hij had in die perioden daarom geen recht op TW-uitkering voor gehuwden en kwam evenmin in aanmerking voor TW-uitkering voor een alleenstaande (ouder). De Raad oordeelt dat appellant geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft overgelegd om aan te nemen dat hij een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Er is geen sprake van een dringende reden om van intrekking of terugvordering af te zien.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 12/334 TW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 oktober 2011, 11/2850 (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 december 2011, 11/2850 (aangevallen einduitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 1 mei 2013.




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft M. Apaydin hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013. Voor appellant is Apaydin verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving met ingang van 28 augustus 2001, in aanvulling op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, een toeslag voor gehuwden of ongehuwd samenwonenden op grond van de Toeslagenwet (TW).

1.2. Bij besluit van 29 september 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 april 2011 (bestreden besluit), heeft het Uwv over de perioden van 22 maart 2006 tot en met 29 november 2007, 28 juli 2008 tot en met 4 september 2008 en 18 december 2008 tot en met 31 mei 2010 de toeslag beëindigd en de over deze perioden onverschuldigd betaalde toeslag tot een bedrag van € 4.444,72 van appellant teruggevorderd. Aan het bestreden besluit ligt het volgende ten grondslag. Appellant heeft in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet aan het Uwv meegedeeld dat hij in de genoemde perioden geen gezamenlijke huishouding meer voerde met zijn (ex-)partner G. [D.] ([D.]). Hij had in die perioden daarom geen recht op een toeslag voor gehuwden en kwam evenmin in aanmerking voor een toeslag voor een alleenstaande (ouder).

1.3. Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Niet in geschil is dat uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Zaanstad (GBA) volgt dat [D.] in de genoemde perioden niet op het uitkeringsadres van appellant, Krimp 2 te Zaandam, stond ingeschreven en dat appellant heeft verzuimd het Uwv van de verhuizingen van [D.] op de hoogte te stellen. Appellant is er niet in geslaagd aan te tonen dat hij in die perioden toch met [D.] of andere partners, F. [B.] en H. [S.], een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Het bestreden besluit komt niettemin voor vernietiging in aanmerking, omdat het Uwv appellant over de periode van 22 maart 2006 tot 1 januari 2009 ten onrechte niet als alleenstaande ouder heeft aangemerkt. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de tussenuitspraak.

1.4. Bij besluit van 28 oktober 2011 heeft het Uwv, ter uitvoering van de tussenuitspraak, appellant over de periode van 22 maart 2006 tot 1 januari 2009 alsnog als alleenstaande ouder aangemerkt, de toeslag over die periode opnieuw berekend en het terugvorderingsbedrag verlaagd tot € 4.063,82.

1.5. Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de periode van 22 maart 2006 tot 1 januari 2009 en het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in zijn zienswijze tegen het besluit van 28 oktober 2011 geen andere gronden heeft aangevoerd dan tegen het bestreden besluit, welke gronden in de tussenuitspraak reeds zijn beoordeeld. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat en zoals ter zitting nader toegelicht, het volgende aangevoerd tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak. Uit de overgelegde overeenkomsten van gezamenlijke huishouding en de overgelegde bankafschriften blijkt dat hij in de betreffende perioden wel een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met onderscheidenlijk [D.], [B.] en [S.]. Voorts had het Uwv naar aanleiding van de adreswijziging van [D.] in de GBA eerder zelf onderzoek moeten doen naar zijn persoonlijke situatie. Nu het Uwv dit niet heeft gedaan en medeverantwoordelijk is voor de ontstane vordering, had het Uwv, mede gelet op zijn psychische toestand, het terugvorderingsbedrag moeten beperken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat [D.], [B.] en [S.] in de te beoordelen perioden niet op het adres van appellant stonden ingeschreven. Aan de in beroep overgelegde overeenkomsten van gezamenlijke huishouding tussen appellant en onderscheidenlijk [D.], [B.] en [S.] heeft de rechtbank terecht niet de waarde toegekend die appellant daaraan toegekend wenst te zien. Uit die overeenkomsten zou moeten blijken dat appellant met zijn achtereenvolgende partners overeen is gekomen voor bepaalde tijd - in de overeenkomsten is een begindatum en einddatum genoemd - een gezamenlijke huishouding te gaan voeren. Niet alleen is ongeloofwaardig dat voorafgaand aan het voeren van de gestelde gezamenlijke huishoudingen daadwerkelijk overeenkomsten met een dergelijke strekking zijn gesloten, ook zijn deze overeenkomsten onvoldoende om aan te nemen dat in de te beoordelen perioden daadwerkelijk een gezamenlijke huishouding is gevoerd. Ook overigens heeft appellant geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd om aan te nemen dat hij in die perioden een gezamenlijke huishouding met genoemde personen heeft gevoerd. Het enkele feit dat de bankafschriften van [D.] na haar uitschrijving op het adres van appellant nog op dit adres werden geadresseerd, is onvoldoende om aan te nemen dat appellant in zijn woning een gezamenlijke huishouding met haar is blijven voeren.

4.2. De stelling van appellant dat het Uwv naar aanleiding van de adreswijziging van [D.] in de GBA eerder zelf onderzoek had moeten doen naar de persoonlijke situatie van appellant, treft geen doel. Ingevolge artikel 12 van de TW was het immers aan appellant om het Uwv onverwijld mededeling te doen van de verhuizing van [D.] in maart 2006. Appellant houdt het Uwv dan ook ten onrechte medeverantwoordelijk voor de ontstane vordering.

4.3. Het Uwv was op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW gehouden de onverschuldigd betaalde toeslag terug te vorderen. Ingevolge artikel 20, vierde lid, van de TW kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Van dringende redenen kan slechts sprake zijn indien de terugvordering tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen heeft geleid. Wat appellant heeft aangevoerd vormt geen dringende reden als hier bedoeld.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de tussenuitspraak;
- bevestigt de einduitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.F. Claessens en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) J. de Jong




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.