Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AZ3418
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3418
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 04/6391 WAO
Datum uitspraak: 28-11-2006
Essentie: Korting op de WAO-uitkering in verband met inkomsten uit arbeid. Schatting van de inkomsten. FIOD-gegevens. Terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 04/6391 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 oktober 2004, 04/777 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.J. Perrels, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld. Mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, heeft zich bij brief van 14 februari 2005 als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Ritsma.




II. OVERWEGINGEN


Ten tijde als hier van belang ontving appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Naar aanleiding van een gerechtelijk vooronderzoek door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingdienst (FIOD) naar de onderneming [naam onderneming] en haar bestuurders is door de administratie van het Uwv een onderzoek ingesteld naar het vermoedelijk plegen van uitkeringsfraude door appellant. Het resultaat van dat onderzoek is neergelegd in een Rapport Uitkeringsfraude van 22 november 2002.

Op basis van de gegevens van de FIOD heeft de arbeidsdeskundige J.A. van der Holst in een rapport van 24 januari 2003 vastgesteld dat appellant gedurende de jaren 1998 en 1999 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen en dat deze inkomsten, afgezet tegen het voor appellant geldende maatmaninkomen, een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15% opleveren. Om die reden heeft de arbeidsdeskundige Van der Holst geadviseerd met toepassing van artikel 44 van de WAO de uitkering over de jaren 1998 en 1999 niet uit te betalen.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 3 februari 2003 heeft het Uwv besloten de uitkering ingevolge de WAO van appellant vanaf 1 januari 1998 tot 1 januari 1999 en vanaf 1 januari 1999 tot 1 januari 2000 niet aan appellant uit te betalen met toepassing van artikel 44 van de WAO.

Bij besluit van 10 maart 2003 heeft het Uwv de over het tijdvak van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 betaalde uitkering ingevolge de WAO van € 52.117,82 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 12 maart 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen de hiervoor genoemde besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Het bestreden besluit is door de rechtbank in stand gelaten. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, waarin appellant "eiser" en het Uwv "verweerder" is genoemd, met betrekking tot het bestreden besluit als volgt geoordeeld:

"De rechtbank overweegt dat zij evenals verweerder van oordeel is dat de werkzaamheden van eiser in 1998 en 1999 dienen te worden aangemerkt als arbeid van economische betekenis en met een aantoonbare loonwaarde. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser in 1998 als leider in de organisatie van [naam organisatie] werkte en in die hoedanigheid actief beleggers zocht en aanbracht. Verder acht de rechtbank genoegzaam vast te staan dat eiser in 1999 voor [naam onderneming] beleggers/investeerders zocht en adviezen gaf met betrekking tot beleggingen. Uit het geheel van de door eiser en mede-verdachten tegenover de FIOD afgelegde verklaringen, evenals de in beslag genomen administratieve bescheiden blijkt naar het oordeel van de rechtbank voorts afdoende dat eiser in de periode van 1 januari 1998 tot 1 januari 2000 inkomsten ontving uit beleggingen van particulieren via [naam organisatie] en [naam onderneming].
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voor de schatting van eisers inkomen mogen baseren op de in voornoemd rapport uitkeringsfraude geformuleerde bevindingen. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder op onjuiste of onzorgvuldige wijze tot zijn schatting is gekomen. Weliswaar heeft verweerder de omvang van eisers inkomsten niet exact kunnen vaststellen, maar de hierdoor veroorzaakte onzekerheid over de werkelijk genoten inkomsten dient voor risico van eiser te blijven, nu hij -naar onbetwist vaststaat- heeft nagelaten opgave van zijn werkelijke inkomsten te doen. Nu eiser zijn stelling dat de verklaringen van de medeverdachten/getuigen wat betreft de aan hem afgedragen inkomsten onjuist zouden zijn op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt gaat de rechtbank hieraan voorbij. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat zijn echtgenote werkzaamheden voor [naam onderneming] heeft verricht in een zodanige omvang dat een deel van de genoten inkomsten uit [naam onderneming] aan haar moeten worden toegerekend.
Uitgaande van die schatting moet worden geoordeeld dat de omvang van eisers inkomen over de periode van 1 januari 1998 tot 1 januari 2000 tenminste 100% bedroeg van het inkomen dat eiser verdiend zou hebben in zijn beroep van vertegenwoordiger indien hij daarvoor niet ongeschikt zou zijn geworden. Op basis van inkomsten uit arbeid was eiser dus eigenlijk minder dan 15% arbeidsongeschikt. Verweerder heeft derhalve terecht besloten de arbeidsongeschikt- heidsuitkering van eiser onder toepassing van artikel 44 van de WAO over genoemde periode niet uit te betalen.
Met betrekking tot de terugvordering overweegt de rechtbank dat verweerder aldus over de periode van 1 januari 1998 tot 1 januari 2000 onverschuldigd uitkering heeft betaald en dat verweerder om die reden bevoegd is de ten onrechte verstrekte uitkeringen terug te vorderen."

In hoger beroep heeft appellant zijn stellingen goeddeels doen herhalen. Overgelegd is een vonnis van de rechtbank Alkmaar van 27 juni 2003, nummer 14/060173-01, waarbij appellant strafrechtelijk is veroordeeld.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit het strafvonnis blijkt dat voor de rechtbank niet is komen vast te staan dat appellant en zijn zakenpartner [P.] in 1998 samen fl. 328.313,- aan commissie in verband met [naam organisatie] hebben ontvangen.

Het Uwv heeft aangevoerd dat de onduidelijkheid over de werkelijk genoten inkomsten voor risico van appellant dient te blijven. In het strafvonnis van de rechtbank zijn de inkomsten van appellant over 1998 niet vastgesteld. De vaststelling door de rechtbank dat appellant in 1998 in elk geval fl. 1000,- per maand heeft ontvangen, laat de mogelijkheid open dat het ook een veel hoger bedrag zou kunnen zijn geweest.

Hetgeen door en namens appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet ervan overtuigd dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit in stand heeft gelaten. De Raad maakt de overwegingen van de aangevallen uitspraak, welke hiervoor zijn weergegeven tot de zijne.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

Ook naar 's Raads oordeel heeft het Uwv zich bij zijn schatting van appellants inkomsten kunnen en mogen baseren op de gegevens van de FIOD. Die instantie is daarbij uitgegaan van een door appellant zelf opgestelde staat waaruit duidelijk blijkt dat appellant en [P.] in 1998 samen fl.328.313,- aan gelden van deelnemers aan [naam organisatie] hebben ontvangen, terwijl niet, bijvoorbeeld uit bankafschriften, is gebleken dat zij die gelden hebben afgedragen aan derden.

Appellants stelling dat deze staat slechts is opgemaakt om [A. S.], de man achter het [naam organisatie]systeem, op zijn verplichtingen jegens hem en [P.] te wijzen, is bovendien moeilijk te rijmen met het vertrouwen dat appellant zegt in [S.] te hebben gehad en dat zelfs zodanig groot zou zijn geweest dat hij en [P.], volgens appellants verklaring ter zitting, van genoemde fl. 328.313,- fl. 200.000,- in 1998 in contanten zouden hebben afgedragen aan [S.] zonder enige kwitantie.

Wat betreft de fl. 100.000,- die appellant volgens de FIOD in 1999 aan [naam onderneming] heeft onttrokken heeft appellants zakenpartner [P.] tegenover de FIOD verklaard dat dit als loon moet worden gezien en dat voor appellant hetzelfde gold. Ook appellant heeft op 10 december 2002 tegenover opsporingsfunctionarissen van het Uwv verklaard dat hij in 1999 fl.100.000,- van [naam onderneming] heeft ontvangen. Weliswaar heeft appellant die verklaring niet ondertekend maar de Raad heeft geen reden tot twijfel aan het ambtsedig opgemaakt procesverbaal van 10 december 2002, waarin de opsporingsambtenaren verklaren dat appellant genoemde verklaring tegenover hen heeft afgelegd. Het Uwv heeft op goede gronden geen betekenis gehecht aan het in bezwaar door appellant verstrekte overzicht dat een lager bedrag vermeldt. Dit betreft immers een handgeschreven overzicht dat niet wordt ondersteund door enig bewijsstuk.

Wat betreft het toerekenen van inkomsten aan appellants echtgenote merkt de Raad op dat appellant blijkens het hiervoor genoemde strafvonnis ook is veroordeeld ter zake van het opmaken van een valse verklaring wat betreft het in dienst zijn van zijn echtgenote bij [naam onderneming] en het ontvangen van loon van die onderneming.

De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B.M. Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.B.M. Vermeulen.