Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AZ3432
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3432
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 04/5810 WAO
Datum uitspraak: 28-11-2006
Essentie: Is de toename van de arbeidsongeschiktheid voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten?

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 04/5810 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 september 2004, 04/743 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft van verweer gediend en desgevraagd in verband met de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 e.v.) een nadere toelichting verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2006. Voor appellante is verschenen mr. Grégoire voornoemd. Het Uwv heeft zich, zoals tevoren was bericht, niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is werkzaam geweest als parttime postsorteerster. In september 1992 is zij uitgevallen met nek-, schouder- en rugklachten en na afloop van de wachttijd is haar met ingang van 6 september 1993 een uitkering ingevolge (onder meer) de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke om administratieve redenen aanvankelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 20 juni 1994 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Ingaande 11 december 1994 is appellantes uitkering in het kader van de eerstejaars herbeoordeling herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Per
5 augustus 1998 is appellantes uitkering in het kader van de vijfjaarlijkse herbeoordeling ten slotte herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Op 26 augustus 2003 heeft appellante een aanvraag ingediend tot voortzetting van haar WAO-uitkering. Naar aanleiding hiervan vermeldde de verzekeringsarts H. Bruning in zijn rapportage van 7 oktober 2003 dat appellante op 5 juni 2003 een hartoperatie had ondergaan en dat zij eind september 2003 te horen had gekregen dat zij leed aan longkanker. Bruning achtte aannemelijk dat als gevolg hiervan bij appellante sprake was van een situatie van sterk beperkt persoonlijk en sociaal functioneren. Hij concludeerde dat appellante op dat moment geen duurzaam benutbare mogelijkheden had.

Bij besluit van 7 november 2003 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellantes uitkering te herzien en appellante medegedeeld dat haar uitkering onveranderd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Dit besluit berust op de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 5 juni 2003 weliswaar is toegenomen, maar dat deze toename kennelijk het gevolg is van een andere oorzaak dan die waarvoor appellante uitkering ontving.

Appellante heeft in bezwaar aangevoerd dat het Uwv zich ten onrechte heeft geconcentreerd op de bij haar geconstateerde longkanker en aldus ten onrechte niet is nagegaan of sprake was van toegenomen klachten, voortkomend uit dezelfde oorzaak als die waarvoor zij reeds uitkering ontving.

De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker heeft op 16 februari 2004 rapport uitgebracht. Zij constateerde bij lichamelijk onderzoek een normale functie van de nek, schouders, ellebogen, polsen en handen van appellante en een goede rugfunctie. Volgens haar was de toestand van volledige arbeidsongeschiktheid van appellante evident het gevolg van een andere ziekteoorzaak. Zij gaf aan dat de beperkingen, verband houdende met de oorspronkelijke ziekteoorzaak, een uitvloeisel waren van aspecifieke klachten aan het bewegingsapparaat, zonder abnormale bevindingen bij specialistisch onderzoek. In dat licht bezien kwam het haar voor dat de claim van appellante, dat zij steeds méér klachten ondervond, niet zozeer was terug te voeren op een verergering van de oorspronkelijke problemen; zij ging er vanuit dat het beeld werd vertroebeld door nieuwe klachten uit een nieuwe ziekteoorzaak, bijvoorbeeld de afwijkingen aan de kransslagaders. Jonker zag geen reden om aan te nemen dat de beperkingen ten gevolge van deze ziekteoorzaak op een eerdere datum evident waren toegenomen. Zij heeft vervolgens een Functionele Mogelijkheden Lijst opgesteld, uitsluitend op basis van de klachten ter zake waarvan appellante uitkering ontving.

Blijkens zijn rapport van 7 april 2004 is de bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald daarop nagegaan of de in het verleden voor appellante passend geachte functies ook op de datum in geding aan haar waren voor te houden. Aangezien dit niet het geval was, heeft hij op basis van de FML met behulp van het Claim Beoordeling- en Borgingssysteem opnieuw functies geselecteerd. Na actualisering van het voor appellante geldende maatmanloon stelde hij vast dat vergelijking met de mediane loonwaarde van de geselecteerde functies resulteerde in een verlies aan verdiencapaciteit van 39,94%, zodat appellante naar zijn mening onverminderd bleef ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

Bij besluit van 14 april 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het namens appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand gelaten en het beroep van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat er sprake is van een toename van reeds langer bestaande klachten. Appellante meent dat het Uwv, door vooral de nadruk te leggen op de bij haar geconstateerde longkanker, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Appellante heeft daarnaast te kennen gegeven zich te refereren aan het oordeel van de Raad, wat betreft het antwoord op de vraag of de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering omtrent het passend zijn van de functies voldoet aan de in ’s Raads uitspraken van 9 november 2004 neergelegde eisen.

In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of de toename van de arbeidsongeschiktheid, ter zake van welke toename op zichzelf tussen partijen geen verschil van mening bestaat, kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten. Indien dit het geval is kan de toename van de arbeidsongeschiktheid op grond van het bepaalde in artikel 37, tweede lid, van de WAO, immers niet tot een verhoging van appellantes uitkering leiden.

Ter beantwoording van die vraag ziet de Raad zich daarbij in de eerste plaats gesteld voor de vraag welk moment in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een toekenning van een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, gevolgd door een drietal herzieningen, eerst naar 35 tot 45%, daarna naar 25 tot 35% en ten slotte weer naar 35 tot 45%, van belang is voor de vaststelling welke de oorzaak is in verband waarmee appellante een uitkering ontving. Dienaangaande wijst de Raad op zijn uitspraken van 28 januari 2005, gepubliceerd in RSV 2005/87 en USZ 2005/118, en 17 februari 2006, gepubliceerd in RSV 2006/127. Uit die uitspraken volgt dat vorenbedoeld moment in het onderhavige geval ligt op 20 juni 1994. Op dat moment werd de uitkering van appellante immers voor het eerst berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.

De Raad stelt vast dat uit de gedingstukken niet meer of anders naar voren komt dan dat appellante op 20 juni 1994 klachten aan het bewegingsapparaat ondervond. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat zich toen bij appellante nog geen symptomen hadden geopenbaard die in verband kunnen worden gebracht met de in 2003 bij haar geconstateerde hartklachten en longkanker. Gezien de oorzaak waaruit de arbeidsongeschiktheid is voortgekomen ter zake waarvan appellante sedert 20 juni 1994 uitkering genoot, moet worden gezegd dat de toename van haar arbeidsongeschiktheid, veroorzaakt door hartklachten en longkanker, kennelijk voortkomt uit een andere oorzaak. De Raad verliest daarbij niet uit het oog dat volgens zijn vaste jurisprudentie de formulering van artikel 37 van de WAO, gelet op de daarop door de wetgever gegeven toelichting, ertoe strekt in geval van twijfel over het oorzakelijk verband tussen de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid en de later toegenomen arbeidsongeschiktheid, de balans ten voordele van de betrokkene te doen doorslaan. In het onderhavige geval ziet de Raad evenwel geen aanleiding tot zodanige twijfel.

De vervolgens voorliggende vraag of sprake is van toename van appellantes klachten aan het bewegingsapparaat, beantwoordt de Raad ontkennend. De Raad heeft in de voorhanden zijnde medische gegevens - in het bijzonder de van de zijde van appellante overgelegde verklaring van haar huisarts van 19 november 2004 - onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor het door appellante bepleite standpunt dat ten tijde hier van belang haar klachten aan het bewegingsapparaat waren toegenomen.

Hoewel artikel 37, tweede lid, van de WAO met zich brengt dat de uit de andere oorzaak voortvloeiende beperkingen buiten beschouwing moeten worden gelaten, is daarmee nog niet gezegd dat de arbeidsongeschiktheid van appellante in de hier relevante periode niet is toegenomen. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 11 december 1992, gepubliceerd in RSV 1993/159, - en het Uwv terecht heeft onderkend - zal in dergelijke gevallen ook aandacht moeten worden besteed aan de arbeidskundige component van de schatting, gelet op de omschrijving van het arbeidsongeschiktheidsbegrip in artikel 18 van de WAO.

Wat betreft deze arbeidskundige kant van de in geding zijnde beoordeling, merkt de Raad op dat eerst in hoger beroep - middels een rapport van de arbeidsdeskundige J.J. van der Naald van 13 januari 2005 - een uitvoerige toelichting is gegeven op de belastende factoren in de geduide functies in het licht van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid. Deze toelichting komt de Raad afdoende voor. Gelet op de in rubriek I genoemde uitspraken van de Raad en in aanmerking genomen dat het bestreden besluit is genomen voor 1 juli 2005 ziet de Raad aanleiding het beroep van appellante gegrond te verklaren, het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te vernietigen, maar met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1288,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B.M. Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.B.M. Vermeulen.