Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BB7919
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2007:BB7919
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 05/6955 WAO
Datum uitspraak: 14-11-2007
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Juistheid van het maatmaninkomen. Weliswaar ondervond appellante beperkingen bij het verrichten van arbeid, maar zij wordt met inachtneming van die beperkingen geschikt geacht voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen resulteert volgens het UWV in een verlies aan verdiencapaciteit van 15 tot 25%.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 05/6955 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 november 2005, 04/3056 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 november 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2007. Appellante is, met schriftelijk bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. van der Sande.




II. OVERWEGINGEN


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
“Eiseres is aanvankelijk op 16 september 1985 uitgevallen voor haar werk als administratief medewerkster wegens rugklachten. Tevens kampt eiseres, naar in een later stadium gebleken, met een heupdysplasie. In verband hiermee is zij met ingang van 19 september 1986 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De WAO-uitkering van eiseres werd laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van psychische klachten.”

Bij besluit van 16 april 2004, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 30 september 2004, heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 16 juni 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Dit besluit berust op het standpunt dat appellante op 16 juni 2004, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 15 tot 25%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 30 september 2004 ongegrond verklaard en daartoe overwogen geen aanleiding te zien de door de (bezwaar)verzekeringsarts gestelde medische beperkingen, in het bijzonder de urenbeperking tot (gemiddeld) 30 uur per week, voor onjuist te houden dan wel gebaseerd te achten op een onvoldoende zorgvuldig onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts. Wat betreft de arbeidskundige kant van schatting heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen, met inbegrip van de functie van productiemedewerker met een urenomvang van 30,4 uur per week. Voorts overwoog de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat om de hoogte van het maatmanloon voor onjuist te houden en dat vergelijking hiervan met de resterende verdiencapaciteit leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Hetgeen appellante daartegen in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht en geeft de Raad aanleiding tot de volgende overwegingen.

Dat het appellante ook in hoger beroep niet is gelukt om medische informatie van de behandelende specialisten te verkrijgen laat onverlet dat het Uwv met name in de bezwaarfase over voldoende recente medische informatie, in het bijzonder de brief van 26 augustus 2004 van de assistent orthopedie C.L. de Boer en de orthopedisch chirurg dr. J.W.M. Gardeniers alsmede de brief van 8 september 2004 van de huisarts A. Breekveldt, beschikte om daarop zijn oordeelsvorming te kunnen baseren en dat van een onzorgvuldig medisch onderzoek door het Uwv derhalve geen sprake is.

Met betrekking tot de vraag of een maatmanwisseling aan de orde is kan de Raad zich overigens met het betoog van de bezwaararbeidsdeskundige in hoger beroep, dat ten aanzien van appellante in haar werk bij werkgever GGZ geen sprake is van een niet-gerealiseerde toekomstverwachting of van nieuw verworven bekwaamheden, verenigen. De Raad is dan ook van oordeel dat het maatmaninkomen op de juiste wijze is vastgesteld.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en J.F. Bandringa en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 november 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) M. Gunter.