Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BG3636
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BG3636
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 06/6884 WAO
Datum uitspraak: 29-10-2008
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Het medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig. De subjectieve beleving van klachten is niet beslissend voor de vraag welke beperkingen in objectieve zin zijn vast te stellen. De geduide functies zijn passend.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 06/6884 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 oktober 2006, 05/1646 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 oktober 2008.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2008. Voor appellant is verschenen mr. Dammingh, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Na wegens een hem overkomen dienstongeval te zijn uitgevallen voor zijn werkzaamheden als [naam functie], is appellant met ingang van 11 september 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.3. Bij een op 5 april 2005 verzonden besluit, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 3 november 2005 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv die uitkering met ingang van 6 juni 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe ten aanzien van de medische grondslag overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts inzake de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid, met inbegrip van diens oordeel met betrekking tot het ontbreken van de medische noodzaak van een urenbeperking, in twijfel te trekken. De rechtbank was daarbij van oordeel dat het Uwv de tijd die appellant besteedt aan bestuursactiviteiten, ook al vinden die plaats in de avonduren of in het weekend, terecht in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling van zijn belastbaarheid. De rechtbank heeft voorts de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3. Appellant voert in hoger beroep aan dat hij gelet op zijn pijnklachten slechts beperkt belastbaar is voor arbeid. Appellant wijst er in dit verband op dat hij zijn werkzaamheden in aangepaste vorm heeft hervat. De praktijk heeft daarbij uitgewezen dat hij niet in staat is om meer dan 24 uur per week te werken. Appellant heeft verder aangevoerd dat het door de verzekeringsarts opgetekende dagverhaal summier en onvolledig is en in onvoldoende mate de feitelijke situatie weerspiegelt. Appellant bestrijdt tot slot het oordeel van de rechtbank dat zijn werkzaamheden in verband met zijn bestuursactiviteiten bij de beoordeling van zijn belastbaarheid kunnen worden betrokken.

4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij, evenals de rechtbank, geen aanknopingspunten heeft om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. Uit de omtrent appellant beschikbare medische gegevens valt ook naar het oordeel van de Raad niet af te leiden dat appellant op de datum in geding ernstiger beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. In het bijzonder ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het stellen van een urenbeperking. De Raad merkt nog op dat er van de zijde van appellant geen met concrete gegevens gestaafde argumenten zijn gegeven waarom het door de verzekeringsarts weergegeven dagverhaal geen juiste weergave zou zijn van appellants dagbesteding ten tijde hier in geding. De Raad ziet daarnaast niet in waarom de rechtbank - in navolging van het Uwv - bij de inschatting van de belastbaarheid van appellant niet mede betekenis heeft mogen toekennen aan de door appellant in de avonduren of in het weekend ontplooide bestuursactiviteiten. De Raad tekent bij het voorgaande nog aan dat het dagverhaal zelf enkel en alleen nooit van doorslaggevende betekenis kan zijn voor het aannemen van (volledige) arbeidsongeschiktheid of de noodzaak van een urenbeperking, maar zijn betekenis heeft bij het licht van de overige omtrent een verzekerde bekende gegevens van medische en feitelijke aard. De Raad heeft vastgesteld dat het dagverhaal in het onderhavige geval slechts één van de elementen van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling vormde, die samen met andere gegevens is gewogen. De Raad overweegt voorts dat hij aan het feit dat de poging van appellant om in aangepast werk te hervatten niet volledig is gelukt, niet het gewicht kan toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien. De subjectieve beleving van appellant van zijn klachten is immers niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij hem zijn vast te stellen.

4.2. Ten aanzien van de met de beoordeling van de medische grondslag nauw verweven vraag of de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn, overweegt de Raad ten slotte dat, ervan uitgaande dat de medische beperkingen van appellant juist zijn gewaardeerd, eveneens genoegzaam is komen vast te staan dat de bij de schatting in aanmerking genomen functies voor hem passend zijn te achten. Niet is gebleken dat de belasting in die functies de voor appellant vastgestelde belastbaarheid overschrijdt.

4.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en H. Bedee en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2008.

(get.) J. Riphagen.

(get.) R.L. Rijnen.