Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BG5840
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BG5840
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 07/1442 WAO
Datum uitspraak: 19-11-2008
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Het bestreden besluit berust op een juiste medische en arbeidskundige grondslag. Van de zijde van appellante zijn noch in beroep, noch in hoger beroep medische stukken overgelegd die aanknopingspunten zouden kunnen geven voor een ander oordeel.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/1442 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 januari 2007, 06/2469 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 november 2008.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2008. Appellante en haar gemachtigde zijn, na voorafgaand bericht, niet verschenen.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.




II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6 maart 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschikt van 15 tot 25%.

2. Het namens appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat de rechtbank zich – kort weergegeven – kon verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4. In hoger beroep is aangevoerd dat uit het medisch dossier blijkt dat appellante beperkt is in het gebruik van haar linkerhand (en –arm) en dat ten onrechte in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is gesteld dat er geen beperkingen in het hand- en vingergebruik in het dagelijkse leven zouden bestaan. Rekening houdende met een beperking in het hand- en vingergebruik is appellante niet in staat te achten de functie van machinebediende te verrichten.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen over de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Zowel de bezwaarverzekeringsarts als de bezwaararbeidsdeskundige hebben nog gereageerd op het gestelde in het hoger beroepschrift. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat er bij appellante sprake is van minimale afwijkingen aan de hand, die alleen klachten zouden kunnen geven bij extreme en duurzame handbelasting, hetgeen blijkens de reactie van de bezwaararbeidsdeskundige in de appellante voorgehouden functies niet voorkomt.
Van de zijde van appellante zijn noch in beroep noch in hoger beroep medische stukken overgelegd die aanknopingspunten zouden kunnen geven voor een ander oordeel.

6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 november 2008.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) M.D.F. de Moor.