Vrouwe Justitia

 

 

 


TIP: zoeken binnen deze pagina kan met Ctrl+F

 

LJN BC9799 - Vaststelling dagloon WIA-uitkering. Volgens betrokkene is er ten onrechte geen rekening gehouden met een functiewaardering die in 2005 met terugwerkende kracht is doorgevoerd over 2003. Met het UWV stelt de Raad vast dat betrokkene niet heeft aangetoond dat de in 2005 toegekende loonsverhoging met terugwerkende kracht reeds in de referteperiode van maart 2003 tot en met februari 2004 vorderbaar was. Maar ook indien betrokkene dit wel zou hebben aangetoond, zou daarmee nog niet gegeven zijn dat de loonaanspraak niet inbaar was.

LJN BF8880 - Intrekking WGA-uitkering op het moment waarop de loongerelateerde fase van de uitkering eindigt. Het oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit hield tevens in dat de passendheid van de geduide functies opnieuw beoordeeld diende te worden. In het nader besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak wordt appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht. Alsnog wordt een beperking in verband met kleurenblindheid aangenomen. Voldoende is gemotiveerd waarom geen beperking is aangenomen voor hand- en vingergebruik.

LJN BG1107 - Weigering WIA-uitkering omdat betrokkene ten tijde van de ziekmelding reeds twintig maanden onbetaald verlof genoot zodat zij niet langer verzekerd was. Dat de werkgever kennelijk ten gevolge van die ziekmelding loon bij ziekte is gaan betalen, doet daaraan niet af. Alleen degene die ziek wordt gedurende de eerste achttien maanden van onbetaald verlof heeft recht op toekenning van een WIA-uitkering, indien ook aan de andere voorwaarden is voldaan. De nietigheid van het beding tot een verder dan achttien maanden verleend onbetaald verlof blijkt kennelijk in casu niet jegens de werkgever te zijn ingeroepen.

LJN BG5224 - Appellante heeft geen recht (meer) op ziekengeld omdat zij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid. De aanvraag voor WIA-uitkering is afgewezen omdat zij alleen voor WIA-uitkering in aanmerking komt als zij door ziekte 104 weken haar werk niet (of niet volledig) kon doen, hetgeen bij haar niet het geval is omdat zij in kader ZW hersteld is gemeld. Er is sprake van voldoende medische grondslag. Terechte weigering van (verdere) ZW-uitkering. Nu appellante niet gedurende 104 weken arbeidsongeschikt is geweest en zij daarmee de wachttijd als bedoeld in artikel 23 van de Wet WIA niet heeft volbracht, heeft het UWV eveneens op goede gronden een WIA-uitkering geweigerd.

LJN BG5995 - Weigering WIA-uitkering. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag de opvatting van het UWV dat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA en evenmin gedeeltelijk arbeidsgeschikt is als bedoeld in artikel 5 van de Wet WIA, omdat appellant met arbeid meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen. De opvatting dat geen schatting van zijn arbeidsongeschiktheid kan plaatsvinden zolang geen sprake is van een stabiele medische situatie vindt geen grondslag in de wet. Er is op voldoende wijze toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt zijn. Er is sprake van juiste vaststelling van de beperkingen. Niet aannemelijk is gemaakt dat appellant niet in staat is om acht uur per dag werkzaamheden te verrichten. Niet gebleken is dat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies belastingen voorkomen die de mogelijkheden van appellant te boven gaan.

LJN BG6554 - Toekenning WGA-uitkering gebaseerd op een vrijwillige verzekering. Betrokkene wordt aangemerkt als DGA van de vennootschap. Het bezwaar van de vennootschap is niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. In verband met de familieverhoudingen wordt de arbeidsverhouding niet aangemerkt als dienstbetrekking, zodat de vennootschap niet als werkgever van betrokkene kan worden aangemerkt. De vennootschap heeft niet uit anderen hoofde dan werkgeverschap een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang.

LJN BG7027 - Weigering WIA-uitkering. Anders dan de rechtbank ziet de Raad geen reden om het advies van de (bezwaar)verzekeringsarts dat voor een duurbeperking geen medische gronden bestaan zolang de arbeid volgens de in de Arbeidstijdenwet voorgeschreven werktijden en pauzes wordt verricht, voor onjuist te houden. De Raad onderschrijft de opvatting van appellant dat van de geduide functies mag worden verondersteld dat daarbij de Arbeidstijdenwet in acht wordt genomen. De geschiktheid van de geselecteerde functies is voldoende toegelicht.

LJN BG8452 - Weigering WIA-uitkering onder de overweging dat appellant per einde wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De beperkingen zijn juist vastgesteld. Er is voldoende rekening gehouden met de psychische beperkingen. Er zijn geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek.

LJN BG8453 - Terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten op de WIA-uitkering. Alleen de terugvordering is in geding. Er bestaan geen dringende redenen om af te zien van terugvordering.

LJN BG9690 - Weigering WIA-uitkering. Onderzoek naar de vraag of de aan de maatmanarbeid van appellant soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers voorhanden is, wordt door het UWV zelf gedaan. De Raad ziet, uitgaande van de vaststaande functionele mogelijkheden van appellant en in het licht van de tot de gedingstukken behorende omschrijving van de maatgevende arbeid, in de rapportages genoegzaam gemotiveerd dat de belasting in de maatgevende arbeid de mogelijkheden van appellant niet overschrijdt. Ook de Raad ziet geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

LJN BG9709 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant met arbeid meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen. De slaapstoornis is bij de medische beoordeling betrokken. Er is geen medische onderbouwing voor het standpunt dat de slaapstoornis het verrichten van avondwerk onmogelijk maakt.

LJN BH0058 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig. De beperkingen zijn niet onderschat. De verzekeringsarts mag in beginsel varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet, welke een beduidend effect zal hebben. Aan de rapporten van het Instituut Psychosofia kan niet die betekenis worden toegekend die appellant daaraan toegekend wenst te zien.

LJN BH1038 - Weigering WIA-uitkering. De primaire arts is niet geregistreerd als verzekeringsarts. De rechtbank is buiten de omvang van het geding getreden nu betrokkene dit punt niet aan de orde heeft gesteld noch geacht kan worden aan de orde te hebben willen stellen, terwijl dit punt niet geacht kan worden van openbare orde te zijn. Er is geen aanleiding het aspect dat het primaire medische onderzoek niet door een verzekeringsarts is gedaan ambtshalve te beoordelen. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

LJN BH1650 - Dagloonvaststelling IVA-uitkering. Uitgangspunt is het loon dat de verzekerde volgens opgave van zijn werkgever daadwerkelijk heeft genoten in de voor hem van toepassing zijnde referteperiode. Terecht is de na het refertejaar nabetaalde straaltoeslag buiten de berekening gelaten. Er is geen sprake van loon dat in het refertejaar vorderbaar maar tevens niet-inbaar is geworden.

LJN BH2844 - Weigering WIA-uitkering. Het UWV heeft terecht het uitkeringsrecht van appellant beoordeeld op grond van de Wet WIA en niet de WAO. Voor de Raad staat vast dat appellant ook op de datum in geding, toen zijn verzekering door indiensttreding bij zijn werkgever wederom aanving, reeds volledig arbeidsongeschikt was.

LJN BH4581 - Weigering WIA-uitkering omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Had heropening van de eerder ingetrokken WAO-uitkering overwogen moeten worden? De Raad acht geen beletsel aanwezig om bij de beoordeling van een WIA-aanvraag te betrekken of wellicht zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 43a van de WAO, in welk geval de verzekerde aanspraak maakt op heropening van de aan hem eerder toegekende WAO-uitkering. Het UWV heeft niet onderkend dat de WAO-uitkering was ingetrokken wegens geschiktheid voor eigen werk en dit aspect ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling of artikel 43a van de WAO van toepassing was. Vernietiging van het bestreden besluit wegens ondeugdelijke motivering.

LJN BH5259 - Weigering WIA-uitkering omdat appelante geschikt is voor haar eigen voltijdse werk. Onvoldoende is komen vast te staan dat het UWV terecht geen tijdelijke urenbeperking heeft aangenomen in verband met verminderde beschikbaarheid gedurende de behandeling bij het Spine and Joint Centre en de zelfstandige training daarna. Hierdoor is de medische grondslag van het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig onderbouwd.

LJN BH6106 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV heeft uiteindelijk in hoger beroep toereikend gemotiveerd waarom appellante de voorgehouden functies kan vervullen. Appellante kan een zodanig inkomen verwerven dat een loonverlies van ongeveer 51% resteert. Het UWV heeft terecht een WGA-uitkering toegekend en geen IVA-uitkering.

LJN BH6155 - Weigering WIA-uitkering. Het bestreden besluit berust op voldoende medische en arbeidskundige grondslag, de juiste vaststelling van de medische beperkingen en er is voldoende toegelicht dat de belasting in de geselecteerde functies blijft binnen de mogelijkheden van appellant. De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat het ontbreken van een re-integratieverslag zou moeten leiden tot toekenning van een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten wordt met ingang van 6 maart 2006 bij de beoordeling van lage rugpijn gebruikgemaakt van het Verzekeringsgeneeskundig protocol aspecifieke lage rugpijn als hulpmiddel bij de beoordeling van een aanvraag van, onder andere, een WIA-uitkering die na die datum wordt ontvangen. Dat betekent dat de vraag of de verzekeringsarts bij het ontbreken van het re-integratieverslag zijn verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd op een wijze die door het protocol wordt beoogd in het geval van appellant niet beantwoord hoeft te worden.

LJN BH6366 - Afwijzing aanvraag additionele voorziening voor elf doventolkuren per week. Reeds toegekend zijn vijf uren per week. Het beleid om in incidentele gevallen te kunnen afwijken, is geen beleidsregel, maar een bestendige gedragslijn. De door appellante uitgeoefende leidinggevende functie moet voor haar - in het licht van de toepassing van het beleid - niet passend worden geacht nu zij voor meer dan 40% van de werktijd een beroep moet doen op ondersteuning door een doventolk. In een passende functie moet in beginsel kunnen worden volstaan met 15% doventolkuren. In geding is de vraag of sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard indien appellante een additionele voorziening voor doventolkuren wordt onthouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en vernietigt het bestreden besluit. Het UWV dient een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Daarbij mag in het kader van de in artikel 7, vierde lid, van het Reïntegratiebesluit bedoelde discretionaire bevoegdheid betekenis toekomen aan de vraag of en in hoeverre de functie van appellante gedeeltelijk kan worden aangepast en of en in hoeverre van de werkgever mag worden gevergd dat hij een deel van de kosten van de doventolkuren voor zijn rekening neemt.

LJN BH6434 - Weigering WIA-uitkering. De Raad is van oordeel dat in twee van de drie geduide functies het niveau waarop en de mate waarin de betrokkene Nederlands moet kunnen lezen en schrijven zeer basaal is en vermag dan ook onder de in dit geval gegeven omstandigheden niet in te zien dat betrokkene op dit punt niet in staat kan worden geacht tot het vervullen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Het hoger beroep van het UWV slaagt.

LJN BI0092 - Weigering WIA-uitkering. Er zijn geen nadere gegevens in geding gebracht die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat appellant zwaarder of meer beperkt zou zijn dan door de (bezwaar)verzekeringsartsen is aangenomen. Eerst in hoger beroep is een arbeidskundige toelichting gegeven die voldoet aan de eisen van helderheid, toetsbaarheid en verifieerbaarheid. Instandlating van de rechtsgevolgen.

LJN BI0279 - Weigering WIA-uitkering. Appellante wordt geacht op basaal niveau te kunnen rekenen, lezen en schrijven. In de gedingstukken is de Raad niet gebleken van aanknopingspunten voor het tegendeel, met name niet dat appellante niet of nauwelijks kan lezen. In twee van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies worden in het geheel geen eisen gesteld aan rekenen, lezen en schrijven.

LJN BI0851 - Toekenning WGA-uitkering. De bezwaarverzekeringsarts is in zijn rapporten niet kenbaar ingegaan op de vraag of de FML de medische beperkingen van betrokkene juist weergeeft. Hoewel naar het oordeel van de Raad een expliciete beantwoording van deze vraag voor de hand had gelegen, kan de Raad het nader ter zitting van de Raad ingenomen standpunt van het UWV wel volgen. De Raad kan zich derhalve niet verenigen met het hierover gegeven oordeel van de rechtbank. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van betrokkene dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

LJN BI1281 - Maximering vergoeding van hoortoestellen. Het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Reïntegratiebesluit brengt mee dat aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval zal moeten worden beoordeeld of met de maximale vergoeding een niet alleen goedkoopste, maar ook adequate voorziening kan worden verleend. Nu appellant gemotiveerd heeft aangegeven dat twee Opticon hoortoestellen in zijn specifieke situatie noodzakelijk zijn, kan het UWV niet zonder nadere motivering volstaan met de toekenning van een gemaximeerd bedrag van €1400,-.

LJN BI1787 - Alsnog toekenning WGA-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Het toegekende voorschot wordt niet teruggevorderd. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juistheid van de conclusies ervan. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad verder van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. Nu eerst in de fase van hoger beroep een adequate toelichting is gegeven op de in de aan de schatting ten grondslag liggende functies voorkomende belasting in relatie tot de beperkingen van appellant, dienen zowel de aangevallen uitspraak als het bestreden besluit te worden vernietigd. Instandlating van de rechtsgevolgen.

LJN BI2271 - De kosten van de door Instituut Psychosofia uitgebrachte rapporten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Voor vergoeding van de kosten van de rapportage van de psychiater is terecht aansluiting gezocht bij het Besluit tarieven in strafzaken op basis van het forfaitaire uurtarief; er is geen ruimte voor een hogere vergoeding. Het nieuwe besluit valt buiten de omvang van het thans aanhangige geding.

LJN BI3545 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 60%. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat onvoldoende passende functies resteerden. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is een nieuw besluit genomen, met nadere arbeidskundige onderbouwing en met voldoende medische grondslag. Met de nadere motivering is een voldoende inzichtelijke en naar zijn inhoud bezien ook deugdelijke onderbouwing gegeven waarom de functie productiemedewerker textiel, ook in het licht van de voor appellant geldende beperking op het punt van het aangewezen zijn op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, voor hem geschikt is te achten.

LJN BI3730 - Weigering WIA-uitkering. De Raad kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit gebaseerd is op onzorgvuldig medisch onderzoek en een onjuist medisch oordeel. De Raad is van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is te achten. De mate van arbeidsongeschiktheid is terecht vastgesteld op minder dan 35%. Instandlating van de rechtsgevolgen.

LJN BI4671 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is zorgvuldig en volledig geweest. Er is geen sprake van onderschatting van de beperkingen of overschrijding van de belastbaarheid in de andere aan appellante voorgehouden functies. De in hoger beroep door appellante ingebrachte medische informatie afkomstig van PsyQ brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

LJN BI5270 - Moet de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant geacht worden duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering? Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. De Raad oordeelt dat in de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen geen steun is te vinden voor het standpunt dat er een redelijke verwachting was dat met een juiste behandeling verbetering van de belastbaarheid zal optreden. Een deugdelijke psychiatrische onderbouwing, bijvoorbeeld met gegevens van de behandelend sector, ontbreekt. Er is geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms. Het bestreden besluit ontbeert een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering.

LJN BI7710 - Weigering WIA-uitkering. De Raad ziet in de voorhanden zijnde medische gegevens onvoldoende steun voor de stelling van appellant dat zijn belastbaarheid is overschat. Uit de voorhanden zijnde medische gegevens blijkt niet dat de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum door het UWV niet juist is vastgesteld en dat de in de fase van het hoger beroep ontvangen specialistenberichten van de behandelend neuroloog van appellant onvoldoende grond opleveren voor een andersluidend oordeel ten aanzien van de datum in geding. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft, acht de Raad met de rechtbank voldoende onderbouwd en inzichtelijk gemaakt dat de aan appellant geduide functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn.

LJN BI9085 - Weigering WIA-uitkering. Het bestreden besluit berust op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Met betrekking tot de opleiding vereist voor de functie verkoper groothandel verwijst de Raad naar hetgeen de bezwaararbeidsdeskundige daarover heeft gesteld in zijn rapportage, waarin de Raad zich kan vinden. De omstandigheid dat appellante in het kader van de bijstandverlening in april 2008 onvoldoende belastbaar wordt geacht voor algemeen geaccepteerde arbeid doet aan het vorenstaande niet af. Dit reeds omdat deze opvatting niet ziet op de in deze procedure aan de orde zijnde datum van 5 januari 2006.

LJN BI9468 - Weigering WIA-uitkering. De Raad is van oordeel dat op grond van de beschikbare medische gegevens, waaronder de inlichtingen van de behandelende sector, niet gebleken is dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De Raad is van oordeel dat het UWV op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank en thans een gemotiveerde berekening heeft gegeven van het reële verlies aan verdiencapaciteit. Dit leidt niet tot een andere uitkomst. Aangezien appellant in dit verband geen grieven naar voren heeft gebracht, dient het nadere besluit in stand te worden gelaten.

LJN BJ1629 - Toekenning WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Zonder nadere motivering van appellant valt niet uit te sluiten dat het ziekteverzuim van betrokkene in verband met jichtaanvallen meer dan 25% van de werktijd zal bedragen, in welk geval van een werkgever niet valt te vergen dat hij betrokkene te werk stelt. Appellant zal nader onderzoek moeten doen naar de frequentie en de duur van de jichtaanvallen. De enkele stelling van de bezwaarverzekeringsarts dat de aanvallen geen weken duren, is naar het oordeel van de Raad onvoldoende om aan te nemen dat er geen sprake is van onacceptabel ziekteverzuim.

LJN BJ2218 - Toekenning WGA-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Net als de rechtbank ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Anders dan appellant ziet de Raad in de gegevens van de huisarts en de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het UWV meer beperkingen had moeten neerleggen in de FML. Appellant kan niet worden gevolgd in het standpunt dat het UWV een beperking had moeten aannemen wat betreft het spreken van de Nederlandse taal en autorijden. De bezwaararbeidsdeskundige heeft terecht aangenomen dat appellant over opleidingsniveau 2 beschikt en dat hij in staat moet worden geacht om pakinstructies en adressen te kunnen lezen, zoals vereist in de functies.

LJN BJ3190 - Weigering WIA-uitkering. Het bestreden besluit is gebaseerd op voldoende medische grondslag. Volgens vaste rechtspraak van de Raad mag de weigering van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, anders dan een intrekking of een herziening van zo'n uitkering, nader worden onderbouwd door duiding van nieuwe functies, hetgeen in beginsel niet in strijd is met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel. Dat appellant met zijn beperkingen in staat moet worden geacht de geduide functies uit te oefenen, is voldoende gemotiveerd.

LJN BJ3194 - Toekenning vergoeding wettelijke rente over de nabetaalde uitkering. De Raad stelt vast dat met de nieuwe beslissing op bezwaar is erkend dat het oorspronkelijke besluit niet juist was. Er is geen sprake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens te lange duur van de procedure wordt dan ook afgewezen.

LJN BJ3647 - Toekenning WGA-uitkering met een dagloon van €69,74. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het UWV terecht, bij gebreke aan andere gegevens, bij de berekening van het dagloon is uitgegaan van het door appellant feitelijk gedurende de laatste twaalf maanden van zijn dienstverband ontvangen loon. Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk kunnen maken dat er met de werkgever een nettoloonafspraak was gemaakt. Het UWV mocht ervan uitgaan dat in dit geval het uitbetaalde loon het brutoloon is.

LJN BJ4936 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische beoordeling onderschreven. De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat naar het oordeel van de rechtbank gelet op de linkshandigheid van appellant de geschiktheid van de functies onvoldoende is toegelicht. Ter uitvoering van deze uitspraak is een nieuw gelijkluidend besluit genomen. Gezien de medische gegevens van de behandelend artsen en het uitblijven van een reactie daarop van de bezwaararts, is de Raad van oordeel dat er geen sprake is van een deugdelijke medische grondslag.

LJN BJ5219 - Weigering WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 35% bedraagt. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens ondeugdelijke arbeidskundige grondslag. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het UWV met een nadere arbeidskundige onderbouwing een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij opnieuw WIA-uitkering wordt geweigerd. Er is sprake van voldoende medische grondslag. Met de nadere arbeidskundige onderbouwing is voldoende inzichtelijk en toetsbaar dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt kunnen worden geacht.

LJN BJ5266 - Toekenning WGA-uitkering ingevolge artikel 54 van de WIA berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. In geding is de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant moet worden geacht duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. De verzekeringsarts dient zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. De Raad is van oordeel dat in de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende steun is te vinden voor het standpunt van het UWV dat er een redelijke verwachting was dat met de verschillende mogelijke behandelingen verbetering van de belastbaarheid zou optreden. Het bestreden besluit ontbeert een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering.

LJN BJ5425 - Herroeping loonsanctie op de grond dat niet is komen vast te staan dat de werkgever niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of al dan niet sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. De omstandigheid dat het UWV ambtshalve een loonsanctie oplegt aan de werkgever, maar deze loonsanctie na bezwaar van de werkgever herroept bij een besluit op bezwaar, doet niet af aan het besluitkarakter. Bij een dergelijk besluit op bezwaar is de werknemer belanghebbende. In een geval als dit, waarin appellant stelt dat zijn werkgever tekort is geschoten in zijn re-integratie-inspanningen en dat daarom een loonsanctie moet worden opgelegd, is het aan appellant om feiten naar voren te brengen die voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de werkgever niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht en voor het oordeel dat het UWV daarom een loonsanctie had moeten opleggen of handhaven.

LJN BJ5945 - Weigering WIA-uitkering. Terugvordering van onverschuldigd betaalde WIA-uitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het UWV kan worden gevolgd in het standpunt dat appellante niet arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Op overtuigende wijze is uiteengezet dat er bij appellante geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld en dat er geen objectiveerbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek kunnen worden aangenomen. Er is geen sprake van dringende redenen.

LJN BJ7039 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het UWV bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant zijn beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek heeft onderschat. Het enkele feit dat de bedrijfsarts, zoals appellant heeft gesteld, in de (kritische) FML aanzienlijk meer beperkingen heeft aangenomen dan in de door de (bezwaar)verzekeringsarts opgestelde FML, leidt de Raad niet tot het oordeel dat de FML door het UWV onjuist is vastgesteld. Nu het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een toereikende onderbouwing is voorzien, bestaat er aanleiding dat besluit en de aangevallen uitspraak te vernietigen, zij het onder instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

LJN BJ9226 - Toekenning WGA-uitkering. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de schatting op een juiste medische en arbeidskundige grondslag rust. Appellante heeft belang bij een toetsing in rechte van de inkomenseis als bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA. Aan de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige ontleent de Raad dat de voor de praktische schatting gehanteerde resterende verdiencapaciteit van appellante is bepaald op €10,79 per uur. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden dit onjuist te achten. De inkomenseis op de dag dat voor appellante een recht op WGA-uitkering is ontstaan, dient daarom vastgesteld te worden op €5,40 per uur.

LJN BJ9232 - Weigering WIA-uitkering. De Raad kan appellant niet volgen in de stelling dat de psychische klachten en de klachten als gevolg van de artrose niet op een juiste wijze zijn neergelegd in de FML. De stelling van appellant dat hij in verband met hartklachten, bloeddrukproblemen en het gebruik van medicatie verdergaand beperkt moet worden geacht voor arbeid vindt naar het oordeel van de Raad geen bevestiging in de stukken. Uitgaande van de juistheid van de FML en gelet op het feit dat de signaleringen bij de geselecteerde functies door bezwaararbeidsdeskundige van een toelichting zijn voorzien, heeft de Raad geen aanwijzingen dat appellant niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen.

LJN BJ9758 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Uitgaande van de juistheid van de belastbaarheid in de FML is de Raad van oordeel dat de geduide functies, gelet op de daaraan verbonden aspecten, in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt. Voor de vaststelling van de maatman wordt niet meer als uitgangspunt de laatstelijk verrichte arbeid genomen, maar de langdurige werkloze, met als inkomen het wettelijk minimumloon.

LJN BK0043 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant met inachtneming van de voor hem geldende medische beperkingen in staat is te achten tot het verrichten van zijn maatgevende arbeid van godsdienstleraar. De door de rechtbank als deskundige geraadpleegde orthopedisch chirurg heeft zich volledig kunnen vinden in de vaststelling van de belastbaarheid van appellant, als neergelegd in de FML. Voorts heeft deze deskundige appellant vanuit medisch oogpunt volledig geschikt geacht voor het eigen werk. Er is geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de deskundige.

LJN BK0052 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De Raad overweegt daartoe met betrekking tot de door appellant geclaimde psychische klachten dat de Raad zich kan vinden in het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Met betrekking tot de grief van appellant dat een urenbeperking geïndiceerd is, overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts zich op het standpunt heeft gesteld dat bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant rekening is gehouden met de pijnklachten van appellant aan zijn linkervoet en linkerenkel en dat uit de overgelegde medische stukken niet blijkt dat de behandelend sector heeft vastgesteld dat er tevens sprake is van een chronisch pijnsyndroom. De bezwaarverzekeringsarts heeft betoogd dat er uit preventieve overwegingen evenmin een indicatie is om een urenrestrictie toe te passen. De Raad ziet geen aanleiding een deskundige te benoemen. De aan appellant voorgehouden functies gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten dienen voor appellant in medisch opzicht als passend te worden aangemerkt.

LJN BK0548 - Weigering WIA-uitkering. Het bestreden besluit berust op voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad overweegt in de eerste plaats dat er geen aanknopingspunten zijn om het door de verzekeringsartsen ingestelde medische onderzoek niet voldoende uitgebreid of anderszins onzorgvuldig te achten. Aan de Raad is niet kunnen blijken van objectief-medische aanknopingspunten voor de eigen opvatting van appellant dat zijn beperkingen dusdoende zijn onderschat. Met name ook ontbreekt een objectief-medische grond voor het aannemen van meer beperkingen op het gebied van zitten, staan en lopen, zoals appellant voorstaat. Ook ten aanzien van de gestelde duizeligheidsklachten geldt dat deze niet aan de hand van medische stukken zijn onderbouwd. Ten slotte acht de Raad genoegzaam aannemelijk dat appellant op de datum in geding in staat was om de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.

LJN BK0908 - Toekenning WGA-uitkering. Het bestreden besluit berust op een juiste medische grondslag. In verband met de verminderde psychische draagkracht van appellante zijn aanzienlijke beperkingen aangenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren en een urenbeperking, welke de Raad niet onjuist voorkomen. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad is te weinig geconcretiseerd om aanleiding te geven tot twijfel over de vraag of de in de geduide functies beschreven nekbelasting overeenkomt met de werkelijkheid.

LJN BK0956 - Weigering WIA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op minder dan 35%. De Raad is van oordeel dat de deskundige op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het in de vaste jurisprudentie besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De Raad is van oordeel dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust. De geschiktheid van appellant voor de aan schatting ten grondslag gelegde functies is in voldoende mate komen vast te staan.

LJN BK0978 - Weigering WIA-uitkering. Alle door het systeem aangebrachte signaleringen dienen van een afzonderlijke toelichting te worden voorzien, waarbij in voorkomende gevallen voorafgaand overleg met de bezwaarverzekeringsarts noodzakelijk zal zijn. Uit de in hoger beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige blijkt dat beperkingen zijn opgenomen die niet in de aan de schatting ten grondslag gelegde FML voorkomen. Nu het UWV geen aangepaste FML heeft opgesteld en evenmin per geselecteerde functie een toelichting heeft gegeven op de passendheid daarvan, is de Raad van oordeel dat de gekozen werkwijze inbreuk maakt op een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid van een met behulp van het CBBS tot stand gekomen besluit. Het bestreden besluit wordt vernietigd (zie ook LJN BK0979).

LJN BK1008 - Weigering WIA-uitkering. Naar aanleiding van het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige is de FML aangepast. De belasting van de geselecteerde functies gaat de belastbaarheid van appellante niet te boven en zij moet in staat worden geacht deze functies te vervullen.

LJN BK1570 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De Raad overweegt dat de stukken onvoldoende steun bieden voor de stelling van het UWV dat appellante slechts heeft volstaan met het signaleren van belemmeringen. Uit de stukken blijkt dat appellante, nadat was gebleken dat re-integratie bij appellante niet mogelijk was, re-integratie-inspanningen heeft verricht gericht op het tweede spoor (andere werkgever), waarbij ook suggesties voor een aanpak zijn gedaan.

LJN BK2100 - Geen verdergaande medische urenbeperking vanwege de HIV-status van appellant. Het Verzekeringsgeneeskundig protocol angststoornissen was ten tijde in geding nog niet van toepassing. Dat appellant op grond van de bij hem vastgestelde posttraumatische stressstoornis verdergaand beperkt zou zijn, met name bij de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, is in het verweerschrift en het daarbij gevoegde rapport van de bezwaarverzekeringsarts voldoende weersproken. Ook de Raad stelt vast dat de psychiater zich volledig kan verenigen met de FML en dat daarbij expliciet is ingegaan op de genoemde rubrieken.

LJN BK3542 - Vaststelling dagloon WIA-uitkering. Nu met het nieuwe besluit niet geheel aan het beroep van appellant is tegemoetgekomen, dient de Raad dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in deze procedure te betrekken en te beoordelen.

LJN BK3704 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Op basis van de stukken van de arbeidsdeskundige en de bedrijfsarts had het voor appellante genoegzaam duidelijk kunnen zijn dat inspanningen in het kader van werkhervatting in het tweede spoor (andere werkgever) hadden dienen te worden verricht. De verantwoordelijkheid voor de re-integratie is bij appellante gelegen. Appellante heeft als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht.

LJN BK3708 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Gelet op de bevindingen van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts heeft werkgeefster niet kunnen volstaan met inspanningen gericht op re-integratie in het eigen bedrijf. Terecht heeft de bezwaararbeidsdeskundige erop gewezen dat werknemer en werkgever samen zowel de interne als de externe arbeidsmogelijkheden dienen te onderzoeken. Het aantal werkuren en de reistijd is in dit geval geen reden is om af te zien van re-integratie, terwijl het aan werkgeefster is een keuze te maken ten aanzien van concrete re-integratieactiviteiten en de daarmee gepaard gaande kosten. De stelling van werkgeefster die erop neerkomt dat de loonsanctie een bestraffend karakter heeft omdat deze haar financieel onevenredig zwaar zou belasten, verwerpt de Raad.

LJN BK3713 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Op basis van diverse medische stukken had het voor betrokkene (werkgeefster) genoegzaam duidelijk kunnen zijn dat inspanningen in het kader van werkhervatting in het tweede spoor (andere werkgever) hadden dienen te worden verricht nu daaruit niet kan worden afgeleid dat bij werkneemster geen sprake was van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. De Raad onderschrijft het standpunt van het UWV dat betrokkene voor haar tekortkomingen geen deugdelijke grond had en dat voldoende is komen vast te staan dat werkneemster over benutbare mogelijkheden tot werken bij een andere werkgever beschikte. De verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer impliceert verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde diensten door ingeschakelde deskundigen, zoals de arbodienst. De grief van werkgeefster dat zij redelijkerwijs mocht vertrouwen op het oordeel van haar eigen deskundige kan dan ook niet slagen. Werkgeefster heeft zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht en het besluit tot oplegging van de loonsanctie kan mitsdien in rechte standhouden.

LJN BK4083 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bestreden besluit berust op zorgvuldig medisch onderzoek. Met de in bezwaar aangepaste FML is in voldoende mate rekening gehouden met de belastbaarheid van appellant. De Wsw-indicatie en de daaraan ten grondslagliggende stukken vormen geen aanleiding om de belastbaarheid bij te stellen. Appellant is terecht geschikt bevonden voor de geduide functies.

LJN BK4086 - Weigering WIA-uitkering. De Raad ziet in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen grond om de beperkingen, zoals die in de FML zijn neergelegd, onjuist te achten. In de FML zijn diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken "Dynamische handelingen" en "Statische houdingen". Het gaat daarbij onder andere om beperkingen ten aanzien van het hand- en vingergebruik, tillen en dragen, het hanteren van zware lasten, lopen, traplopen, klimmen, staan en knielen of hurken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsartsen de medische beperkingen op de juiste wijze hebben vastgesteld en dat de belasting in de voorgehouden functies daarmee in overeenstemming is.

LJN BK4088 - Toekenning WGA-uitkering en geen IVA-uitkering omdat appellante niet duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van artikel 4 van de Wet WIA wordt geacht. De deskundige geeft een heldere en overtuigend onderbouwde inschatting van de kans op herstel op basis van de te verwachten concrete resultaten bij het ondergaan van een voor appellante toegankelijke medische behandeling. Er is geen reden waarom de rechtbank dit oordeel van haar deskundige niet kon volgen. De rechtbank heeft aan dat oordeel de juiste conclusie verbonden wat betreft het ontbreken van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van appellante.

LJN BK5635 - Procesbelang. De in geding zijnde re-integratievisie is naar het oordeel van de Raad op rechtsgevolg gericht, zodat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat deze niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat betrokkene niet kan worden ontvangen in zijn bezwaar. Terechte afwijzing IVA-uitkering.

LJN BK5721 - Vaststelling dagloon WGA-uitkering. Het UWV heeft terecht uitsluitend het belaste deel van de vakantiebonnen bij de berekening van het dagloon meegenomen, zulks in overeenstemming met artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen.

LJN BK5969 - Vaststelling dagloon WGA-uitkering. Het UWV heeft terecht uitsluitend het belaste deel van de vakantiebonnen bij de berekening van het dagloon meegenomen, zulks in overeenstemming met artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen.

LJN BK6380 - Toekenning WGA-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45 tot 55%. Juiste vaststelling van de FML. Aan het begrip ADL-afhankelijk wordt een strikte betekenis toegekend. Iemand is ADL-afhankelijk als hij bijvoorbeeld niet zelfstandig kan eten, drinken en zich kan wassen en aankleden. Van een dergelijke situatie is bij appellante geen sprake. De Raad onderschrijft het oordeel van het UWV en van de rechtbank dat van een situatie van "geen duurzaam benutbare mogelijkheden" geen sprake is. Appellante heeft met de voor haar geldende beperkingen nog benutbare mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Daarom is aan haar op goede gronden een WGA-uitkering toegekend en geen IVA-uitkering.

LJN BK6471 - Weigering WIA-uitkering. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht de door haar ingeschakelde deskundige heeft gevolgd. Er is geen reden om aan te nemen dat er gebreken kleven aan het onderzoek of de conclusies die uit het onderzoek voortkomen. De Raad is daarnaast van oordeel dat de rechtbank terecht geen deskundige op het gebied van fibromyalgie heeft benoemd. De Raad overweegt dat de bedrijfsarts niet kenbaar heeft gemaakt waar zij haar conclusies in de FML op baseert. Het is niet de specifieke taak en deskundigheid van een bedrijfsarts (zoals die dat wel is voor een verzekeringsarts) om een dergelijke lijst in te vullen.

LJN BK6474 - Toekenning WGA-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,81%. Het bestreden besluit berust op zorgvuldig medisch onderzoek. Met betrekking tot de voor appellante geschikt geachte, aan de schatting ten grondslag gelegde functies van boekhouder, productiemedewerker textiel en administratief medewerker overweegt de Raad dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. Door een toelichting op de onderbouwing van het bestreden besluit te vragen is de rechtbank niet buiten de omvang van het geding getreden.

LJN BK6484 - Weigering WIA-uitkering. Er is geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de door de Raad ingeschakelde onafhankelijke deskundige. Uit het rapport van deze deskundige volgt dat de beperkingen van appellante zoals neergelegd in de FML niet juist zijn, zodat het bestreden dient te worden vernietigd.

LJN BK7015 - Toekenning WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. De Raad heeft geen twijfel over de juistheid van de door het UWV vastgestelde medische beperkingen en is er geen aanleiding voor nader deskundigenonderzoek. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

LJN BK7027 - Toekenning WGA-uitkering met ingang van 8 mei 2006 en vanaf 8 november 2007 toekenning van een WGA-loonaanvullingsuitkering. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportages, waarbij zij is ingegaan op de aard van appellantes beperkingen en de door appellante gevolgde behandelingen, een voldoende concrete en individuele onderbouwing gegeven van de verwachting (ten tijde van de onderhavige beoordelingen) dat er in het eerstkomende jaar een meer dan geringe kans op herstel van de functionele mogelijkheden van appellante bestond.

LJN BK7033 - Weigering WIA-uitkering. Het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts over de belastbaarheid van betrokkene op het aspect boven schouderhoogte werken is duidelijk en door deze arts, na daarop te zijn bevraagd, herhaald. Gelet hierop ziet de Raad geen ruimte aanwezig om daarvan af te wijken. De door appellant ter zitting aangevoerde stelling dat in de functie van parkeercontroleur niet per definitie boven schouderhoogte hoeft te worden gewerkt, is niet in overeenstemming met de functiebelasting en acht de Raad eveneens een ontoelaatbare relativering achteraf van de functiebelasting. Er dient een nieuw besluit op bezwaar te worden genomen.

LJN BK7036 - Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens het ontbreken van enig procesbelang. De Raad constateert dat appellant niet betwist dat hij in deze procedure het maximaal haalbare resultaat, zijnde een IVA-uitkering per de datum in geding, heeft bereikt.

LJN BK8324 - Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van appellante. Voor de Raad is komen vast te staan dat appellante geen actueel procesbelang heeft bij een oordeel van de Raad over het bestreden besluit. Appellante kan niet worden ontvangen in haar beroep. Dit is door de rechtbank niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

LJN BK8722 - Besluit 1 (WIA-uitkering): De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functie van productiemedewerker niet in overeenstemming is met de belastbaarheid van betrokkene, zoals vastgesteld in de aangepaste FML. Daarmee resteren er onvoldoende functies om aan de schatting ten grondslag te leggen en heeft de rechtbank het bestreden besluit 1 terecht vernietigd. Besluit 2 (ZW-uitkering): Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van bestreden besluit 1 is overwogen, is de Raad van oordeel dat aan bestreden besluit 2 eveneens de grondslag is komen te ontvallen. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 dan ook terecht vernietigd. Er dient een nieuw besluit op bezwaar te worden genomen.

LJN BK8889 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Volgens vaste jurisprudentie volgt de Raad in een geval als het onderhavige de conclusies van een door hem ingeschakelde deskundige. Dit brengt de Raad tot het oordeel dat, nu deze conclusies inhouden dat ingestemd kan worden met de vastgestelde belastbaarheid, er voldoende grond is om aan te nemen dat het UWV bij het bestreden besluit de belastbaarheid van appellant juist heeft vastgesteld. Er is voldoende toegelicht dat de belasting in de geduide functies appellants mogelijkheden niet te boven ging.

LJN BL0372 - Weigering WIA-uitkering en terugvordering van reeds ontvangen voorschotten ten bedrage van €6540,83. De Wet WIA bevat een dwingendrechtelijke bepaling die het UWV tot terugvordering verplicht. Er is geen sprake van een dringende reden om af te zien van terugvordering.

LJN BL0382 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant reeds bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was en de uitval binnen zes maanden kennelijk was te verwachten. Dat appellant wel een uitkering op grond van de ZW heeft ontvangen, kan niet afdoen aan het feit dat op grond van de Wet WIA bij dezelfde gezondheidssituatie een andere beslissing kan worden genomen.

LJN BL0387 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Er is geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid, althans dat er binnen vier weken na het einde van de wachttijd geen sprake is van een toename voortkomend uit dezelfde oorzaak als die ter zake waarvan appellante gedurende de wachttijd ongeschikt is geacht voor haar arbeid. Daarbij is toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 55, eerste en derde lid, van de Wet WIA. De Raad is van oordeel dat in de voorhanden medische gegevens geen basis is te vinden voor de stelling dat er binnen vier weken na de datum in geding sprake was van een relevante toename van arbeidsongeschiktheid, met name niet op grond van klachten van psychische aard.

LJN BL0766 - Terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten op de WIA-uitkering. Het met terugwerkende kracht terugvorderen van voorschot is niet in strijd met de (internationale) grondbeginselen van de sociale zekerheid. Er is geen sprake van gewekte verwachtingen, evenmin is er een dringende reden om af te zien van terugvordering.

LJN BL1107 - Proceskostenvergoeding. De Raad is van oordeel dat appellante er in de gegeven omstandigheden van mocht uitgaan dat een rapportage van de revalidatiearts - gelet op diens deskundigheid - een relevante bijdrage zou leveren aan de beantwoording van de in geding zijnde rechtsvraag en deswege van belang zou zijn voor de oordeelsvorming van de rechtbank. Op deze grond is de Raad dan ook van oordeel dat de kosten van de door de revalidatiearts opgestelde medische rapportage zijn aan te merken als redelijkerwijs gemaakte kosten voor een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Naar het oordeel van de Raad had de rechtbank ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor het verschijnen ter zitting van de als arts-gemachtigde van appellante aan te merken revalidatiearts een halve punt moeten toekennen, hetgeen leidt tot een vergoeding van €161,-.

LJN BL4404 - Intrekking WIA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per datum in geding minder dan 35% bedraagt. Het medisch onderzoek is zorgvuldig en de medische beperkingen zijn door het UWV niet onderschat. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd, met de rechtbank, geen reden om de geschiktheid van appellante voor de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies in twijfel te trekken.

LJN BL4506 - Toekenning WGA-uitkering. Met het nader besluit hangende hoger beroep wordt appellant voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd. Vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering en proceskostenveroordeling.

LJN BL4583 - Intrekking WIA-uitkering omdat appellante na herbeoordeling minder dan 35% arbeidsongeschiktheid wordt geacht. De Raad twijfelt niet aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juistheid van de conclusies ervan. Appellante voldoet niet aan de voorwaarde dat zij is aangewezen op volledig voorgestructureerd werk; er is geen sprake van zeer ernstige psychische stoornissen of een belangrijke mate van verstandelijke handicap. De namens appellante overgelegde medische gegevens doen geen twijfel rijzen aan de door het UWV vastgestelde belastbaarheid. De arbeidskundige grondslag kan in stand blijven. De arbeidsdeskundige heeft mogelijke overschrijdingen van de functionele mogelijkheden van appellante in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies naar behoren gemotiveerd en nogmaals toegelicht.

LJN BL5230 - Weigering WIA-uitkering omdat de wachttijd niet is volbracht. Appellante heeft met ingang van 3 oktober 2005 geen recht meer op een ZW-uitkering omdat zij per die datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is voor het verrichten van haar arbeid. Deze uitkering ontving zij in verband met een ziekmelding per 10 januari 2005. Wel heeft zij zich op 30 januari 2006 weer ziek gemeld. De op 2 januari 2007 aangevraagde WIA-uitkering is geweigerd omdat de wachttijd niet is volbracht.

LJN BL6090 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Er is geen sprake van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO. Het medische onderzoek naar de psychische klachten is zorgvuldig geweest. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd die voor de bezwaarverzekeringsarts aanleiding hadden moeten vormen om appellante zelf te onderzoeken. Bij het verlenen van de vrijstelling om te solliciteren in het kader van de Wwb worden andere criteria gehanteerd dan die gelden bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. De geschiktheid voor de aan schatting ten grondslag gelegde functies zijn in voldoende mate aangetoond.

LJN BL6376 - Vaststelling dagloon WIA-uitkering. Terecht is artikel 24, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen van toepassing geacht. Het refertejaar is geheel gelegen vóór 1 januari 2007 en appellant heeft in het refertejaar loon genoten waarin vakantiegeld en extra periodiek salaris (tantième) zijn begrepen. De door appellant bedoelde bedragen, welke naar zijn mening bij de vaststelling van het dagloon moeten worden betrokken, zijn alle uitbetaald na afloop van het refertejaar.

LJN BL7126 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarde dat hij door ziekte 104 weken niet heeft kunnen werken. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant vanaf de hersteldmelding van 24 mei 2005 langer dan vier weken geschikt was voor zijn eigen werk en dat daarom eventuele later in de tijd gelegen perioden van ongeschiktheid voor het eigen werk niet kunnen worden samengeteld. Op grond daarvan oordeelde de bezwaarverzekeringsarts dat appellant vanaf 23 februari 2005 de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen. Het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts is zorgvuldig en consistent en er zijn geen aanknopingspunten om de daaruit getrokken conclusie voor onjuist te houden. Te meer nu van de zijde van appellant geen medisch objectieve gegevens zijn ingebracht waaruit het tegendeel blijkt.

LJN BL7239 - Vaststelling dagloon WGA-uitkering. Doorwerking van de opgelegde maatregel in het dagloon. Het uitgangspunt bij de vaststelling van het dagloon, waarnaar een uitkering op grond van de WIA wordt berekend, is het loon dat de verzekerde volgens opgave van zijn werkgever daadwerkelijk heeft genoten dan wel de uitkering welke de verzekerde op grond van de ZW, WW, WAO, Wet WIA of Wazo heeft genoten in de voor hem van toepassing zijnde referteperiode. Voor een werknemer die zich bevindt in de situatie als die van appellant zijn in het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen geen bijzondere bepalingen opgenomen, terwijl de regelgever zich er blijkens de NvT wel van bewust is geweest. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel faalt. Er is geen sprake van schending van het ne-bis-in-idembeginsel, reeds omdat de maatregel van 20% verlaging van de WW-uitkering over zestien weken niet beschouwd kan worden als een strafsanctie.

LJN BL8312 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bestreden besluit berust op voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De maatmanarbeid van appellante is niet zo specifiek dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning op de arbeidsmarkt niet of nauwelijks voorhanden is.

LJN BL9286 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant reeds bij de aanvang van zijn verzekering op 1 oktober 2003 volledig arbeidsongeschikt was. Voor toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA dienen, zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie LJN BH2844), de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties te geven voor het bestaan van een reële arbeidsongeschiktheid, in dit geval op 1 oktober 2003. Naar het oordeel van de Raad kan overigens uit het totaal van de beschikbare gegevens niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat er voor appellant op 1 oktober 2003 op grond van ziekte of gebrek zodanige beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Wet WIA bestonden dat hij per deze datum reeds als volledig arbeidsongeschikt in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd. Het bestreden besluit, waarbij de arbeidsongeschiktheid van appellant op 15 oktober 2007 buiten aanmerking is gelaten, kan wegens een onvoldoende draagkrachtige motivering geen stand houden.

LJN BL9851 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De Raad is van oordeel dat het UWV op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden.

LJN BL9855 - Toekenning WGA-uitkering na bezwaar. De bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met het opnemen van een urenbeperking in de FML in verband met de hem bekend geworden frequentie van de medische behandeling. Voorts had het naar het oordeel van de Raad in de rede gelegen dat de bezwaarverzekeringsarts, die ook op de hoogte was van de ontwikkelingen rond de linkerknie van betrokkene kort vóór de datum in geding en op de door de orthopedisch chirurg aangekondigde MRI-scan, bij die chirurg had geïnformeerd naar diens bevindingen. Dit wordt nog eens onderstreept door het feit dat betrokkene in beroep heeft vermeld dat zij geopereerd was aan haar knie en dat de bezwaarverzekeringsarts hierop reageerde. Naar het oordeel van de Raad laten de vaststellingen geen andere conclusie toe dan dat het UWV bij het bestreden besluit niet heeft voldaan aan de wijze waarop de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid moet worden beoordeeld, in het bijzonder in het geval dat reeds een behandeling in gang is gezet.

LJN BL9928 - Toekenning WGA-uitkering en geen IVA-uitkering waarop appellant meent recht te hebben. Onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. Er is de Raad niet gebleken van concrete medische gegevens met betrekking tot de aan de ziekmelding voorafgaande periode, zoals het hebben ondergaan van een behandeling of het vertonen van een hoog ziekteverzuim, die aannemelijk maken dat appellant desondanks al vóór de ziekmelding niet in staat was tot het verrichten van zijn arbeid. De Raad is van oordeel dat met de enkele verwijzing naar verbetermogelijkheden door het bieden van medicatie en structuur volstrekt onvoldoende concreet en toereikend is gemotiveerd dat er op termijn voor appellant een meer dan geringe kans op herstel bestaat. De Raad acht daarbij van belang dat de (bezwaar)verzekeringsartsen herstel in de eerste twee ter beoordeling voorliggende jaren nog niet mogelijk achtten. Onvoldoende duidelijk is gemaakt welke concrete resultaten, in termen van verbetering van de belastbaarheid, er met de behandeling voor appellant kunnen worden bereikt.

LJN BM0072 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bestreden besluit berust op voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Sociale omstandigheden spelen geen rol spelen bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Er resteren voldoende passende functies om de schatting te kunnen dragen.

LJN BM0518 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Verslaving aan alcohol of verdovende middelen is op zich niet als ziekte of gebrek aan te merken. In het geval van appellant is niet gebleken dat uit zijn alcoholgebruik beperkingen voortvloeien.

LJN BM1422 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging van de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Naar het oordeel van de Raad heeft het UWV terecht geconcludeerd dat appellante te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in het kader van werkhervatting in het tweede spoor (andere werkgever) onvoldoende zijn geweest. De Raad onderschrijft eveneens het standpunt van het UWV dat appellante voor haar tekortkomingen geen deugdelijke grond heeft gehad. Het UWV is er terecht van uitgegaan dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellante is gelegen.

LJN BM2700 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het UWV voldoet niet aan de bewijslast. Het samengevatte rapport van de bezwaarverzekeringsarts stelt naar het oordeel van de Raad niet buiten twijfel dat de toegenomen beperkingen een andere ziekteoorzaak hebben dan die in verband waarmee appellant tot 1 september 2007 een WAO-uitkering genoot. De bezwaarverzekeringsarts legt in dat rapport zelf het verband tussen de toegenomen beperkingen en persoonlijkheidsstoornis. Verder neemt de Raad in aanmerking dat diverse oudere medische rapporten melding maken van psychische problematiek, zoals het medisch onderzoeksverslag van 1 maart 2000 en het attest van de huisarts van 30 januari 2001. De verzekeringsarts vermeldt uit de medische voorgeschiedenis "somatoforme stoornis" en "surmenage klachten", vindt bij zijn onderzoek op 25 april 2006 geen "evidente tekenen van grove psychopathologie" en neemt in de FML in de rubriek persoonlijk functioneren beperkingen op. Het bestreden besluit ontbeert een voldoende draadkrachtige motivering.

LJN BM2756 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante toen zij begon met werken reeds dezelfde gezondheidsklachten had als de klachten waardoor ze niet kon werken bij het einde van de wachttijd. De Raad heeft in de rapporten van de arbeidsdeskundige onvoldoende aanwijzingen aangetroffen dat appellante bij aanvang van de WIA-verzekering al volledig arbeidsongeschikt was. De Raad is van oordeel dat het UWV zijn onderzoeksplicht onvoldoende is nagekomen. In de loop van de beroeps- en hogerberoepsprocedure heeft het UWV daaraan, kennelijk ten betoge dat het dubieus is of appellante daadwerkelijk voor het betreffende uitzendbureau heeft gewerkt, nog toegevoegd dat de werkgever van appellante er ook nog frauduleuze praktijken op na hield. De Raad gaat daaraan voorbij nu het bestreden besluit er onmiskenbaar van uitgaat dat appellante in de desbetreffende periode arbeid voor het uitzendbureau heeft verricht.

LJN BM3290 - Toekenning WGA-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met een meer dan geringe kans op herstel. Het UWV heeft onvoldoende onderzocht en heeft derhalve ook ondeugdelijk gemotiveerd dat in het eerstkomende jaar een verbetering van de belastbaarheid kon worden verwacht zodanig dat bij een herbeoordeling mogelijk een minder vergaande FML kon worden opgesteld.

LJN BM3542 - Weigering WIA-uitkering omdat betrokkene geen verzekerde is. Het werkgeversgezag van de BV kan niet worden aangenomen omdat betrokkene, als houder van de helft van de aandelen, op grond van de in de statuten van de BV neergelegde besluitvormingsregels niet tegen zijn wil kan worden ontslagen. De tussen de aandeelhouders gesloten stemovereenkomst leidt niet tot een ander oordeel nu een aandeelhouder zijn stem rechtsgeldig kan uitbrengen in afwijking van een dergelijke overeenkomst (zie LJN AA8704).

LJN BM3552 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante geen verzekerde is. Ontbreken van een gezagsverhouding. Appellante ontving een vast salaris per maand. De door de echtgenoot gegeven verklaring dat er gewoon niet meer betaald kon worden in verband met de problemen van het bedrijf wijst naar het oordeel van de Raad juist in de richting van een ontbrekende gezagsverhouding. Bovendien blijkt uit de (enige) salarisspecificatie na 1 maart 2005 dat er geen premies sociale verzekeringen werden ingehouden op het loon van appellante en was appellante in ieder geval tot 18 juli 2005 niet als werknemer aangemeld bij het UWV.

LJN BM6287 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bestreden besluit berust op voldoende medische grondslag. Niet is kunnen blijken dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies een overschrijding inhoudt van de belastbaarheid. Vast is komen te staan dat zelfs bij herberekening aan de hand van een later bekend geworden recenter CBS-indexcijfer de grens van 35% verlies aan verdiencapaciteit nog steeds (net) niet wordt bereikt.

LJN BM6658 - Afwijzing verzoek om herziening. Verzoekster heeft geen nieuwe feiten of nieuwe omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb naar voren gebracht.

LJN BM7009 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Er is geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat appellante op de datum in geding in psychisch opzicht meer beperkt was dan in de FML is vastgelegd. Uit de wijziging van de arbeidskundige grondslag in hoger beroep volgt dat in beroep - achteraf bezien - geen sprake was van een deugdelijke arbeidskundige grondslag. Nu in hoger beroep echter alsnog tot een deugdelijke arbeidskundige grondslag is gekomen, ziet de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit op bezwaar alsnog in stand te laten.

LJN BM9158 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging van de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Vaststelling dat de tekortkoming in de re-integratieverplichtingen is hersteld en het tijdvak van loondoorbetaling eindigt per datum in geding. De Raad kan zich vinden in de overweging van de rechtbank waaruit volgt dat het in dit geval op de weg van appellant ligt feiten naar voren te brengen die tot het oordeel kunnen leiden dat van de werkgever redelijkerwijs meer inspanningen konden worden gevergd. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 12 augustus 2009, LJN BJ5425, waarin de Raad in gelijke zin heeft beslist over de bewijslastverdeling. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen grond is om aan te nemen dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

LJN BN1272 - Toekenning WGA-uitkering. In geding is de hoogte van het maatmaninkomen en in het bijzonder de vraag of ook de door appellante ontvangen bonus over de jaren 2003 en 2005 betrokken moet worden bij de berekening van het maatmaninkomen. De hoogte van de bonussen die appellante heeft ontvangen, is afhankelijk geweest van de door haar persoonlijk gerealiseerde orders en scores op het vlak van (klant)tevredenheid in het desbetreffende kalenderjaar, waarbij de hoogte van de bonus telkens na afloop van het kalenderjaar door haar leidinggevende is vastgesteld. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat het UWV, door bij de vaststelling van het maatmaninkomen alleen de bonus over 2004 in aanmerking te nemen, geen onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

LJN BN1802 - Terugvordering van WIA-uitkering. Er zijn geen dringende redenen aanwezig op grond waarvan het UWV geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Voor het aannemen van een dringende reden op grond van het rechtszekerheidsbeginsel is slechts aanleiding indien sprake is van zo’n bijzonder geval dat strikte toepassing van artikel 77 van de Wet WIA geen rechtsplicht meer kan zijn. Volgens vaste rechtspraak is zulks slechts aan de orde in die gevallen waarin kan worden gewezen op een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het uitvoeringsorgaan, aan welke mededeling geen onjuiste of onvolledige inlichtingen van betrokkene ten grondslag lagen en betrokkene de onjuistheid van die mededeling niet behoefde te onderkennen. In het geval van appellante is hiervan geen sprake.

LJN BN3448 - De Raad oordeelt dat het UWV de referteperiode juist heeft vastgesteld en dat het UWV bij de vaststelling van het dagloon terecht is uitgegaan van de in de referteperiode ontvangen WW-uitkering. Verwezen wordt naar artikel 1, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, waarin is bepaald dat onder dagloondagen worden verstaan: maandag tot en met vrijdag. In de situatie van appellant is sprake van dertien volledige aangiftetijdvakken en van één gebroken aangiftetijdvak dat uitsluitend bestaat uit een zaterdag en een zondag. Die dagen tellen niet mee als dagloondagen. Er is geen ruimte voor honorering van het standpunt van appellant dat het WIA-dagloon in dit geval naar redelijkheid en billijkheid moet worden vastgesteld op het maximumdagloon.

LJN BN3616 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55,58%. De grondslag van de vastgestelde (aanzienlijke) urenbeperking is louter een fysieke. Dat er onder de gegeven omstandigheden bij betrokkene sprake is van verwerkingsproblematiek is goed voorstelbaar. Betrokkene heeft vóór de datum in geding niet aantoonbaar behandeling wegens psychische klachten door een psychiater of psycholoog gezocht. De verklaring van de huisarts dateert van bijna een jaar na de datum in geding. Er is geen reden voor het oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsarts specialistische hulp had moeten inschakelen voor het beoordelen van beperkingen op psychisch gebied.

LJN BN3811 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, volgt uit artikel 25, negende lid, van de Wet WIA niet dat een loonsanctie "op maat" moet worden opgelegd, maar voorziet deze bepaling in oplegging van een loonsanctie van (maximaal) 52 weken, waarbij de uiteindelijke duur van de loonsanctie afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever. In artikel 25, twaalfde, dertiende en veertiende lid, van de Wet WIA heeft de wetgever voorzien in een regeling voor de bekorting van de loonsanctie. Een oordeel over de bekorting van de loonsanctie kan dus ingevolge de systematiek van de wet niet aan de orde komen bij de beoordeling van de vraag of al dan niet terecht een loonsanctie is opgelegd, omdat het hier twee onderscheiden procedures betreft.

LJN BN3819 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, omdat de werknemer benutbare mogelijkheden heeft, maar niet werkt en er geen concreet zicht is op enigerlei werkhervatting in de nabije toekomst. Evenmin was er sprake van een afgerond re-integratietraject in het tweede spoor (andere werkgever). De arbeidsdeskundige heeft de re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende geacht, terwijl voor dit verzuim geen deugdelijke grond aanwezig was. De verantwoordelijkheid voor de re-integratie ligt bij betrokkene.

LJN BN4428 - Loonsantie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Uit de gegevens heeft het UWV naar het oordeel van de Raad terecht afgeleid dat er onvoldoende perspectief bestond voor werkhervatting van de werknemer bij appellante en dat zij haar re-integratie-inspanningen had moeten richten op het tweede spoor (andere werkgever). Terecht is geconcludeerd dat appellante te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in het kader van werkhervatting in het tweede spoor onvoldoende zijn geweest. Appellante heeft voor haar tekortkomingen geen deugdelijke grond gehad. Dat appellante vanwege de bestaande familierelatie de werknemer niet onder druk wilde zetten door middel van sancties, zoals het inhouden van zijn loon, maakt vorenstaande niet anders.

LJN BN4432 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene te lang vastgehouden aan re-integratie in het eerste spoor door volledige herplaatsing in het eigen werk na te streven terwijl dit zich niet verdroeg met de conclusies van de bedrijfsarts en is ten onrechte het standpunt ingenomen dat een keuze tussen het eerste en tweede spoor (andere werkgever) nog niet aan de orde was omdat, gelet op de specialistische behandeling van werkneemster, de huidige beperkingen nog geen eindtoestand weergaven. Er is geen reden voor bekorting van de duur van het loonsanctiebesluit.

LJN BN5498 - Weigering WIA-uitkering. Het onderzoek naar de beperkingen van appellant is op een zorgvuldige en juiste manier verricht. Er is geen enkele aanleiding om de onafhankelijkheid en integriteit van de (bezwaar)verzekeringsartsen in twijfel te trekken. De belasting van de aan de schatting ten grondslag liggende functies overschrijdt de belastbaarheid van appellant niet. Factoren als leeftijd en recessie spelen bij een WIA-beoordeling geen rol en dienen dan ook buiten beschouwing gelaten te worden. De wet biedt geen ruimte om met dergelijke factoren rekening te houden.

LJN BN5543 - Afwijzing verzoek om herziening omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb.

LJN BN6001 - Vaststelling dagloon IVA-uitkering. Daadwerkelijk genoten loon in de referteperiode. Het UWV heeft bij de berekening van het dagloon ten onrechte artikel 24, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen toegepast. Bij de berekening van het dagloon moet worden uitgegaan van de hoofdregel zoals neergelegd in artikel 3, eerste lid, van het besluit. Volgens de gedingstukken had appellant recht op 8% vakantietoeslag, zodat het UWV bij de berekening van dit dagloon conform artikel 3, eerste lid, van het besluit met deze vakantietoeslag alsnog rekening moet houden.

LJN BN6023 - Vaststelling dagloon IVA-uitkering. Het UWV heeft de referteperiode en de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist vastgesteld. Met de in artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA opgenomen term ziekte wordt gedoeld op de eerste dag waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de Wet WIA en niet op - zoals appellant lijkt te betogen - het zich openbaren van (de eerste) verschijnselen van de ziekte. De uitwerking van de te hanteren referteperiode in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder q, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen is dan ook geheel in overeenstemming met het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA. In het geval van appellant dient onder eerste arbeidsongeschiktheidsdag te worden begrepen de laatstelijk vóór het intreden van de werkloosheid verrichte werkzaamheden. Er is geen mogelijkheid het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing te laten, omdat het de rechter niet vrijstaat af te wijken van dwingendrechtelijke voorschriften.

LJN BN6721 - Weigering WIA-uitkering. De Raad heeft een onafhankelijk deskundige ingeschakeld, die tot de conclusie is gekomen dat bij appellante geen sprake is van ziekte of gebrek op psychisch gebied. Haar problematiek ligt in haar persoonlijkheid. De deskundige kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en acht appellante in staat de voor haar geselecteerde functies te verrichten. Er is geen reden om het oordeel van deze deskundige niet te volgen.

LJN BN7671 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant reeds bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was en per einde wachttijd eveneens. Derhalve is er geen sprake van verlies aan verdiencapaciteit van meer dan 35%. Appellant leed al jaren vóór aanvang van de verzekering aan de mediterrane koorts.

LJN BN8691 - Loonsanctie vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor (andere werkgever). Het UWV is er terecht van uitgegaan dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellante is gelegen.

LJN BN8767 - Loonsanctie. De Raad is van oordeel dat het UWV op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

LJN BO1104 - Vaststelling dagloon WIA-uitkering. Terecht is bij de vaststelling van het dagloon geen rekening gehouden met de door appellante in de referteperiode genoten loonsuppletie. In het onderhavige geval vindt de loonsuppletie haar oorzaak in de beëindiging van de voorlaatste dienstbetrekking en betreft het een beloning, op grond van het sociaal plan van de voorlaatste werkgever, voor het aanvaarden van nieuw werk. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat uitkeringen uit een sociaal plan als loon uit vroegere dienstbetrekking moeten worden beschouwd.

LJN BO1598 - Toekenning WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 100% en geen IVA-uitkering waarop appellante meent recht te hebben. Het UWV heeft de arbeidsongeschiktheid van appellante - medisch gezien - terecht en op goede gronden niet als duurzaam aangemerkt, zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA.

LJN BO2451 - Toekenning WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer en geen IVA-uitkering waarop appellante meent recht te hebben. De Raad oordeelt dat het UWV op goede gronden heeft vastgesteld dat er geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.

LJN BO3636 - Vaststelling eerste ziektedag ter zake van de toegekende IVA-uitkering. Het UWV heeft ten onrechte nagelaten zorgvuldig te onderzoeken of appellant met zijn medische beperkingen vanaf juni 2002 realiter in staat was zijn eigen functie of een soortgelijke functie in volle omvang te verrichten. Het standpunt van het UWV dat vanaf juni 2002 tot 15 januari 2007 geen periode van 52 weken is aan te wijzen waarin appellant onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, is onvoldoende gemotiveerd.

LJN BO4281 - Toekenning WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In hoger beroep is een IVA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% toegekend en daarmee is in termen van uitkeringspercentage de maximaal haalbare WIA-uitkering aan appellant verstrekt. Derhalve is volledig aan zijn bezwaar tegemoetgekomen. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De aan appellant door zijn schoonzus verleende rechtshulp vindt overwegend zijn grond in de tussen hen bestaande familierelatie, zodat geen vergoeding van rechtsbijstandskosten kan worden toegewezen.

LJN BO4710 - Weigering WIA-uitkering en voorschot omdat appellant ingevolge artikel 8 van de Wet WIA niet als WIA-verzekerde kan worden aangemerkt. Hij verbleef niet rechtmatig in Nederland en ook nadien is geen verblijfstitel meer verkregen. Er is geen sprake van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

LJN BO5357 - Geen heropening van de WGA-uitkering omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Er zijn geen aanknopingspunten om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat geen sprake is van een relevante toename van de beperkingen van appellant voor onjuist te houden. Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die een nieuw licht werpen op de beslissing in geding.

LJN BO5404 - Vaststelling dagloon WIA-uitkering. Er is geen grond voor het oordeel dat artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, voor zover daarbij het loondervingsbeginsel wordt verlaten, onverbindend moet worden geacht. De nabetaling van achterstallig loon door de (ex-)werkgever was in de referteperiode vorderbaar. Aan het vereiste van niet-inbaarheid is echter niet voldaan. Het UWV is bij de berekening van het WIA-dagloon van betrokkene terecht uitgegaan van het door betrokkene gedurende de referteperiode bij haar (ex-)werkgever daadwerkelijk genoten loon en heeft daarbij de nabetaling die nadien heeft plaatsgevonden terecht geheel buiten beschouwing gelaten.

LJN BO5412 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig en de belastbaarheid is juist vastgesteld. De geselecteerde functies worden geschikt geacht voor appellant. De toetsing en de medische beoordeling in het kader van de Wwb is niet op één lijn te stellen met die in het kader van de Wet WIA.

LJN BO6507 - Tussenuitspraak. Intrekking loongerelateerde WGA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per datum in geding minder dan 35% bedraagt. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en daardoor niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat in dit geding aan de orde is een op initiatief van het UWV gestart heronderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante en dat het, in het geval dat leidt tot vaststelling van een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, in de eerste plaats op de weg van het UWV ligt te bewerkstelligen dat uiterlijk bij het nemen van het bestreden besluit de voor een rechtens aanvaarbare medische grondslag van het bestreden besluit noodzakelijke gegevens voorhanden zijn.

LJN BO7199 - Vaststelling dagloon WGA-uitkering. Onder loon wordt mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Niet is aangetoond dat de vermelde nabetaling van vakantietoeslag ziet op de referteperiode, laat staan dat voldaan wordt aan het criterium dat deze aanspraak in de referteperiode vorderbaar (en tevens niet-inbaar) is geworden.

LJN BO9344 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De werkgever kan zich laten bijstaan door een arbodienst/bedrijfsarts, maar dat doet niet af aan zijn wettelijke verantwoordelijkheid. In geval van inadequaat handelen van arbodienst of bedrijfsarts kan hij dezen op hun falen aanspreken. De verantwoordelijkheid voor de re-integratie-inspanningen ligt bij betrokkene als werkgeefster.

LJN BP0214 - Intrekking WGA-vervolguitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschiktheid wordt geacht. Het bestreden besluit berust op voldoende medisch onderzoek. Er zijn geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat appellant meer objectieve afwijkingen aan zijn rug heeft dan het UWV heeft aangenomen. Appellant wordt geschikt geacht voor de geduide functies.

LJN BP0937 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Het UWV heeft de wachttijd van 104 weken terecht met 52 weken verlengt. Betrokkene heeft onvoldoende re-integratie-inspanningen via het tweede spoor (andere werkgever) verricht. De stelling dat betrokkene niet gehouden was het tweede spoor in te zetten voordat vaststond dat het eerste spoor niet meer aan de orde was, wordt verworpen. Voor zover betrokkene het standpunt heeft ingenomen dat zij steeds de adviezen van de bedrijfsarts en arbeidskundige van ArboNed heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin is geoordeeld dat het UWV er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever is gelegen.

LJN BP0986 - Toekenning WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en geen IVA-uitkering waarop appellante meent recht te hebben. Het UWV heeft toereikend inzicht verschaft in het behandeltraject van appellante en aannemelijk gemaakt dat naar verwachting dit behandeltraject voor appellante zal leiden tot verbetering van haar belasting. Uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht, volgt niet dat van behandeling geen resultaat mag worden verwacht of dat appellante niet in staat zou zijn de behandeling te volgen. Er is terecht geen IVA-uitkering toegekend.

LJN BP2202 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Door het niet verstrekken van de vereiste gegevens heeft appellante niet voldaan aan het bepaalde in artikel 25, derde lid, van de Wet WIA. Mitsdien heeft het UWV terecht vastgesteld dat sprake is van een administratieve tekortkoming, hetgeen aanleiding is geweest om een loonsanctie op te leggen.

LJN BP2226 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Er zijn zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht. Evenals de rechtbank verwerpt de Raad de stelling van appellante die erop neerkomt dat geen loonsanctie van 52 weken mocht worden opgelegd, maar de duur ervan had moeten worden afgemeten naar de mate van verwijtbaarheid. Uit artikel 25, negende lid, van de Wet WIA volgt niet dat een loonsanctie "op maat" moet worden opgelegd. Deze bepaling voorziet in oplegging van een loonsanctie van (maximaal) 52 weken, waarbij de uiteindelijke duur van de loonsanctie afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever.

LJN BP2521 - Vaststelling dagloon WGA-uitkering. Gelet op hetgeen ter zitting van de kantonrechter is afgesproken tussen appellant en zijn voormalige werkgever en gelet op het in beroep overgelegde verstekvonnis, moet worden aangenomen dat de vordering van €4500,- op de werkgever in het refertejaar 2005 vorderbaar was. Appellant heeft niet aangetoond dat dit bedrag in 2005 niet inbaar was. Gesteld noch gebleken is dat appellant in dat jaar enige actie heeft ondernomen om het bedrag te innen. Pas na afloop van het refertejaar heeft appellant getracht zijn voormalige werkgever te bewegen tot betaling.

LJN BP2554 - Vaststelling dagloon WGA-uitkering. Op basis van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen dient de vaststelling van de hoogte van het dagloon te geschieden op basis van het loon dat de werkgever aan het UWV als premieplichtig loon heeft opgegeven. Onderhavig bedrag van €4000,- is door de werkgever in de referteperiode niet als premieplichtig loon opgegeven.

LJN BP5145 - Toekenning WGA-uitkering. Terechte weigering van een IVA-uitkering omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Het bestreden besluit berust op voldoende medische grondslag. De door het UWV als externe deskundige ingeschakelde psychiater heeft aangegeven dat het in combinatie met adequate antidepressieve medicatie hopelijk lukt de paniekstoornis in ernst te verminderen. Met dit specifiek op de paniekstoornis met agorafobie waaraan appellante lijdt toegespitste standpunt heeft deze psychiater onmiskenbaar te kennen gegeven dat behandeling van appellante voor die aandoening mogelijk is met kans op herstel of anders beheersing van die aandoening in die mate dat de belastbaarheid van appellante zal toenemen.

LJN BP5198 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering na bezwaar en beroep, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op 100% is gesteld. Het UWV heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat sprake is van een uit dezelfde ziekteoorzaak voortvloeiende arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 55 van de Wet WIA. De bewijslast rust in beginsel op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en latere uitval. Het is in dit geval dan ook aan appellant om gegevens aan te dragen die buiten twijfel stellen dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is. Appellant is hierin niet geslaagd.

LJN BP7033 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante geschikt is voor haar eigen werk. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is een nieuw besluit genomen met dezelfde inhoud, na een nader arbeidskundig onderzoek. De Raad heeft een onafhankelijke deskundige ingeschakeld, die zich kan verenigen met de vastgestelde FML. Er is geen aanleiding van het oordeel van de deskundige af te wijken. In voldoende mate is aangetoond dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk voor 32 uur per week.

LJN BP8596 - Terugvordering van WIA-uitkering ten bedrage van €41.152,94. Appellante heeft vanwege haar verdiensten te veel aan uitkering ontvangen. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

LJN BP8924 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De Raad komt tot het oordeel dat het UWV terecht de conclusie heeft getrokken dat betrokkene tijdens de wachttijd te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode wat betreft het tweede spoor onvoldoende zijn gebleven. Ondanks de bedenkingen die bij betrokkene steeds bestonden ten aanzien van de terugkeer van de werknemer in haar bedrijf, heeft zij nagelaten tijdig en concreet activiteiten te ontplooien om de werknemer elders te laten hervatten in passende arbeid. Betrokkene heeft voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond gehad.

LJN BQ1219 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Ziekmelding vanuit de WW. De arbeidsongeschiktheid is na het verstrijken van de in artikel 43a van de WAO bedoelde vijfjaarstermijn ingetreden. Het UWV heeft op goede gronden een eindewachttijdbeoordeling gedaan in het kader van de Wet WIA.

LJN BQ2501 - Tussenuitspraak. Weigering werkgeverssubsidie voor de aanschaf van een video-intercom-systeem (VIS). De in artikel 4 van het Reïntegratiebesluit gestelde eis dat een voorziening slechts wordt verleend indien deze in overwegende mate op het individu is gericht, geldt niet voor de in artikel 36 van de Wet WIA genoemde werkgeverssubsidies. De aanvragen hadden dan ook niet mogen worden afgewezen op de grond dat het VIS een niet op het individu gerichte voorziening is. In het kader van artikel 36 van de WIA had het UWV moeten onderzoeken in hoeverre de individuele betrokkenen de aangevraagde unit (mede) gebruiken voor communicatie met bewoners. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De Raad draagt het UWV op het gebrek in de besluiten te herstellen. Zie ook LJN BU5811.

LJN BQ3339 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante weer geschikt is te achten voor haar maatgevende arbeid en, zonder dat sprake is van loonverlies, voor de geduide functies. De medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Het UWV heeft de belastbaarheid van appellante niet overschat; zij wordt geschikt geacht voor haar eigen werk als administratief medewerkster/telefoniste. Appellantes maatmanarbeid is niet zo specifiek dat deze qua beloning en belasting niet of nauwelijks voorhanden zou zijn.

LJN BQ6045 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De verzekeringsarts heeft op goede gronden geconcludeerd dat de werkneemster over benutbare mogelijkheden beschikte. Het UWV heeft op basis van de beschikbare gegevens terecht geconcludeerd dat betrokkene als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

LJN BQ6468 - Toekenning WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 78,57%. Anders dan de rechtbank leest de Raad in het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde neuroloog dat het voor appellant niet mogelijk is om vier uur achtereen zonder extra rustmomenten te werken. Vernietiging van het bestreden besluit wegens ontoereikende medische grondslag.

LJN BQ6574 - Tussenuitspraak. Toekenning WGA-uitkering. Het UWV heeft geen onderzoek gedaan naar de omvang van en de verdiensten uit de werkzaamheden van de werknemer als zelfstandige. In dit geval waren bij het einde van de wachttijd en in elk geval ten tijde van de beslissing over het recht op een WGA-uitkering de modaliteiten van de hervatting als zelfstandige per datum in geding al wel bekend aan het UWV. Niet kan dan ook worden uitgesloten dat reeds bij het einde van de wachttijd mede een beslissing over de toepassing van artikel 52 van de Wet WIA had kunnen worden gegeven, waarna het UWV had kunnen bezien of en op welke wijze dit behoorde door te werken in de door appellante te betalen premie. Het UWV dient het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BQ8094 - De loongerelateerde WGA-uitkering komt niet tot uitbetaling vanwege een opgelegde maatregel wegens het niet aanvaarden van passende arbeid. Het bestreden besluit berust op gedegen medisch onderzoek, waarbij de juiste medische beperkingen in acht zijn genomen. De bij de werkgever beschikbare arbeid is in medisch opzicht passend. De reisafstand is acceptabel en komt niet in strijd met de beperkingen.

LJN BR1565 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De Raad constateert dat nu gelet op het rapport van de arbeidsdeskundige er na raadpleging van het CBBS onvoldoende functies als bedoeld in artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten te duiden zijn, het bestreden besluit uitsluitend steunt op de geschiktheid van appellante voor het laatst verrichte eigen werk vóór uitval. Gelet op de conclusies van de door de Raad ingeschakelde registerarbeidsdeskundige met betrekking tot het door appellante verrichte werk, te weten dat zij daarvoor niet geschikt is, ziet de Raad het hoger beroep slagen. Het UWV is gehouden aan appellante met ingang van de datum in geding een loongerelateerde WGA-uitkering toe te kennen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

LJN BR1906 - Tussenuitspraak. Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering op basis van volledige, maar niet duurzame, arbeidsongeschiktheid. De Raad komt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet op een afdoende arbeidskundige grondslag berust. Nu de Raad tot het oordeel is gekomen dat de medische grondslag wel deugdelijk is en dat twee van de drie geselecteerde functies geschikt zijn te achten voor betrokkene, is de omvang van het geschil tussen partijen dat thans nog resteert beperkt. Met het oog op finale beslechting van het geschil acht de Raad het aangewezen dat het UWV in de gelegenheid wordt gesteld het gebrek in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit te helen.

LJN BR2382 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Het UWV heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellante vanaf de datum van het tweede deskundigenoordeel tot het einde van de wachttijd alsnog tekort is geschoten en in die periode onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Tegen de achtergrond van het genoemde deskundigenoordeel moet dan ook worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust. Vernietiging van de uitspraak en het bestreden besluit.

LJN BR2406 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het UWV ten onrechte in de bezwaarfase geen bezwaarverzekeringsarts heeft ingeschakeld. Door dit na te laten, is het bestreden besluit ook naar het oordeel van de Raad onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Dit leidt de Raad, anders dan de rechtbank, echter niet tot de slotsom dat het bestreden besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad is van oordeel dat mogelijke psychische beperkingen van de werkneemster in verband met de in dit geding te beantwoorden vraag of het UWV voldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd geen doorslaggevende betekenis kunnen hebben. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de werkneemster na het bekend worden van de traumatische familiegebeurtenissen die tot mogelijke psychische problemen bij haar hebben geleid desondanks nog een tijd lang als horecamedewerker heeft gewerkt en uiteindelijk met lichamelijke problematiek is uitgevallen.

LJN BR2420 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de probleemanalyse al in 2006 aan het UWV is toegezonden. Dat appellante in het schrijven van 29 mei 2008 melding maakt van een eerdere toezending in 2006 is daarvoor onvoldoende. De Raad voegt daaraan toe dat er in 2006 nog geen noodzaak bestond om de probleemanalyse aan het UWV toe te zenden. Die noodzaak ontstond pas na de aanvraag van de WIA-uitkering door de werkneemster op 18 december 2007. De Raad is voorts in lijn met de rechtbank van oordeel dat de probleemanalyse qua inhoud uitgebreider en genuanceerde is dan het advies voor werkhervatting. Ter zitting heeft de gemachtigde van het UWV toegelicht dat in het advies tot werkhervatting, anders dan in de probleemanalyse, niet de werktijden en het functieniveau zijn vermeld. Voorts blijkt uit de probleemanalyse dat de werkneemster op de hoogte is van het advies tot werkhervatting.

LJN BR2766 - Terugvordering van WIA-uitkering. De omstandigheden die appellant heeft aangevoerd, leiden er niet toe dat er sprake van is dat de terugvordering tot financieel of sociaal onaanvaardbare gevolgen leidt. Dat de terugvordering een groot gat in de begroting van appellant slaat, is hiervoor onvoldoende. Er is geen sprake van dringende redenen als bedoeld in artikel 77, vierde lid, van de Wet WIA.

LJN BR6392 - Weigering vergoeding kosten van een laptop met een aangepast leesprogramma in verband met dyslexie. Appellante is vanwege strabismus beperkt in haar oog-handcoördinatie. Niet aannemelijk is gemaakt dat de problemen bij de oog-handcoördinatie met de gevraagde voorziening worden verminderd. Nu de gevraagde voorziening de gevolgen van strabismus bij het volgen van onderwijs niet vermindert of wegneemt, is de aanvraag terecht afgewezen.

LJN BS8891 - Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Nu verzoeker niet over enige inkomsten beschikt, is er sprake van spoedeisend belang. Het hoger beroep heeft geen kans van slagen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

LJN BT1729 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Teneinde te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet door middel van deze tussenuitspraak het UWV opdracht te geven het bestreden besluit deugdelijk te motiveren.

LJN BT1731 - Onterechte dwangsomoplegging. Nu paragraaf 4.1.3.2 van de Awb met ingang van 1 oktober 2009 in werking is getreden, is de Raad, gelet op de data in geding en het bepaalde in artikel III, eerste lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, van oordeel dat de mogelijkheid van het opleggen van een dwangsom niet aanwezig was.

LJN BT2613 - Proceskostenveroordeling in hoger beroep. Vergoeding van de kosten van de medische rapportage van de verzekeringsarts en de kosten van het medisch adviesbureau, tezamen €1523,84.

LJN BT6623 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Gelet op het in opdracht van de Raad uitgebrachte deskundigenrapport is de Raad van oordeel dat appellant op de datum in geding voldeed aan de criteria van artikel 4 van de Wet WIA en dat voor hem met ingang van deze datum recht op een IVA-uitkering is ontstaan. De Raad draagt het UWV op een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van het bij deze uitspraak bepaalde.

LJN BT6767 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellant reeds bij de aanvang van zijn verzekering volledig arbeidsongeschikt was. Appellant heeft gedurende acht maanden Wsw-werk verricht. Er is geen grondslag voor het oordeel dat er voldoende en ondubbelzinnige gegevens waren om volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering aan te nemen. Dit betekent dat het UWV appellant ten onrechte op die grond uitkering heeft geweigerd. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BT8689 - Arbeidsplaatsvoorziening. Weigering vergoeding van het niet-vergoede deel van de kosten van hoorstellen ad €2644,-. Appellante heeft met haar werkzaamheden als co-assistent niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking gestaan, zodat zij niet voldoet aan de in artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA neergelegde eis dat sprake moet zijn van het verrichten van arbeid in dienstbetrekking en derhalve geen aanspraak kan maken op een arbeidsplaatsvoorziening.

LJN BU1906 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante de wachttijd niet heeft volbracht. Het bestreden besluit berust op voldoende zorgvuldig onderzoek. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellante meer of anders beperkt is dan in de FML is vastgelegd. De beperkingen als gevolg van CVS/ME zijn niet onderschat. De ZW-uitkering is terecht beëindigd. Daarmee staat vast dat appellante de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen, zodat niet is voldaan aan deze voorwaarde voor het ontstaan van recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

LJN BU3215 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De door de Raad geraadpleegde psychiater is tot de conclusie gekomen dat de ernstige vermoeidheidsklachten tot het aannemen van een verminderde duurbelasting moeten leiden. De paniekstoornis met agorafobie is niet verenigbaar met regelmatige werkzaamheden buitenshuis. Vernietiging van het bestreden besluit wegens ondeugdelijke medische grondslag. De Raad draagt het UWV op het gebrek te herstellen.

LJN BU3367 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De rechtbank heeft terecht het oordeel van de door haar geraadpleegde deskundige niet gevolgd omdat de motivering ervan, ook na de daarop gegeven toelichting, te algemeen van aard is en te weinig toegespitst op de gezondheidssituatie van appellante op de datum in geding.

LJN BU4024 - Verhaal op eigenrisicodrager. Nu het eigen risico dragen volgens het UWV - conform de opgave van de inspecteur van de Belastingdienst - eerst op de datum in geding eindigt, blijft appellante op grond van artikel 84, tweede lid, van de Wet WIA het risico dragen, omdat de eerste dag van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte is gelegen vóór het einde van het eigen risico dragen. Daaruit volgt dat appellante als eigenrisicodrager aansprakelijk is voor betaling van de uitkering van de (ex-)werknemer. Ingevolge artikel 83, derde lid, van de Wet WIA verhaalt het UWV de uitkering op de eigenrisicodrager indien deze de uitkering niet betaalt. Het UWV heeft de aan de (ex-)werknemer uitbetaalde WGA-uitkering dan ook terecht en op goede gronden aan appellante toegerekend en op haar verhaald.

LJN BU5811 - Nieuwe besluiten ter uitvoering van tussenuitspraak LJN BQ2501. Aan een aantal werknemers, die het video-intercom-systeem (VIS) uitsluitend gebruiken voor communicatie met collega’s, is alsnog een VIS-unit toegekend. Bij de beoordeling van de vraag of de gevraagde voorzieningen moeten worden toegekend, is bepalend of het VIS uitsluitend wordt gebruikt voor communicatie met collega’s. De kosten zijn in dat geval gemaakt ten behoeve van het in dienst houden of nemen van een werknemer. Indien de VIS-unit ook wordt gebruikt voor communicatie met bewoners, moet ervan worden uitgegaan dat deze ook zou zijn aangeschaft indien de betreffende - dove - werknemer niet in dienst van appellante zou zijn. Derhalve kan van deze kosten niet gezegd worden dat deze zijn gemaakt ten behoeve van het in dienst houden of nemen van een werknemer. Ook voor de werknemers die niet langer in dienst zijn, had het UWV - gelet op de door de bestuursrechter uit te voeren toetsing ex tunc - moeten onderzoeken in hoeverre de individuele betrokkenen de aangevraagde unit (mede) gebruikten voor communicatie met bewoners.

LJN BU7955 - Loonsanctie wegens het zonder deugdelijke grond verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor (andere werkgever). Dat aan betrokkene naderhand een IVA-uitkering is toegekend omdat onvoldoende functies te duiden waren, kan niet tot de conclusie leiden dat betrokkene een deugdelijke grond had om geen re-integratie-inspanningen in het tweede spoor te starten, zodat reeds in een vroeg stadium een onderzoek naar het tweede spoor ingezet had kunnen worden. De verantwoordelijkheid voor de re-integratie rust op de werkgever.

LJN BU9270 - Intrekking WIA-uitkering na herbeoordeling omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De Raad volgt de door hem ingeschakelde deskundige. Appellant was op de in geding zijnde datum met inachtneming van zijn medische beperkingen in staat vier aan hem voorgehouden functies te vervullen. Zo appellant op de datum in geding al niet beschikte over de voor de functies vereiste bekwaamheden, is niet in te zien dat hij niet in staat kan worden geacht zich deze binnen zes maanden te verwerven.

LJN BV0036 - Toekenning WIA-uitkering na bezwaar. (Immateriële)schadevergoeding. De gestelde schadeposten komen - afgezien van de door het UWV reeds aan appellante toegekende wettelijke rente die hier niet in geding is - niet voor verdergaande vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot de door appellante gevorderde vergoeding van immateriële schade is zij er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij door het besluit van het UWV zodanig heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van haar persoon, waarvoor het UWV schadeplichtig zou zijn.

LJN BV2014 - Weigering IVA-uitkering omdat er geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft het bestreden besluit ten onrechte vernietigd. Verbetering van de belastbaarheid is niet uitgesloten en het UWV heeft op goede gronden geoordeeld dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Dat sprake is van gebrekkige communicatie met betrokkene leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

LJN BV2252 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 58%, onder intrekking van het oorspronkelijke besluit waarbij de arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 80 tot 100%. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, had het, gezien de door het UWV aan betrokkene verstrekte informatie, voor betrokkene redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat het in het oorspronkelijke besluit vermelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100 niet juist was dan wel niet juist kon zijn.

LJN BV2298 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 35,94%. In de situatie van appellante maakt het voor de hoogte van haar uitkering niet uit wat de mate van arbeidsongeschiktheid is, zolang deze ten minste 35% bedraagt. Het hoger beroep wordt wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

LJN BV2335 - Tussenuitspraak. Gedeeltelijke toekenning arbeidsplaatsvoorziening. Nu betrokkene gemotiveerd heeft aangegeven dat twee Belcanto Comfort Plus hoortoestellen in zijn specifieke situatie noodzakelijk zijn, kan het UWV niet zonder nadere motivering volstaan met de toekenning van een gemaximeerd bedrag van €1400,-. De rechtbank had niet zelf in de zaak mogen voorzien nu de vraag welke hoortoestellen voor het UWV de goedkoopste adequate oplossing zijn niet is beantwoord, terwijl er nog onderzoeksmogelijkheden openstaan. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat het op de weg van het UWV ligt om te onderzoeken welke hoortoestellen voor appellant de goedkoopste adequate oplossing zijn.

LJN BV2690 - Vaststelling dagloon WIA-uitkering. De buiten het refertejaar aan appellante betaalde WW-uitkering kan niet bij de berekening van het dagloon worden betrokken. De tekst en de systematiek van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, noch de NvT bij het besluit bieden hiervoor concrete aanknopingspunten.

LJN BV3329 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschuikt wordt geacht. De door de Raad ingeschakelde psychiater heeft zich niet kunnen verenigen met de voor appellante vastgestelde FML. Hij is van mening dat appellante meer beperkt is in haar persoonlijk en sociaal functioneren en niet in staat is om voltijds te werken. Er bestaat geen aanleiding af te wijken van het in vaste rechtspraak besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Het UWV krijgt de opdracht de medische grondslag van het bestreden besluit in overeenstemming te brengen met het oordeel van de deskundige, zo nodig gevolgd door een arbeidskundige rapportage met betrekking tot de vraag of één en ander gevolgen heeft voor de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, dan wel een nader besluit te nemen.

LJN BV3872 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De omstandigheid dat in het kader van de Wsw een urenbeperking aangewezen wordt geacht, brengt geenszins met zich dat ook in het kader van de Wet WIA een urenbeperking noodzakelijk is.

LJN BV6266 - Weigering IVA-uitkering na verkorte wachttijd omdat betrokkene niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht. Op het hier van belang zijnde beoordelingsmoment stond nog niet vast dat de situatie waarin betrokkene verkeerde stabiel dan wel verslechterend zou zijn. Dat betrokkene later in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering doet aan die conclusie niet af. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft appellant derhalve een voldoende zorgvuldig onderzoek verricht en is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd.

LJN BV6330 - Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen evenwel niet bedoeld om door middel van die procedure de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.

LJN BV6619 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De werkgever is na het deskundigenoordeel alsnog tekortgeschoten in haar re-integratieverplichtingen. Uit de aanwezige gedingstukken blijkt evident dat vanaf de datum ziekmelding sprake was van een (ernstig) arbeidsconflict tussen appellant en zijn werkgever. Het had mitsdien voor de hand gelegen dat met name de re-integratie richting een andere werkgever werd ingezet. Dat de werknemer geen contact meer wenste met de werkgever doet daar niet aan af: dit contact had immers via de arbodienst en/of de bedrijfsarts kunnen lopen.

LJN BV8739 - Herziening en terugvordering van zowel WIA- als ZW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband. Het UWV heeft aannemelijk gemaakt dat appellante niet daadwerkelijk gedurende de periode in geding werkzaam is geweest in dienst van het uitzendbureau en over de door haar gestelde periode loon heeft ontvangen, voordat zij een ZW-uitkering aanvroeg.

LJN BV9431 - Tussenuitspraak. Toekenning leefkilometervergoeding. De toekenning van de leefkilometervergoeding is met ingang van 1 september 2008 verlaagd naar de helft van het aanvankelijk aan appellante toegekende normbedrag. Het bestreden besluit is niet goed voorbereid en gemotiveerd. Het UWV heeft geen duidelijkheid kunnen bieden over het aantal kilometers dat appellante met de toegekende taxikostenvergoeding kan reizen. Voorts blijkt uit het arbeidskundig rapport onvoldoende in welke mate appellante op het gebruik van een taxi is aangewezen, zodat evenmin duidelijk is of er, gelet op de individuele omstandigheden van appellante, aanleiding bestaat om van de bandbreedte van 1500 tot 2000 kilometer per jaar af te wijken. Het UWV krijgt de opdracht om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BV9955 - Toekenning WGA-uitkering. Vaststelling eerste ziektedag. Vaststaat dat werkneemster zich op de datum in geding heeft ziek gemeld en dat appellante daarvan op de hoogte was. Dat deze ziekmelding volgens appellante op oneigenlijke grond is geschied, doet aan deze vaststelling niet af. Indien appellante deze ziekmelding betwist, had het op haar weg gelegen actie te ondernemen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts gebrekkig is dan wel dat de daarin gegeven beoordeling over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en het doorlopen van de wettelijke wachttijd onjuist is.

LJN BW0822 - Weigering vervoersvoorziening. Het UWV heeft op goede gronden geconcludeerd dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en heeft de aanvraag van betrokkene voor een vervoersvoorziening terecht afgewezen.

LJN BW1526 - Bekorting loonsanctieperiode. Niet is gebleken dat appellante eerder dan bij de brief in geding een melding heeft gedaan waarbij zij aangeeft dat zij van mening is dat zij haar tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft hersteld. Het UWV heeft binnen drie weken na de melding van appellante het besluit tot bekorting van de loonsanctie afgegeven. Gelet op de wettelijke bepalingen eindigt de loonsanctie niet eerder dan zes weken na dit besluit. Het UWV heeft op juiste wijze toepassing gegeven aan die wettelijke bepalingen.

LJN BW3701 - Herziening WGA-uitkering. Terugvordering wegens inkomsten uit arbeid. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Appellant is er in het toekenningsbesluit in heldere bewoordingen op gewezen dat wijzigingen, waaronder veranderingen in het inkomen, binnen zeven dagen aan het UWV doorgegeven moeten worden. Voorts is bij dat besluit het formulier "Wijzigingen doorgeven" bijgevoegd. Op grond hiervan had het voor appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zijn inkomsten uit arbeid gevolgen zouden (kunnen) hebben voor (de hoogte van) zijn uitkering en dat op hem de plicht rustte om het UWV daarover in te lichten. In geval van twijfel had appellant bij het UWV kunnen informeren naar zijn positie.

LJN BW4823 - Tussenuitspraak. Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit en weigering WIA-uitkering. Met de latere diagnose van het syndroom van Asperger is sprake van een nieuw gebleken feit dat bij de eerdere beoordeling niet bekend was bij de verzekeringsarts (noch bij appellant) en dat destijds ook niet bekend had kunnen zijn, terwijl dit gegeven, ware het destijds bekend geweest, tot een ander besluit had kunnen leiden. Het UWV heeft ten onrechte de door appellant ingediende informatie ten aanzien van de diagnose van het syndroom van Asperger niet aangemerkt als nieuw gebleken feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het UWV dient een nieuw inhoudelijk besluit op bezwaar te nemen.

LJN BW5885 - Weigering arbeidsplaatsvoorziening. Het UWV had gebruik moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb nu, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, de gevolgen van het handelen overeenkomstig het beleid voor betrokkene onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Nu enerzijds het beleid geen uitsluitsel geeft wat onder de duur van de "lange termijn" moet worden verstaan en anderzijds in het geval van betrokkene het nut en effect van het gebruik van de SpeechEasy ten minste voor ruim twee jaar voldoende duidelijk is geworden, moet de SpeechEasy onder deze omstandigheden voor betrokkene worden beschouwd als een adequate en specifieke arbeidsplaatsvoorziening.

LJN BW9129 - Weigering WIA-uitkering omdat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Bij het sluiten van de re-integratieovereenkomst tussen Flexpay en appellante was het doel de re-integratie van appellante. Hieraan is uitvoering gegeven door een sollicitatietraining van vijf dagen, het geven van een werkervaringsplaats bij een incassobureau gedurende vier weken en het doen lopen van stage op een basisschool gedurende een zestal weken. Bij de activiteiten heeft begeleiding plaatsgevonden. Gelet op dit doel van de overeenkomst, de begeleiding en de korte perioden dat daadwerkelijk activiteiten zijn verricht, kan niet worden gesproken van het verrichten van arbeid en heeft mitsdien geen privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van het BW bestaan.

LJN BX1193 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Het UWV was niet bevoegd om een loonsanctie op te leggen. Het UWV heeft niet aangetoond dat het primaire besluit is verzonden. Er is geen sprake van een verzendadministratie en evenmin is op andere wijze gebleken van registratie van uitgaande post. Ook niet staat vast dat het primaire besluit vóór afloop van de wachttijd is bekendgemaakt en derhalve uiterlijk één dag vóór afloop van de wachttijd is verzonden.

LJN BX1215 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De loonsanctie is ten onrechte opgelegd. Er is geen sprake van één van de twee uitzonderingsmogelijkheden om met terugwerkende kracht ten nadele van een betrokkene van een eerder genomen besluit terug te komen. Het bestreden besluit verdraagt zich niet met het herstelkarakter van de loonsanctie. Het UWV heeft op 24 mei 2011 een nader besluit op bezwaar genomen. De loonsanctie wordt bekort tot 4 november 2009 en appellant wordt per gelijke datum een loongerelateerde uitkering ingevolge de Wet WIA toegekend. Ten tijde van het bestreden besluit was niet alleen de wachttijd maar ook het tijdvak waarin de loonbetalingsverplichting was verlengd reeds verstreken. De werkgever werd zodoende de mogelijkheid tot herstel (na 4 november 2009) ontnomen.

LJN BX1634 - Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang. In de situatie van appellant maakt het voor de hoogte van zijn uitkering niet uit wat de mate van arbeidsongeschiktheid is, zolang deze ten minste 35% bedraagt. Het resultaat dat appellant in deze procedure nastreeft, kan geen feitelijke betekenis voor hem hebben.

LJN BX2516 - Tussenuitspraak. Samenloop van Duitse invaliditeitsuitkering en WIA-uitkering. Aan appellant is meegedeeld dat zijn uitkering is berekend onder toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, waarbij ervan uit is gegaan dat appellant in Nederland 6,167 jaar werkzaam is geweest en in Duitsland 32,417 jaar. In totaal is appellant 38,584 jaren verzekerd geweest. Het Nederlandse verhoudingscijfer is daarom 6,167/38,584, zijnde 0,1599. Het UWV heeft ten onrechte de periode dat appellant werkzaam is geweest bij Philips-Duphar niet meegeteld. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BX3578 - Toerekeningsbesluit inzake het risico van de betaling van de WGA-uitkering. Appellante is eigenrisicodrager voor de Wet WIA. Het UWV wordt gevolgd in het standpunt dat het gestelde ontslag van de werknemer alleen op papier heeft bestaan, maar niet daadwerkelijk is doorgevoerd. De aan de werknemer betaalde WGA-uitkeringen vanaf de aanvang van het eigenrisicodragerschap moeten daarom appellante worden toegerekend. Eventuele schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn (nog) niet aan de orde. Deze beginselen kunnen eerst een rol spelen in de fase van verhaal op de werkgever van aan hem toegerekende WIA-uitkeringen.

LJN BX4602 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Naar het oordeel van de Raad had van betrokkene verwacht mogen worden dat was ingezet op arbeidsmogelijkheden binnen de eigen organisatie in de volle breedte. De re-integratieactiviteiten in het eerste en tweede spoor zijn laat opgestart, zeer beperkt geweest en hebben nauwelijks tot concrete resultaten geleid. Voor zover die beperkte resultaten mede zijn beïnvloed door de omstandigheid dat de werknemer onvoldoende meewerkte aan het re-integratietraject, hadden van betrokkene meer acties zoals opschorting en stopzetting van loon mogen worden verwacht om de werknemer te bewegen tot (meer) medewerking aan dit traject. De rechtbank heeft ten onrechte het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen.

LJN BX4606 - Bekorting loonsanctie omdat appellante de tekortkomingen in haar re-integratieverplichtingen heeft hersteld. De rechtbank heeft in beroep van de werkneemster terecht geoordeeld dat de tekortkomingen in de re-integratieverplichtingen niet zijn hersteld. Het standpunt van appellante dat zij redelijkerwijs mocht vertrouwen op het oordeel en de mededeling van het door haar ingeschakelde re-integratiebedrijf kan niet worden gevolgd.

LJN BX4618 - Toekenning schadevergoeding wegens het ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie. In het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit heeft het UWV een nieuw besluit op bezwaar genomen waarin de bij de berekening van de schadevergoeding in acht te nemen termijn van loondoorbetaling is gesteld op tien maanden. In de situatie van appellante waarin de omvang van de schade niet met zekerheid is vast te stellen, is hiermee in overeenstemming dat het UWV bij de berekening van de schadevergoeding enerzijds is uitgegaan van een bij onvoldoende re-integratie-inspanning van de werkgever verplicht op te leggen loonsanctie van 52 weken, maar daarbij anderzijds ook de termijn in aanmerking heeft genomen die de werkgever, ware de loonsanctie opgelegd, nodig zou hebben gehad om het geconstateerde gebrek te herstellen, ervan uitgaande dat de werkgever dit herstel zo spoedig mogelijk zou hebben gemeld en het UWV vervolgens tot bekorting van de loonsanctie zou hebben besloten. De Raad acht dit op zich, althans in het onderhavige geval, een alleszins redelijk uitgangspunt, waarmee appellante niet te kort is gedaan.

LJN BX5944 - Weigering WIA-uitkering wegens gefingeerd dienstverband. Het UWV heeft op goede gronden geconcludeerd dat appellante niet via het schoonmaakbedrijf bij de betreffende twee inleners heeft gewerkt en dat er een toereikende grondslag is voor het standpunt van het UWV dat sprake was van een gefingeerd dienstverband zodat appellante feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht. Gelet op het feit dat het besluit waarbij de ZW-uitkering is beëindigd in rechte is komen vast te staan, is het UWV gehouden om onverschuldigd betaald ziekengeld van appellante terug te vorderen. Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is niet gebleken.

LJN BX6234 - Weigering WIA-uitkering omdat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, aangezien een gezagsverhouding tussen de BV en appellant ontbreekt. Terugvordering van voorschotten. Appellant is algemeen directeur van de BV en als zodanig alleen/zelfstandig bevoegd. Voorts staat vast dat appellant 60% van zijn aandelen in de BV heeft overgedragen aan één van de medewerkers van het bedrijf (de grootaandeelhouder) en de overige 40% zelf heeft behouden. Appellant is ook na de aandelenoverdracht de feitelijke leiding binnen de BV blijven voeren. De grootaandeelhouder hield zich zowel vóór als na de aandelenoverdracht enkel bezig met administratieve werkzaamheden.

LJN BX6452 - Met het nieuwe besluit ter uitvoering van de tussenuitspraak is geheel tegemoetgekomen aan de bezwaren van betrokkene. Proceskostenveroordeling, renteschadevergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.

LJN BX6465 - Weigering medisch onderzoek. De WIA-aanvraag is niet verder in behandeling genomen omdat appellante niet heeft voldaan aan de verplichting mee te werken aan het medisch onderzoek door de verzekeringsarts. Terugvordering van de onverschuldigd betaalde voorschotten ad €8191,53.

LJN BX6542 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Er is geen sprake van een Amber-situatie als bedoeld in artikel 43a van de WAO, waarin appellante na vier weken arbeidsongeschiktheid aanspraak kon maken op heropening van haar eerder ingetrokken WAO-uitkering. Het bestreden besluit berust op zorgvuldig en volledig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Er is geen sprake van een onderschatting van de beperkingen van appellante. Appellante wordt geschikt geacht voor de maatgevende arbeid.

LJN BX6975 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Toelating tot de Wsw-doelgroep heeft geen rechtstreekse betekenis voor de vraag of aanspraak bestaat op een WIA-uitkering. Gegevens die in het kader van de Wsw worden verkregen, kunnen wel worden gebruikt in het kader van de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid. In het geval van appellante waren de Wsw-gegevens te gedateerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft ongemotiveerd het standpunt ingenomen dat er bij appellante geen aanwijzing is dat zij niet acht uur per dag zou kunnen functioneren in bezigheden die voldoen aan de voorwaarden zoals weergegeven in de FML. Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

LJN BX9075 - Weigering vergoeding van doventolkuren. Appellante heeft in strijd met de Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2009 nagelaten voorafgaand aan haar verblijf in Griekenland een aanvraag in te dienen voor vergoeding van de tolkkosten in Griekenland. Het UWV heeft de aanvraag overeenkomstig zijn beleidsregels afgewezen. Het beroep op toepassing van het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Er zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het UWV van zijn beleidsregels had moeten afwijken.

LJN BX9160 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant als directeur-grootaandeelhouder (DGA) niet verzekerd was ingevolge de Wet WIA. Appellant was ten tijde van zijn ziekmelding in het bezit van 87,5% van de aandelen van de BV en na de overdacht van aandelen bij notariële akte is hij in het bezit gebleven van 50% van deze aandelen. Dit betekent dat appellant, gelet op het bepaalde in artikel 2 van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder, in beginsel moet worden aangemerkt als DGA. Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat hij al vanaf begin 2005 ondergeschikt is aan de algemene vergadering van aandeelhouders.

LJN BY1408 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Dat eerst in de bezwaarprocedure is vastgesteld dat de FML niet conform de instructies was ingevuld en dit heeft geleid tot een wijziging van de FML op het item werken in de avond, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een verboden reformatio in peius. De gewijzigde medische grondslag heeft er immers niet toe geleid dat de schattingsuitkomst is gewijzigd. De WGA-uitkering is dan ook niet aangepast. Er is geen twijfel over de juistheid van de beperkingen neergelegd in de FML. De in de geduide functies voorkomende belasting overschrijdt de belastbaarheid van appellant niet en appellant moet in staat worden geacht deze functies te vervullen.

LJN BY4046 - Tussenuitspraak. Verzoek om vergoeding van de geleden schade als gevolg van de opgelegde plicht tot loondoorbetaling in de hoedanigheid van houder van een PGB. Aangezien het UWV zich nog niet heeft uitgelaten over het gehele verzoek om schade, draagt de Raad het UWV op het gebrek te herstellen. Het UWV dient te beoordelen of het bedrag aan vergoeding van wettelijke rente te laag is en of er aanleiding is om overige schade te vergoeden. Alvorens tot herstel over te gaan, dient het UWV appellante in de gelegenheid te stellen haar vordering tot schadevergoeding nader te onderbouwen. Appellante dient hiervoor een termijn te worden geboden van minimaal vier weken.

LJN BY4335 - Tussenuitspraak. Vaststelling dagloon WIA-uitkering. Het dagloon dat met in achtneming van het in de aangifte van het UWV opgenomen terugbetaalde bedrag is vastgesteld, werkt, anders dan met betrekking tot een loonbelastingheffing het geval is, in beginsel door tot zich een eindigingsgrond van de uitkering voordoet. Door aldus te handelen wordt ten aanzien van betrokkene op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de Wet WIA en aan het beginsel dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau van betrokkene. Het UWV dient het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BY5222 - Toekenning IVA-uitkering na beroep bij de rechtbank omdat appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht. Toewijzing van schadevergoeding ad €500,- wegens overschrijding met een halfjaar van de redelijke termijn van vier jaren voor een procedure in drie instanties in een zaak zoals deze.

LJN BY5456 - Vaststelling dagloon WGA-uitkering. Het UWV heeft terecht vastgesteld dat appellante niet valt onder de startersregeling van artikel 6 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen. Er is geen grond aanwezig om de situatie van appellante gelijk te stellen met die van de starter/herintreder zoals deze in dat artikel is beschreven.

LJN BY5959 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het UWV zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Het besluit tot het opleggen van een loonsanctie kan dan ook in rechte geen stand houden.

LJN BY6375 - Schending verbod van reformatio in peius. Als gevolg van de aangevallen uitspraak herleeft het primaire besluit, waarbij was vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering en ontvalt de grondslag aan de door het UWV aan appellante gedane betalingen. Appellante heeft dit met haar beroep niet beoogd. Zulks strijdt met het uit artikel 8:69 van de Awb voortvloeiende verbod van reformatio in peius. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

LJN BY8075 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Weigering oplegging loonsanctie. Vaststaat dat de wachttijd van 104 weken is geëindigd op de datum in geding en dat de aanvraag tot het opleggen van de loonsanctie na afloop van de wachttijd is gedaan. Nu artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA bepaalt dat het UWV de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid uiterlijk zes weken vóór de afloop van de wachttijd geeft, kon het UWV na afloop van de wachttijd geen loonsanctie meer opleggen.

LJN BY9353 - Inkomenseis voor WGA-loonaanvullingsuitkering. Het bestreden besluit berust op zorgvuldig medisch onderzoek. De door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies zijn passend voor appellant. Gezien artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA was het UWV verplicht een inkomenseis van €411,19 per maand te stellen aan appellant.

LJN BZ1179 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Er is in voldoende mate rekening gehouden met de gestelde ernstige vermoeidheid van appellant. De "Standaard verminderde arbeidsduur" is een beleidsstuk van het UWV, inhoudende een instructie aan de verzekeringsartsen van het UWV, waaraan de bestuursrechter bij de vaststelling van de feiten niet is gebonden. Niet is objectief komen vast te staan dat er bij appellant sprake is van vermoeidheidsklachten die nopen tot het stellen van een urenbeperking. Er is geen reden om de medische en arbeidskundige rapportages voor onjuist te houden. De maatman is juist vastgesteld.

LJN BZ2794 - Ingangsdatum loongerelateerde WGA-uitkering. In geschil is uitsluitend de vraag of appellant over de periode van 8 januari 2007 tot 24 april 2007 arbeidsongeschikt is geweest in de zin van de Wet WIA en of in verband daarmee de wachttijd is vervuld op 28 oktober 2008. Ook uit de brief van 8 november 2007 van de gemachtigde van appellant aan de werkgeefster, met daarin een weergave van correspondentie van dat en het daaraan voorafgaande jaar, blijkt dat appellant zijn werkzaamheden per 8 januari 2007 niet volledig heeft hervat. Het is niet onaannemelijk dat appellant ook in de periode van 8 januari 2007 tot en met 23 april 2007 arbeidsongeschikt is geweest.

LJN BZ3672 - Beslaglegging op de WIA-uitkering. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de opvatting van appellant zich niet verdraagt met het in vaste rechtspraak van de Raad neergelegde oordeel dat een bestuursorgaan gehouden is zijn volledige medewerking te verlenen aan een gelegd derdenbeslag. Anders dan appellant in hoger beroep met nadruk heeft staande gehouden, stond het daarom het UWV niet vrij de omvang en de juistheid van het beslag te beoordelen.

LJN BZ4374 - Tussenuitspraak. Toekenning WGA-uitkering en geen IVA-uitkering waarop appellant meent recht te hebben. Het bestreden besluit berust op een ontoereikende motivering omdat de bezwaarverzekeringsarts wel duurzaamheid voor het eerste jaar heeft aangenomen, maar geen inschatting heeft gegeven van de duurzaamheid gedurende het tweede jaar. De na het bestreden besluit gegeven motivering waarom geen sprake is van duurzaamheid is evenmin toereikend. De enkele mededeling dat 70% van de patiënten met een angststoornis goed reageert op behandeling is geen concrete en toereikende onderbouwing van de meer dan geringe kans op herstel, zeker gezien in het licht van het aannemen van duurzaamheid in het eerste jaar. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts niet overtuigend gemotiveerd waarom in de brief van de behandeld psychotherapeut van appellant slechts sprake is van bekende klachten. In die brief is namelijk gemeld dat sprake is van een depressie, een diagnose die niet eerder is gesteld. Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BZ4855 - Loonsanctie wegens te late indiening van de WIA-aanvraag: verlenging van de loondoorbetalingsverplichting met 58 dagen. Appellante stelt dat de zoon van de werknemer al ten tijde in geding een digitaal formulier namens de werknemer heeft ingediend en het re-integratieverslag per post heeft verzonden. Appellante heeft dit echter niet kunnen aantonen. De enkele verklaring van de zoon van de werknemer die appellante heeft overgelegd, acht de Raad daartoe onvoldoende. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden.

LJN BZ4700 - Afwijzing verzoek om herziening omdat hier sprake is van een andere kwalificatie van reeds bekende medische gegevens, hetgeen volgens vaste rechtspraak niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit in de zin van artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb.

LJN BZ6132 - Loonsanctie wegens te late indiening van de WIA-aanvraag en loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Het oordeel van de rechtbank dat het besluit tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting wegens te late WIA-aanvraag een andere wettelijke grondslag heeft dan het loonsanctiebesluit van de datum in geding en dat geen wettelijke regel zich verzet tegen het naast elkaar bestaan van beide besluiten, is in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad. Het UWV stelt bij het vaststellen van de verlenging van de periode van loondoorbetaling vanwege de te late indiening van de WIA-aanvraag op zich niet de plicht van appellante tot doorbetaling van het loon van haar werknemer in civielrechtelijke zin vast, maar verlengt slechts het tijdvak waarin de regels met betrekking tot de loonbetaling tijdens ziekte op grond van artikel 629 van Boek 7 van het BW tussen werkgever en werknemer gelden.

LJN BZ6449 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante in staat wordt geacht meer dan 65% te verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bestreden besluit berust op voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Er is geen sprake van uit ziekte of gebrek voortkomende onmogelijkheid om de Nederlandse taal aan te leren, zodat appellante de geduide functies kan vervullen. Van belang is dat appellante reeds 32 jaar in Nederland woonde en hier aan het arbeidsproces heeft deelgenomen. Wat betreft de opleidingseisen van de functies geldt dat als hoogste opleidingseis in de gebruikte functies wordt gevraagd dat de basisschool moet zijn doorlopen. Appellante heeft in Turkije - alle klassen - normaal lager onderwijs gevolgd en kan derhalve geacht worden aan die eis te voldoen.

LJN CA0052 - Vaststelling dagloon IVA-uitkering. De rechtbank heeft terecht verwezen naar artikel 13 van de Wet WIA en artikel 2 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen en terecht geoordeeld dat het loon waarop appellant volgens de CAO recht had gedurende de referteperiode vorderbaar was. De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat appellant niet heeft aangetoond dat dit loon tijdens de referteperiode niet inbaar was.

LJN CA2439 - Intrekking WGA-uitkering en toekenning WGA-vervolguitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden omdat niet sprake is van een opname, bedlegerigheid of een afhankelijkheid van derden in de zelfverzorging. Appellant heeft dit laatste weliswaar gesteld, maar dit niet aannemelijk gemaakt met objectieve gegevens. Met de voor appellant geldende beperkingen moet appellant in staat worden geacht de geselecteerde functies te verrichten. Door de bezwaararbeidsdeskundige is, overigens eerst in hoger beroep, voldoende inzichtelijk en overtuigend onderbouwd dat de belasting in de geselecteerde functies de in de FML vastgelegde arbeidsbeperkingen niet te boven gaat.

LJN CA2993 - Weigering IVA-uitkering omdat appellante niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht. De bezwaarverzekeringsarts heeft op overtuigende en navolgbare wijze uiteengezet dat het in het kader van de IVA gaat om kansen die een betrokkene heeft om te verbeteren. De bezwaarverzekeringsarts heeft herhaald dat in het geval van appellante prognostisch gunstige factoren zijn dat het appellantes eerste depressie is, zij nog jong is en dat zij voorheen goed heeft gefunctioneerd. Volgens de bezwaarverzekeringsarts geldt bovendien dat nog niet alle effectief bewezen behandelmogelijkheden zijn geprobeerd, zoals EMDR-therapie, cognitieve gedragstherapie en diverse medicatie.

ECLI:NL:CRVB:2013:734 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering, na beroep bij de rechtbank, voor de duur van dertien maanden. Er zijn geen medisch gronden voor het aannemen van een verdergaande urenbeperking. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen dient het dagloon te worden geïndexeerd naar de ingangsdatum van de uitkering met de mate waarin het minimumloon in deze periode werd herzien. In de periode van 20 mei 2007 tot 10 juni 2009 werd het minimumloon totaal verhoogd met 6,18%. Het per 10 juni 2009 geldende dagloon bedraagt € 97,27 en gelet op de wenselijkheid van finale geschilbeslechting zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het dagloon per 10 juni 2009 op dit bedrag vaststellen.

ECLI:NL:CRVB:2013:813 - Toekenning WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat er bij appellant geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, zodat hem terecht een IVA-uitkering is geweigerd. Mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Derhalve dient het onderzoek in deze zaak te worden heropend. Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

ECLI:NL:CRVB:2013:816 - Tussenuitspraak. Ten onrechte weigering WIA-uitkering omdat er geen grondslag is voor het oordeel dat er voldoende en ondubbelzinnige gegevens waren om de volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering aan te nemen. Het UWV dient de gebreken in de twee bestreden besluiten te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2013:819 - Toekenning WGA-uitkering en geen IVA-uitkering waarop appellant meent recht te hebben. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat op de datum in geding sprake is geweest van behandelmogelijkheden met kans op herstel. Aan appellant is terecht geen IVA-uitkering, maar een WGA-uitkering toegekend. Dat achteraf is gebleken dat de behandelingen niet het beoogde resultaat hebben gehad, maakt dat niet anders. Er is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

ECLI:NL:CRVB:2013:867 - Verhaal op eigenrisicodrager. Appellante is terecht aangemerkt als eigenrisicodrager voor de betaling van de WGA-uitkering van de ex-werkneemster over de periode 1 januari 2010 tot 1 juni 2010. Het UWV heeft de aan de (ex-)werkneemster uitbetaalde WGA-uitkering over die periode dan ook terecht op appellante verhaald. Onderschreven wordt het standpunt van de rechtbank dat het bezwaar tegen het toekenningsbesluit niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Over de maanden juni en juli 2010 is geen toekenningsbesluit genomen, hetgeen een onontbeerlijke voorwaarde is voor het nemen van verhaalsbesluiten. Het UWV heeft zonder deugdelijke wettelijke grondslag de verhaalsbesluiten over maanden juni en juli 2010 genomen en gehandhaafd.

ECLI:NL:CRVB:2013:1086 - Weigering WIA-uitkering omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Omvang van het geding. De rechtbank is met haar overweging ten aanzien van het door het UWV beoordelen van eventuele bij betrokkene toegenomen arbeidsongeschiktheid per 23 december 2009 buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil getreden. Met het UWV is de Raad van oordeel dat het onderhavige geschil zich dient te beperken tot de beoordeling van een eventueel recht van betrokkene op een WIA-uitkering per 11 mei 2009. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig te achten. Voldoende is gemotiveerd dat de voorgehouden functies geschikt zijn voor betrokkene.

ECLI:NL:CRVB:2013:1089 - Tussenuitspraak. Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering en IVA-uitkering waarop betrokkene meent recht te hebben. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd. De Raad onderschrijft niet het oordeel van de rechtbank dat het rapport van de door haar geraadpleegde deskundige voldoet aan de eisen van inzichtelijkheid en consistentie. De door de Raad geraadpleegde deskundige geeft aan dat gezien de geringe draagkracht en de toegenomen relatieve hoge draaglast van betrokkene de door het UWV aangenomen urenbeperking uit medisch oogpunt mogelijk een te grote draaglast voor betrokkene zou kunnen zijn en dat hij hierdoor verder kan decompenseren. De door het UWV tegen de bevindingen van de door de Raad benoemde deskundige ingebrachte bezwaren geven geen aanleiding om het oordeel van deze deskundige niet te volgen. De aangepaste FML bevat geen juiste beschrijving van de beperkingen van betrokkene voor het verrichten van arbeid. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

ECLI:NL:CRVB:2013:1134 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant niet verzekerd is voor de Wet WIA. De overeenkomsten strekten niet tot het verrichten van arbeid, maar waren gericht op het aanbieden van en het deelnemen aan re-integratieactiviteiten in de vorm van begeleiding en bemiddeling met als oogmerk de uitstroom van appellant uit de bijstand naar betaalde arbeid. Appellant was dan ook geen verzekerde in de zin van de Wet WIA.

ECLI:NL:CRVB:2013:1588 - Terugvordering en boeteoplegging wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Het UWV heeft voldoende onderzoek gedaan naar de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden en de hoogte van het aan appellant toe te rekenen inkomen. Nu door appellant in beroep noch in hoger beroep ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare inkomensgegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat de schatting onjuist is, ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. Het UWV was gehouden de over de periode in geding onverschuldigd betaalde WGA-uitkering van appellant terug te vorderen. Er was geen sprake van dringende redenen om daarvan af te zien. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden en dat valt hem zowel objectief als subjectief te verwijten. Het UWV was daarom gehouden hem een boete op te leggen. Het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM wordt afgewezen.

ECLI:NL:CRVB:2013:1844 - Weigering WIA-uitkering omdat betrokkene vóór het einde van de wachttijd hersteld is verklaard. De Raad stelt vast dat het UWV er, noch bij het nemen van het primaire besluit, noch bij het nemen van het bestreden besluit blijk van heeft gegeven andere gegevens in de beoordeling betrokken te hebben dan de hersteldverklaring in het kader van de ZW. Pas in hoger beroep heeft het uwv zich de vraag gesteld of na de datum in geding sprake is geweest van het opnieuw intreden van arbeidsongeschiktheid, in welk geval de wachttijd, na een onderbreking, zou kunnen zijn vervuld. De beoordeling die aan het bestreden besluit vooraf is gegaan, is dus onvolledig en daarmee onzorgvuldig geweest. De Raad ziet aanleiding om, anders dan de rechtbank, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

ECLI:NL:CRVB:2013:1887 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 48%. Het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke arbeidskundige onderbouwing. Betrokkene voldoet niet aan de eisen in twee van de vier functies met betrekking tot de beheersing van de Nederlandse taal. In zijn beschrijving van de ondernomen activiteiten vermeldt de consulent van het re-integratiebedrijf de constatering van een school dat de Nederlandse spreekvaardigheid van betrokkene onvoldoende is om les te kunnen geven of om te kunnen assisteren als klassenassistent.

ECLI:NL:CRVB:2013:2069 - Toekenning IVA-uitkering. Anders dan de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts op grond van de in het rapport genoemde feiten en omstandigheden tot het oordeel heeft kunnen komen dat betrokkene steeds arbeidsongeschikt is gebleven voor de maatgevende arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van deze gegevens tot het oordeel kunnen komen dat uitgegaan dient te worden van de datum in geding als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en dat deze arbeidsongeschiktheid vervolgens 104 weken onafgebroken heeft voortgeduurd.

ECLI:NL:CRVB:2013:2083 - Hangende de procedure in hoger beroep heeft het UWV appellant in verband met een verslechtering van zijn gezondheidssituatie aangemerkt als 100% arbeidsongeschikt. Het hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

ECLI:NL:CRVB:2013:2328 - Weigering WIA-uitkering. Het bestreden besluit berust op voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De zienswijze van de behandelend psychiater met betrekking tot de arbeidsmogelijkheden van appellante, erop neerkomend dat het wenselijk zou zijn dat appellante in staat zou worden gesteld om zich bezig te houden met activiteiten die voor haar nog wel haalbaar en in zichzelf al zwaar genoeg zijn, zoals het huishouden doen en zorgen voor haar drie tienerzoons, past niet binnen het beoordelingskader van de Wet WIA.

ECLI:NL:CRVB:2013:2403 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant niet voldoet aan de wachttijd van 104 weken. De Raad is van oordeel dat de besluitvorming van het UWV met betrekking tot het bestreden besluit onzorgvuldig is geweest, omdat deze uitsluitend afhankelijk is gesteld van de omstandigheid dat tijdens de wachttijd eerdere hersteldverklaringen hadden plaatsgevonden. Het bestreden besluit berust op een onzorgvuldige voorbereiding en daardoor ondeugdelijke motivering. Het UWV dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2013:2494 - Boeteoplegging van €2080,- wegens ernstige en herhaalde overtreding van de inlichtingenverplichting. Terugvordering van €20.736,04 aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering. Betrokkene heeft van 1 april 2009 tot 1 november 2010 gewerkt en ontving daarvoor een salaris van ongeveer €1500,- bruto per maand, terwijl haar WIA-uitkering ongewijzigd werd doorbetaald. Het UWV heeft terecht aangevoerd dat betrokkene elke keer dat zij voor haar werk werd betaald, heeft nagelaten het UWV daarvan mededeling te doen.

ECLI:NL:CRVB:2013:2506 - Loonsanctie. Door appellante zijn zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht in het tweede spoor (andere werkgever). Er heeft geen voldoende systematisch onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijkheden binnen het eerste spoor. Daarbij is van belang dat de re-integratie-inspanningen zich niet dienen te beperken tot de functies die op dat moment beschikbaar zijn. Appellante had zich in een eerder stadium (tevens) op het tweede spoor moeten richten. De re-integratie binnen het tweede spoor had bovendien meer voortvarend moeten worden aangepakt.

ECLI:NL:CRVB:2013:2577 - Terugvordering van te veel betaald voorschot. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat er geen enkele aanwijzing is te vinden voor een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging. Dat het UWV geen gevolg heeft gegeven aan aanvragen van appellant om met toepassing van artikel 6, derde lid, van het Inkomensbesluit WIA tot de door appellant voorgestane berekening van de voorschotten over te gaan, leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze bepaling het UWV niet tot deze berekeningswijze verplicht.

ECLI:NL:CRVB:2013:2674 - Toekenning schadevergoeding als gevolg van het ten onrechte doorbetalen van loon, vermeerderd met werkgeverslasten en vakantiegeld en wettelijke rente. Geen schadevergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met het voeren van twee kortgedingprocedures en van een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

ECLI:NL:CRVB:2013:2678 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering en geen IVA-uitkering waarop appellant meent recht te hebben. De Raad oordeelt dat de inschatting van de bezwaarverzekeringsarts van de kans op herstel van appellant in het eerste jaar na einde wachttijd en daarna niet berust op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij appellant aan de orde zijn. De Raad voorziet op de voet van artikel 8:72, derde lid, onderdeel b, van de Awb zelf in de zaak en bepaalt dat appellant met ingang van de datum in geding recht heeft op een IVA-uitkering.

ECLI:NL:CRVB:2013:2684 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De overstap van het eerste naar het tweede spoor (andere werkgever) was volgens het UWV voorbarig. Uit een beoordeling van de gedingstukken blijkt de Raad dat de werknemer lijdt aan een progressieve, niet-behandelbare neurologische aandoening. De werknemer is niet in staat zijn eigen werk duurzaam te verrichten en in het bedrijf zijn geen andere passende functies. Het standpunt van het UWV dat de werkgever desondanks had moeten blijven inzetten op re-integratie van de werknemer in het eerste spoor wordt dan ook niet gevolgd. Het besluit tot het opleggen van een loonsanctie aan betrokkene is terecht door de rechtbank vernietigd.

ECLI:NL:CRVB:2013:2715 - Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van procesbelang. Appellant heeft wel degelijk procesbelang ten aanzien van het besluit tot toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35 tot 80%. Appellant claimt immers volledig arbeidsongeschikt te zijn. Indien de mate van arbeidsongeschiktheid zou worden vastgesteld op 80 tot 100% ten aanzien van de loongerelateerde periode, heeft dit gevolgen voor de inkomenseis die van belang is na afloop van de loongerelateerde periode. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak, maar verklaart het beroep ongegrond.

ECLI:NL:CRVB:2014:12 - Tussenuitspraak. Terugvordering van ten onrechte verstrekte voorschotten op de WIA-uitkering. Het standpunt van het UWV dat hij verplicht is de voorschotten terug te vorderen (behoudens bij dringende reden), verdraagt zich niet met het per 1 juli 2009 gewijzigde wettelijk stelsel, waarbij de terugvordering van in het kader van de Wet WIA verstrekte voorschotten wordt beheerst door artikel 4:95, vierde lid, van de Awb. Dit betekent dat bij de terugvordering een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb had moeten plaatsvinden. Nu daarvan geen sprake is geweest, oordeelt de Raad dat het bestreden besluit reeds om deze reden in rechte geen stand kan houden. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2014:221 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Uit de stukken is gebleken - en dit is desgevraagd ter zitting bevestigd - dat de bedrijfsarts de werknemer na januari 2011 niet meer heeft gezien en appellante na januari 2011 geen activiteiten richting re-integratie van haar werknemer meer heeft ondernomen. Ook heeft appellante geen stappen gezet om haar werknemer te dwingen om aan zijn re-integratie mee te werken en de afspraken met de bedrijfsarts na te komen.

ECLI:NL:CRVB:2014:222 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Weigering bekorting loonsanctie omdat de tekortkoming in de re-integratie-inspanningen niet is hersteld door betrokkene. Nu het traject in het tweede spoor (andere werkgever) op het moment van het verzoek om bekorting van de loonsanctie nog niet eens een aanvang had genomen, laat staan dat het was afgerond, heeft het UWV terecht besloten de loonsanctie niet te bekorten. Het door betrokkene ingenomen standpunt dat haar geen verwijt treft omdat het eerder door haar ingeschakelde re-integratiebedrijf failliet is gegaan, leidt niet tot een ander oordeel. Van de zijde van betrokkene is geen inzicht verschaft over het moment van inschakeling van dat re-integratiebedrijf, noch van de inhoud van het overeengekomen trajectplan voor het tweede spoor of van het stadium waarin de uitvoering daarvan ten tijde van het faillissement verkeerde.

ECLI:NL:CRVB:2014:317 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder deugdelijke grond: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Het standpunt van het UWV komt er in het kort op neer dat gegeven de benutbare mogelijkheden bij de werknemer appellante in het kader van de re-integratie-inspanningen na het deskundigenoordeel te laat en onvoldoende re-integratie-activiteiten in het tweede spoor (andere werkgever) heeft opgestart. Het beroep op de betrekkelijk korte afwezigheid van de werknemer wegens detentie slaagt niet.

ECLI:NL:CRVB:2014:335 - Eigenrisicodrager. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat het toerekeningsbesluit in rechte onaantastbaar is geworden nu appellante daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Dit heeft tot gevolg dat appellante overeenkomstig de artikelen 82, eerste lid, en 84, eerste lid, van de Wet WIA het risico van de betaling van de over de in geding zijnde periode aan werkneemster toegekende WGA-uitkering draagt.

ECLI:NL:CRVB:2014:342 - Weigering vergoeding kosten van hoortoestellen omdat niet is voldaan aan de eis dat de voorziening vrijwel uitsluitend moet zijn geïndiceerd voor de werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend kan worden gebruikt voor of in de werksituatie. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige, zodat appellant zijn standpunt op die bevindingen mocht baseren.

ECLI:NL:CRVB:2014:509 - Weigering verkorting loonsanctie. Vastgesteld moet worden dat appellante in de periode na oplegging van de loonsanctie tot de datum in geding geen stukken heeft overgelegd, noch op andere wijze heeft aangegeven dat nieuwe dan wel andere re-integratieactiviteiten zijn opgestart die zouden kunnen leiden tot een bekorting van de loonsanctie. Het UWV heeft dan ook terecht besloten de loonsanctie niet te verkorten.

ECLI:NL:CRVB:2014:777 - Toekenning WGA-uitkering. Onrechtmatige overheidsdaad. De Raad is van oordeel dat in een situatie als hier aan de orde waarbij in bezwaar de eerder vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80% die ten grondslag ligt aan de loongerelateerde WGA-uitkering alsnog wordt gewijzigd in meer dan 80%, sprake is van een wijziging van de rechtspositie van betrokkene en aldus sprake is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb. Anders dan de rechtbank, oordeelt de Raad dat sprake is van een herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, herroept de Raad het primaire besluit.

ECLI:NL:CRVB:2014:779 - Weigering WIA-uitkering. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant niet in staat zou zijn de hem voorgehouden functies te vervullen. Een Wsw-indicatie betekent niet dat appellant niet tot het verrichten van eenvoudige werkzaamheden in het vrije bedrijf in staat kan worden geacht.

ECLI:NL:CRVB:2014:859 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bestreden besluit berust op voldoende medische grondslag. De arbeidskundige grondslag is niet deugdelijk gemotiveerd. Het UWV heeft ten onrechte aangenomen dat de combinatie van opleiding en ervaring van appellante zodanig is dat deze op één lijn mag worden gesteld met het voltooien van basisonderwijs. Nu de arbeidsongeschiktheidsberekening is gebaseerd op functies die alle opleidingsniveau 2 vereisen en waarin appellante onder meer schriftelijke werkopdrachten moet kunnen lezen, kan niet worden aangenomen dat appellante voldoet aan de functie-eisen behorend bij de geselecteerde functies. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2014:972 - Weigering wijziging ingangsdatum van de toegekende IVA-uitkering omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat er op grond van de beschikbare (medische) gegevens onvoldoende redenen aanwezig zijn om te oordelen dat het UWV ten onrechte de eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft vastgesteld op de datum in geding.

ECLI:NL:CRVB:2014:1057 - Toekenning door de rechtbank van een WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank terecht en op basis van een juiste motivering geconcludeerd dat de functie van medewerker tuinbouw niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Anders dan het UWV in hoger beroep heeft aangevoerd, is de Raad van oordeel dat sprake is van een ontoelaatbare relativering van de in de FML verwoorde belastbaarheid op het item staan.

ECLI:NL:CRVB:2014:1147 - Verzet tegen onbevoegdverklaring van de Raad. Terechte niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Volgens vaste rechtspraak is doorbreking van het verbod van hoger beroep (alleen) mogelijk als sprake is van evidente schending van eisen van goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. De geschetste gang van zaken bij de rechtbank biedt voor dit oordeel geen grondslag. Van excessief formalisme is evenmin sprake. Indien op correcte wijze griffierecht is geheven en het griffierecht wordt onverschoonbaar niet of te laat betaald, dan levert dat een in de rechtspraak algemeen aanvaarde grond voor niet-ontvankelijkverklaring op.

ECLI:NL:CRVB:2014:1167 - Toekenning WGA-uitkering en geen IVA-uitkering waarop appellant meent recht te hebben. Omdat appellant veroordeling van het UWV tot vergoeding van de wettelijke rente had gevorderd, heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 2 terecht ongegrond verklaard.

ECLI:NL:CRVB:2014:1268 - Weigering vergoeding loonschade ten gevolge van het niet opleggen van een loonsanctie aan de werkgever. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het UWV zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de periode in geding van voor vergoeding in aanmerking komende loonschade niet is gebleken. Het aan betrokkene toekomende bedrag aan wettelijke rente in verband met te late betaling van WIA-uitkering is niet juist berekend.

ECLI:NL:CRVB:2014:1325 - Intrekking WIA- en TW-uitkering met terugwerkende kracht en terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering. Het bestreden besluit berust op zorgvuldig medisch onderzoek en voldoende medische grondslag. Simulatie van klachten: degene die een ziekte voorwendt, kan weten dat hij ten onrechte een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Er zijn geen dringende redenen om van intrekking af te zien.

ECLI:NL:CRVB:2014:1596 - Toekenning WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. De bevindingen van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige inzake het chronischevermoeidheidssyndroom van appellant komen in grote lijnen overeen met de bevindingen van de door appellant geraadpleegde artsen. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het UWV in de FML verdergaande beperkingen had moeten aannemen. De geduide functies worden geschikt geacht.

ECLI:NL:CRVB:2014:1601 - Tussenuitspraak. Ingangsdatum IVA-uitkering met verkorte wachttijd nu betrokkene vanaf de datum in geding als grensarbeider na 78 weken geen uitkering meer ontving uit Duitsland. Nu de aanvraag voor een WW-uitkering van betrokkene, zeker na de contacten met de medewerkers van het UWV, duidelijk de strekking had om voor hem de gevolgen van het zogenoemde WIA-gat zo mogelijk op te lossen, had het UWV, mede gelet op het door het UWV gehanteerde beleid om in gevallen als het onderhavige het nationale recht waar mogelijk verdragsconform uit te leggen, die aanvraag mede moeten aanmerken als een aanvraag om een verkorte wachttijd voor de Wet WIA. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2014:1729 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 80%. Appellante heeft met succes aangevoerd dat de werknemer ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering omdat hij wat zijn fysieke aandoening betreft is uitbehandeld. De Raad stelt op grond van het rapport van de arbeidsdeskundige vast dat, wat er ook verder zij van een eventuele verbetering van de overige lichamelijke en psychische beperkingen van de werknemer, reeds de blijvende beperking van de rugbeweeglijkheid tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid van werknemer leidt, omdat er voor de werknemer geen passend werk is waarin niet meer dan 15º getordeerd behoeft te worden. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat de werknemer met ingang van de datum in geding in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.

ECLI:NL:CRVB:2014:1757 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. De wijziging in arbeidsduur is met ingang van 1 juni 2008 een weloverwogen, gezamenlijke keuze van de werkneemster en haar werkgever geweest. Het UWV heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de bedongen arbeid is gewijzigd, dat ten gevolge daarvan met ingang van 8 april 2009 een nieuwe periode van verplichte loondoorbetaling als bedoeld in artikel 7:629 van het BW is ontstaan en dat de daaruit ontvangen inkomsten in mindering moeten worden gebracht op de uitkering van de werkneemster. Het hoger beroep van het UWV slaagt derhalve.

ECLI:NL:CRVB:2014:2007 - Weigering WIA-uitkering. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht de betaling van niet-genoten vakantiedagen buiten beschouwing heeft gelaten bij de vaststelling van het maatmaninkomen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit verband voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid sprake was van een structureel genoten loonelement. Voorts oordeelt de Raad dat de begrippen maatmaninkomen en dagloon van elkaar verschillen; het gebruik ervan is gebaseerd op verschillende wettelijke bepalingen en zij dienen ook niet dezelfde doelen. Dit betekent dat het UWV bij de vaststelling van het maatmaninkomen terecht niet heeft aangesloten bij de berekeningswijze van het dagloon.

ECLI:NL:CRVB:2014:2512 - Toekenning WGA-vervolguitkering waarbij de arbeidsongeschiktheidsklasse ongewijzigd is vastgesteld op 35 tot 45%. In hoger beroep is komen vast te staan dat aan de onderhavige schatting voldoende geschikte functies ten grondslag kunnen worden gelegd. Op basis van deze drie functies wijzigt de bij het bestreden besluit vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse niet. De in het bestreden besluit vastgestelde verdiencapaciteit wijzigt daarentegen wel, omdat thans een andere functie aan de schatting ten grondslag wordt gelegd dan aanvankelijk het geval was. Aangezien deze (resterende) verdiencapaciteit van belang is voor de vaststelling van de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit om deze reden in rechte geen stand kan houden. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid en de verdiencapaciteit van betrokkene wordt vastgesteld op respectievelijk 43,15% en €1955,-.

ECLI:NL:CRVB:2014:2519 - Tussenuitspraak. Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 100% en niet de door appellant gevraagde IVA-uitkering. De raadpleging van een arbeidsdeskundige strekt in een geval als het onderhavige niet tot beoordeling van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid - het beoordelen van de duurzaamheid van beperkingen is en blijft een uitsluitende taak van de verzekeringsarts -, maar strekt louter tot beantwoording van de vraag of niet reeds de door de verzekeringsarts als blijvend aangemerkte arbeidsbeperkingen tot volledige arbeidsongeschiktheid leiden. De medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd.

ECLI:NL:CRVB:2014:2685 - Tussenuitspraak. Toekenning WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 47,21%. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is de fictie dat appellant Nederlands kan "leren" spreken en verstaan niet van toepassing, omdat het gaat om een functie met een opleidingseis uitstijgend boven afgerond basisonderwijs, namelijk VMBO-niveau. Nu appellant geen Engels of Duits spreekt en bovendien het Nederlands onvoldoende beheerst, is de functie van beveiliger in een museum dan ook ten onrechte aan de schatting ten grondslag gelegd. Het bestreden besluit berust op een gebrekkige arbeidskundige motivering.

ECLI:NL:CRVB:2014:2859 - Vaststelling hoogte dagloon. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat appellant en zijn werkgever, ter beëindiging van hun geschil, zijn overeengekomen dat zij alle vorderingen tegenover elkaar intrekken. Dit betekent dat niet gebleken is van vorderbaar loon in het refertejaar jegens appellants voormalige werkgever. Appellant heeft evenmin aangetoond dat het loon waarop hij aanspraak meende te hebben, in het refertejaar niet inbaar was. Niet gebleken is dat hij zijn voormalige werkgever in het refertejaar op niet mis te verstane wijze heeft gemaand het volgens hem ten onrechte niet betaalde loon aan hem uit te keren. Appellant heeft zelfs geen loonvordering ingediend in het faillissement. Het UWV heeft het dagloon dan ook terecht vastgesteld op basis van de loongegevens van de werkgever.

ECLI:NL:CRVB:2014:2994 - Ingangsdatum WIA-uitkering na indiening van een onvolledige aanvraag. Nu appellant naar aanleiding van de brief van het UWV waarin was vermeld dat hij vóór de datum in geding een WIA-uitkering kon aanvragen een (nagenoeg compleet) re-integratieverslag heeft opgestuurd, blijkt hieruit voldoende duidelijk dat appellant beoogde een WIA-uitkering aan te vragen. Daarbij is van belang dat het gebruik van een aanvraagformulier geen vereiste is op grond van de Awb en de Wet WIA. Een niet op de juiste wijze ingediende of niet-volledige aanvraag kan worden afgehandeld op de wijze die in artikel 4:5 van de Awb is voorzien, hetgeen van invloed kan zijn op de termijn waarop beslist kan worden op de aanvraag, maar niet op de ingangsdatum van de toe te kennen uitkering.

ECLI:NL:CRVB:2014:3159 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder deugdelijke grond: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Het standpunt van appellante dat de termijn van de loonsanctie sowieso dient te worden bekort nu het loonsanctiebesluit te laat is afgegeven, wordt niet gevolgd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, brengt een consistente toepassing van artikel 25, negende tot en met het veertiende lid, van de Wet WIA mee dat ook aan het te laat nemen van het loonsanctiebesluit slechts gevolgen worden verbonden voor zover alsnog herstel van de tekortkoming heeft plaatsgevonden. Ter bevestiging en verduidelijking van de eerdere jurisprudentie van de Raad wordt thans vastgesteld dat uit het systeem van de wet volgt dat voor een verkorting conform het veertiende lid van artikel 25 van de Wet WIA van de loonsanctieperiode van 52 weken, vanwege vertraging in de besluitvorming bij het loonsanctiebesluit dan wel het te nemen besluit naar aanleiding van een hersteldmelding, eerst plaats is indien de werkgever overeenkomstig het daaraan voorafgaande twaalfde lid van artikel 25 van de Wet WIA een melding doet dat hij zijn tekortkomingen in de re-integratieverplichtingen heeft hersteld en deze melding heeft geleid tot een besluit van het UWV waarbij is aangegeven dat zijn tekortkomingen zijn hersteld.

ECLI:NL:CRVB:2014:3160 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bestreden besluit berust op voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt bij een theoretische schatting, zoals hier aan de orde, uitgegaan van alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is te achten. De persoonlijke - al dan niet op geloof gebaseerde - overtuiging van de betrokkene speelt daarbij geen rol, omdat een theoretische schatting niet verplicht tot de daadwerkelijke vervulling van welke van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies ook.

ECLI:NL:CRVB:2014:3495 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV heeft de beperkingen voor arbeid van appellante zorgvuldig en juist beoordeeld. In het bestreden besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 70,78% en is tevens de resterende verdiencapaciteit gewijzigd. Aangezien de resterende verdiencapaciteit van belang is voor de vaststelling van de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis, is met de wijziging van de resterende verdiencapaciteit ook een verandering in de rechtspositie van appellante aangebracht. Er is sprake van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Hieruit volgt dat het UWV ten onrechte het bezwaar van appellante ongegrond heeft verklaard en ten onrechte heeft geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden.

ECLI:NL:CRVB:2014:4323 - Toekenning loonaanvullingsuitkering. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat in dit geval artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA niet van toepassing is. Het opschrift van dat artikel komt niet meer betekenis toe dan dat de inkomenseis alleen van betekenis is voor een loonaanvullings- of vervolguitkering van de WGA-uitkering, maar wordt in het tweede lid van dat artikel met betrekking tot het tijdstip met ingang waarvan de inkomenseis wordt herzien geen onderscheid gemaakt naar de soort van WGA-uitkering die de verzekerde ontvangt op het moment waarop de wijziging van de resterende verdiencapaciteit is ingetreden.

ECLI:NL:CRVB:2014:4461 - Intrekking WGA-uitkering omdat appellante per datum in geding minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het beroep op de uitlooptermijn van één jaar als bedoeld in artikel 56, derde lid, van de Wet WIA faalt. Deze termijn van één jaar begint te lopen vanaf het moment van aanvang van de werkzaamheden, dat wil zeggen het moment waarop, op basis van de inkomsten uit de werkzaamheden, de mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%. Dit is een feitelijk moment. Het gaat om het moment waarop feitelijk verdiensten van een zodanige omvang worden genoten. In de voorliggende situatie is het overigens voor appellante vanaf de ingangsdatum van de WIA-uitkering duidelijk geweest dat de uitkering slechts was toegekend om te beoordelen of appellante de werkzaamheden duurzaam kon verrichten.

ECLI:NL:CRVB:2015:114 - Weigering WIA-uitkering. Het UWV heeft de WIA-aanvraag op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel volgens de rechtbank niet hoeven aanmerken als een aanvraag in de zin van artikel 2:15, eerste lid, van de Wet Wajong. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant een aanvraag voor een WIA-uitkering heeft ingediend en niet voor een Wajong-uitkering. Deze WIA-aanvraag bood voor het UWV geen aanknopingspunten om de aanvraag ook als Wajong-aanvraag aan te merken. Daarnaast had appellant ten tijde van het bestreden besluit al drie aanvragen ingediend voor een Wajong-uitkering waarop het UWV heeft beslist.

ECLI:NL:CRVB:2015:138 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 62,23%. De belastbaarheid van appellant is niet overschat. De geschiktheid van de geselecteerde functies is afdoende gemotiveerd. De herberekening van de urenomvang van de maatman levert een zeer miniem verschil op nu het arbeidsongeschiktheidspercentage hierdoor is gewijzigd van 62,23 naar 62,31. De enkele, zeer minieme, bijstelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage zonder wijziging in de vastgestelde resterende verdiencapaciteit heeft geen enkele consequentie voor de hoogte van de uitkering van appellant.

ECLI:NL:CRVB:2015:185 - Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De intrekking van de bij nader besluit toegekende WGA-uitkering ontbeert een deugdelijke medische grondslag. De door de Raad geraadpleegde psychiaters concluderen in hun rapport tot de aanwezigheid van meer beperkingen, aangezien appellante leed aan een ernstige depressieve stoornis met atypische psychotische kenmerken. Daarnaast is sprake van lichte zwakzinnigheid. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van de datum in geding ongewijzigd wordt vastgesteld op 80 tot 100%. Veroordeling tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

ECLI:NL:CRVB:2015:202 - Administratieve loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Met de vaststelling dat het re-integratieverslag compleet is geworden met het van de werknemer ontvangen document en het UWV dus beschikt over alle voorgeschreven stukken, is het stadium gepasseerd waarin aan appellante een administratieve loonsanctie kon worden opgelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA kan nu geen loonsanctie wegens eventuele inhoudelijke tekortkomingen meer worden opgelegd. De Raad voorziet zelf in de zaak en herroept het besluit waarbij aan appellante de verplichting tot doorbetalen van loon aan de werknemer is opgelegd.

ECLI:NL:CRVB:2015:298 - Geen oplegging loonsanctie omdat de werkgever heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Bij de mogelijkheden van de werknemer om op te komen tegen het oordeel van het UWV over de re-integratie-inspanningen en om te verzoeken om vergoeding van schade als een loonsanctie ten onrechte achterwege is gebleven, is anders dan voorheen tot uitgangspunt genomen dat het UWV zijn beoordeling van de re-integratie-inspanningen niet alleen moet neerleggen in een beschikking als aan de werkgever een loonsanctie wordt opgelegd, maar dat het UWV ook gehouden is een beschikking te geven als voor een loonsanctie geen grond is. Hiermee is aangesloten bij de huidige praktijk van het UWV. Ook als in verband met artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA geen loonsanctie meer kan worden opgelegd, behoudt de werknemer belang bij een oordeel over de re-integratie-inspanningen van de werkgever als hij te kennen heeft gegeven dat hij de schade vergoed wil hebben die het gevolg is van het volgens hem ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie.

ECLI:NL:CRVB:2015:486 - Tussenuitspraak. Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Het door appellant in geding gebrachte expertiserapport getuigt van een zorgvuldig verricht en diepgaand onderzoek waarbij op basis van anamnese, fysiek onderzoek van appellant en bestudering van de medische informatie tot inzichtelijke en consistente conclusies is gekomen. Hetgeen de verzekeringsarts tegen het expertiserapport heeft ingebracht, is mede gelet op het weinig inhoudelijke karakter van de in de betreffende rapporten vervatte reacties onvoldoende om de uitgebreide en inzichtelijke afwegingen en conclusies in het expertiserapport te weerleggen, waardoor deze rapporten overtuigingskracht missen. Het bestreden besluit berust op een onvoldoende deugdelijke medische grondslag en is daarom ontoereikend gemotiveerd.

ECLI:NL:CRVB:2015:683 - Weigering vervoersvoorziening. Appellante heeft structurele functionele beperkingen. Het UWV heeft de aanvraag terecht afgewezen op de grond dat de opleiding verpleegkunde aan Hogeschool 1 een adequate opleiding voor appellante is. Vanuit praktisch oogpunt is een opleiding bij Hogeschool 2 voor appellante wellicht wenselijk, maar dit kan in deze zaak geen rol spelen nu appellante niet medisch geobjectiveerd aannemelijk heeft gemaakt dat de opleiding aan Hogeschool 1 geen adequate opleiding voor haar is.

ECLI:NL:CRVB:2015:810 - Geen oplegging loonsanctie omdat de werkgever heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Appellant stelt schade te hebben geleden door het ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie aan zijn werkgever. Ten tijde van het verzoek om schadevergoeding was de beslissing om geen loonsanctie op te leggen reeds neergelegd in het besluit tot toekenning van de WGA-uitkering. Voor vergoeding van de gestelde schade kan slechts plaats zijn indien het toekenningsbesluit als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Nu tegen dat besluit geen rechtsmiddelen zijn aangewend, heeft het besluit formele rechtskracht gekregen. Er is geen aanleiding voor een uitzondering op de formele rechtskracht.

ECLI:NL:CRVB:2015:921 - Toekenning IVA-uitkering, waarop 70% van het loon dat appellante aan de werkneemster heeft betaald in mindering wordt gebracht. Slechts voor zover het loon een rechtstreekse beloning vormt voor bepaalde arbeid of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid is sprake van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en maakt het deel uit van het sociaalverzekeringsrechtelijke loonbegrip. Indien een werkgever loon betaalt in een situatie waarin daarvoor geen uit de arbeidsovereenkomst en het BW voortvloeiende verplichting valt aan te wijzen, is dat loon niet aan te merken als tegenprestatie voor verrichte arbeid. Er is dan sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking. Het UWV heeft ten onrechte bij de berekening van de IVA-uitkering een bedrag van 70% van het door de werkgeefster doorbetaalde loon in mindering gebracht op het bedrag dat is berekend als het WIA-maandloon van de werkneemster. De Raad voorziet zelf in de zaak.

ECLI:NL:CRVB:2015:926 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. In de talrijke verzekeringsgeneeskundige rapporten die het UWV vanaf het bezwaar van appellante tot in hoger beroep als onderbouwing heeft gegeven, is nog steeds geen toereikende motivering te vinden van de opvatting dat appellante is afgegaan op een onjuist advies van haar bedrijfsarts en om die reden re-integratiekansen heeft gemist. De Raad komt daarom tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit niet in stand kunnen blijven.

ECLI:NL:CRVB:2015:1096 - Tussenuitspraak. Intrekking WGA-uitkering omdat appellante na herbeoordeling minder dan 35% arbeisdsongeschikt wordt geacht. Bij het laatste verzekeringsgeneeskundig heronderzoek is op aspect 1.9.3 niet langer een beperking in de FML opgenomen. Weliswaar staat het een verzekeringsarts vrij om op basis van de eigen beoordeling tot een andere inschatting van de belastbaarheid te komen dan bij een eerdere beoordeling, maar dit neemt niet weg dat in een situatie als de onderhavige, waarin bij een eerdere beoordeling is vastgesteld dat betrokkene is aangewezen op werk dat onder directe begeleiding wordt verricht, van welke beperking ter zitting van de zijde van het UWV is onderkend dat deze van grote betekenis kan zijn voor de mogelijkheid om functies te kunnen duiden, het niet langer aannemen van zo’n beperking deugdelijk gemotiveerd dient te worden. Een dergelijke motivering is in de verzekeringsgeneeskundige rapporten niet gegeven.

ECLI:NL:CRVB:2015:1112 - Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering WGA-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Het UWV heeft ten onrechte geconcludeerd dat op basis van de uit de waarnemingen verkregen gegevens, in samenhang met de tijdens het onderzoek alsnog door appellant verstrekte informatie, geen verantwoorde schatting kan worden gemaakt van de met de door appellant verrichte werkzaamheden verworven inkomsten. Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door alsnog de schatting te verrichten en zo nodig een nieuw besluit te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2015:1295 - Intrekking IVA-uitkering met terugwerkende kracht en terugvordering omdat appellant bij de onderzoeken door verzekeringsartsen van het UWV een onjuist beeld heeft gegeven van zijn medische toestand. De Raad oordeelt dat niet voldoende is onderbouwd dat appellant met opzet, te weten met het doel een WIA-uitkering te verkrijgen, zich tijdens de onderzoeken door de verzekeringsartsen anders heeft voorgedaan dan op grond van zijn medische toestand op dat moment in de rede lag. De Raad herroept de besluiten waarbij aan appellant het recht op een WIA-uitkering is ontzegd en betaalde uitkeringen zijn teruggevorderd.

ECLI:NL:CRVB:2015:1316 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De Raad oordeelt dat de bestreden besluiten berusten op voldoende medische grondslag en duiding van een voldoende aantal geschikte functies. De bijgeduide functie valt binnen de belastbaarheid van appellant. Het alsnog meenemen van de zogenoemde zomerbonus in de berekening van het maatmaninkomen leidt niet tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is met bijna acht maanden overschreden, hetgeen leidt tot veroordeling van de Staat en het UWV tot betaling van een schadevergoeding aan appellant van €500,- ieder.

ECLI:NL:CRVB:2015:1401 - Vaststelling dagloon WGA-uitkering. Appellant heeft zijn werkgever slechts mondeling aangesproken op de nakoming van de uit de CAO voortvloeiende verplichtingen. Appellant kan daarvan echter geen bewijs leveren. Er kan dus niet worden vastgesteld of de werkgever in het refertejaar op niet mis te verstane wijze door appellant is gemaand het vorderbare loon uit te keren. Het in 2010 inschakelen van de vakbond door appellant en de in dat verband in dat jaar door de vakbond gegeven adviezen, hebben in dit verband geen betekenis. Appellant heeft in het hogerberoepschrift terecht erover geklaagd dat de rechtbank niet heeft beslist over wat hij in beroep tegen de in het bestreden besluit opgenomen grond heeft aangevoerd. De Raad doet dit alsnog op grond van de thans beschikbare gegevens.

ECLI:NL:CRVB:2015:1476 - Weigering IVA-uitkering en toekenning WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 39%. Het bestreden besluit berust op zorgvuldig medisch onderzoek. De beperkingen van appellant zijn niet onderschat en zijn juist neergelegd in de FML. De arbeidsdeskundige heeft inzichtelijk en overtuigend toegelicht dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. Uitgegaan kan worden van de juistheid van de CBBS-gegevens. Ten aanzien van de beheersing van de Nederlandse taal wordt opgemerkt dat het om betrekkelijk eenvoudig productiewerk gaat, waarbij slechts basale kennis van de Nederlandse taal wordt vereist.

ECLI:NL:CRVB:2015:1558 - Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering en geen IVA-uitkering omdat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de zorgvuldigheid en de juistheid van de medische oordeelsvorming. Appellantes beperkingen zijn niet onderschat. Appellante wordt geschikt geacht voor de geselecteerde functies. De omstandigheid dat de bedrijfsarts appellante op enkele vlakken verdergaand beperkt heeft geacht dan de verzekeringsarts geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

ECLI:NL:CRVB:2015:1718 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het UWV op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat niet is gebleken van een besluitvormingsproces dat strijdig is met de Awb. Er is geen reden voor twijfel aan de door het UWV ter zitting gegeven beschrijving van de rol van de BLLC in een bezwaarprocedure ten behoeve van de interne coördinatie van loonsanctiezaken en van het verloop van de bezwaarprocedure in het geval van appellante.

ECLI:NL:CRVB:2015:1724 - Vaststelling dagloon IVA-uitkering. Volgens appellante is het dagloon te laag vastgesteld vanwege het niet meenemen van overuren. De rechtbank heeft aan haar oordeel over de hoogte van het dagloon ten grondslag gelegd dat de door appellante gestelde loonvordering niet vorderbaar is. Omdat dit een andere grond is dan aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, zal de Raad hierover alsnog een oordeel geven. Vaststaat dat appellante de werkgeefster niet heeft gemaand het loon over de 349,5 overuren aan haar uit te betalen en dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarden om toepassing te geven aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen.

ECLI:NL:CRVB:2015:1852 - Intrekking WIA-uitkering omdat appellant niet langer ten minste 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De beperkingen zijn in de FML niet onderschat. Toelating tot de doelgroep van de Wsw, gelet op het gegeven dat hierbij een ander toetsingskader wordt gehanteerd, heeft geen doorslaggevende betekenis voor de vraag of aanspraak bestaat op een uitkering op grond van de Wet WIA. Er is geen aanleiding de medische geschiktheid voor de geduide functies onjuist te achten.

ECLI:NL:CRVB:2015:1878 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat de werknemer vóór het einde van de wachttijd van 104 weken weer arbeidsgeschikt was. Het UWV is bij zijn standpuntbepaling in overwegende mate afgegaan op een deskundigenoordeel en een vonnis van de kantonrechter. Eigen onderzoek door een verzekeringsarts en/of een arbeidsdeskundige heeft niet plaatsgevonden en daarmee heeft het UWV niet voldaan aan de op hem rustende plicht tot het verrichten van eigen onderzoek zoals in vaste rechtspraak van de Raad is neergelegd. In het kader van definitieve beslechting van het geschil krijgt het UWV opdracht de gebreken in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

ECLI:NL:CRVB:2015:2222 - Toekenning WGA-vervolguitkering en weigering IVA-uitkering. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag is gebaseerd en dat in de FML ten onrechte geen rekening is gehouden met het gebruik van tramadol door betrokkene. Het bestreden besluit berust op een onjuiste arbeidskundige grondslag.

ECLI:NL:CRVB:2015:2677 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. In het deskundigenoordeel wordt expliciet gesteld dat een traject in het kader van het tweede spoor (andere werkgever) de komende maanden niet reëel is. Appellante heeft hierop mogen afgaan en behoefde geen rekening te houden met een achteraf gewijzigde visie van het UWV dat al vanaf september 2011 re-integratieactiviteiten hadden moeten plaatsvinden. Daarnaast is van doorslaggevend belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen, in navolging van de primaire verzekeringsarts, dat zich sinds het deskundigenoordeel geen essentiële wijzigingen hebben voorgedaan en dat de medische situatie van de werkneemster stabiel is. In feite komt het erop neer dat het UWV achteraf bezien zijn deskundigenoordeel niet handhaaft. Deze standpuntwijziging kan niet voor risico van appellante worden gebracht.

ECLI:NL:CRVB:2015:2826 - Intrekking WIA-uitkering met terugwerkende kracht, terugvordering en boeteoplegging omdat appellante simulatie en schending van de inlichtingenverplichting wordt verweten. De Raad concludeert dat het UWV in dit geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat met ingang van de datum in geding ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt. Hieruit volgt reeds dat niet aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot intrekking en terugvordering te besluiten is voldaan en dat daarmee de grondslag komt te ontvallen aan de boete.

ECLI:NL:CRVB:2015:2844 - Intrekking WIA-uitkering met terugwerkende kracht en terugvordering omdat appellante simulatie en schending van de inlichtingenverplichting wordt verweten. De Raad concludeert dat het UWV in dit geval aannemelijk heeft gemaakt dat met ingang van de datum in geding ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt en heeft daarbij in het bijzonder gewezen op het door de door het UWV geraadpleegde psychiater opgestelde expertiserapport dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit.

ECLI:NL:CRVB:2015:3002 - Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Het UWV heeft in het deskundigenoordeel een expliciet voorbehoud gemaakt. De directe verwijzing in het deskundigenoordeel naar het arbeidskundig rapport voor de motivering van het oordeel en het inzichtelijk en duidelijk weergegeven voorbehoud in dat rapport kan, anders dan appellante stelt, niet tot de conclusie leiden dat het UWV vanwege onjuist gestelde beperkingen niet alsnog mocht concluderen dat de inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Omdat bij het deskundigenoordeel geen oordeel is gegeven over de medische beperkingen, heeft dat oordeel in zoverre geen volledige duidelijkheid aan appellante gegeven over de inspanningen tot dan toe. Gelet op het gemotiveerd voorbehoud hadden appellante en haar bedrijfsarts nader moeten beoordelen of de gestelde beperkingen moesten worden gehandhaafd.

ECLI:NL:CRVB:2015:3096 - Intrekking loongerelateerde WGA-uitkering na bezwaar omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Uit artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA en de daarop gegeven toelichting blijkt dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest voor de beëindiging van de loongerelateerde WGA-uitkering een afzonderlijke, van de hoofdregel voor beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering afwijkende, regeling te treffen. Als de wetgever, zoals het UWV voorstaat, een inbreuk op die regel aanvaardbaar zou hebben geacht in een situatie als thans in dit geschil aan de orde is, dan had het voor de hand gelegen dat de wetgever daar expliciet bij had stilgestaan. Dat is niet gebeurd.

ECLI:NL:CRVB:2015:3553 - Weigering WIA-uitkering omdat uit verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is gebleken dat betrokkene al bij de aanvang van zijn verzekering arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelt dat het in beginsel op betrokkenes weg ligt om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht op een uitkering heeft. Dit brengt met zich mee dat betrokkene aannemelijk moet maken dat hij in de van belang zijnde periode werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad voegt hieraan toe dat in een situatie waarbij betrokkene zijn werkzaamheden eerder heeft verricht in het kader van een overeenkomst van opdracht, hij buiten twijfel moet stellen dat deze werkzaamheden op de relevante data door hem werden uitgevoerd in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het hoger beroep van appellante wordt wegens verlies van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI:NL:CRVB:2015:3556 - Intrekking en terugvordering IVA-uitkering en boeteoplegging wegens simulatie en schending van de inlichtingenverplichting. Het UWV heeft aannemelijk gemaakt dat appellant bij het medisch onderzoek, dat uiteindelijk heeft geleid tot toekenning van een IVA-uitkering en TW-toeslag, de arts van het UWV bewust heeft misleid door een ernstige psychiatrische ziekte voor te wenden. De verstrekking van IVA-uitkering en TW-toeslag aan appellant staan in een rechtstreeks oorzakelijk verband met de simulatie. Appellant valt ook subjectief een verwijt te maken van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Het UWV heeft ter zitting medegedeeld dat, gelet op de actuele persoonlijke omstandigheden van appellant, de boete dient te worden verlaagd.

ECLI:NL:CRVB:2015:3634 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant niet verzekerd was nu hij zorg verleende aan een direct familielid (zijn moeder) die hem daarvoor uitbetaalde uit haar PGB. Er is dan geen sprake van een gezagsverhouding en daarmee ook niet van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad oordeelt dat tussen appellant en zijn moeder sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst en dat appellant daarom moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Wet WIA. Anders dan in het verleden neemt de Raad niet langer tot uitgangspunt dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen ouder en kind in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding.

ECLI:NL:CRVB:2015:3687 - Intrekking WIA-uitkering en terugvordering van de werkgever, die de aan hem door het UWV uitbetaalde uitkering doorbetaalde aan zijn werknemer. Primair merkt de Raad op dat, nu de werkgever geen hoger beroep heeft ingesteld, de terugvordering als zodanig in hoger beroep niet meer ter discussie kan staan. In geding is slechts de vraag of het UWV (ook) van de werkgever kan terugvorderen. Het na 29 december 2005 in artikel 77 van de Wet WIA niet expliciet vermelden van wie een onverschuldigde betaling zou kunnen worden teruggevorderd, betekent niet dat van de werkgever kan worden teruggevorderd. Een dergelijke betaling is in juridische zin immers niet aan de werkgever gedaan. De bewoordingen van artikel 77 van de Wet WIA zijn weliswaar in tegenspraak met de MvT bij de Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, maar een toelichting kan niet de bewoordingen van de wet terzijde stellen.

ECLI:NL:CRVB:2015:3699 - Weigering WIA-uitkering omdat, nu appellante niet wenst mee te werken aan een door het UWV noodzakelijk geacht onderzoek door een psychiater, eventuele uit de Wet WIA voortvloeiende aanspraken op een uitkering buiten aanmerking blijven voor zolang het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Onder verwijzing naar artikel 27 en 46a van de Wet WIA oordeelt de Raad dat de verzekerde de medewerking niet afhankelijk mag maken van door hem zelf gestelde voorwaarden.

ECLI:NL:CRVB:2015:3867 - Niet-uitbetaling toegekende WIA-uitkering omdat betrokkene woonachtig was in de Republiek Singapore, een land waarmee Nederland geen socialezekerheidsverdrag heeft gesloten. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat de toepassing van de Wet BEU niet in strijd komt met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het eigendomsrecht van betrokkene omvat de WIA-uitkering met inbegrip van de voorwaarde dat hij in Nederland, dan wel een land waarnaartoe een uitkering kan worden geëxporteerd, woonachtig is. Op dit eigendomsrecht is geen inbreuk gemaakt.

ECLI:NL:CRVB:2015:3919 - Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellante, die inmiddels op Aruba woont, niet heeft voldaan aan haar verplichting mee te werken aan een noodzakelijk medisch onderzoek in Nederland door een verzekeringsarts van het UWV. Uit het stelsel van artikel 7 van het Convenant tussen Nederland en Aruba vloeit voort dat het medisch onderzoek primair plaatsvindt waar de uitkeringsgerechtigde woont of verblijft. Om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op te roepen voor een medisch onderzoek in Nederland dient het Uwv, met in achtneming van de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb, deugdelijk te motiveren waarom dat nodig is. In onderhavig geval ontbreekt een deugdelijke en inzichtelijke afweging van belangen.

ECLI:NL:CRVB:2015:3993 - Herziening en terugvordering loongerelateerde WGA-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Ten aanzien van alle door appellant genoemde bestanddelen bestaat naar het oordeel van de Raad een nauw verband met verrichte arbeid en is geen sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Inkomensbesluit Wet WIA. Ook de correctie van de pensioenpremie die in september 2011 is uitbetaald, houdt verband met verrichte arbeid en moet dus worden beschouwd als loon uit tegenwoordige arbeid. Een teruggave van te veel betaalde pensioenpremie moet worden onderscheiden van een pensioenuitkering, die de werknemer toekomt omdat hij vroeger heeft gewerkt en die wel als loon uit vroegere dienstbetrekking wordt beschouwd. De herberekening van de uitkering is juist.

ECLI:NL:CRVB:2015:4236 - Schadevergoeding omdat het UWV ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd aan de werkgever. De Raad zet nader uiteen langs welke lijn moet worden beoordeeld of betalingen die de werkgever gedurende de periode van de onterechte loonsanctie heeft gedaan in een zodanig verband staan met de loondoorbetaling dat deze schadeposten, met aansluiting bij de genoemde artikelen van het BW, als gevolg van het onrechtmatige besluit aan het UWV kunnen worden toegerekend en voor vergoeding door het UWV in aanmerking komen.

ECLI:NL:CRVB:2015:4248 - Schadevergoeding omdat het UWV ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd aan de werkgever. Verzoeker verzoekt om vergoeding van loon-, pensioen- en immateriële schade. Loonschade ten gevolge van een ten onrechte opgelegde of niet-opgelegde loonsanctie strekt zich in beginsel uit over een periode van 52 weken. De beperking in de rechtspraak van het aantal maanden waarover loonschade wordt geleden, is gebaseerd op het resultaat van onderzoek naar de gemiddelde duur van de loonsancties. Toepassing van de gemiddelde uitkomst op een individueel geval is naar zijn aard hypothetisch en geeft geen uitsluitsel op grond waarvan in de omstandigheden mogelijke re-integratie-inspanningen van de werkgever van verzoeker tot een bekorting van de loonsanctie zouden hebben kunnen leiden. De Raad ziet aanleiding niet langer betekenis toe te kennen aan de betreffende onderzoeken in die zin dat deze niet langer als afdoende onderbouwing kunnen dienen voor beperking van loonschadeclaims tot maximaal tien of elf maanden. Dit heeft tot gevolg dat, als het UWV stelt dat in het betreffende geval sprake is van een kortere duur van de loonschade dan 52 weken, dit voor dat geval voldoende aannemelijk zal moeten worden gemaakt.

ECLI:NL:CRVB:2015:4327 - Toekenning loongerelateerde WIA-uitkering na bezwaar. De Raad oordeelt dat de medische beperkingen niet zijn onderschat en dat de berekening van het maatmaninkomen juist is. Niet is aangetoond dat de op het loon ingehouden solidariteitsbijdrage in het refertejaar vorderbaar maar niet inbaar was. Het UWV heeft bij de vaststelling van het dagloon terecht geen toepassing gegeven aan de uitzonderingsbepaling van artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen.

ECLI:NL:CRVB:2015:4576 - Weigering WIA-uitkering omdat appellant niet verplicht verzekerd is aangezien de gezagsverhouding tussen hem en zijn werkgeefster, die zijn nicht is, ontbreekt. Subsidiair heeft het UWV de WIA-uitkering geweigerd op de grond dat appellant bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelt dat niet is gebleken dat appellant zich vrijelijk aan zijn werkzaamheden kon onttrekken of dat het hem vrij stond het werk naar eigen inzicht te verrichten dan wel de omvang van het door hem verrichte werk te bepalen. Zo rustte op appellant de verplichting om in het kader van een gezagsverhouding gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. In de verhouding van appellant met zijn nicht is wel sprake geweest van een arbeidsovereenkomst, zodat appellant op grond van de Wet WIA verplicht verzekerd was. Ten aanzien van de subsidiaire weigeringsgrond stelt de Raad vast dat geen sprake is van voldoende en ondubbelzinnige indicaties voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.