Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:819
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/4973 WIA
Datum uitspraak: 03-07-2013
Wetsartikelen: artt. 4, 5, 6 en 54 Wet WIA / 6 EVRM
Essentie: Toekenning WGA-uitkering en geen IVA-uitkering waarop appellant meent recht te hebben. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat op de datum in geding sprake is geweest van behandelmogelijkheden met kans op herstel. Aan appellant is terecht geen IVA-uitkering, maar een WGA-uitkering toegekend. Dat achteraf is gebleken dat de behandelingen niet het beoogde resultaat hebben gehad, maakt dat niet anders. Er is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 11/4973 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 21 juli 2011, 10/2908 WIA (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2013. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. C. Roele.




OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het Uwv appellant per 29 juni 2010 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

2. Bij besluit van 22 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 18 mei 2010 gegrond verklaard wegens een onjuist gehanteerd dagloon. Het standpunt dat aan appellant terecht een WGA-uitkering is toegekend, is gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is - kort samengevat - overwogen dat het Uwv op juiste gronden heeft geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor Volledig en duurzaam Arbeidsongeschikten (IVA). De verzekeringsarts is terecht uitgegaan van de expertise van psychiater B. Köycü van 28 september 2009. Uit deze expertise blijkt dat er op de in geding zijnde datum van 29 juni 2010 behandelmogelijkheden waren. De bezwaarverzekeringsarts heeft op juiste wijze toepassing gegeven aan het door het Uwv gehanteerde beoordelingskader. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens was er geen aanleiding appellant een IVA-uitkering toe te kennen.

4. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat hij wel duurzaam volledig arbeidsongeschikt is en dat er op de datum in geding geen behandelmogelijkheden waren. Psychiater Köycü heeft in een e-mail bericht van 14 maart 2011 aangegeven dat zij van haar eerdere verklaring is teruggekomen. Tevens is informatie ingebracht inzake psychiatrische consulten en verslavingsproblematiek. Appellant is er niet in geslaagd zijn cannabis- en medicijngebruik af te bouwen. Om die reden is herstel ook niet mogelijk. Appellant is tot slot van mening dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft aangenomen dat er bij appellant op de datum in geding behandelmogelijkheden aanwezig waren zodat er terecht geen IVA maar een WGA-uitkering is toegekend. Dat achteraf is gebleken dat de behandelingen niet het beoogde resultaat hebben gehad, maakt dat niet anders. Van belang is dat er op de datum in geding sprake is geweest van behandelmogelijkheden met kans op herstel. Appellant was toen ook daadwerkelijk in behandeling, gericht op verbetering van zijn situatie. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit het e-mail bericht van psychiater Köycü kan niet afgeleid worden dat zij van haar eerdere verklaring terugkomt. De overige in hoger beroep overgelegde medische gegevens hebben geen betrekking op de datum in geding.

5.3. Met betrekking tot de stelling van appellant dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden, stelt de Raad vast dat de duur van de gehele procedure de redelijke termijn van vier jaar niet heeft overschreden zodat van vergoeding van geleden immateriële schade geen sprake kan zijn.

6. Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.J. Govaers en J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) D.E.P.M. Bary