Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:1086
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 12/2480 WIA
Datum uitspraak: 17-07-2013
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA / 8:69 en 8:72 Awb
Essentie: Weigering WIA-uitkering omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Omvang van het geding. De rechtbank is met haar overweging ten aanzien van het door het UWV beoordelen van eventuele bij betrokkene toegenomen arbeidsongeschiktheid per 23 december 2009 buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil getreden. Met het UWV is de Raad van oordeel dat het onderhavige geschil zich dient te beperken tot de beoordeling van een eventueel recht van betrokkene op een WIA-uitkering per 11 mei 2009. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig te achten. Voldoende is gemotiveerd dat de voorgehouden functies geschikt zijn voor betrokkene.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 12/2480 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 februari 2012, 11/9119 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene).




PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2013. Appellant, heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser. Betrokkene is niet verschenen.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

2. Bij besluit van 28 juli 2009 heeft appellant vastgesteld dat voor betrokkene geen recht op een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij met ingang van 11 mei 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit is uiteindelijk bij besluit van 22 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens gaf de rechtbank beslissingen over vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten.

3.2. De rechtbank heeft hiertoe als volgt overwogen - waarbij betrokkene is aangeduid als "eiser" en appellant als "verweerder" - : "De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 juni 2011 verweerder opgedragen een medisch onderzoek te verrichten. Uit de stukken en in het bijzonder het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 21 november 2011 is de rechtbank niet gebleken dat verweerder enig medisch onderzoek heeft verricht. De enige vraag die de bezwaarverzekeringsarts aan eiser op de hoorzitting omtrent diens klachten en beperkingen heeft gesteld is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om als volwaardig medisch onderzoek aan te merken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Gelet op het feit dat de rechtbank het eerdere onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts ook al onzorgvuldig heeft geacht, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder een onafhankelijk psychiater dient in te schakelen en zich door deze psychiater laat adviseren omtrent eisers gezondheidstoestand per 11 mei 2009. De rechtbank geeft verweerder daarbij in overweging om te bezien of door de psychiater tevens een oordeel moet worden gegeven over de vraag of sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid op en na 23 december 2009."

4. In hoger beroep heeft appellant bestreden dat niet voldaan is aan de uitspraak van de rechtbank van 15 juni 2011. De bezwaarverzekeringsarts is aanwezig geweest bij de hoorzitting en heeft met betrokkene gesproken en de houding en het gedrag van betrokkene geobserveerd. Bij betrokkene gaat het voornamelijk om psychische klachten waarbij een duidelijk lichamelijk onderzoek niet aan de orde is. De bezwaarverzekeringsarts had op grond van de bevindingen uit de hoorzitting en informatie van de behandelend sector, welke informatie in het kader van een beoordeling per een latere datum was opgevraagd, voldoende informatie om tot een oordeel te komen. Voorts is appellant van mening dat het op de weg van de rechtbank had gelegen om, nu blijkbaar is getwijfeld aan de juistheid van de visie van de bezwaarverzekeringsarts, aan te geven op welke punten de visie van de verzekeringsarts niet klopt en waarop dat wordt gebaseerd dan wel zelf een deskundige in te schakelen. Tot slot stelt appellant dat, nu al een nieuwe zaak van betrokkene aanhangig is die betrekking heeft op de per 23 december 2009 geclaimde toename, er alle aanleiding was om het onderhavige geschil te beperken tot de datum in geding, 11 mei 2009, waarbij de rechtbank de mogelijkheid had beide zaken gevoegd te behandelen en zelf een deskundige in te schakelen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Vastgesteld wordt dat ingevolge artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de grenzen van de omvang van het geding in eerste aanleg worden bepaald door de grondslag en de reikwijdte van het bestreden besluit en in hoger beroep door de grondslag van het beroepschrift. Met appellant kan er niet aan worden voorbijgezien dat aan het bestreden besluit ten grondslag lag de aanvraag van betrokkene om een uitkering op grond van de Wet WIA per 11 mei 2009. De rechtbank is met haar overweging ten aanzien van het door appellant beoordelen van eventuele bij betrokkene toegenomen arbeidsongeschiktheid per 23 december 2009 buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil getreden. Met appellant is de Raad van oordeel dat het onderhavige geschil zich dient te beperken tot de beoordeling van een eventueel recht van betrokkene op een uitkering ingevolge de Wet WIA per 11 mei 2009.

5.2. Vervolgens dient, gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig is en of er om die reden aanleiding bestaat een onderzoek door een onafhankelijk deskundige te laten verrichten.

5.2.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig te achten. Daarbij wordt allereerst verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad waaruit blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts mag varen op zijn eigen medische beoordeling ten aanzien van de aan te nemen (psychische) beperkingen. Voorts wordt van belang geacht dat betrokkene in het kader van zijn WIA-aanvraag op 30 juni 2009 op het spreekuur van verzekeringarts W.F. Groen is onderzocht en dat deze arts op basis van zijn bevindingen uit (medische) anamnese en psychisch en lichamelijk onderzoek beperkingen heeft aangenomen op psychisch-, energetisch- en klimatologisch vlak. De aangenomen beperkingen zijn vervolgens beschreven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juli 2009. In het kader van het door betrokkene ingestelde bezwaar heeft vervolgens dossieronderzoek plaatsgevonden door bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer. In haar rapport van 4 januari 2011 motiveert deze arts allereerst waarom in het kader van het onderzoek in bezwaar niet opnieuw een medisch onderzoek wordt verricht en voorts waarom geen aanleiding bestaat een expertise te verrichten. Vervolgens concludeert deze arts, rekening houdende met de in bezwaar overgelegde medische informatie van psychiater dr. Schultz van 11 februari 2008 en ingaande op de overige in bezwaar aangevoerde gronden, dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het medische oordeel van de verzekeringsarts. Tot slot heeft de bezwaarverzekeringsarts betrokkene, daarbij gehoor gevend aan de door de rechtbank in haar uitspraak van 15 juni 2011 gegeven opdracht, op de hoorzitting van 15 september 2011 opnieuw gesproken en in haar rapport van 21 november 2011 toegelicht waarom geen aanleiding wordt gezien tot meer beperkingen per datum in geding te komen.

5.2.2. Nu, zo blijkt uit het vorenstaande, betrokkene rond de datum in geding door de verzekeringsarts zowel lichamelijk als psychisch is onderzocht, de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd heeft aangegeven waarom geen aanleiding is gezien om in bezwaar wederom spreekuuronderzoek of een expertise te (laten) verrichten en tot slot de in bezwaar overgelegde medische informatie bij de beoordeling van de belastbaarheid per datum in geding is meegewogen, ziet de Raad geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten.

5.2.3. Voorts wordt, mede nu door betrokkene geen medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat hij op de datum in geding meer dan wel anders beperkt was dan door de artsen van het Uwv in de FML van 1 juli 2009 aangenomen, geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de ten aanzien van betrokkene per datum in geding aangenomen beperkingen.

5.2.4. Gelet op het vorenstaande is geen aanleiding tot het benoemen van een onafhankelijk deskundige.

5.3. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.2.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Mede met het oog op finale geschilbeslechting ziet de Raad aanleiding een inhoudelijk oordeel te geven over de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende arbeidskundige beoordeling.

5.4. De in de aan betrokkene voorgehouden functies van inpakker (handmatig), machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) en wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur voorkomende signaleringen zijn door de (bezwaar)arbeidsdeskundige bij rapportages van 3 december 2010 en 14 januari 2011 afdoende toegelicht. Daarnaast is voldoende gemotiveerd dat deze functies geschikt zijn voor betrokkene. Nu betrokkene bij het verrichten van deze functies een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35% ondervindt, heeft appellant terecht geweigerd hem per 11 mei 2009 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet WIA. Daarom is aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het inleidend beroep ongegrond te verklaren.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en A.I. van der Kris en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) K.E. Haan