Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:1588
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/5987 WIA
Datum uitspraak: 28-08-2013
Wetsartikelen: artt. 27, 61, 77 en 91 Wet WIA / 6 EVRM
Essentie: Terugvordering en boeteoplegging wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Het UWV heeft voldoende onderzoek gedaan naar de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden en de hoogte van het aan appellant toe te rekenen inkomen. Nu door appellant in beroep noch in hoger beroep ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare inkomensgegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat de schatting onjuist is, ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. Het UWV was gehouden de over de periode in geding onverschuldigd betaalde WGA-uitkering van appellant terug te vorderen. Er was geen sprake van dringende redenen om daarvan af te zien. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden en dat valt hem zowel objectief als subjectief te verwijten. Het UWV was daarom gehouden hem een boete op te leggen. Het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM wordt afgewezen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 11/5987 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 september 2011, 10/2728 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.M. Koster hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 5 juli 2013 een nadere reactie op het hoger beroepschrift overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Koster en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.




OVERWEGINGEN


1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat er voor appellant met ingang van 27 november 2006 ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering.

1.3. Bij besluit van 9 juni 2010 heeft het Uwv appellants WGA-uitkering met ingang van 27 november 2006 herzien en over de periode van 27 november 2006 tot en met 31 mei 2010 een bedrag van € 11.172,95 bruto aan onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het Uwv appellant, wegens het niet nakomen van zijn verplichting om informatie te verstrekken, een boete opgelegd van € 660,-.

1.5. Bij besluit van 14 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, de laatste twee besluiten gehandhaafd en het bezwaar tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.2. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant ondersteunende werkzaamheden heeft verricht voor de webwinkel van zijn partner. De rechtbank heeft deze werkzaamheden vervolgens aangemerkt als activiteiten in het economisch verkeer. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 december 2010, LJN BO6414, geoordeeld dat nu de werkzaamheden zijn verricht ten dienste van de op naam van appellants partner gestelde webwinkel en hebben bijgedragen aan de bedrijfsresultaten die aan appellant en zijn partner ten goede zijn gekomen, sprake is van een situatie van (in)directe verrijking.

2.3. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat op basis van de van appellant verkregen gegevens de omvang van het verzwegen inkomen niet kan worden vastgesteld en dat het Uwv terecht gebruik gemaakt heeft van zijn bevoegdheid om het inkomen op een redelijke wijze te schatten. In dat kader heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv voldoende onderzoek heeft gedaan naar de omvang van de verzwegen inkomsten en dat de door de bezwaararbeidsdeskundige toegekende loonwaarde niet onjuist en afdoende gemotiveerd is. Nu voorts naar het oordeel van de rechtbank voor toepassing van de zes maanden jurisprudentie geen plaats is, heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht en op de goede gronden de hoogte van de WGA-uitkering van appellant per 27 november 2006 heeft herzien naar de in het primaire besluit van 9 juni 2010 genoemde bedragen.

2.4. Voor wat betreft de terugvordering heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant geen separate gronden heeft aangevoerd en vervolgens geoordeeld dat, nu niet gebleken is van dringende redenen om van terugvordering af te zien, het Uwv op grond van artikel 77, eerste lid, eerste volzin, van de Wet WIA verplicht was om hetgeen onverschuldigd betaald is terug te vorderen.

2.5. Ten aanzien van de opgelegde boete heeft de rechtbank geoordeeld dat deze, gelet op alle omstandigheden, als evenredig aangemerkt dient te worden. De rechtbank is evenmin gebleken van dringende redenen om van het opleggen van een boete af te zien. Aangezien het Uwv, door het frauderapport van 4 mei 2009 niet vooraf of tijdens de oplegging van de boete aan appellant uit te reiken, in strijd gehandeld heeft met de artikelen 5:48 en 5:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen. Nu tussen partijen niet in geschil is dat aan de niet naleving van deze bepalingen geen consequenties zijn verbonden heeft de rechtbank tot slot bepaald dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand dienen te blijven.

3. Appellant heeft in hoger beroep in essentie gelijke gronden als in beroep aangevoerd. Ter zitting van de Raad heeft appellant, in aanvulling op de hoger beroepsgronden, zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling ten laste van het Uwv heeft uitgesproken vanwege de familierelatie tussen hem en zijn gemachtigde. Voorts heeft appellant gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In navolging van hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en zoals door appellant ook niet wordt betwist, is ook voor de Raad uitgangspunt dat appellant vanuit de situatie dat hij een WGA-uitkering ontving in de periode vanaf 27 november 2006 werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de webwinkel van zijn partner, waarover hij geen informatie aan het Uwv heeft verstrekt.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bestuursorgaan in een geval als het onderhavige, waarin de verzekerde heeft verzuimd concrete, verifieerbare gegevens betreffende zijn werkzaamheden en inkomsten te verschaffen, bevoegd om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen.

4.3. Met de rechtbank en op grond van gelijke overwegingen is de Raad van oordeel dat het Uwv voldoende onderzoek heeft gedaan naar de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden. Daartoe heeft het Uwv onder meer gebruik gemaakt van de eigen verklaringen van appellant en zijn partner en voorts van de op de website van de webwinkel aanwezige informatie met betrekking tot onder meer bereikbaarheid. Het standpunt van appellant dat zijn werkzaamheden geen waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigen wordt niet gevolgd. Uit de verklaringen van appellant en zijn partner valt af te leiden dat appellant ten tijde van de afwezigheid van zijn partner, die in de periode in geschil een full-time baan buitenshuis had, werkzaamheden verrichtte die voor een goede afhandeling van bestellingen door en vragen van klanten van de webwinkel, van aanzienlijk belang waren.

4.4. De Raad is voorts met de rechtbank en op grond van gelijke overwegingen van oordeel dat het Uwv voldoende onderzoek heeft gedaan naar de hoogte van het aan appellant toe te rekenen inkomen. Daarbij is het Uwv eveneens uitgegaan van de verklaringen van appellant en zijn partner en is voorts informatie bij de belastingdienst opgevraagd en verkregen. Nu door appellant in beroep noch in hoger beroep ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare inkomensgegevens zijn overgelegd, waaruit blijkt dat de schatting onjuist is, ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. Het Uwv heeft terecht en op goede gronden de hoogte van de WGA-uitkering van appellant per 27 november 2006 herzien.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het Uwv, op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA gehouden was de over de periode van 27 november 2006 tot en met 31 mei 2010 onverschuldigd betaalde WGA-uitkering van appellant terug te vorderen.

4.6. Volgens vaste rechtspraak zijn dringende redenen om van terugvordering af te zien slechts gelegen in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor de verzekerde heeft. Het gaat daarbij om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaats vindt van alle relevante omstandigheden (zie bijvoorbeeld CRvB 1 maart 2005, (LJN AT1551)). Dat sprake is van een dringende reden op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien, heeft appellant niet met enig feitelijk gegeven onderbouwd.

4.7. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat met betrekking tot de loonaanvullingsuitkering geen terugvordering mogelijk is, omdat er bij een dergelijke uitkering uitsluitend rekening kan worden gehouden met de resterende verdiencapaciteit en niet met verworven inkomen. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat nu voor appellant geen inkomenseis als bedoeld in artikel 60 van de Wet WIA geldt - vastgesteld is dat hij geen resterende verdiencapaciteit heeft - de berekening van de uitkering dient plaats te vinden conform artikel 61, eerste lid van de Wet WIA, omdat er sprake is van inkomen in de zin van het Inkomensbesluit Wet WIA. Om die reden wordt de WGA-uitkering zowel tijdens de loongerelateerde uitkering als tijdens de loonaanvullingsuitkering op dezelfde manier berekend, namelijk 70% van het verschil tussen het maandloon en het verworven inkomen.

4.8. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt ook dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat dit hem zowel objectief als subjectief valt te verwijten. Het Uwv was daarom gehouden hem een boete op te leggen. Gelet op de ernst en de duur van de overtreding en op de overige ten aanzien van appellant gebleken omstandigheden is de opgelegde boete van € 660,- een evenredige sanctie.

4.9. Ten aanzien van het door het Uwv in strijd handelen met de artikelen 5:48 en 5:50 van de Awb ziet de Raad geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Appellant is niet in zijn verdedigingsbelang geschaad. Hij is nadat hij kennis heeft kunnen nemen van het frauderapport voldoende in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen de inhoud daarvan kenbaar te maken.

5. Het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, moet worden afgewezen. De termijn is aangevangen op 8 juli 2010, de dag waarop het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2010 heeft ontvangen. De Raad doet op 28 augustus 2013 in hoger beroep uitspraak, zodat de redelijke termijn van vier jaar voor de totale duur van de procedure niet is overschreden.

6. Ten aanzien van de grond dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat nu de verleende rechtsbijstand zijn grond vindt in de familierelatie tussen appellant en zijn gemachtigde (zijn vader) wordt als volgt overwogen.

6.1. Zoals blijkt uit rechtspraak van de Raad (LJN BV1989), de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (LJN BY2474) en de Hoge Raad (LJN BY0531), staat een familierelatie er op zichzelf niet aan in de weg dat de gemachtigde als derde wordt aangemerkt. Die familierelatie staat ook niet aan het beroepsmatige karakter van verleende rechtsbijstand in de weg, met dien verstande dat als rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van de belanghebbende in beginsel moet worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend. Nu vast staat dat appellant niet tot het huishouden van mr. Koster behoort, staat de familierelatie niet aan het beroepsmatige karakter van de verleende rechtsbijstand in de weg.
6.2.

De Raad is dan ook van oordeel dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in beroep is afgewezen. De Raad zal het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de kosten van het beroep tot een bedrag van € 944,-.

7. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank geen aanleiding heeft gezien tot het veroordelen van het Uwv tot vergoeding van de kosten van appellant in beroep.

8. Er is voorts aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het verzoek van appellant om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van proceskosten is afgewezen;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 944,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 944,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) E. Heemsbergen