Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:1844
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 12/194 WIA
Datum uitspraak: 25-09-2013
Wetsartikelen: artt. 5 en 23 Wet WIA / 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Weigering WIA-uitkering omdat betrokkene vóór het einde van de wachttijd hersteld is verklaard. De Raad stelt vast dat het UWV er, noch bij het nemen van het primaire besluit, noch bij het nemen van het bestreden besluit blijk van heeft gegeven andere gegevens in de beoordeling betrokken te hebben dan de hersteldverklaring in het kader van de ZW. Pas in hoger beroep heeft het uwv zich de vraag gesteld of na de datum in geding sprake is geweest van het opnieuw intreden van arbeidsongeschiktheid, in welk geval de wachttijd, na een onderbreking, zou kunnen zijn vervuld. De beoordeling die aan het bestreden besluit vooraf is gegaan, is dus onvolledig en daarmee onzorgvuldig geweest. De Raad ziet aanleiding om, anders dan de rechtbank, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 12/194 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2011, 11/1622 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene).




PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 13 april 2012 en 29 juli 2013 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. Betrokkene is niet verschenen.




OVERWEGINGEN


1.1. Betrokkene is laatstelijk werkzaam geweest als jurist voor 36 uur per week. Vanuit dit werk heeft zij zich op 26 september 2008 ziek gemeld in verband met buikklachten. Na ontbinding van haar arbeidsovereenkomst door de kantonrechter per 22 januari 2009 heeft betrokkene een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) van appellant ontvangen. Na een operatieve ingreep op 9 september 2009 en herstel daarvan heeft appellant de ZW-uitkering beëindigd per 4 december 2009. Betrokkene is met ingang van die datum ondanks restklachten in staat geacht haar werk van jurist te verrichten.

1.2. Bij besluit van 17 september 2010 heeft appellant vastgesteld dat voor betrokkene geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in verband met het niet vervuld hebben van de wachttijd van 104 weken, nu betrokkene voor het einde van de wachttijd hersteld is verklaard.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 15 februari 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 17 september 2010 ongegrond verklaard. Appellant heeft daarbij opnieuw verwezen naar de hersteldverklaring in het kader van de ZW per 4 december 2009.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar uitspraken van de Raad van 29 april 2011 (LJN BQ3388) en 13 oktober 2006 (LJN AZ0780), overwogen dat uit de rechtspraak van de Raad volgt dat de beantwoording van de vraag of de wachttijd is vervuld een zelfstandige beoordeling vereist op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard, waarbij eventuele eerdere tijdens de wachttijd plaatsgevonden hersteldverklaringen betrokken (kunnen) worden. Dit betekent dat aan de hersteldverklaring van betrokkene op zichzelf geen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de overgelegde stukken niet dat appellant een zelfstandige beoordeling als hiervoor omschreven heeft gemaakt. Appellant heeft het bestreden besluit slechts gebaseerd op de hersteldverklaring in het kader van de ZW per 4 december 2009. Het bestreden besluit is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zorgvuldigheid tot stand gekomen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank overwogen heeft.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij zich bij het nemen van het bestreden besluit niet alleen heeft gebaseerd op de hersteldmelding in het kader van de ZW, maar ook op de bij de aanvraag van de WIA-uitkering door betrokkene verschafte informatie. Betrokkene heeft bij haar WIA-aanvraag of anderszins geen medische gegevens of gegevens van andere aard gevoegd waaruit zou kunnen blijken dat na de hersteldverklaring per

4 december 2009 sprake is geweest van het opnieuw intreden van arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft er voorts op gewezen dat de hersteldverklaring per 4 december 2009 inmiddels door de Raad is bevestigd in de uitspraak van 6 juni 2012 (LJN BW7792).

3.2. Betrokkene heeft zich achter het oordeel van de rechtbank geschaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat appellant er noch bij het nemen van het besluit van 17 september 2010, noch bij het nemen van het bestreden besluit blijk van heeft gegeven andere gegevens in de beoordeling betrokken te hebben dan de hersteldverklaring in het kader van de ZW per 4 december 2009. Pas in hoger beroep heeft appellant zich de vraag gesteld of na 4 december 2009 sprake is geweest van het opnieuw intreden van arbeidsongeschiktheid, in welk geval de wachttijd, na een onderbreking, zou kunnen zijn vervuld. De beoordeling die aan het bestreden besluit vooraf is gegaan is dus onvolledig en daarmee onzorgvuldig geweest.

4.2. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank over de totstandkoming van het bestreden besluit als onder 2 weergegeven.

4.3. In hoger beroep is appellant alsnog gekomen tot een volledige beoordeling, in die zin dat hij nu ook heeft beoordeeld of de wachttijd op enigerlei moment na 4 december 2009 weer is gaan lopen en vervolgens alsnog is vervuld. De Raad volgt de conclusie van appellant dat hiervoor geen aanknopingspunten bestaan. De Raad ziet hierin aanleiding om, anders dan de rechtbank, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

5. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 472,- voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 472,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 454,-.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) D.E.P.M. Bary