Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2014:12
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/3667 WIA-T
Datum uitspraak: 08-01-2014
Wetsartikelen: artt. 76 en 77 Wet WIA / 3:4, 4:95, 7:12, 8:51d en 8:80a Awb
Essentie: Tussenuitspraak. Terugvordering van ten onrechte verstrekte voorschotten op de WIA-uitkering. Het standpunt van het UWV dat hij verplicht is de voorschotten terug te vorderen (behoudens bij dringende reden), verdraagt zich niet met het per 1 juli 2009 gewijzigde wettelijk stelsel, waarbij de terugvordering van in het kader van de Wet WIA verstrekte voorschotten wordt beheerst door artikel 4:95, vierde lid, van de Awb. Dit betekent dat bij de terugvordering een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb had moeten plaatsvinden. Nu daarvan geen sprake is geweest, oordeelt de Raad dat het bestreden besluit reeds om deze reden in rechte geen stand kan houden. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 11/3667 WIA-T




T U S S E N U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 mei 2011, 10/4675 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verhagen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek heropend en heeft de Raad bij brief van 10 juli 2013 het Uwv een aantal vragen gesteld. Daarop heeft het Uwv bij brief van 7 augustus 2013 geantwoord.




OVERWEGINGEN


1.1. Met ingang van 1 januari 2004 is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Met ingang van 1 april 2004 is deze uitkering ingetrokken.

1.2. Bij een op 11 januari 2007 door het Uwv ontvangen aanvraag heeft appellant verzocht in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Als gevolg van deze aanvraag zijn appellant bij besluit van 30 januari 2007 met ingang van 1 februari 2007 voorschotten ingevolge de Wet WIA verstrekt. Bij besluit van 4 mei 2007 is appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij recht heeft op een WAO-uitkering. Bij een daaropvolgend besluit van 11 mei 2007 is appellant met ingang van 3 maart 2005 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 9 april 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hem over de periode van 1 februari 2007 tot 1 december 2009 ten onrechte voorschotten op grond van de Wet WIA zijn verstekt en dat een bedrag van € 34.993,58 (bruto) wegens onverschuldigde betaling van hem wordt teruggevorderd.

1.3. Het door appellant tegen het besluit van 9 april 2010 gemaakte bezwaar heeft geleid tot het besluit van 18 oktober 2010 (bestreden besluit). Bij dit besluit heeft het Uwv, voor zover thans nog van belang, de periode waarover wordt teruggevorderd nader vastgesteld op 1 juli 2007 tot 1 december 2009. Daarbij is de hoogte van het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 29.121,08 bruto. Voorts is overwogen dat, nu dit bedrag onverschuldigd is betaald, dit bedrag teruggevorderd moet worden. Het vorenstaande is voor het Uwv aanleiding geweest het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat over de periode van 1 juli 2007 tot 1 december 2009 ten onrechte voorschotten aan appellant zijn verstrekt en dat er sprake is van onverschuldigde betaling. Voorts is overwogen, onder verwijzing naar artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 76 en 77 van de Wet WIA, dat het Uwv terecht tot terugvordering is overgegaan. Een dringende reden op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien, heeft de rechtbank niet aanwezig geacht. Onder verwerping van de overige door appellant ingediende gronden, heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld, waarbij hij zich, met beroep op aanwezigheid van een dringende reden, op het standpunt heeft gesteld dat de terugvordering dient te worden gematigd.

4. De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.1. De thans in geding zijnde terugvordering heeft betrekking op de periode van 1 juli 2007 tot 1 december 2009.

4.2. Artikel 77, eerste lid en vierde lid, van de Wet WIA, luidde tot 1 juli 2009, als volgt:
"1. Een uitkering die op grond van deze wet onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het Uwv onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd. Ook een uitkering die op grond van artikel 67, tweede lid, als voorschot onverschuldigd betaalbaar is gesteld wordt door het UWV teruggevorderd (…)
4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien."

4.3. Met ingang van 1 juli 2009 is de regelgeving met betrekking tot de terugvordering van onverschuldigde betalingen van voorschotten in het kader van de Wet WIA gewijzigd. Met ingang van die datum is artikel 77, eerste lid, tweede volzin van de Wet WIA geschrapt en is artikel 4:95 van de Awb in werking getreden.

4.4. Artikel 4:95, vierde lid, van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat onverschuldigd betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd.

4.5. Op grond van artikel III, eerste lid, van de overgangs- en slotbepalingen bij de Vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 25 juni 2009, 264) blijft op een verplichting tot betaling van een geldsom aan of door een bestuursorgaan, die is vastgesteld of ontstaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. Nu het Uwv de verplichting tot terugbetaling van het voorschot heeft vastgesteld bij besluit van 9 april 2010 en gewijzigd bij het bestreden besluit van 18 oktober 2010, dus na 1 juli 2009, is voor de gehele periode waarop de terugvordering betrekking heeft uitsluitend artikel 4:95, vierde lid, van de Awb van toepassing.

4.6. Hoewel in het bestreden besluit is verwezen naar artikel 4:95 van de Awb, blijkt uit de overwegingen van het bestreden besluit dat het Uwv over de gehele periode heeft teruggevorderd als ware het een verplichting, aangezien volgens het Uwv het bestaan van een dringende reden om af te zien van terugvordering niet was gesteld noch daarvan was gebleken. Tijdens de behandeling van dit geding in hoger beroep heeft de gemachtigde van het Uwv dit standpunt bevestigd, hetgeen voor de Raad aanleiding is geweest het Uwv bij de in rubriek I genoemde brief van 10 juli 2013 nadere vragen te stellen. Daarop heeft het Uwv bij de in rubriek I genoemde brief van 7 augustus 2013 als volgt gereageerd.

"In de heroverweging van het besluit van 18 oktober 2010 wordt niet expliciet een onderscheid gemaakt met betrekking tot de juridische grondslag van enerzijds de periode van 1 juli 2007 tot 1 juli 2009 en anderzijds de periode van 1 juli 2009 tot 1 december 2009. Op pagina 3 van het bestreden besluit wordt met de zin “In de wet is echter bepaald dat hetgeen onverschuldigd is betaald moet worden teruggevorderd” de indruk gewekt dat de verplichting tot terugvordering over de gehele periode is toegepast. Uiteindelijk is dit niet het geval. De periode van 1 juli 2009 tot 1 december 2009 wordt wel degelijk teruggevorderd op grond van de bevoegdheid die UWV heeft ingevolge artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Echter, UWV heeft na de inwerkingtreding van artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht, de lijn voortgezet die tot 1 juli 2009 op grond van de verplichting tot terugvordering op grond van artikel 77 (oud) van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) bestond. Dit betekent dat UWV na 1 juli 2009 de gedragslijn hanteert dat er in alle gevallen gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om een onverschuldigd betaald voorschot terug te vorderen, behoudens de situatie dat er sprake is van een dringende reden. De ratio van deze gedragslijn is gelegen in het karakter van de voorschotverstrekking. Het karakter van de voorschotverstrekking wordt bepaald door de publiekrechtelijke verhouding waarbinnen het voorschot wordt verstrekt. In dit geval is dat de uitvoering van de werknemersverzekering Wet WIA. Wij zijn van mening dat hoewel de bevoegdheid tot voorschotverstrekking is gebaseerd op de Algemene wet bestuursrecht, het kader van de voorschotverstrekking niet los kan worden gezien van het kader waarbinnen de definitieve betaling wordt vastgesteld. Voorschotverstrekking in het kader van een WIA-aanvraag kan niet worden losgezien van het WIA-regime. Immers voor de hoogte van het voorschot wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de hoogte van de definitieve WIA-uitkering en moet dus rekening worden gehouden met de soort WIA-uitkering. Hierbij dient op grond van de bepalingen in de Wet WIA redelijkerwijs beoordeeld te worden hoe hoog de uiteindelijke uitkering waarschijnlijk zal worden. Bovendien maakt de vaststelling dat er geen recht op WIA-uitkering bestond direct dat het voorschot onverschuldigd is betaald.

Onzes inziens maakt deze directe relatie van de voorschotverstrekking met de Wet WIA, dat ook de terugvordering van het voorschot in het kader van het WIA-regime geplaatst dient te worden. In de werknemersverzekeringen, waaronder de Wet WIA, bestaat een plicht tot terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering. Het ligt niet in de rede om bij gebruikmaking van de bevoegdheid tot terugvordering van een voorschot op een WIA-betaling een soepeler lijn te volgen dan bij de terugvordering van een definitief vastgestelde WIA-uitkering.

Naar onze mening ligt dit tevens niet in de rede gelet op de voorlopige aard van de voorschotbetaling, die wordt veroorzaakt door de omstandigheid dat de bevoegdheid tot voorschotverstrekking slechts bestaat vooruitlopend op de vaststelling van de definitieve verplichting. Hieruit leiden wij af dat juist de voorschotten makkelijker teruggevorderd moeten kunnen worden dan definitief vastgestelde betalingen. Het ligt dan niet in de rede om juist bij terugvordering van voorschotten soepeler op te treden dan bij de verplichte terugvordering van uitkeringen."

"De terugvordering over de periode 1 juli 2009 tot 1 december 2009 is gebaseerd op de bevoegdheid ingevolge artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De gedragslijn dat in alle gevallen van onverschuldigd betaalde voorschotten van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt, behoudens de situatie dat zich een dringende reden voordoet, is in het besluit van 18 oktober 2010 gevolgd."

4.7. Uit vorenstaande overwegingen blijkt dat het Uwv bij brief van 7 augustus 2013 het bij het bestreden besluit ingenomen en ter zitting bevestigde standpunt ongewijzigd heeft gehandhaafd in die zin dat er sprake is van een verplichting om terug te vorderen, behoudens dat in geval van een dringende reden van terugvordering kan worden afgezien. Een dergelijk standpunt verdraagt zich niet met het per 1 juli 2009 gewijzigde wettelijk stelsel, waarbij de terugvordering van in het kader van de wet WIA verstrekte voorschotten wordt beheerst door artikel 4:95, vierde lid van de Awb. Dit betekent dat bij de terugvordering een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb had moeten plaatsvinden. Nu daarvan geen sprake is geweest, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit reeds om deze reden in rechte geen stand kan houden.

4.8. Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan bovenstaande uitkomst wordt gegeven. Daarbij wordt vooropgesteld dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of - een formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

4.9. In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan, aangezien het Uwv zich zal moeten beraden over de toepassing van haar bevoegdheid tot terugvordering in dit geval en de gevolgen daarvan voor het terug te vorderen bedrag. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 8:80a en 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.P.J. Goorden als voorzitter en H.C.P. Venema en J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2014.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) Z. Karekezi