Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2014:859
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/837 WIA-T
Datum uitspraak: 07-03-2014
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA / 7:12 Awb / 21 Bw
Essentie: Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bestreden besluit berust op voldoende medische grondslag. De arbeidskundige grondslag is niet deugdelijk gemotiveerd. Het UWV heeft ten onrechte aangenomen dat de combinatie van opleiding en ervaring van appellante zodanig is dat deze op één lijn mag worden gesteld met het voltooien van basisonderwijs. Nu de arbeidsongeschiktheidsberekening is gebaseerd op functies die alle opleidingsniveau 2 vereisen en waarin appellante onder meer schriftelijke werkopdrachten moet kunnen lezen, kan niet worden aangenomen dat appellante voldoet aan de functie-eisen behorend bij de geselecteerde functies. De Raad draagt het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 11/837 WIA-T




T U S S E N U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 december 2010, 10/1574 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft opvolgend gemachtigde mr. W.A. Timmer, advocaat, nadere stukken ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2014.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.




OVERWEGINGEN


1.1. Appellante heeft zich vanuit een situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, met ingang van 4 oktober 2007 ziek gemeld vanwege psychische klachten. Voorheen was zij werkzaam als medewerkster tuinbouw. Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de verzekeringsarts een medisch onderzoek verricht en de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 juni 2009. Aansluitend heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd tot het vervullen waarvan appellante in staat werd geacht. Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 1 oktober 2009 geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan.

1.2. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts kennis genomen van de informatie van huisarts Suliman van 15 december 2009 en van behandelend GZ-psycholoog i.o. S. Aydogy van i-psy van 16 december 2009. In zijn rapport van 20 januari 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts op basis van de beschikbare medische gegevens geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante in de FML niet is overschat. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 25 januari 2010 enkele aanvankelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies laten vervallen en nieuwe functies geselecteerd. Op basis van deze functies is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 1.5%. Bij besluit van 25 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 augustus 2009 ongegrond verklaard.

2.1. In beroep heeft appellante, naast medische stukken van haar behandelaars, een contra-expertise overgelegd van 28 juni 2010 van verzekeringsarts drs. M. Angun. De bezwaarverzekeringsarts heeft op deze contra-expertise gereageerd in zijn rapport van 14 juli 2010.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch en arbeidskundig oordeel van het Uwv.

3.1. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank de ingebrachte medische informatie onvoldoende heeft meegewogen. Appellante is van mening dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft, in verband met disfunctioneren ten aanzien van de zelfverzorging. De verzekeringsartsen hebben geen rekening gehouden met de forse impulsdoorbraken. Daarnaast heeft appellante klachten aan de handen en de voeten, in verband met artrose. Appellante acht zich niet in staat de geduide functies te vervullen. Ten slotte heeft appellante naar voren gebracht dat het opleidingsniveau ten onrechte op 2 is gesteld. Zij heeft slechts twee jaar lagere school genoten en heeft uitsluitend productiewerk verricht.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft in een rapport van 30 juli 2012 nader gemotiveerd dat een medische onderbouwing voor het gestelde ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden op de datum in geding ontbreekt en dat de gestelde agressie-neiging geen duurzaam onderdeel van het toestandbeeld van appellante uitmaakt. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 21 augustus 2012 nader toegelicht dat het opleidingsniveau gehandhaafd dient te worden op niveau 2. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de functie van productiemedewerker cleanroom laten vervallen omdat appellant niet voldoet aan de aanvullende eis van enkele jaren vervolgonderwijs.

3.3. In hoger beroep heeft appellante een expertise overgelegd van psychiater V.M. Artist van 15 november 2012. Artist heeft als diagnose op As I een depressieve stoornis niet anders omschreven (nao) en een periodieke explosieve stoornis gesteld. De psychische klachten van appellante brengen beperkingen met zich mee. Dit was het geval op 1 oktober 2009, maar door de achteruitgang van de status van haar algehele gezondheid zijn de beperkingen daarna toegenomen.

3.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft in een rapport van 10 december 2012 gereageerd op de psychiatrische expertise.

3.5. Appellante heeft een rapport overgelegd dat psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle als deskundige op verzoek van de rechtbank Den Haag heeft uitgebracht in een beroepsprocedure in het kader van een WIA-aanvraag met betrekking tot de datum 11 december 2009. Van Marle concludeerde in het rapport van 27 september 2013 dat appellante voldoet aan de criteria voor een ernstige depressieve stoornis. Tevens voldoet appellante aan de criteria voor een persoonlijkheidsstoornis met vermijdende en afhankelijke trekken met een onderliggende borderline persoonlijkheidsorganisatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan het medisch onderzoek van het Uwv. De verzekeringsartsen hebben appellante lichamelijk en psychisch onderzocht en de informatie uit de behandelende sector bij de medische oordeelsvorming betrokken. Uit deze informatie blijkt dat i-psy in oktober 2008 als diagnose een depressieve stoornis (eenmalig, matig) stelde en een stoornis in de impulsbeheersing. Pas na de datum in geding, nadat appellante op 12 december 2009 door de crisisdienst van Parnassia was gezien, schrijft behandelaar Aydogdu dat sprake is van matig tot ernstig depressief toestandbeeld.

4.2. Het door appellante ingenomen standpunt dat zij op de datum in geding, 1 oktober 2009, geen duurzaam benutbare mogelijkheden had om arbeid te verrichten volgt de Raad niet, omdat appellante niet voldoet aan de hiervoor geldende criteria zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Schattingsbesluit. De in hoger beroep overgelegde rapporten van psychiater Artist en van deskundige Van Marle kunnen niet tot een ander oordeel leiden.

4.3. In de onder 3.5 genoemde psychiatrische expertise heeft Van Marle zich ook uitgelaten over de beperkingen van appellante ten aanzien van arbeid per 1 oktober 2009. Van Marle is tot de conclusie gekomen dat appellante per 1 oktober 2009 enigszins beperkt was in huishoudelijke taken. De zelfverzorging was normaal en het sociale functioneren was matig beperkt. Beperkingen in het geheugen en de aandacht per 1 oktober 2009 konden niet worden geobjectiveerd. Volgens Van Marle kan worden geconstateerd dat over het gehele functioneren van appellante de beperkingen op grond van de depressie en de bemoeilijkte sociale omgang zijn toegenomen in de periode van 1 oktober 2009 tot 11 december 2009. Van Marle heeft geconstateerd dat de psychiatrische problemen sinds december 2009 zijn toegenomen en dat ten tijde van de onderzoeken in april en mei 2013 sprake is van een ernstige depressieve stoornis met ernstige beperkingen op het gebied van verdelen van de aandacht, herinneren, doelmatig handelen en zelfstandig handelen.

4.4. In een rapport van 9 oktober 2013 heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd op het ingebrachte psychiatrisch onderzoek van Van Marle. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de psychiatrische expertise van Van Marle geen aanknopingspunten gevonden om voor de datum in geding de beperkingen van appellante bij te stellen. In een nader rapport van 30 oktober 2013 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de impulsdoorbraken van appellante geen wezenlijke wijziging in haar toestandbeeld brengen.

4.5. De Raad heeft geen aanleiding om de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen in zijn beschouwingen en conclusies, zoals vermeld in de in 1.2 en 4.4 genoemde rapporten. Uit het psychiatrisch onderzoek van Van Marle kan niet worden afgeleid dat op de datum in geding sprake was van een verhoogd risico in verband met verminderde impulscontrole.

4.6. Verder is niet gebleken dat op de datum in geding al sprake was van artrose. In het rapport van 5 april 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts voldoende onderbouwd dat de eerder gemelde klachten van warme handen en voeten niet te relateren zijn aan het beeld van poly-artrose. De diagnose poly-artrose is pas in 2011 gesteld. Ook reumatoloog dr. P.D.N. de Buck maakt in zijn brief van 20 december 2013 melding van poly-artrose sinds september 2011. Ten aanzien van de duizeligheidsklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 20 januari 2010 voldoende gemotiveerd dat het neurologisch onderzoek geen afwijkingen liet zien.

4.7. Vervolgens dient de in hoger beroep aan de orde gestelde grond inzake de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit te worden beoordeeld, betreffende de vaststelling van het opleidingsniveau van appellante op 2 en het duiden van functies op niveau 2.

4.8. De conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 21 augustus 2012 dat het opleidingsniveau voor appellante terecht op 2 is gesteld, acht de Raad onjuist. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in Turkije slechts twee jaar basisonderwijs heeft doorlopen. In zijn rechtspraak heeft de Raad aanvaard dat aan een gestelde opleidingseis kan worden voldaan door een combinatie van opleiding en werkervaring (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863). Het Uwv heeft ten onrechte aangenomen dat de combinatie van opleiding en ervaring van appellante zodanig is dat deze op één lijn mag worden gesteld met het voltooien van basisonderwijs. Niet is gebleken dat appellante bij haar werkzaamheden als productiemedewerkster tuinbouw moest lezen dan wel schrijven.

Nu de arbeidsongeschiktheidsberekening is gebaseerd op functies die alle opleidingsniveau 2 vereisen en waarin appellante onder meer schriftelijke werkopdrachten moet kunnen lezen, kan niet worden aangenomen dat appellante voldoet aan de functie-eisen behorend bij de in het rapport van 25 januari 2010 geselecteerde functies.

5. Uit hetgeen onder 4.8 is overwogen, volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en daardoor tevens niet deugdelijk is gemotiveerd.

6. Er is aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen het gebrek in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit te herstellen. Het is aan het Uwv om een deugdelijke onderbouwing van het bestreden besluit te leveren, dan wel om een nieuw besluit te nemen.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M.M. Spaans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M.M. Spaans