Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2014:972
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 12/2813 WIA
Datum uitspraak: 26-03-2014
Wetsartikelen: artt. 4, 6 en 47 Wet WIA
Essentie: Weigering wijziging ingangsdatum van de toegekende IVA-uitkering omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat er op grond van de beschikbare (medische) gegevens onvoldoende redenen aanwezig zijn om te oordelen dat het UWV ten onrechte de eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft vastgesteld op de datum in geding.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 12/2813 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 mei 2012, 11/481 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2014.

Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.




OVERWEGINGEN


1.1. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 18 september 2007 met ingang van 29 oktober 2007 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) een zogeheten loongerelateerde IVA-uitkering toegekend, waarbij is uitgegaan van een dagloon van € 71,50. De tegen dit besluit gemaakte bezwaren, welke zijn gericht tegen het vastgestelde dagloon, zijn bij besluit van 31 januari 2008 in zoverre gegrond verklaard dat het dagloon is vastgesteld op € 123,13. De rechtbank heeft bij uitspraak van 5 maart 2009 het beroep van appellant tegen het besluit van 31 januari 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. In hoger beroep heeft de Raad bij uitspraak van 19 augustus 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN6005) de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van appellant tegen het besluit van 31 januari 2008 ongegrond verklaard.

1.2. Bij brief van 15 september 2010 heeft appellant het Uwv verzocht hem alsnog een IVA-uitkering toe te willen kennen per de datum 104 weken gelegen na 1 november 2004. Appellant heeft zich na herhaaldelijk en klemmend aandringen van zijn echtgenote per 31 oktober 2005 ziekgemeld omdat hij gedurende het jaar daarvoor telkens vrijwel dagelijks als gevolg van wegrakingen tegen de grond sloeg/neerging. Begin november 2005 werd een alarmerend grote hersentumor gevonden en werd appellant vervolgens de IVA-uitkering toegekend met ingang van 29 oktober 2007. Terugkijkend kan appellant niet anders concluderen dat dat hij reeds circa een jaar eerder algeheel geïnvalideerd was vanwege de beschreven ernstige gevolgen van de groeiende hersentumor. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft hij een verklaring overgelegd van de neurologe die hem destijds heeft behandeld, gedateerd 22 augustus 2010. Zij verklaart appellant gezien te hebben op 9 november 2005 in verband met sedert een jaar bestaande klachten over frequent vallen en duizeligheid. Hoewel appellant zelf meende dat hij overspannen was en dat zijn klachten vanzelf over zouden gaan als hij geestelijk was opgeknapt, stelt de neurologe het zeer aannemelijk te achten dat de klachten zijn toe te schrijven aan de bij radiologisch onderzoek gevonden hersentumor.

1.3. Op basis van verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv het verzoek van appellant bij besluit van 18 november 2010 afgewezen. Op basis van arbeidsdeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 19 mei 2011 (bestreden besluit) de bezwaren van appellant tegen het besluit van 18 november 2010 ongegrond verklaard. De bezwaararbeidsdeskundige is tot de conclusie gekomen dat de door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen beperkingen per 1 november 2004 niet leiden tot ongeschiktheid van appellant voor zijn maatmanarbeid. Om die reden bestaat er geen aanleiding de eerste ziektedag eerder vast te stellen dan 31 oktober 2005.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 19 mei 2011 ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is daartoe allereerst overwogen dat het geding handelt over een herhaalde aanvraag die op inhoudelijke gronden is afgewezen en dat er sprake is van nieuwe feiten die maken dat een hernieuwde rechterlijke beoordeling kan plaatsvinden. Vervolgens is de rechtbank op grond van de beschikbare gegevens tot de conclusie gekomen dat er onvoldoende redenen aanwezig zijn om te oordelen dat het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ten onrechte heeft vastgesteld op 31 oktober 2005. Het verzoek van appellant om zijn uitkering alsnog te laten ingaan op 1 november 2006 is dan ook terecht afgewezen.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn eerder ingenomen standpunt herhaald. Ter onderbouwing daarvan heeft hij opnieuw een verklaring van zijn toenmalige behandelend neurologe overgelegd, gedateerd 12 september 2012. Hierin verklaart zij ervan overtuigd te zijn dat alle klachten van appellant niet zijn toe te schrijven aan overspannenheid maar aan de hersentumor. Om deze reden kon appellant derhalve in november 2004 zijn werk niet meer adequaat verrichten. Voorts heeft appellant een brief van zijn huisarts in het geding gebracht, gedateerd 3 maart 2013, waarin deze verklaart dat appellant in de jaren 2000-2004, naast spanningen en verdriet in de privésfeer, frequent last had van duizelingen en valneigingen en tengevolge daarvan als 100% arbeidsongeschikt was te beschouwen.

3.2. Bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Boersema heeft op 27 september 2012 en op 8 maart 2013 op de door appellant overgelegde verklaringen gereageerd. Beide verklaringen bevatten volgens Boersema geen gegevens van na 18 september 2007 over de aard en ernst van de medische situatie en het functioneren van appellant, die van invloed zijn op de inschatting van de belastbaarheid als ze eerder bekend waren geweest. Het gaat hier om gegevens die al bekend waren en die in de medische en de arbeidsdeskundige beoordeling zijn meegewogen.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Het verzoek van appellant van 15 september 2010 om de ingangsdatum van de hem toegekende uitkering te wijzigen, is een herhaling van de aanvraag waarop het Uwv bij besluit van 18 september 2007 heeft beslist en waartegen, voor zover het de ingangsdatum betreft, geen rechtsmiddelen zijn aangewend.

4.3. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Er is alleen plaats voor inhoudelijke toetsing voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, is voor inhoudelijke toetsing geen plaats.

4.4. Dat wat appellant ter ondersteuning van zijn verzoek heeft aangevoerd kan niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als in 4.3 omschreven. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat er op grond van de beschikbare (medische) gegevens onvoldoende redenen aanwezig zijn om te oordelen dat het Uwv ten onrechte de eerste arbeidsongeschiktheidsdatum heeft vastgesteld op 31 oktober 2005. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en overgelegd is door de bezwaarverzekeringsarts adequaat gemotiveerd weerlegd en vormt geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit dan ook terecht ongegrond verklaard.

4.5. Gelet op hetgeen in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) S. Aaliouli