Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BG6554
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BG6554
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 07/5148 WIA
Datum uitspraak: 28-11-2008
Wetsartikelen: artt. 18 Wet WIA / 1:2, 7:1 en 8:1 Awb
Essentie: Toekenning WGA-uitkering gebaseerd op een vrijwillige verzekering. Betrokkene wordt aangemerkt als DGA van de vennootschap. Het bezwaar van de vennootschap is niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. In verband met de familieverhoudingen wordt de arbeidsverhouding niet aangemerkt als dienstbetrekking, zodat de vennootschap niet als werkgever van betrokkene kan worden aangemerkt. De vennootschap heeft niet uit anderen hoofde dan werkgeverschap een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/5148 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 juli 2007, 06/3141 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[naam vennootschap], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: de vennootschap),

en

appellant.

Datum uitspraak: 28 november 2008.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) meegedeeld niet als partij aan het onderhavige geding te willen deelnemen.

Namens de vennootschap heeft mr. S. Bharatsingh, advocaat te Hilversum, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2008.
Namens appellant is verschenen mr. K.D. van Someren. De vennootschap heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.




II. OVERWEGINGEN


1. Betrokkene was werkzaam als directeur/bedrijfsleider bij de vennootschap, waarvan de aandelen werden gehouden door [naam Holding] 50% van de aandelen was in handen van de echtgenote van betrokkene en de overige 50% was in handen van haar broer. Betrokkene viel op 20 februari 2004 uit met rugklachten. Bij besluit van 7 juni 2005 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 18 februari 2005 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 28 april 2006 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 17 februari 2006 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) een zogenoemde loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) toegekend.

2. Bij besluit van 26 juli 2006 heeft appellant het door de vennootschap tegen het besluit van 28 april 2006 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft appellant overwogen dat de vennootschap als werkgever alleen belanghebbende is bij een Wet WIA-besluit in het geval dat het gaat om een verplicht verzekerde werknemer en dat in dit geval de WGA-uitkering is gebaseerd op een vrijwillige verzekering, omdat betrokkene werd beschouwd als directeur-grootaandeelhouder.

3. De vennootschap heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 26 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit). Zij heeft wat betreft de ontvankelijkheid van haar bezwaar aangevoerd dat niet alleen belanghebbende is op wiens aanspraken een besluit betrekking heeft maar ook degene voor wie het besluit een financiële verplichting teweeg brengt. Voorts heeft de vennootschap haar inhoudelijke bezwaren tegen de aan betrokkene toegekende WGA-uitkering geformuleerd en daarbij gesteld dat zij in verband met haar verplichting om het salaris door te betalen belang heeft bij een juiste vaststelling van de eerste dag van arbeidsongeschiktheid, die volgens haar is gelegen voor 1 januari 2004.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van de vennootschap gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank gaf tevens beslissingen omtrent vergoeding aan de vennootschap van griffierecht en proceskosten.

4.2. De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen:
"De rechtbank stelt vast dat bij uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2004 is bepaald dat tussen [naam betrokkene] en eiseres geen dienstbetrekking bestond in de zin van de WAO en dat daarmee is vast komen te staan dat [naam betrokkene] niet verplicht verzekerd was ingevolge de WAO, maar ingevolge de WAZ.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht overwogen dat eiseres niet als werkgever in de zin van de WAO dan wel de Wet WIA kan worden aangemerkt en dat zij niet op grond daarvan het belanghebbendenschap kan ontlenen. Daarmee staat echter niet vast dat eiseres niet als belanghebbende is aan te merken in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Dat artikel bepaalt dat onder ‘belanghebbende’ wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. Gelet op de stukken en de toelichting van eiseres is de rechtbank van oordeel dat eiseres een rechtstreeks bij verweerders besluit betrokken belang heeft. De rechtbank overweegt daartoe dat het besluit ten aanzien van de eerste arbeids-ongeschiktheidsdag direct bepalend is voor het bepalen van de duur van de volledige salarisdoorbetaling door eiseres aan [naam betrokkene] en niet afhankelijk is van andere omstandigheden. De vaststelling van de eerste dag van arbeidsongeschiktheid beïnvloedt rechtstreeks de financiële positie van eiseres. Eiseres dient dan ook naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als belanghebbende. Verweerder heeft ten onrechte het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb. Uit deze artikelen volgt dat een belanghebbende bezwaar kan instellen tegen een besluit. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen."

5.1.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd zich te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank, in zoverre zij heeft uitgesproken dat de vennootschap niet als werkgever in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) dan wel de Wet WIA kan worden aangemerkt en dat zij dus niet op grond van de jurisprudentie van de Raad volgens welke de actuele werkgever als categoraal belanghebbende wordt beschouwd, als belanghebbende heeft te gelden.

5.1.2. Volgens appellant is het belang van de vennootschap gelegen in de verplichting om loon door te betalen en vindt deze verplichting haar bron in de overeenkomst tussen de vennootschap en de betrokkene, welke in verband met de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2004, kenmerk P03/02945, niet een arbeidsovereenkomst is omdat er geen sprake is van een gezagsverhouding. De verplichting van de vennootschap berust derhalve niet op de wet, zoals bijvoorbeeld bij besluiten op grond van de Ziektewet (ZW) waaraan het Burgerlijk Wetboek (BW) gevolgen verbindt voor de loondoorbetaling uit de arbeidsovereenkomst. In dit verband heeft appellant gewezen op de uitspraken van de Raad van 24 september 2002 (RSV 2002,288; USZ 2002,292; JB 2002,342), waarin de Raad wees op het wettelijk stelsel van inkomensbescherming voor de zieke werknemer in de ZW en het BW, dat een samenhangend stelsel vormt dat dwingendrechtelijk is vastgelegd. Met dit stelsel is volgens appellant, anders dan in het onderhavige geval, waar de contractsvrijheid de bron van de loondoorbetalingsverplichting is, gegeven dat het belang van de werkgever rechtstreeks bij het ZW-besluit ten aanzien van de werknemer is betrokken.

5.2. De vennootschap heeft in haar verweerschrift verzocht de aangevallen uitspraak te bekrachtigen, maar heeft tevens gesteld dat de in 5.1.2 vermelde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam niet meebrengt dat betrokkene geen werknemer is in de zin van de sociale wetgeving. In deze uitspraak heeft, volgens de vennootschap, het gerechtshof alleen de rechtsvraag bevestigend beantwoordt dat betrokkene als een zelfstandige in de zin van de WAZ kan worden aangemerkt, omdat zijn echtgenote indirect 50% aandeelhoudster was in de werkmaatschappij waarvan betrokkene directeur was.

6.1. De Raad stelt voorop dat de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de vennootschap geen werkgever is zo nauw verweven is met de in dit geding spelende ontvankelijkheidsvraag, dat hij de eerstgenoemde vraag, ondanks het feit dat het Uwv tegen het oordeel van de rechtbank daarover in hoger beroep niet is opgekomen, ambtshalve in zijn beoordeling betrekt.

6.2. De Raad overweegt dat het gerechtshof Amsterdam in zijn meergenoemde uitspraak heeft gewezen op de vaste jurisprudentie van de Raad welke inhoudt dat voor het bestaan van een dienstbetrekking in de zin van de WAO een reële gezagsverhouding is vereist en dat in familieverhoudingen daarvan in het algemeen geen sprake is. Voorts overwoog het gerechthof onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de WAZ dat het niet verplicht verzekerd zijn krachtens de WAO meebrengt dat er verzekeringsplicht krachtens de WAZ is. Verder wees het gerechtshof op de op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, van de WAO vastgestelde regeling voor de directeur-grootaandeelhouder (dga) in het Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 1997, nr. SV/WV/97/5347, waarin onder andere is vastgelegd dat ook de bestuurder van een vennootschap waarvan tweederde van de aandelen wordt gehouden door bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad als dga wordt aangemerkt in de zin van de WAO. Vervolgens stelde het gerechtshof vast dat in dit geval in verband met de familie-verhoudingen betrokkene als dga heeft te gelden en dat zijn arbeidsverhouding niet wordt aangemerkt als dienstbetrekking in de zin van de WAO. De Raad kan de vennootschap dan ook niet volgen in haar in 5.2 weergegeven beperkte uitleg van de uitspraak van het gerechtshof en onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat de vennootschap, gegeven de familieverhoudingen in de sfeer van aandeelhoudersschap bij en zeggenschap in haar, niet als werkgever van betrokkene in de zin van de WAO dan wel de Wet WIA kan worden aangemerkt.

6.3.1. De Raad volgt niet het oordeel van de rechtbank dat de vennootschap uit anderen hoofde dan werkgeverschap een rechtstreeks bij het besluit van appellant van 28 april 2006 betrokken belang heeft in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6.3.2. De Raad overweegt daartoe dat in verband met hetgeen in 6.2 is overwogen in dit geding als vaststaand heeft te gelden dat de door de gemachtigde van de vennootschap gestelde overeenkomst op grond waarvan de vennootschap verplicht is tot loondoor-betaling aan betrokkene niet een arbeidsovereenkomst is in de zin van het BW. Daarnaar telefonisch op 24 september 2008 gevraagd door de griffier heeft de gemachtigde van de vennootschap ter zitting verklaard de gestelde overeenkomst tussen de vennootschap en betrokkene niet te hebben kunnen achterhalen. Niettemin uitgaande van het bestaan van een overeenkomst, niet zijnde een arbeidsovereenkomst, is de Raad van oordeel dat het besluit omtrent de eerste arbeidsongeschiktheidsdag wel van invloed is op de loondoor-betalingsverplichting van de vennootschap, maar dat hier geen sprake is van een rechtstreeks maar van een afgeleid belang. Anders dan in de door appellant genoemde en in 5.1.2 vermelde uitspraken van de Raad van 24 september 2002 op grond van de ZW is in dit geval immers de bron van de verplichting van de vennootschap niet gelegen in het samenstel van bepalingen op grond van de ZW en de regeling van de arbeidsover-eenkomst in het BW dan wel in enige andere wettelijke regeling die doorwerkt in de verplichtingen van de vennootschap ten opzichte van betrokkene maar uitsluitend in een overeen-komst tussen de vennootschap en betrokkene. Ten aanzien van deze overeenkomst houdt de Raad het, bij gebreke van een in dit geding overgelegd afschrift daarvan, ervoor dat het een specifieke overeenkomst van eigen aard betreft.

6.3.3. Ter zitting is nog ter sprake gekomen de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2006 (LJN: AV7535). In deze zaak werd geoordeeld dat een huisarts, die volgens de Afdeling in dit geval een belang heeft dat tegensteld is aan dat van het ziekenfonds, geen afgeleid maar een rechtstreeks belang heeft bij een besluit tot verlening voor het jaar 2004 van ontheffing op grond van de Ziekenfondswet aan een ziekenfonds van de verplichting overeenkomsten te sluiten ter zake van huisartsenzorg. De Raad ziet in deze uitspraak geen aanleiding voor een ander oordeel dan neergelegd in 6.3.1, omdat de wettelijke ontheffingsmogelijkheid volgens de Afdeling van invloed is op de kans dat het ziekenfonds alsnog een overeenkomst sluit met de betrokken huisarts. In zoverre is er naar het oordeel van de Raad geen wezenlijk verschil met de meergenoemde uitspraken van de Raad van 24 september 2002. In het verlengde van deze uitspraken gelegen moet ook worden beschouwd de ter zitting van de zijde van appellant vermelde uitspraak van de Raad van 30 mei 2008 (LJN: BD3797). Daarin werd een gemeente als voormalig overheidswerk-geefster als belanghebbende aangemerkt bij besluiten van het Uwv ten aanzien van de WAO-uitkeringen van haar voormalige werknemers omdat op grond van een algemeen verbindend voorschrift er een koppeling lag tussen de herziening van een WAO-uitkering naar een percentage lager dan 80% en de ingangsdatum en de duur van het wachtgeld. Tevens overwoog de Raad dat de situatie van de gemeente niet vergelijkbaar is met het geval van degene die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de arbeidsongeschiktheid dan wel de situatie van de particuliere verzekeraar, omdat de verplichtingen in die gevallen niet rechtstreeks worden beïnvloed door de besluitvorming over de WAO-uitkering. Gelet op de duiding van de overeenkomst tussen de vennootschap en betrokkene in 6.3.2 biedt ook deze uitspraak van de Raad derhalve geen aanknopings-punten voor het standpunt van de vennootschap.

7.1. Al hetgeen is overwogen in 6.2 t/m 6.3.3 leidt de Raad tot de slotsom dat appellant bij het bestreden besluit het bezwaar van de vennootschap terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit dient ongegrond te worden verklaard.

7.2. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van de vennootschap tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.C.A. Wit.