Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BG8452
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BG8452
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 07/1594 WIA
Datum uitspraak: 19-12-2008
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA
Essentie: Weigering WIA-uitkering onder de overweging dat appellant per einde wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De beperkingen zijn juist vastgesteld. Er is voldoende rekening gehouden met de psychische beperkingen. Er zijn geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 07/1594 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2007, 06/2710 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2008.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2008. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. J. Hut.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant is werkzaam geweest als agrarisch medewerker. Voor deze werkzaamheden is hij op 13 januari 2004 uitgevallen in verband met rug- en schouderklachten.

1.2. Bij besluit van 23 januari 2006 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen onder de overweging dat appellant per einde wachttijd (10 januari 2006) minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3. Bij besluit van 24 mei 2006 is het bezwaar tegen evenvermeld besluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
24 mei 2006, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - herhaald dat zijn medische beperkingen niet juist zijn vastgesteld omdat in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) geen rekening is gehouden met zijn psychische klachten. Volgens appellant bestonden deze al op de in geding zijnde datum maar zijn ze onopgemerkt gebleven tot enkele maanden daarna. In verband hiermee dienen alsnog beperkingen te worden aangenomen, waardoor de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet langer geschikt zullen zijn. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief overgelegd van zijn huisarts A.B. Gan van 3 augustus 2006, alsmede een brief van 26 maart 2007 van GZ-psycholoog M. Mudde, verbonden aan Riagg Rijnmond.

4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken van het bestaan van psychische klachten op de datum in geding. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant noch bij het aan het besluit van 23 januari 2006 ten grondslag liggend verzekeringsgeneeskundig onderzoek door arts A.J. Colijn, noch in zijn bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2006 en evenmin bij de bezwaarverzekeringsarts V.K. Ramautar op 17 mei 2006 melding heeft gemaakt van psychische klachten. Bovendien heeft Colijn naast een lichamelijk onderzoek een oriënterend onderzoek van de psyche verricht en in zijn rapport van 16 januari 2006 neergelegd dat dit geen afwijkingen vertoonde, terwijl hij ook voorts geen andere aanwijzingen vond voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Bezwaarverzekeringsarts Ramautar zag geen reden te twijfelen aan de conclusie van Colijn. Bij dit oordeel heeft Ramautar de door appellant op de hoorzitting ingediende medische informatie van de behandelend sector, waaronder een brief van appellants huisarts van 29 maart 2006, betrokken.

4.2.1. Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde brieven overtuigen de Raad er niet van dat de psychische klachten van appellant reeds bestonden op de datum in geding en tot beperkingen dienen te leiden. De bewoordingen van huisarts Gan zijn naar het oordeel van de Raad te vaag om daaruit af te leiden dat appellant al op 10 januari 2006 psychische klachten had. Immers het feit dat Gan appellant – zoals Gan stelt - sinds zijn start als huisarts per 1 januari 2006 een aantal keren op zijn spreekuur heeft gezien, alwaar hij zich met spannings-/stressklachten en lichamelijke klachten presenteerde, impliceert geenszins dat dit rond de datum in geding is geweest. De door de huisarts genoemde lichamelijke klachten zijn tussen partijen niet in geschil. Daarbij komt nog dat de huisarts in zijn brief van 29 maart 2006, op geen enkele manier rept van spannings-/stressklachten bij appellant, doch enkel van “wat kleine klachten” aan hand en pols en - uit zijn archief blijkende - rug- en schouderklachten.

4.2.2. Uit de brief van GZ-psycholoog Mudde blijkt dat appellant daar in juni 2006 - derhalve circa een half jaar na de datum in geding - in behandeling is gekomen. Weliswaar zouden de klachten volgens Mudde al drie jaar bestaan, doch naar het oordeel van de Raad brengt het enkele bestaan van klachten niet mee dat er ook sprake is van beperkingen die leiden tot arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

4.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2008.

(get.) J. Brand.

(get.) A.L. de Gier.