Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BH6434
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BH6434
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 07/6356 WIA en 07/6981 WIA
Datum uitspraak: 27-02-2009
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA
Essentie: Weigering WIA-uitkering. De Raad is van oordeel dat in twee van de drie geduide functies het niveau waarop en de mate waarin de betrokkene Nederlands moet kunnen lezen en schrijven zeer basaal is en vermag dan ook onder de in dit geval gegeven omstandigheden niet in te zien dat betrokkene op dit punt niet in staat kan worden geacht tot het vervullen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Het hoger beroep van het UWV slaagt.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 07/6356 WIA en 07/6981 WIA




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 november 2007, 07/508 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 27 februari 2009.




I. PROCESVERLOOP


Namens betrokkene heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo-Blerick, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld en inzake het hoger beroep van betrokkene een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. Verkoeijen een verweerschrift ingediend inzake het door het Uwv ingestelde hoger beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Verkoeijen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Betrokkene is op 18 augustus 1999 als gevolg van een bedrijfsongeval met beenletsel uitgevallen voor haar werk als inpakster.

1.2. Bij besluit van 27 september 2000 heeft het Uwv geweigerd aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat betrokkene na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 16 augustus 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

1.3. Betrokkene heeft zich op 29 oktober 2004 arbeidsongeschikt gemeld met schouderklachten vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet.

1.4. Verzekeringsarts T.P.M. Grubben heeft betrokkene naar aanleiding van haar aanvraag om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 17 oktober 2006 onderzocht en op dezelfde datum rapport uitgebracht. Zij heeft daarin gesteld dat betrokkene reeds meerdere jaren met beperkingen van de rechter enkel kampt, dat medisch gezien sprake is van een stabiele situatie doch dat betrokkene blijvend met enige beperkingen in belastbaarheid van de rechter enkel rekening dient te houden. Verder stelt zij vast dat betrokkene ruim een jaar geleden is geopereerd aan de rechter (dominante) schouder, waarbij betrokkene nog immer pijnklachten ervoer. Grubben, die beschikte over informatie van de huisarts K. Vanwersch, de orthopaed P.C. Willems en van de internist-hematoloog A. Koster, heeft geconcludeerd dat beperkingen zijn te stellen ten aanzien van belastbaarheid van rechter enkel en rechter schouder. Deze dienen beide zowel statisch als dynamisch niet evident zwaar belast te worden. Mits rekening wordt gehouden met de gestelde beperkingen is er in het kader van de Wet WIA geen medische indicatie om daarnaast een urenbeperking in passend werk te stellen. De beperkingen heeft Grubben vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 oktober 2006.

1.5. Vervolgens is door arbeidsdeskundige J.M. Tulmans na functieduiding zoals blijkt uit een rapport van 31 oktober 2006 het verlies van verdienvermogen berekend op 3,09%.

1.6. In overeenstemming met die conclusie heeft het Uwv bij besluit van 1 november 2006 geweigerd aan betrokkene een uitkering ingevolge van de Wet WIA toe te kennen onder overweging dat betrokkene per 27 oktober 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.7. In de bezwaarprocedure is bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen aanwezig geweest op de hoorzitting en heeft dossierstudie verricht. In zijn rapporten van 26 februari 2007 en 24 april 2007 heeft Tjen het onderzoek en de conclusies van Grubben onderschreven.

1.8. Arbeidsdeskundige Tulmans heeft in zijn rapport van 4 januari 2007 een nadere motivering van een aantal signaleringen gegeven. De bezwaararbeidsdeskundige P. Leentjens heeft in zijn rapport van 1 maart 2007 geconcludeerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies ook wat betreft het opleidingsniveau passend zijn te achten.

1.9. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 2 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) het door betrokkene tegen het besluit van 1 november 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak en verder bepalingen over griffierecht en proceskosten gegeven.

2.2. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit achtte de rechtbank onvoldoende gemotiveerd met het standpunt van het Uwv dat betrokkene zich ten tijde van de datum in geding wat betreft het werk- en denkniveau op het opleidingsniveau 2 bevond.

3.1. Betrokkene is in hoger beroep opgekomen tegen de verwerping door de rechtbank van de door haar tegen de medische grondslag van het bestreden besluit aangevoerde beroepsgronden. Voorts is betrokkene van mening dat de functie productiemedewerker industrie ten onrechte aan de schatting ten grondslag is gelegd, omdat zij niet voldoet aan een van de gestelde opleidingseisen, namelijk Nederlands kunnen schrijven.

3.2.1. Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende gemotiveerd is dat betrokkene op de datum in geding zich wat betreft werk- en denkniveau op opleidingsniveau 2 bevond.

3.2.2. Samengevat is door het Uwv het volgende betoogd. Een indicatie voor indeling in opleidingsniveau 2 is het volledig doorlopen van het basisonderwijs en eventueel enkele jaren vervolgonderwijs zonder diploma. Opleidingsniveau 2 betekent dat iemand moet kunnen lezen, schrijven en rekenen op eind-basisschoolniveau. Iemand moet eenvoudige gebruiksaanwijzingen of instructies kunnen lezen en moet kunnen delen/vermenigvuldigen. Vast staat dat betrokkene in Turkije het basisonderwijs heeft doorlopen en dat zij binnen een reïntegratietraject is begonnen aan een NT-2 cursus, inhoudende een training basisvaardigheden Nederlandse taal. Voorts is gegeven dat betrokkene sinds 1991 in Nederland verblijft en vanaf 1994 werkzaamheden als inpakster en productiemedewerkster heeft verricht. Op basis van de gevolgde opleiding en de opgedane werkervaring is het Uwv van mening dat voor de bepaling van het opleidingsniveau van betrokkene terecht is uitgegaan van niveau 2. Volwaardige beheersing van de Nederlandse taal op eind-basisschoolniveau is niet vereist.

3.2.3. Los van de vraag of betrokkene de Nederlandse taal op eind-basisschoolniveau beheerst, is het Uwv van mening dat betrokkene voldoet aan de in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van operator afbindmachine, coupeuse en productiemedewerker (draadbomen) gestelde (opleidings)eisen. Het gaat daarbij om eenvoudige productiematige werkzaamheden, waarbij lezen en schrijven van de Nederlandse taal op zeer basaal niveau plaatsvinden. Uit de functieomschrijvingen blijkt dat er in alle drie de functies mondelinge instructies worden gegeven. In de functie van productiemedewerker (draadbomen) ontvangt betrokkene ook schriftelijke instructies en dient zij haar werkzaamheden te administreren op een orderbon. Het Uwv acht het alleszins aannemelijk dat voor deze functie geen zodanig beroep op de Nederlandse taal wordt gedaan dat betrokkene daartoe niet in staat zou zijn. Onder deze omstandigheden kan het eventueel niet voldoen aan het vereiste opleidingsniveau geen beletsel vormen om de geduide functies op die grond als niet passend te beschouwen. Voor de juistheid van dat standpunt meent het Uwv steun te vinden in de uitspraken van de Raad van 2 november 2007 (LJN BB7575), 2 oktober 2007 (LJN BB6884) en 15 augustus 2007 (LJN BB1909).

3.3. Betrokkene betwist dat zij over opleidingsniveau 2 beschikt. Ook het ontvangen van mondelinge instructies in het Nederlands en het - zo begrijpt de Raad - in onvoldoende mate Nederlands kunnen schrijven vormen belemmeringen voor het uitoefenen van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies.

4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van betrokkene door een zorgvuldig medisch onderzoek door verzekeringsarts Grubben zijn vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts Tjen heeft de FML van 17 oktober 2006 onderschreven. Betrokkene heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd en geen argumenten aangedragen die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht de medische onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven.

4.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.

4.2.1. De schatting berust op de functies operator afbindmachine (sbc-code 11174), coupeuse (sbc-code 272043) en productiemedewerker (draadbomen) (sbc-code 111180). Deze functies vereisen opleidingsniveau 2.

4.2.2. De Raad acht door bezwaararbeidsdeskundige Leentjens in zijn rapport van 1 maart 2007 voldoende toegelicht waarom het opleidingsniveau van betrokkene op niveau 2 is gesteld. Bij dit niveau hoort dat betrokkene moet kunnen lezen, schrijven en rekenen op eind-basisschoolniveau, bijvoorbeeld het lezen van een eenvoudige gebruiksaanwijzing of instructie, delen en vermenigvuldigen. Een indicatie daarvoor is het volledig doorlopen van de basisschool en eventueel enkele jaren vervolgonderwijs zonder diploma. Betrokkene heeft in Turkije het basisonderwijs gevolgd. Zij heeft geen vervolgonderwijs genoten. Zij heeft echter wel de NT2-cursus, een training basisvaardigheden en Nederlandse les gevolgd. Voorts is van belang dat betrokkene van juni 1994 tot augustus 1999 als inpakster heeft gewerkt. Al met al is de Raad er niet van overtuigd kunnen raken dat het opleidingsniveau 2 voor betrokkene te hoog is vastgesteld.

4.2.3. De Raad is voorts van oordeel dat betrokkene moet worden geacht over een voldoende mondelinge beheersing van de Nederlandse taal te beschikken om te kunnen voldoen aan de mondelinge instructies in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

4.2.4. Wat betreft de passendheid van de functies gelet op de daaraan aan het lezen en schrijven van de Nederlandse taal gestelde eisen, overweegt de Raad als volgt. In twee van de drie geduide geduide functies, te weten de functies operator afbindmachine (sbc-code 11174) en productiemedewerker industrie (draadbomen) (sbc-code 111180) wordt zoals blijkt uit de Arbeidsmogelijkhedenlijst en/of het Resultaat Functiebeoordeling enige lees- en schrijfvaardigheid vereist. In eerstgenoemde functie is het lezen en schrijven beperkt tot het lezen van werkopdrachten, waarbij eventueel een mondelinge toelichting van de ploegchef, en het intoetsen van snijlengtes op het toetsenbord op de machine. In de tweede functie is het lezen en schrijven beperkt tot het verwerken van de uitgevoerde werkzaamheden op de orderbon. De Raad is van oordeel dat in beide genoemde functies het niveau waarop en de mate waarin de betrokkene Nederlands moet kunnen lezen en schrijven zeer basaal is en vermag dan ook onder de in dit geval gegeven omstandigheden niet in te zien dat betrokkene op dit punt niet in staat kan worden geacht tot het vervullen van de aan de schatting ten grondslag functies.

5. Uit wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.2.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. Daarentegen slaagt het door het Uwv ingestelde hoger beroep wel. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit dient ongegrond te worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) R.L. Rijnen.