Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BJ7039
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7039
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/4208 WIA
Datum uitspraak: 04-09-2009
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA / 7:12, 8:72 en 8:75 Awb
Essentie: Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het UWV bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant zijn beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek heeft onderschat. Het enkele feit dat de bedrijfsarts, zoals appellant heeft gesteld, in de (kritische) FML aanzienlijk meer beperkingen heeft aangenomen dan in de door de (bezwaar)verzekeringsarts opgestelde FML, leidt de Raad niet tot het oordeel dat de FML door het UWV onjuist is vastgesteld. Nu het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een toereikende onderbouwing is voorzien, bestaat er aanleiding dat besluit en de aangevallen uitspraak te vernietigen, zij het onder instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/4208 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 juni 2008, 07/1345 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 september 2009.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 31 december 2008 heeft het Uwv rapporten ingediend van bezwaarverzekeringsarts J.C.H. Schnitger-Horsthuis (hierna: de bezwaarverzekeringsarts) en bezwaararbeidsdeskundige J.G. Schipper (hierna: de bezwaararbeidsdeskundige), achtereenvolgens van 22 en 23 december 2008.

Bij brief van 4 februari 2009 heeft mr. Severijn een rapport van Arboned van 22 juni 2006 ingediend.

De bezwaarverzekeringsarts heeft op 2 maart 2009 hierop gereageerd.

Bij brief van 8 juni 2009 heeft mr. Severijn een rapport van neurologe/verzekeringsgeneeskundige E.F. Schreuder van 25 augustus 1989 en een zogeheten belastbaarheidspatroon van 23 november 1989 ingediend.

De bezwaarverzekeringsarts heeft op 1 juli 2009 hierop gereageerd.

Desgevraagd heeft de bezwaarbeidsdeskundige in zijn rapport van 2 juli 2009 een nadere toelichting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2009. Appellant en zijn gemachtigde mr. Severijn zijn verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. B.R.H. Barendregt.




II. OVERWEGINGEN


1. Voor een nadere uiteenzetting van de voor in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2. Het Uwv heeft bij besluit van 1 december 2006 aan appellant meegedeeld dat geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat appellant per 9 oktober 2006 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

3. Bij besluit van 2 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 1 december 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

5. Appellant voert in hoger beroep aan dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische beperkingen. Verder bevat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) een aantal beperkende toelichtingen. Appellant acht zich niet in staat de door het Uwv geselecteerde functies, die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, te vervullen.

6. De Raad oordeelt als volgt.

6.1. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant zijn beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek heeft onderschat. Naar het oordeel van de Raad hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv in hun rapporten van 19 oktober 2006 en 1 mei 2007, in voldoende mate rekening gehouden met de klachten en beperkingen van appellant. In de in bezwaar aangepaste FML van 7 mei 2007 zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Het enkele feit dat de bedrijfsarts, zoals appellant heeft gesteld, in de (kritische) FML van 1 juni 2006 aanzienlijk meer beperkingen heeft aangenomen dan in de door de (bezwaar)verzekeringsarts opgestelde FML, leidt de Raad niet tot het oordeel dat de FML door het Uwv onjuist is vastgesteld. In de eerste plaats is het de uitsluitende taak van de verzekeringsarts om de beperkingen van een verzekerde in kaart te brengen en vast te leggen in een FML en is de verzekeringsarts daarbij niet gehouden tot een bijzondere motivering in het geval deze vastlegging een andere uitkomst heeft dan een door de bedrijfsarts ingevuld exemplaar van de FML. Voorts wijst de Raad erop dat aan de door de bedrijfarts ingevulde FML elke onderbouwing ontbreekt. Ten slotte kan er niet aan worden voorbijgegaan dat deze FML is opgesteld teneinde de reintegratiemogelijkheden van appellant in kaart te brengen, dus met een ander doel dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de wet WIA.

6.2. Van aanknopingspunten dat appellant als gevolg van zijn rugklachten meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen, is de Raad niet gebleken.

6.3. Hetzelfde geldt voor de gestelde neurologische klachten. Ter onderbouwing van deze klachten verwijst appellant naar een aantal door hem in beroep in het geding gebrachte gegevens, meer in het bijzonder een rapport van (neuro)psychiater J. Wiersma van 16 april 2008 en een verslag van een bij appellant op 28 november 2007 afgenomen neuropsychologisch onderzoek. Bij dit onderzoek zijn aanwijzingen gevonden voor lichte cognitieve beperkingen. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 23 april 2008 overtuigend gemotiveerd dat uit deze aanwijzingen, gelet op de beschreven incongruente testresultaten, vooralsnog geen duidelijke conclusies voor de belastbaarheid van appellant ten tijde van de datum in geding kunnen worden getrokken. De Raad voegt daaraan nog toe dat in het verslag van dat onderzoek is vermeld dat appellant weinig gemotiveerd was om een zo goed mogelijke prestatie neer te zetten. Ten slotte heeft de bezwaarverzekeringsarts erop gewezen dat het ziektebeeld van appellant na de datum in geding is verergerd door complicerende factoren en dat met betrekking tot die datum in geding is uitgegaan van de in bezwaar op 10 april 2007 door psychiater J.G.G. Prick verrichte expertise. Dit is door appellant niet weersproken.

6.4. Uit de FML komt naar voren dat appellant niet beperkt wordt geacht wat betreft hand- en vingergebruik. Appellant is het daarmee niet eens. In het verleden heeft hij fijt gehad, zo is vermeld in het in rubriek I van deze uitspraak genoemde rapport van neurologe/verzekeringsgeneeskundige Schreuder. Dit heeft geleid tot een blijvende aantasting van het spierweefsel. Ook zijn de vingers van zijn rechter hand gevoelloos na een fietsongeval. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapporten van 22 december 2008 en 1 juli 2009 overtuigend beargumenteerd waarom het hand- en vingergebruik van appellant niet beperkt is.

6.5. Wat betreft de gestelde klachten als gevolg van de angina pectoris overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 22 december 2008 er op heeft gewezen dat bij onderzoek door verzekeringsarts R.W. van Hes in 2007 naar voren is gekomen dat appellant alleen last heeft van angina pectoris bij spanningen. Daarvoor gebruikt hij eens per maand een spray. Klachten over angina pectoris bij lopen of trappen lopen heeft appellant niet gemeld. Naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts is er dan ook geen reden om appellant hiervoor op datum in geding beperkt te achten. Nu appellant zijn stelling niet nader heeft onderbouwd met objectief medische gegevens, acht de Raad deze toelichting van de bezwaarverzekeringsarts overtuigend.

7. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit oordeelt de Raad als volgt.

7.1. Met betrekking tot hetgeen in de FML van 7 mei 2007 is vermeld bij item 5.5 (geknield of gehurkt actief zijn: 0 normaal, kan tenminste 5 minuten achtereen geknield of gehurkt actief zijn (tuinieren); toelichting verzekeringsarts: niet veel meer) en item 5.6 (gebogen en/of getordeerd actief zijn: 0 normaal, kan tenminste 5 minuten achtereen gebogen en/of getordeerd actief zijn (stoep vegen); toelichting verzekeringsarts: niet veel meer) overweegt de Raad dat hiermee is aangegeven dat appellant niet méér beperkt wordt geacht dan hetgeen waarmee hij overeenkomstig de normaalwaarde kan worden belast. De normaalwaarde geldt hier als bovengrens van de belastbaarheid. Aldus is van een verborgen beperking geen sprake, zoals door appellant gesteld en door het Uwv bij verweer terecht weersproken. De Raad verwijst ook naar rechtsoverweging 4.3 van zijn uitspraak van 19 december 2008 (LJN BG8422) en rechtsoverweging 4.4.2 van zijn uitspraak van 29 april 2009 (LJN BI3530).

7.2. In hoger beroep heeft het Uwv zich nader op het standpunt gesteld dat in het overleg tussen de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige is komen vast te staan dat de functie van chauffeur bijzonder vervoer (sbc-code 282101) niet passend is voor appellant vanwege het medicijngebruik. Aldus zijn aan het bestreden besluit de functies van wikkelaar (sbc-code 267050), productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043), elektronica monteur (sbc-code 267040) ten grondslag gelegd, met als reservefunctie de productiemedewerker industrie (sbc-code 111180). In zijn rapport van 23 december 2008 heeft de bezwaarbeidsdeskundige berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding 26,8% is, derhalve minder dan 35%, hetgeen niet afwijkt van het primaire besluit.

7.3. Met betrekking tot hetgeen in de FML van 7 mei 2007 is vermeld bij item 4.12 (torderen: 0 normaal, kan de romp tenminste 45 graden draaien (achterom kijken op de fiets; voorin zittend een tas van de achterbank van de auto pakken); toelichting verzekeringsarts: niet zwaar belast) kan aan appellant worden toegegeven dat deze toelichting niet nauwkeurig is omlijnd. Niet duidelijk is wanneer wel en wanneer geen sprake is van "niet zware belasting". Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 2 juli 2009 toereikend gemotiveerd dat de uiteindelijk aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies - met dien verstande dat daartoe in verband met het in overweging 7.2 vermelde rapport van 23 december 2008 niet meer behoort de functie chauffeur bijzonder vervoer - de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. Uit dit rapport komt immers naar voren dat het torderen wordt gecombineerd met een geringe tilbelasting (variërend van 1 tot ten hoogste 4 kilogram). Ook overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan dat de in aanmerking genomen functies niet passend zijn voor appellant.

8. Nu het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een toereikende onderbouwing is voorzien, bestaat er aanleiding dat besluit en de aangevallen uitspraak te vernietigen, zij het onder instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

9. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve
€ 1.288,-




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-, wat betreft het hoger beroep te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.E. van Rooij.