Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BK5635
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BK5635
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 07/6520 WIA
Datum uitspraak: 01-12-2009
Wetsartikelen: artt. 4, 29, 30 en 39 Wet WIA / 1:3 Awb
Essentie: Procesbelang. De in geding zijnde re-integratievisie is naar het oordeel van de Raad op rechtsgevolg gericht, zodat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat deze niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat betrokkene niet kan worden ontvangen in zijn bezwaar. Terechte afwijzing IVA-uitkering.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/6520 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 oktober 2007, 07/604 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 1 december 2009.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.S. Brolsma, advocaat te Groningen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2009, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E. van Onzen. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 6 december 2006 heeft appellant vastgesteld dat betrokkene met ingang van 12 december 2006 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA).

1.2. Bij brief van 4 december 2006 heeft appellant betrokkene mededeling gedaan van de ten behoeve van hem opgestelde re-integratievisie van diezelfde datum.

2. De door betrokkene tegen het besluit van 6 december 2006 en de re-integratievisie van 4 december 2006 gemaakte bezwaren heeft appellant bij besluit van 27 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de re-integratievisie, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en - kennelijk met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf voorziend in de zaak - het bezwaar tegen de re-integratievisie van 4 december 2006 niet-ontvankelijk verklaard en zij heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat deze re-integratievisie niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zij is van oordeel dat in de re-integratievisie in het geheel geen actuele verplichtingen voor betrokkene zijn opgenomen en het derhalve geen handeling is die is gericht op rechtsgevolg.

4.1. In hoger beroep heeft appellant gemotiveerd gesteld dat een re-integratievisie als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb dient te worden aangemerkt nu die visie een op de individuele betrokkene gerichte, partijen bindende, concretisering van de wettelijke rechten en verplichtingen in het kader van de re-integratie betreft. Uit een oogpunt van rechtsbescherming acht appellant het gewenst dat een re-integratievisie steeds, ook als deze in een bepaald geval geen (duidelijke) concretisering van wettelijke rechten en verplichtingen bevat, is aan te merken als een besluit waartegen bezwaar openstaat. Appellant heeft verder uiteengezet dat en waarom het oordeel van de rechtbank dat de onderhavige re-integratievisie niet is gericht op rechtsgevolg onjuist is.

4.2. In verweer is er namens betrokkene op gewezen dat het standpunt dat appellant thans inneemt niet overeenkomt met het door de gemachtigde van appellant ter zitting van de rechtbank ingenomen standpunt, hetgeen in strijd is met het vertrouwensbeginsel en de zorgvuldigheid en tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep zou moeten leiden. Verder is naar de opvatting van betrokkene het dagloon onjuist berekend.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank, gehouden op 4 oktober 2007, blijkt dat appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat appellant een re-integratievisie als hier in geding als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb beschouwt. Desgevraagd heeft appellant de rechtbank eveneens meegedeeld geen actuele rechtsgevolgen voor betrokkene te kunnen vermelden. De Raad stelt vast dat het standpunt dienaangaande van appellant dus niet van dubbelzinnigheid was ontbloot. Dit enkele gegeven is echter geen grond om te oordelen dat aan appellant het recht is komen te ontvallen in hoger beroep te komen van de aangevallen uitspraak op de grond dat de rechtbank de in geding zijnde handeling van appellant ten onrechte niet als een besluit in de voormelde zin heeft beschouwd.

5.2. Nu betrokkene heeft berust in de aangevallen uitspraak en het hoger beroep van appellant zich uitsluitend richt tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep met betrekking tot de re-integratievisie gegrond is verklaard, is de omvang van het geding beperkt tot dit onderdeel van het bestreden besluit. Betrokkenes grief omtrent het dagloon kan, als vallend buiten de grenzen van dat onderdeel, daarom niet aan de orde komen.

5.3. De Raad stelt, met verwijzing naar zijn uitspraak van 10 december 2008, LJN BG8911, voorop dat een re-integratievisie als de onderhavige een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb in zoverre daarin de uitwerking van de uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van betrokkene is vastgelegd. Naar het oordeel van de Raad is dit niet anders in het geval in een re-integratievisie als de onderhavige, waarin de betrokkene (vooralsnog) wordt ontheven van de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30, aanhef en onder b, van de Wet WIA op hem rustende verplichting in voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen. In zoverre is de in geding zijnde re-integratievisie naar het oordeel van de Raad op rechtsgevolg gericht, zodat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat deze niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat betrokkene niet kan worden ontvangen in zijn bezwaar. Het hoger beroep van appellant slaagt dan ook. De aangevallen uitspraak kan, voor zover aangevochten, niet in stand blijven.

5.4. De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. In aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

5.5. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit beoordelen in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

5.6. Betrokkene betoogt in hoofdzaak dat hij op medische gronden niet in staat is arbeid te verrichten en dat hem om die reden ten onrechte geen uitkering op grond van de IVA (Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten) is toegekend, zodat re-integratie niet aan de orde is. Dit betoog slaagt niet. In de eerste plaats moet de Raad - gezien de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot de rechtmatigheid van het besluit omtrent de WGA-uitkering - uitgaan van de juistheid van dat besluit. Daarmee is in rechte onaantastbaar geworden dat betrokkene terecht geen IVA-uitkering is verleend. Ten tweede heeft appellant in het hier in geding zijnde besluit juist beslist dat betrokkene niet aan een integratietraject wordt onderworpen. De desbetreffende stelling van betrokkene mist daarom doel.

5.7. Hetgeen onder 5.2 tot en met 5.6 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt en dat het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre ongegrond moet worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende;

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep in zoverre ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.