Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BK6380
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BK6380
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 09/3067 WIA
Datum uitspraak: 10-12-2009
Wetsartikelen: artt. 4, 5, 6 en 54 Wet WIA
Essentie: Toekenning WGA-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45 tot 55%. Juiste vaststelling van de FML. Aan het begrip ADL-afhankelijk wordt een strikte betekenis toegekend. Iemand is ADL-afhankelijk als hij bijvoorbeeld niet zelfstandig kan eten, drinken en zich kan wassen en aankleden. Van een dergelijke situatie is bij appellante geen sprake. De Raad onderschrijft het oordeel van het UWV en van de rechtbank dat van een situatie van "geen duurzaam benutbare mogelijkheden" geen sprake is. Appellante heeft met de voor haar geldende beperkingen nog benutbare mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Daarom is aan haar op goede gronden een WGA-uitkering toegekend en geen IVA-uitkering.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 09/3067 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2009, 07/3025 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 december 2009




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2009.Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Meijer.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante is op 20 april 2005 uitgevallen voor haar functie van kantoorondersteuner en koffiejuffrouw vanwege vermoeidheid en pijnklachten. De verzekeringsarts P. Dienske heeft appellante op zijn spreekuur van 29 maart 2007 onderzocht en een dossierstudie verricht. Hij heeft als diagnose gesteld: fibromyalgie, sarcoïdose (ziekte van Besnier Boeck, deels in remissie), status na operatie mammacarcinoom en adipositas. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld met psychische en lichamelijke beperkingen en voorts een beperking in het aantal te werken uren van gemiddeld ongeveer 4 uur per dag, 20 uur per week. Met inachtneming van die beperkingen heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd die voor appellante geschikt worden geacht. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een mate van arbeidsongeschiktheid van 50%.

1.2. Bij het besluit van 25 april 2007 heeft het Uwv aan appellante ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA) na afloop van de voor haar geldende wachttijd, met ingang van 2 mei 2007 een WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45 tot 55%.

1.3. Namens appellante is tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij het besluit van 4 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Daarbij is overwogen dat appellante naar aanleiding van haar bezwaarschrift op 4 oktober 2007 tijdens de hoorzitting is gezien door de bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek. Bij die gelegenheid was ook de bedrijfsarts aanwezig. Van Glabbeek heeft informatie opgevraagd bij de internist-oncoloog M.M. Geenen. De bezwaarverzekeringsarts heeft het oordeel van de primaire verzekeringsarts gevolgd. Een dusdanig ernstige situatie dat er sprake zou kunnen zijn van "niet benutbare mogelijkheden", is volgens de rechtbank niet aan de orde. Er is immers geen sprake van een ziekenhuisopname, chronische bedlegerigheid, afhankelijkheid bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) of een onvermogen tot basaal persoonlijk functioneren. Dat betekent dat de benutbare mogelijkheden in kaart moeten worden gebracht zoals weergegeven in de FML. Uit de informatie van de internist-oncoloog komt naar voren dat de sarcoïdose al lange tijd niet meer actief is en dat er geen controleafspraken met appellante zijn gemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts alle beschikbare medische informatie bij de beoordeling heeft betrokken, ook het standpunt van de bedrijfsarts. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat voldoende is toegelicht dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante.

3.1. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat er discrepanties zijn tussen de bevindingen van de bedrijfsarts en de artsen van het Uwv. De bedrijfsarts heeft appellante gedurende twee jaar intensief begeleid, waardoor deze een goed beeld heeft van de situatie van appellante. Volgens de bedrijfsarts heeft appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Bij haar is wel degelijk sprake van adl-afhankelijkheid. Zij heeft hulp in de huishouding voor het koken, schoonmaken en het halen van boodschappen. Omdat appellante die activiteiten niet meer zelfstandig kan verrichten is daarmee de adl-afhankelijkheid gegeven. De bedrijfsarts heeft op 2 februari 2007 een FML opgesteld met een urenbeperking van 2 uur per dag. Volgens appellantes gemachtigde had de rechtbank een deskundige moeten benoemen.

3.2. Namens appellante is ook het standpunt ingenomen dat zij in aanmerking dient te komen voor een uitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA), bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet WIA. Zij hoeft dan niet te solliciteren. Aangevoerd is dat het Uwv ten onrechte heeft aangenomen dat appellante gedeeltelijk arbeidsgeschikt is en dus niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie of een medische situatie waarbij op langere termijn een geringe kans op herstel bestaat. Volgens appellantes gemachtigde is het Uwv uitgegaan van een kans op herstel zonder te motiveren waarom verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht.

3.3. Kort voor de behandeling ter zitting van de Raad is nog een brief ingezonden van dr. J.A. Vollebregt, stafarts revalidatie, verbonden aan het Jan van Bremen instituut te Amsterdam. Zij schrijft aan de huisarts dat zij appellante op 13 juli 2009 heeft gezien in verband met persisterende pijn. Zij heeft een anamnese afgenomen en geeft een beschrijving van het door haar verrichte onderzoek. Geconcludeerd wordt dat appellante lijdt aan een chronisch gegeneraliseerd pijnsyndroom dat voldoet aan de criteria van fibromyalgie. Appellante is beperkt ten aanzien van somatisch, maatschappelijk en psychisch functioneren. Er is op dit moment geen indicatie voor revalidatiebehandeling.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Het enkele feit dat de bedrijfsarts in de door hem opgestelde FML aanzienlijk meer beperkingen heeft aangenomen dan in de FML die door de verzekeringsarts is opgesteld, leidt de Raad niet tot het oordeel dat de FML door het Uwv onjuist is vastgesteld. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 4 september 2009, LJN: BJ7039, is het de uitsluitende taak van de verzekeringsarts om de beperkingen van verzekerden in kaart te brengen en vast te leggen in een FML en is de verzekeringsarts daarbij niet gehouden tot een bijzondere motivering in het geval deze vastlegging een andere uitkomst heeft dan een door de bedrijfsarts ingevuld exemplaar van de FML. Ook heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat er niet aan kan worden voorbijgegaan dat een door de bedrijfsarts opgestelde FML bedoeld is om de re-integratiemogelijkheden van de betrokkene in kaart te brengen, dus met een ander doel dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. Uit de onder 3.2 genoemde brief van de stafarts revalidatie Vollebregt kan niet worden afgeleid dat in de door de verzekeringsarts opgestelde FML meer beperkingen moeten worden aangenomen. De Raad ziet dan ook, evenmin als de rechtbank, aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.2. Ten aanzien van de grief dat er bij appellante sprake is van adl-afhankelijkheid, onder andere omdat zij niet zelfstandig boodschappen kan doen, overweegt de Raad het volgende. Aan het begrip adl-afhankelijk wordt een strikte betekenis toegekend. Iemand is adl-afhankelijk als hij bijvoorbeeld niet zelfstandig kan eten, drinken en zich kan wassen en aankleden. Van een dergelijke situatie is bij appellante geen sprake. De Raad onderschrijft het oordeel van het Uwv en van de rechtbank dat van een situatie van “geen duurzaam benutbare mogelijkheden” geen sprake is.

4.3. Om voor een IVA-uitkering in aanmerking te komen moet de verzekerde zowel volledig als duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Zoals vermeld onder 3.2 heeft appellante gesteld dat het Uwv ten onrechte heeft aangenomen dat er kans is op herstel. De Raad ziet in de stukken echter geen aanknopingspunten voor de juistheid van die stelling. De beperkingen hebben betrekking op de situatie op de in geding zijnde datum 2 mei 2007, waarmee niets is gezegd over toekomstige ontwikkelingen in de gezondheidssituatie van appellante. Ook als wordt aangenomen dat de beperkingen duurzaam zijn, moet evengoed aan de eis van volledige arbeidsongeschiktheid worden voldaan. Aan de laatstgenoemde eis wordt niet voldaan, omdat appellante met de voor haar geldende beperkingen nog benutbare mogelijkheden heeft op de arbeidsmarkt. Daarom is aan haar op goede gronden een WGA-uitkering toegekend en geen IVA-uitkering.

4.4. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) A.C.A. Wit.