Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BK6471
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BK6471
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 09/778 WIA
Datum uitspraak: 11-12-2009
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA
Essentie: Weigering WIA-uitkering. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht de door haar ingeschakelde deskundige heeft gevolgd. Er is geen reden om aan te nemen dat er gebreken kleven aan het onderzoek of de conclusies die uit het onderzoek voortkomen. De Raad is daarnaast van oordeel dat de rechtbank terecht geen deskundige op het gebied van fibromyalgie heeft benoemd. De Raad overweegt dat de bedrijfsarts niet kenbaar heeft gemaakt waar zij haar conclusies in de FML op baseert. Het is niet de specifieke taak en deskundigheid van een bedrijfsarts (zoals die dat wel is voor een verzekeringsarts) om een dergelijke lijst in te vullen.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 09/778 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2008, 07/2310 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 december 2009.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 16 oktober 2009, waar partijen niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat er voor appellante per 8 januari 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante is primair in staat geacht haar eigen werk als inpakster te verrichten. Subsidiair zijn er functies geduid waarmee appellante een verlies aan verdiencapaciteit heeft van minder dan 35%.

1.2. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 juni 2007 ongegrond verklaard.

2.1. Op verzoek van de rechtbank heeft psychiater E.F. van Ittersum appellante onderzocht en zijn bevindingen in een rapport van 3 juni 2008 vastgelegd. Van Ittersum heeft zich voor wat betreft de psychische aspecten kunnen verenigen met de conclusies van de verzekeringsarts zoals die zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 januari 2007. Van Ittersum heeft appellante geschikt geacht voor haar eigen werk alsmede voor de geduide functies. Wel heeft Ittersum de rechtbank geadviseerd betrokkene te laten onderzoeken door een onafhankelijke deskundige op het gebied van fibromyalgie.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 juni 2007 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat het onderzoek van de deskundige niet op zorgvuldige en juiste wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank volgt dan ook de conclusie van Van Ittersum dat appellante op de in geding zijnde datum in staat was haar eigen werk te verrichten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een deskundige op het gebied van fibromyalgie in te schakelen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het rapport van de deskundige niet eenduidig en consistent is en dat de rechtbank ten onrechte geen fibromyalgie deskundige heeft benoemd. Appellante verzoekt de Raad een dergelijke deskundige in te schakelen. Appellante beroept zich voorts op een Functie- en mogelijkhedenlijst van 4 juni 2007 die is ingevuld door een bedrijfsarts. Hieruit blijkt, naar de mening van appellante, dat zij veel meer beperkt is dan in de FML is aangenomen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht de door haar ingeschakelde deskundige heeft gevolgd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat er gebreken kleven aan het onderzoek of de conclusies die uit dat onderzoek voortkomen. De Raad is daarnaast van oordeel dat de rechtbank terecht geen deskundige op het gebied van fibromyalgie heeft benoemd. In het dossier bevinden zich voldoende gegevens waarop de bezwaarverzekeringsarts zich voor wat betreft de uit de fibromyalgie voortvloeiende de beperkingen op heeft kunnen baseren zoals informatie van de huisarts en de reumatoloog. Die gegevens waren bij de bezwaarverzekeringsarts bekend en zijn meegewogen bij de beoordeling. De Raad ziet dan ook geen reden het verzoek van appellante een deskundige te benoemen in te willigen.

4.3. Voorts overweegt de Raad dat aan de Functie- en mogelijkhedenlijst van 4 juni 2007, waarin appellante op vrijwel alle onderdelen sterk tot maximaal beperkt wordt geacht, niet de waarde gehecht kan worden die appellante daaraan gehecht wenst te zien. De Raad overweegt hiertoe dat de bedrijfsarts niet kenbaar heeft gemaakt waar zij haar conclusies op baseert. Het is bovendien niet de specifieke taak en deskundigheid van een bedrijfsarts (zoals die dat wel is voor een verzekeringsarts) om een dergelijke lijst in te vullen.

5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.